Hoofdstuk 13
De volgende ochtend schudde mijn kersverse verloofde me heel vroeg wakker. ‘Tijd om op te staan, liefste.’
Met moeite deed ik mijn ogen open, deed ze meteen weer dicht en trok de deken over mijn hoofd, maar niet voordat Mark snel een teder kusje op mijn naakte schouder had gedrukt. ‘Liefste?’ Hij tilde het laken op en drukte nog zo’n kusje op mijn oor.
‘Ja?’
‘Ik heb een cappuccino voor je gemaakt.’
In een explosie van vreugde herinnerde ik me dat dit de eerste ochtend van onze verloving was. Vervolgens drong het tot me door dat dit tweede kerstdag was – een dag waarop ik bij wijze van uitzondering een beetje uit kon slapen. Ik ging op mijn rug liggen en keek naar hem op. ‘Hoe laat is het?’
‘Iets van halfacht of zo,’ antwoordde hij ontwijkend.
Dit was bepaald niet de eerste keer dat Mark me op een onmogelijk vroeg tijdstip gewekt had, maar meestal lag hij dan zelf ook nog in bed – naast me, of half boven op me – en wilde hij een wip. Maar vanochtend was hij al aangekleed, zijn haar was nog nat van de douche en Fluffy, die achter hem zat, likte zijn lippen alsof hij al had gegeten. Was dit een voorproefje van hoe ons huwelijksleven eruit zou komen te zien, vroeg ik me af – een en al huishoudelijkheid en geen seks?
Ik hees mezelf overeind, leunde in de kussens en liet me door Mark een reusachtige kop koffie aanreiken. ‘Kijk, ik heb hem precies zo gemaakt als je hem lekker vindt,’ zei hij zacht. ‘Vijfennegentig procent schuim.’
Ik lepelde wat van het met cacao bestrooide schuim in mijn mond en voelde me meteen een stukje beter. ‘Mark, liefste, waarom ben je zo vroeg op? Of liever, waarom moet ík zo vroeg opstaan?’
‘Nou, ik had gedacht dat het leuk zou zijn om tweede kerstdag buiten door te brengen,’ antwoordde hij vrolijk.
Ik keek naar buiten. ‘Maar het is nog donker!’
‘Dat is waar, maar dat blijft het niet – tegen de tijd dat we er zijn is het allang licht, of niet?’ legde mijn nieuwe verloofde geduldig uit. ‘En als we later op weg gaan, nou, de dagen zijn zo kort in deze tijd van het jaar, dat het al donker is tegen de tijd dat we er zijn.’ Hij boog zich over me heen en kuste me. ‘Kom op, Annie! Alsjeblieft! Fluffy wil eruit. Ja toch, ouwe rakker? Hij zal het heerlijk vinden, Annie. Hij zal al die buitendingen kunnen doen, zoals fazanten schieten, op vossen jagen en schapen naaien.’
‘Maar…’ Ik probeerde wanhopig een smoes te bedenken om mijn lekkere warme bed niet te hoeven verruilen voor de koude, vochtige wereld. ‘Mark, ik heb helemaal geen kleren om buiten mee rond te wandelen!’
Hij schoot in de lach. ‘Annie, ik ken niemand die zo veel kleren heeft als jij! Je hebt kasten vol! Hoe dan ook, we gaan naar buiten. Het maakt niet uit wat je draagt, zolang het maar warm is. En daarbij,’ vervolgde hij, de deken van me af trekkend, ‘je weet toch dat ik je het liefst heb zónder kleren aan.’
Mark wist precies hoe hij zijn zin moest krijgen. Ruim een uur later zat ik, gekleed in twee nogal vormeloze truien, een van zijn fleecejacks, mijn oudste en meest sjofele Levi’s en een paar roomkleurige Uggs waarvan Mark zei dat ze precies op de sloffen van zijn oma leken naast hem in zijn roestige Wag the Dogbusje de onmiskenbare hondenlucht in te ademen. We reden over de mistige M11 Londen uit. Fluffy lag met zijn snuit omhoog en zijn oren gespitst op mijn schoot nieuwsgierig naar buiten te kijken en Mark zat vrolijk achter het stuur een nieuw deuntje te neuriën dat hij al een paar weken in zijn hoofd had. Het leven was volmaakt.
