Hoofdstuk 39
Ik bracht kerstochtend in de televisiekamer van mijn vader door – op de bank, in een oude katoenen pyjama die ik in mijn kast had gevonden, met daarover een van mijn vaders zijden kamerjassen. It’s a Wonderful Life werd uitgezonden, maar omdat mijn leven niet meer zo heel erg geweldig was, had ik geen zin om daarnaar te kijken. In plaats daarvan keek ik naar een oude kerstspecial van de serie Vicar of Dibley, gevolgd door de in 1999 gemaakte televisieversie van A Christmas Carol met Richard E. Grant en Patrick Stewart in de hoofdrollen als Cratchit en Scrooge. ‘In één enkele nacht werd hij geconfronteerd met zijn verleden, heden en toekomst,’ luidde de aankondiging van de presentatrice, ‘en de beelden bleven hem achtervolgen.’ En dat voelde als de perfecte samenvatting van mijn eigen leven op dat moment.
Na afloop van de film wandelde ik op kousenvoeten over de marmeren gang naar de keuken en at een beetje van de ‘op traditionele wijze gerijpte Schotse Gravad Lax Zalm met een romige saus van mosterd en dille’ van Marks & Spencer die Norma voor me had gekocht. Ik schoof de kant-en-klaarschotel van pastinaken met een dressing van wilde bloesemhoning en mosterdzaad in de oven, en terwijl ik wachtte tot het maal warm was, at ik alle exemplaren van witte chocolade uit een grote doos Belgische bonbons. Zelfs met de televisie keihard aan was het nog akelig stil in huis. Ik begon me af te vragen of ik ja had moeten zeggen toen mijn vader had gevraagd of ik zin had om met hem, Norma en mijn aanstaande stiefbroers mee te gaan naar Marbella. De gedachte aan een verblijf in een luxehotel en de Spaanse zon was onvoorstelbaar verleidelijk geweest. Maar iets had me ervan weerhouden om ja te zeggen. Ik had mijn vader nog niets van de baby verteld, en het leek me geen goed idee om in mijn badpak – zelfs niet in mijn zwarte Speedo Chi Tank met ingebouwde steunbeha en buikelastiek – voor hem heen en weer te paraderen. Daarbij kwam dat ik er, na zo lang met zo veel vreemden dicht opeen in de gevangenis te hebben gezeten, eigenlijk een enorme behoefte aan had om een poosje alleen te zijn.
Clarissa, die zich zorgen om mij maakte, had me bij herhaling gesmeekt om naar Primrose Hill te komen. Ze was druk bezig met de voorbereidingen voor haar kerstlunch voor vijftien mensen, maar hoeveel ik ook van James en de kinderen hield, ik voelde er toch niets voor om met een andere familie Kerstmis te moeten vieren. En bovendien was ik helemaal niet in een blije stemming, zodat ik toch alleen maar een domper op de feestvreugde zou hebben gezet, en ik had er al helemaal geen behoefte aan om Clarissa’s moeder onder ogen te moeten komen. Dertig jaar nadat ze opmerkingen over mijn bedenkelijke afkomst had gemaakt, had ze nog gelijk gekregen ook.
‘Ik kan het je niet kwalijk nemen dat je geen zin in haar hebt,’ had Clarissa gezegd, toen ze op kerstavond had gebeld. ‘James ziet haar als puur gif, en zelf had ik ook liever niet gehad dat ze kwam. En de meisjes denken er al net zo over. Toe lieverd, zou je je niet alsnog bedenken?’
‘Nee, ik blijf bij mijn besluit,’ zei ik. ‘Ik vermaak me best. Ik wil gewoon alleen zijn.’
Maar zó helemaal alleen was ik nu ook weer niet, en dat wist ze heel best, want dat was aan haar te danken – al was het nog maar de vraag in hoeverre ‘danken’ het juiste woord was.
Drie dagen tevoren, vlak nadat mijn vader naar het vliegveld was vertrokken, was ze in haar oude Volvo als een gek toeterend op de oprit verschenen. Ik was, even dik en sloom als ik me voelde, in mijn pyjama met mijn jas erover naar buiten gesloft. ‘Hoi! Wat kom jíj hier doen?’ had ik gevraagd. ‘En wat heb je daar in je auto?’
‘Je kerstcadeautje, lieverd,’ had ze nogal zenuwachtig gezegd. ‘Het spijt me dat het een paar dagen te vroeg moest zijn en dat er geen gezellig papiertje omheen zit.’
