Hoofdstuk 8
Hij was van mij. Ik had hem gered! Ik haastte me, met het hondje onder mijn arm geklemd, naar het metrostation van Camden Town, en voelde me uitgelaten – alsof ik zweefde en mijn Manolo’s de grond nauwelijks raakten.
Maar eenmaal op weg naar huis begon ik me af te vragen wat ik met hem moest doen.
In de Northern Line had ik hem op schoot en plaste hij op mijn witte broek. Toen we bij Angel uitstapten, plaste hij op mijn T-shirt. Hij had diarree toen ik hem voor het Workhouse op straat zette om mijn sleutels te zoeken, en toen ik hem in de woonkamer op het kleed legde gaf hij al het eten over dat ik hem had gegeven, bedekt met een groenig laagje schuim van het soort dat met Michelinsterren onderscheiden chefs urenlang staan op te kloppen om als hors d’oeuvre te presenteren.
Ik sloot hem op in de badkamer terwijl ik op mijn handen en knieën het kleed sopte, boende, schrobde en desinfecteerde – maar, net als bij mijn broek, de vlekken wilden er niet uit. Toen ik de badkamerdeur opendeed om te kijken hoe het met hem ging, wachtte mij een ondraaglijke stank en zag de boel er niet uit. Hij had opnieuw diarree gehad – de granieten vloer zat onder en hij kroop er in kringetjes doorheen.
Nadat ik hem in de badkuip had gezet, waar hij niet uit kon, maakte ik de bende met één hand schoon terwijl ik met de andere een in parfum geweekte tissue tegen mijn neus gedrukt hield. Toen ik daarmee klaar was, zette ik de douche aan en waste hem met mijn beste Aveda-shampoo. Hij mocht dan totaal verzwakt zijn, hij verzette zich als een kampioensworstelaar – de waspartij leek hem nieuwe kracht te geven. Maar toen ik hem eruit haalde, ontsnapte hij aan mijn greep, schudde het water uit zijn vacht en doorweekte daarmee mijn resterende droge handdoeken, en voor ik hem had kunnen tegenhouden, glipte hij door de deur de kamer in. Het spoor van natte hondenpoten bracht me bij mijn mooie, roomkleurige bank, waarop hij zich inmiddels zat droog te wrijven. Ik bracht hem terug naar de badkamer, waar hij opnieuw last van diarree had – deze keer op de badmat. Hoe kon zo’n klein lijfje zo veel stront bevatten, vroeg ik me af terwijl ik de badmat met de handdoeken en mijn spijkerbroek in de wasmachine stopte. Hij was nog maar een paar uur van mij en in die korte tijd had hij al een deel van mijn lievelingskleren verpest, elke handdoek die ik bezat gebruikt en mijn onberispelijke, brandschone flat in een openbaar toilet veranderd.
De realiteit sloeg me als een nat, koud washandje in het gezicht. Ik moest de volgende ochtend om halfnegen op mijn werk zijn voor een afspraak met een vroege klant. Wat moest ik beginnen met een dubbel incontinente pup? Er zat maar één ding op – ik zou om zes uur moeten opstaan om hem naar het hondenasiel van Battersea te brengen, in de hoop dat ze een baasje voor hem zouden kunnen vinden dat het niet bezwaarlijk vond om de boel voortdurend achter hem op te moeten dweilen.
Ietwat opgelucht nam ik het hondje mee naar de slaapkamer, zette hem op de grond, hield hem stevig vast en droogde hem met mijn Revlon Tourmaline Ionic-haardroger. Toen ik daarmee klaar was, schudde hij zich overdreven heftig uit, rolde, zich als een gek krabbend, over de vloer, ging toen zitten en keek me aan. Hij was werkelijk allerkoddigst om te zien. Zijn oren wezen elk een andere kant op, zijn staart was veel te lang voor zijn kleine lijfje en zijn harige poten waren bijna even groot als zijn kop. Hoewel hij vel over been was, had de Aveda Pure Abundance hem van een verzopen rat in een zwart-met-witte pompon veranderd.