‘Weet je eigenlijk wel waar we naartoe gaan?’ riep ik om boven het geratel van de slecht werkende verwarming uit te komen.
‘Natuurlijk,’ mompelde hij.
‘Is er in de buurt een gelegenheid om te lunchen?’
Hij grijnsde. ‘Ja hoor, die is er.’
‘Hoe lang is het rijden?’
‘Mmm…’ Hij dacht na. ‘Nou, als de mist optrekt… en met deze oude rammelkast… Ik schat dat het iets van vier uur rijden is.’
‘Wat?’ riep ik onthutst uit. ‘Mark, waar gaan we in vredesnaam naartoe?’
Hij schonk me een jongensachtige grijns. ‘Norfolk. Het leek me een leuk idee om het goede nieuws aan mijn ouders te vertellen.’
Ik keek totaal ongelovig naar zijn zelfingenomen grijnzende profiel. Maar toen kon ik mijn verontwaardiging ineens niet meer de baas. ‘Waarom heb je me dat niet verteld, verdomme?’
Hij fronste zijn voorhoofd. ‘Dat weet ik niet. Ik denk dat ik je wilde verrassen, liefste. En daarbij,’ bekende hij, ‘als ik het van tevoren had gezegd, zou je nu nog steeds voor de spiegel hebben gestaan om te beslissen wat je het beste aan zou kunnen trekken.’
‘Nou, ik zou in ieder geval niet zó naar ze toe zijn gegaan!’ Ik plukte aan mijn gescheurde spijkerbroek. ‘En ik zou mijn haren hebben gewassen, en me hebben opgemaakt! Zo ga ik niet naar ze toe. Ik wil dat je omkeert.’
‘Dat meen je niet!’
‘Ja, dat meen ik wel!’ riep ik uit. ‘Ik vertik het om in deze kleren met je ouders kennis te maken!’
Hij keek me opnieuw aan, glimlachte en schudde zijn hoofd. ‘Rustig nou maar, Annie. Mam en pap zullen stapel op je zijn. Kleren en uiterlijkheden kunnen hen geen barst schelen.’
De pub van zijn ouders, de Dog and Fox, lag aan de rand van Minhampton, een schilderachtig dorpje even buiten Norwich. Het was een langgerekt, twee verdiepingen tellend, uit plaatselijke natuursteen opgetrokken gebouw met rieten dak en rokende schoorstenen, en aan de ene kant een ruime parkeerplaats. Aan de houten poort hing een schoolbord waarop met krijt was geschreven: ‘Uit Eigen Keuken: Kalkoen en Fazant uit de Oven, Kruidige Appelkruimeltaart.’ Op een ander bord, dat langs de weg tegen een grote steen aan leunde, werd reclame gemaakt voor ‘Real Ale’ – echt bier – en ‘Open Haardvuur’. Ik was bloednerveus voor mijn kennismaking met Jackie en Dennis Curtis, maar ik popelde om naar binnen te gaan. Niet alleen moest ik heel dringend plassen na die rit van vier uur, maar bovendien had de verwarming bij Cambridge de geest gegeven. Weliswaar had ik Fluffy bij wijze van kruik tegen mijn buik gedrukt gehouden, maar intussen had ik geen gevoel meer in mijn vingers en waren mijn voeten in twee klompjes ijs veranderd.
Mark reed de parkeerplaats op die vol stond met terreinwagens, glimmende Mercedessen en oude auto’s. Hij stopte in het midden, boog zich voor me langs en deed het portier open. ‘Stap maar vast uit. Ik rij achterom en zet de auto in het laantje achter.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ga met jou mee. Ik ga hier niet zonder jou naar binnen!’
‘Kom, het is maar een pub, Annie! Het is echt niet het hol van de leeuw,’ zei hij. ‘Mijn ouders bijten niet, liefste. En daarbij is het laantje achter in deze tijd van het jaar altijd een enorme modderpoel, daar wil je niet doorheen met je laarzen.’
Dat gaf voor mij de doorslag. ‘Goed. Maar ik blijf hier buiten op je wachten,’ hield ik vol.