Ik had naar het kopje gekeken dat verlangend uit het achterraampje keek. Het had de onzekere uitdrukking van een kleine bruin met witte jackrussell, met platliggende oortjes en verdrietige, zwarte oogjes. En het volgende moment was ik in woede ontstoken. ‘Je kunt dat beest meteen weer meenemen,’ riep ik tegen Clarissa. ‘Ik wil hem niet hebben.’
‘Het is een teefje en ze heet Molly,’ had Clarissa na een korte aarzeling gezegd. ‘En voordat je mij en haar wegstuurt, Annie, vind ik dat je eerst met haar zou moeten kennismaken, dat je mijn verhaal zou moeten aanhoren en dat je niet zo ondankbaar zou moeten zijn.’
‘Snap je het dan niet? Ik wil geen andere hond!’ Ik moest me beheersen om niet te schreeuwen.
Clarissa had me stilzwijgend aangekeken. Toen had ze haar kin uitdagend in de lucht gestoken en het achterportier van de auto opengetrokken. ‘Kom op, Molly,’ had ze gezegd. ‘Hier mag je uitstappen.’ De jackrussell liep langzaam naar de rand van de achterbank, keek Clarissa aan alsof ze het niet helemaal vertrouwde en sprong toen op het grind. Met haar staartje tussen haar achterpootjes bleef ze angstig staan trillen terwijl mijn beste vriendin haar preek afstak.
‘Molly is vijf jaar oud,’ zei ze. ‘Ze is – of laat ik liever zeggen, ze wás – van een van mijn cliëntes, een geweldige vrouw van tweeënnegentig, die mevrouw Chips heet. Tot en met vorige week woonden ze samen in een armoedig souterrain achter de Seven Sisters Road. Mevrouw Chips heeft jarenlang kunnen rondkomen van een onvoorstelbaar schamel pensioentje – een bedrag waar jij en ik nog niet eens een dag van zouden kunnen leven, laat staan een week – maar ze sloeg nog liever zelf haar maaltijden over dan Molly honger te laten lijden, en ik weet zeker dat dit meer dan eens het geval is geweest. Twee jaar geleden brak ze haar heup, en daarna heeft ze maanden met een rollator gelopen. Maar ook met dat onhandige ding is ze minstens één keer per dag met Molly gaan wandelen – zo veel had ze voor haar hondje over. Hoe dan ook, vanaf dat moment ging het eigenlijk steeds verder bergafwaarts met haar gezondheid. Ik heb haar meer dan eens getracht over te halen om naar een verpleeghuis te gaan, maar dat heeft ze altijd geweigerd omdat je in dat soort tehuizen geen huisdieren mag hebben.
Vorige week heeft mevrouw Chips een beroerte gekregen. Ze is gevallen en heeft haar andere heup gebroken. Hoewel ze geestelijk nog helemaal in orde is, kan ze nu haar bed niet meer uit en ligt ze op zo’n vreselijk ziekenhuiszaaltje met allemaal bejaarde mannen en vrouwen. Ik was gisteren bij haar, en ze heeft aan één stuk door liggen huilen. En weet je waarom, Annie? Niet omdat ze weet dat ze de komende weken zal sterven, niet omdat ze aan één kant bijna helemaal verlamd is en ze zichzelf nog maar amper verstaanbaar kan maken, maar omdat ze zich verschrikkelijke zorgen maakt om wat er met Molly zal gebeuren, die tijdelijk door een van haar buurvrouwen is opgevangen.’ Clarissa zweeg omdat ze een brok in haar keel had gekregen.
‘Nou, ik geef toe dat het een reuze zielig verhaal is,’ zei ik, ‘maar het is niet mijn probleem. Ik stel me voor dat er via het asiel van Battersea heus wel een nieuw tehuis voor haar te vinden zal zijn.’
‘Dat heb ik dus voorgesteld. Maar daar wilde mevrouw Chips niets van weten. Ze raakte zelfs nog meer van streek, want ze was ervan overtuigd dat Molly terecht zou komen bij mensen die haar zouden mishandelen of die ook katten zouden hebben, of zo. Hoe dan ook, ik moest ineens aan jou denken, en zei haar dat ik het ideale nieuwe bazinnetje voor haar wist – mijn beste vriendin die dol is op honden en die onlangs haar eigen hondje had verloren.’
‘En heb je die mevrouw Chips ook verteld hoe dat was gebeurd?’ onderbrak ik haar.