En half verscholen in die wilde vacht zaten twee grote zwarte ogen die me nu even strak en doordringend aankeken als ze eerder op straat hadden gedaan.
En toen deed hij zijn bekje open en glimlachte hij naar mij. Ik zweer het. Hij glimlachte echt.
Mijn hart smolt. Zoiets aandoenlijks had ik nog nooit gezien. Ik was verliefd. En op dat moment wist ik dat ik hem nooit zou kunnen afstaan.
‘Maar, hemel, klein monster, wat moet ik met je doen?’ vroeg ik terwijl ik hem optilde en voor me hield. Toen ik aan zijn manier van wriemelen en kronkelen zag dat hij dat niet prettig vond, zette ik hem weer neer. Zonder op een uitnodiging te wachten, klauterde hij op mijn schoot, zette zijn pootjes op mijn borst en probeerde mijn kin te likken. Als dit zijn antwoord op mijn vraag was, dan zei het op zich meer dan voldoende.
Fluffy – want zo noemde ik hem – deelde mijn avondmaal van roereieren. We waren alle twee bekaf van de gebeurtenissen van de afgelopen dag en het duurde niet lang voor we, dicht tegen elkaar aan gekropen, op mijn bed naar een televisieserie lagen te kijken. Ik aaide hem over zijn kopje en voelde me ineens onuitsprekelijk vredig. En volgens mij verging het Fluffy net zo, want nog voor de eerste reclameboodschappen waren begonnen, lag hij, met zijn snuit op mijn borst, diep te slapen. En ruimschoots voor het begin van de tweede reclameonderbreking was ik zelf eveneens vertrokken.
Ik werd heel vroeg wakker. Mijn nachtjapon was vochtig en ik voelde zweetdruppeltjes langs mijn benen en rug omhoog kruipen. En bij het wakker worden had ik heel sterk het gevoel dat ik niet alleen was.
Ineens wist ik het weer. Fluffy.
Ik deed het lampje op het nachtkastje aan. Hij lag niet meer op het dekbed. Ik gooide het van me af en zag hem languit naast me op het onderlaken liggen. Hij hief zijn kopje op, keek me vol aanbidding aan, legde zijn zwarte neusje toen weer tussen zijn in verhouding enorme voorpoten en sliep verder.
Dat wilde ik ook doen, maar toen zag ik de gele vlek onder hem. Het kleine monster had in mijn bed geplast. En ik lag er middenin.
Ik schopte het dekbed helemaal van me af en zag een bruin vlekje over mijn linkerdij bewegen. Het volgende moment was het achter mijn knie verdwenen. Ik sprong krijsend uit bed en rukte mijn nachtjapon van mijn lijf. Dat waren geen zweetdruppeltjes geweest die ik langs mijn lijf had voelen lopen, maar insecten!
Als een bezetene probeerde ik ze van me af te slaan. Hoeveel waren er wel niet? Vier? Vijf? Zes? Ik zag er eentje op de grond springen en probeerde hem te vermorzelen met een van mijn sandalen, die ik had uitgeschopt toen ik in bed was gestapt. Het kreng had zich volgezogen met mijn bloed en bezweek onder het maken van een zuigend geluid. Wild krabbend rende ik naar de badkamer en sprong onder de douche, maar hoe hard ik ook boende, ik bleef me smerig en vies voelen. Toen ik onder de schuimende Niagara vandaan stapte, wilde ik een handdoek pakken, en herinnerde me toen pas dat er geen schone handdoeken over waren.