Ik sprong uit de VW en liet Fluffy bij Mark, die zei dat de hond, na uren in de auto te hebben gezeten, waarschijnlijk dringend even een loopje nodig had. Onder het uitstoten van dikke wolken zwart uitlaatgas reed het busje achteruit de parkeerplaats af en de weg weer op, en was even later uit het zicht verdwenen. In afwachting van Mark en Fluffy’s terugkeer liep ik stampend op en neer in de koude, vochtige lucht, en sloeg mijn handen tegen mijn dijen om de bloedsomloop weer op gang te krijgen.
De minuten verstreken, maar ze kwamen niet terug. Ik hupte een paar keer en keek met kinderlijk genot hoe mijn adem witte wolkjes vormde. Door de raampjes van de pub kon ik de mensen binnen zien glimlachen en drinken. Ik hoorde hun lach en het gerinkel van de glazen. Ik keek op mijn horloge – intussen stond ik hier al zeven minuten te wachten. Mark moest toch intussen allang geparkeerd hebben. Was er misschien iets gebeurd? Of was hij mij vergeten?
Ik wachtte nog eens vijf minuten. En toen, omdat ik het echt niet langer uithield in de kou, ging ik met tegenzin naar binnen. Het interieur van de Dog and Fox was precies zoals Mark het had beschreven: een ouderwetse, gezellige mengelmoes van glanzend gepoetst koper, donkere, eikenhouten vloeren, kleine ronde tafeltjes en versleten maar comfortabele leunstoelen. Het lage, witgekalkte plafond had oude balken en aan weerszijden van de langgerekte gelagkamer was een openhaard waarin een lekker vuur brandde. De ruimte geurde naar brandend hout en kerstbomen. De openhaarden en de balken van het plafond waren versierd met slingers van dennentakken, ballen en dennenappels met rood-met-gouden linten. Verder hing er de onmiskenbare geur van gebraden vlees. Mark had me verteld dat het kleine restaurant van de pub was ondergebracht in een apart zijvertrek.
Achter de bar – een glanzend gewreven houten blad met ouderwetse bierpompen, rijen glazen erboven, talloze flessen likeur en sterkedrank tegen de achterwand – stond een klein, vogelachtig vrouwtje met een bleke huid, kort grijs haar en een onvriendelijk gezicht. Ik nam aan dat ze Marks moeder was en wist niet goed of ik me aan haar moest voorstellen. Maar toen ze een biertje voor een klant tapte, zag ze me. Verschrikkelijk zenuwachtig – ik had mezelf nog nooit eerder aan een toekomstige schoonmoeder hoeven voorstellen, en ik wist dan ook niet goed hoe je dat deed – ging ik naar haar toe. ‘Neemt u mij niet kwalijk, maar bent u mevrouw Curtis?’
‘Ah,’ zei ze, in het zangerige, plaatselijke accent waarvan Mark had verteld dat het Broad Norfolk heette. ‘Ik weet wie je bent! Eindelijk! Dat werd hoog tijd.’
‘O, ik…’ stamelde ik. ‘Ik wist niet dat u ons verwachtte.’
‘Nou, eigenlijk hadden we al een uur geleden afgesproken.’
‘Het was een verschrikkelijk eind rijden.’
Ze knikte. ‘Toch fijn dat je komt helpen.’ Voor ik verder nog iets kon zeggen, wendde ze zich tot de oudere man in een Barbour die aan de bar stond te wachten en gaf hem zijn bier. ‘Alsjeblieft, Michael.’
‘Dank je, Jackie,’ zei hij. ‘Zet maar op de rekening.’
‘Het is Kerstmis, je krijgt hem van het huis,’ zei ze, met een glimlach die haar hele gezicht deed stralen.
‘Proost! En neem er strakjes maar eentje van mij!’
Nu wendde Jackie zich weer tot mij en ik vond eigenlijk dat ze best wat aardiger tegen me kon zijn. ‘Dennis is al begonnen met het opdienen van de lunches, dus zou je alsjeblieft rechtstreeks naar hem toe willen gaan om hem een handje te helpen?’
Ik vermoedde dat het van een toekomstige schoondochter verwacht werd dat ze mee zou helpen in de zaak, dus ik zei: ‘Goed. Natuurlijk. Waar moet ik precies zijn?’
‘Kom maar achter de bar en dan neem je die deur. Je vindt hem in de keuken. Laat dat jasje maar hier onder de bar. Hemel,’ zei ze, terwijl ik Marks fleece uittrok, ‘je bent wel erg sportief gekleed voor Kerstmis. Heeft hij dan niet tegen je gezegd dat je je een beetje leuk moest aankleden? Nou ja, zo belangrijk is het ook niet. Waar het om gaat zijn helpende handen. Kijk, die deur daar.’