‘Ik denk niet dat ze het helemaal begrepen zou hebben als ik haar het volledige trieste verhaal verteld zou hebben. Hoe dan ook, Annie, je had haar gezicht moeten zien. Ze straalde. Dat wil zeggen, de helft van haar gezicht die ze nog kan bewegen. Ineens was ze beeldschoon – engelachtig mooi, zelfs. Ze zei dat ze nu als een gelukkige vrouw kon sterven. En toen… toen deed ze dat ook.’ Clarissa haalde een tot prop verkreukelde tissue uit haar mouw en snoot haar neus.
‘Hé, wacht even, je zei net dat ze nog leefde en in het ziekenhuis lag.’
Ze snoof en duwde de tissue terug in haar mouw. ‘Nou goed, ik geef toe dat ik dat laatste er voor een beetje extra dramatisch effect bij heb verzonnen. Maar de rest van het verhaal is waar.’
Ik zuchtte. ‘Moet je horen, ik weet dat je het goed bedoelt, maar het kán gewoon niet. Je moet goed begrijpen dat ik niet van streek ben omdat ik geen hond meer heb, maar ik ben van streek omdat ik Fluffy kwijt ben. En ik wil geen andere hond.’ Ik keek neer op het bibberende hoopje hond dat tussen ons in stond, en bukte me om haar over haar kopje te aaien. ‘Kun jij haar niet houden?’
‘Nou, dat zou ik wel willen,’ antwoordde Clarissa, ‘maar James en ik zijn de hele dag op ons werk. En daarbij is Miranda allergisch.’
‘Sinds wanneer?’ vroeg ik achterdochtig.
Mijn vriendin maakte een wuivend gebaar. ‘O, sinds maanden al,’ antwoordde ze vaag. ‘Nou ja, als je Molly dan echt niet wilt, dan zal ik haar weg moeten brengen. Na Kerstmis.’
‘Maar…’
Ze duwde een lok ongekamde haren achter haar oor. ‘Nou, Annie, de meisjes hebben vakantie, ik moet over twintig minuten bij de slager zijn om mijn kanjer van een kalkoen te halen en ik heb op dit moment geen tijd om een ander thuis voor Molly te zoeken. En tot ik dat wel heb, zul jij voor haar moeten zorgen, oké?’
‘Jee, mens, je maakt me razend.’
‘Dank je. Ik ben blij dat dit geregeld is.’
Met een voldane grijns drukte ze me Molly’s riem in de hand, waarna ze de kofferbak van de Volvo openmaakte en een oude mand plus een zak hondenvoer op de oprit liet vallen. ‘Maar denk eraan, Clarissa,’ zei ik door het open autoraampje toen ze de motor weer startte, ‘deze hond is maar een paar dagen van mij, tot na Kerstmis, en beslist niet langer.’
Met haar kopje schuin, alsof ze niets begreep van wat er gebeurde, keek Molly de wegrijdende Volvo na. Toen ik zachtjes aan haar riem trok, keek ze niet-begrijpend naar me op. ‘Wees maar niet bang,’ zei ik. ‘Je zit maar voor een paar dagen met me opgescheept. Daarna zal Clarissa een goed tehuis voor je vinden, bij mensen die van je houden.’ Ze moest er inmiddels aan gewend zijn geraakt om van de een bij de ander te worden gedumpt, want hoewel ze er geen idee van had wie ik was, liep ze braaf met me mee naar binnen.
Vanaf dat moment volgde ze me overal naartoe – een kleine, zwijgzame, attente schaduw die nooit blafte, zich nergens druk om maakte en geen enkel karakter toonde. Ze was waanzinnig gehoorzaam – ze ging zitten wanneer ik dat zei, kwam wanneer ze werd geroepen, at haar eten zodra ik dat voor haar op de grond zette en deed haar behoefte in de tuin wanneer ik haar naar buiten liet. ’s Avonds rolde ze zich op in haar mandje dat ik boven, naast de deur van mijn kamer, op de gang had gezet. Wanneer ik in de loop van de nacht moest plassen – iets waar ik met mijn dikke buik veel last van had – deed ze één oog open, en keek naar me terwijl ik langs haar heen naar de badkamer liep. Misschien voelde ze wel aan dat ze maar tijdelijk bij mij zou zijn, want ze deed geen enkele poging om dicht bij me te komen terwijl ik, op mijn beurt, ook geen openingen naar haar toe maakte, ook al realiseerde ik me dat ze haar vrouwtje heel erg moest missen. Ik kon het gewoon niet opbrengen. Hoewel Molly me een heel lief dier leek, was ze niet Fluffy. Ik voelde me even emotioneel van haar verwijderd als van de groeiende foetus in mijn buik.