Inmiddels voelde ik me ronduit ellendig. Deze kennismaking met mijn toekomstige schoonouders dreigde op een ramp uit te lopen. En Mark maar zeggen dat zijn ouders niet om iemands uiterlijk gaven – Jackie was duidelijk niet blij geweest met mijn oude, kapotte spijkerbroek. En waar blééf Mark eigenlijk, verdomme? Ik begon aardig boos te worden. Was hem iets overkomen? Ik voelde me regelrecht in het diepe gegooid! Hij had toch op zijn minst even binnen kunnen komen om me aan zijn ouders voor te stellen.
Jackie deed de deur achter de bar voor me open. Die gaf rechtstreeks toegang tot een ouderwetse maar glimmend schone restaurantkeuken waar een jongeman plakken van een enorme kalkoen stond te snijden en ze op borden schikte, terwijl een lange man met een wit koksjasje voor het roestvrijstalen fornuis vol steelpannen stond. Hij roerde in een van de pannen en gebruikte zijn andere hand om een grote koekenpan te schudden. ‘Dennis, hier is ze dan eindelijk!’ riep Jackie. ‘Oké, meisje, ga je gang,’ zei ze tegen mij, waarna ze terugkeerde naar de bar.
Dennis – Marks vader – stond nog steeds met zijn rug naar me toe, maar zelfs van achteren kon ik zien dat ze op elkaar leken. Ze hadden dezelfde brede schouders, dezelfde vorm hoofd en hetzelfde krullende haar, hoewel dat van Dennis korter en grijzer was en op zijn kruin begon te kalen. ‘De schorten liggen daar, kind.’ Hij wees met zijn kin op een kast. Niet echt een hartelijke begroeting, dacht ik. Het was duidelijk dat de Curtissen behoorlijk informeel waren.
Ik deed de kast open, haalde er een opgevouwen groot wit schort uit en trok het aan. En toen, met het voornemen om wat assertiever te zijn, liep ik naar Dennis, ging naast hem staan en stak mijn hand naar hem uit. ‘Hallo, ik ben Annie,’ zei ik.
Hij keek me heel even aan, schonk me Marks glimlach en concentreerde zich weer op het koken. ‘Aha, Annie,’ mompelde hij, terwijl hij het stuk vlees in de pan – het zag eruit als een biefstuk – heen en weer schoof. ‘Ik dacht dat je zei dat je Juliette heette.’
En wie was Juliette, verdomme? Zodra Mark zich vertoonde zou ik hem dat meteen vragen. Het volgende moment kwam een lange vrouw van in de dertig door de klapdeuren de keuken in. Ze hield een enorme stapel vuile borden tegen haar indrukwekkende boezem gedrukt. ‘Twee kalkoen met garnituur, een fazant en een salade gerookte paling voor tafel vier, pap,’ zei ze. ‘En waar zijn de fazant en de biefstuk voor tafel tien?’
‘Komt eraan, Lizzie.’ Enkele seconden later had Dennis twee prachtig gegarneerde borden tevoorschijn getoverd.
Lizzie – Marks zuster – zette de vuile borden op het aanrecht en wendde zich tot mij. ‘Breng je ze voor me naar binnen, alsjeblieft? Tafel tien is helemaal achteraan. Mijn likdoorns doen ontzettend pijn en ik moet echt even zitten, want ik hou het niet meer uit.’
Voor ik besefte wat er gebeurde, had ik de twee warme borden in mijn hand gedrukt gekregen, was ik de klapdeurtjes door en stond ik in een klein, mooi restaurant met een twaalftal tafels die allemaal bezet waren. Met brandende vingers liep ik net zo ver door tot ik bij een tafel kwam waar maar twee mensen aan zaten.
‘Biefstuk?’ vroeg ik aan de vrouw. ‘Fazant?’
‘Nee, dank je, schat,’ zei een van hen. ‘Wij hebben het hoofdgerecht al gehad en we wachten op het toetje.’