Tegen de tijd dat ik mijn kerstlunch van ovengebakken pastinaken op had, was ik me echter steeds schuldiger gaan voelen over het feit dat ik het arme, verdrietige hondje onvoldoende aandacht schonk. Ik herinnerde me wat Clarissa had verteld over mevrouw Chips, die elke dag, en zelfs nog met haar rollator, met haar was gaan wandelen, en hoewel ik helemaal geen zin had om me aan te kleden, wurmde ik me in mijn spijkerbroek, gapte een kasjmieren trui van mijn vader en ritste mijn jack dicht over mijn uitdijende heupen.
‘We gaan alleen maar een blokje om,’ zei ik nadrukkelijk tegen Molly, toen ik de voordeur van mijn vaders huis achter ons afsloot. Maar op het moment dat we bij het eind van de oprit waren gekomen, spitste ze haar oortjes in de ijzig koude wind, begon te kwispelen en trok me aan de riem achter zich aan.
Ik had bij de hoek linksaf willen slaan om weer naar huis terug te keren, maar besloot nog een eindje verder te lopen. De frisse buitenlucht had me opgepept, en na dagenlang hangen en luieren had ik eigenlijk wel behoefte aan een beetje beweging. Niet veel later bevond ik mij op de bochtige, brede Hampstead Lane. Me schrap zettend tegen mogelijke confrontaties met spoken uit het verleden, stak ik over en liep de tuinen van Kenwood House in. Ik nam me voor om niet verder te gaan dan het brede grindterras aan de achterzijde van de witte villa waar Mark en ik zo vaak met Fluffy hadden gelopen. Toen ik daar kwam en vaststelde dat ik me helemaal niet overmand voelde door verdriet, keek ik het gazon van de helling af naar de vijver en nam me voor om niet verder te lopen dan daar, waar we op zondag zo vaak gepicknickt hadden.
Voor ik het goed en wel besefte, waren Molly en ik de mooie witte trompe-l’oeil-brug gepasseerd en gingen we het dichte stuk bos erachter binnen, waar ik haar ten slotte van de lijn liet. Met haar neus aan de grond liep ze op een holletje de modderige paadjes af, waarbij ze om de zoveel tijd achteromkeek om zich ervan te verzekeren dat ik nog steeds volgde. Toen we bij het hek kwamen dat toegang gaf tot de hei, riep ik haar terug. Om me uitgerekend vandaag op Hampstead Heath te wagen, was een beetje te veel van het goede.
Maar Molly dacht daar anders over. Ze weigerde koppig om terug te komen. Even later volgde ik haar de glooiende hellingen af, langs de omheinde heuvel die Mark altijd de Magische Cirkel had genoemd, en weer naar boven, Parliament Hill op – de allerlaatste plek waar ik op eerste kerstdag wilde zijn.
Molly bleef pas staan toen ze helemaal boven was gekomen. Buiten adem – maar niet half zo buiten adem als ik – liep ze naar een van de bankjes, sprong erop en ging zitten, bijna alsof ze op iets wachtte. Ze scheen precies te weten wat ze deed – en het enige wat ik kon bedenken was dat ze hier vaak met mevrouw Chips moest zijn geweest. Na door een tiental gezinnen heen te hebben gelaveerd die, net als ik, besloten hadden het ijskoude weer te trotseren, ging ik naast mijn pleeghondje op de vochtige bank zitten. Zij aan zij keken we uit over de skyline van Londen – de toren van het postkantoor, het parlement, de London Eye, Centrepoint en de koepel van St. Paul’s.
Op een gegeven moment probeerde Molly zich dicht tegen me aan te nestelen, maar ik kon mezelf er niet toe brengen haar aan te raken. Ik voelde me inmiddels ellendiger dan ellendig. Het was zuiver masochisme van me geweest om hier te komen. Ik dacht aan Mark en aan al die Kerstmissen dat we hier met Fluffy hadden gewandeld en aan hoe Mark me hier, bijna op de minuut af zes jaar eerder, ten huwelijk had gevraagd. Wat hadden we in die tijd van elkaar gehouden! En wat miste ik hem nog steeds – nou ja, hém miste ik niet zozeer, als wel onze relatie zoals die in de begintijd was geweest. Het had zo fantastisch geleken indertijd. Hoe had het zo ontzettend mis kunnen gaan? En wiens schuld was dat geweest? Zijn schuld? De mijne? Die van ons alle twee?
Alsof dat er nu nog toe deed. Ons huwelijk was voorbij en het geluk dat we in het verleden met elkaar hadden gedeeld behoorde tot het verleden. Ik rilde in mijn jack. De hemel was even kleurloos, grauw en somber als mijn toekomst eruitzag. Ik was blij toen Molly haar toenaderingspogingen staakte en van de bank in het gras sprong. Ik wilde haar niet in mijn nabijheid want ik voelde niets voor haar. Ik kon hoe dan ook niets meer voelen, of liever, het enige wat ik nog kon voelen was verdriet.
Maar toen opeens voelde ik heel iets anders. Ik ging met een ruk rechtop zitten, trok mijn handschoenen uit, stak mijn handen onder mijn jack en spreidde mijn vingers over mijn buik. Even gebeurde er niets. Maar juist toen ik mijzelf ervan overtuigd had dat ik het me maar had verbeeld, voelde ik het opnieuw – een fladderend gevoel in mijn buik dat een beetje aan lichte kramp deed denken, of aan wind.
Op de een of andere manier wist ik echter heel zeker dat het geen kramp was.
Nee, het was de foetus.
Of, zoals ik er nu ineens aan dacht, de baby.
Mijn baby.
Als een donderslag bij heldere hemel drong ineens ten volle tot me door dat er een levend wezen in mij groeide. En het groeide niet alleen, het bewoog ook.
Met een opgetogen gevoel sprong ik van het bankje en keek om me heen om dit geweldige nieuws met iemand te delen. Ik was zwanger! En ik wist heel, maar dan ook héél zeker dat ik een betere moeder zou zijn dan de mijne was geweest! De toekomst zou niet gemakkelijk zijn, maar het zou in ieder geval niet saai en eenzaam zijn, want ik kreeg een kind, en van nu af aan waren we met zijn tweeën.
Nee – we zouden met zijn drieën zijn. Ik was Molly even helemaal vergeten. Die arme kleine Molly, die haar mevrouw Chips kwijt was, en die even dringend een nieuw tehuis nodig had als ik er eentje voor mijn aanstaande kind zou moeten creëren.
Ineens wilde ik niets liever dan Molly optillen en haar, hoe modderig ze ook was, in mijn armen nemen en haar vertellen dat ze niet bang hoefde te zijn, en dat ze na Kerstmis niet opnieuw naar een ander huis zou hoeven. Van nu af aan zou ze bij mij blijven. Voor altijd.
Maar waar was Molly?
Ik zag haar nergens. Ik stond op en riep haar naam, maar ze kwam niet. Ik liep het geasfalteerde pad weer op naar de top van de heuvel, keek om me heen maar kon haar nergens ontdekken. Met groeiende paniek rende ik heen en weer en vroeg iedereen die ik zag of ze misschien ergens een jackrussell met een kort staartje en een donkere vlek over haar ene oog hadden gezien. Een vrouw zei dat ze er aan de andere kant van het park een had gezien, maar die was aangelijnd geweest en hoorde bij een gezin met kinderen. Een ander zei dat ze er eentje bij het lido had gezien – ze wees op een gebouw in zuidelijke richting – die op weg was geweest naar de straat. Ik wilde net die kant op rennen, toen iemand anders zei dat hij zojuist een jackrussell bij het bosgedeelte had gezien. ‘Daar, die kant op,’ zei hij, op een bosje verderop wijzend.
Ik rende, wanhopig haar naam roepend, naar het bosje. En net toen ik erin wilde lopen, kwam ze uit het dichte struikgewas tevoorschijn en liep met een voldane grijns en met haar korte staartje kwispelend, naar me toe. ‘O, godzijdank!’ verzuchtte ik. ‘Molly! Malle meid! Ik was al bang dat ik je kwijt was.’
Op dat moment kwam er een andere hond uit de bosjes – een mager scharminkel dat iets van een stropershond had, met een spitse snuit en een mallotige, veel te lange pony. Zijn oren wezen elk een kant op en zijn bek hing open in wat een grijns leek. Hij hupte op zijn drie poten onder de struiken uit en maakte een intens tevreden indruk. En hij had die bekende, afwezige blik in zijn ogen die ik vaker van hem had gezien nadat hij een lekker potje had gevreeën.
Fluffy.