‘Ik denk dat die voor ons zijn,’ zei een man aan het tafeltje ernaast. Ik zette de borden voor hem en zijn vrouw neer en haastte me terug naar de keuken terwijl ik onderweg nog een paar lege, vuile borden van een andere tafel meenam. Net toen ik de keuken weer binnen wilde gaan, werd ik geroepen door een andere klant. ‘Mevrouw? Zouden we nog wat water kunnen krijgen? En nog zo’n fles?’
Ik keek naar het etiket van de wijnfles en dook de keuken weer in. ‘Nog een fles Côtes du Rhône zus-of-zo van 2006 voor de tafel bij het raam,’ riep ik voordat ik een nieuw stel borden in mijn hand kreeg geduwd en ik het restaurant weer in liep.
Toen ik de keuken weer in kwam, kwam Mark juist door de deur van de bar naar binnen. ‘Heeft iemand een – o, dáár ben je, Annie!’ riep hij uit. ‘Ik heb je overal lopen zoeken!’ Zijn blik ging over mijn schort, de stapel vuile borden in mijn hand en mijn stomverbaasde gezicht. ‘Wat dóé je daar, in vredesnaam?’ vroeg hij. ‘Pap? Lizzie? Wat is hier aan de hand?’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Dennis. ‘Ken jij Annie dan? Je moeder en ik dachten dat ze het meisje uit Norwich was dat ons vandaag een handje zou komen helpen!’
Mark schoot in de lach.
‘Bedoel je dan dat ze dat níét is?’
‘Nee, pap. Dit is Annie, mijn vriendin uit Londen. Of liever,’ vervolgde hij, terwijl hij bezitterig een arm om mijn schouders sloeg, ‘ze ís mijn vriendin al niet meer, ze is mijn toekomstige vrouw. Pap, Annie en ik gaan trouwen!’
Vanaf dat moment liep de bediening van de gasten van de Dog and Fox behoorlijk uit de hand, maar niemand scheen het erg te vinden. Mark ging trouwen, kregen ze van een stralende Dennis te horen, en iedereen kreeg een drankje van het huis. Zelfs in de keuken vloeide de champagne. Nadat ik mijn schort af had gedaan, werd ik samen met Fluffy naast een van de openhaarden op een ereplaatsje gezet en stond ik in het middelpunt van de belangstelling. Allemaal wilden ze me leren kennen, met inbegrip van Marks andere twee zussen, Katie en Emma, die met hun echtgenoten en kinderen in andere dorpen in de omgeving woonden, maar die waren gekomen om kennis met mij te maken. Van mijn zenuwen voor de kennismaking met Marks familie was al snel niets meer over, vooral omdat we voortdurend weer dubbel lagen over het feit dat ik per vergissing voor de serveerster – de echte Juliette was gelukkig even na Mark gearriveerd – was aangezien.
En waar was Mark geweest toen ik mijn serveerstersdebuut had gemaakt? Het bleek dat hij, toen hij had willen parkeren, had gezien dat hij nog maar weinig benzine had. De dichtstbijzijnde pomp was in het volgende dorp, dus hij was er zo snel mogelijk heen gereden uit angst dat de pomp al vroeg zou sluiten.
Toen Jackie eenmaal te horen had gekregen wie ik was, putte ze zich uit in verontschuldigingen – vooral ten aanzien van haar opmerking over mijn kleren. Ik mocht haar. Ze was eenvoudig gekleed en had geen spoortje make-up op haar gezicht, maar ze straalde een ongelooflijke warmte en rust uit. Ze was heerlijk oprecht en open. Haar bleke huid leek bijna doorschijnend en je kon zó aan haar zien dat ze een enorm goed hart had en volkomen eerlijk was.
Dennis en Jackie, die opgetogen waren dat hun zoon, de eeuwige vrijgezel, eindelijk wilde trouwen, namen me onmiddellijk op in hun gezin, en ik werd net zo behandeld als hun eigen dochters. Aan het einde van de dag was ik zó thuis in het tappen van pilsjes en het opscheppen van porties kruimeltaart dat het, toen Mark en ik ten slotte weg moesten, vreemd voelde om op te stappen, want ik voelde me volkomen thuis. Toen Jackie me op de parkeerplaats omhelsde en zei: ‘Voor mij voel je al helemaal als een lid van het gezin, Annie,’ wist ik precies wat ze bedoelde.
En wat speet het me dat mijn vader niet net zo over Mark dacht, als deze mensen hier over mij.