Ik schoot mijn badjas aan, maar niet voordat ik een glimp van mijzelf had opgevangen in de grote badkamerspiegel. Mijn bovenlijf, armen en benen zaten onder de enorme, rode bulten. Ik zag eruit alsof ik waterpokken had. Zo kon ik onmogelijk naar mijn werk. Terug in de slaapkamer bleef ik op een afstandje van het bed staan en keek nijdig naar de schuldige, die op het doorweekte laken lag en vrolijk op het bandje van mijn sandaal knaagde.
‘Hou daarmee op! Van mijn bed af! Eráf! Eráf!’ krijste ik hysterisch.
Het was zinloos. Van het bed af springen moest voor Fluffy net zoiets zijn als van hoge rotsen duiken. En daarbij, hij had geen idee wat ik wilde. Maar de klank van mijn stem moest hem aan het schrikken hebben gemaakt, want hij liet zijn kopje hangen en trilde van angst. ‘Het spijt me, het spijt me!’ riep ik uit. Hij kon het uiteindelijk ook niet helpen dat hij onder de luizen en de vlooien zat. Ik wist dat ik hem zou moeten aaien, maar de gedachte om hem aan te moeten raken stond me verschrikkelijk tegen. En dus rende ik naar de keuken, trok mijn rubberen handschoenen aan, tilde hem van het bed en droeg hem, terwijl ik hem zo ver mogelijk van me af hield, opnieuw naar het bad. Voorzichtig, alsof de beestjes me zouden kunnen aanvallen, haalde ik de kussens van het bed, drukte en passant nog een luis plat, haalde de slopen van de kussens en het onderlaken van de matras. Fluffy’s plas was door de matrasbeschermer heen in de bovenlaag van de matras gelekt. Die kon ik wel weggooien.
Inmiddels was het een paar minuten over vijf. Fluffy, die de badkuip niet uit kon, kefte om aandacht. Ik deed de deur van de badkamer dicht, bracht het vuile beddengoed naar de keuken, stopte er een deel van in de wasmachine en zette de eerste van vier ladingen kookwas aan. Een klein uurtje later kwam mijn benedenbuurvrouw boven om te klagen over het trillen van haar slaapkamerplafond. Om halfzeven belde er een man van verderop op de gang aan mijn deur. Hij beklaagde zich – in zijn korte broek – over het blaffen van Fluffy. Toen hij mijn gezicht vol vlekken en bulten zag, deinsde hij verontschuldigend achteruit en zei dat hij zich niet gerealiseerd had dat ik zo ziek was.
Aangezien het de enige manier was om hem stil te laten zijn, haalde ik Fluffy uit het bad en liet hem loslopen in de woonkamer. Hij plaste op het parket, braakte op de kussens van de bank en viel in slaap op het kleed. Tegen zevenen begon hij opnieuw te keffen. En tegen achten, toen Clarissa me tijdens het naar school brengen van de kinderen vanuit de auto belde, was ik hysterisch.
‘Waarom ben je niet op weg naar je werk?’ schreeuwde ze in haar mobiele telefoon. Het kostte haar moeite om boven het verkeerslawaai en het gebabbel van haar dochters uit te komen. ‘Je klinkt verschrikkelijk.’
‘Ik kan het niet aan!’ jammerde ik.
‘Wat? Emily, hou je mond, of ik zet je hier uit de auto en dan ga je het laatste eind maar lopen. Nee, het kan me niet schelen of je de samenkomst zult missen. Wat is er? Ben je ziek?’
‘O, Clarissa, ik heb zoiets stoms gedaan.’
‘Wat? Rebecca, niet aan Miranda’s paardenstaart trekken – en hou de telefoon eens wat dichter bij mijn oor. Ik kan Annie niet verstaan. Hoe bedoel je, iets stoms? O god! Wat is dat voor een kabaal? Meisjes, stíl! Hoor ik daar keffen op de achtergrond? Annie, nee! Dat meen je niet!’
‘Wat is er met Annie? Wat meent ze niet?’ riepen de meisjes in koor op de achtergrond toen Rebecca de handsfree aanzette.
‘Ja, ik meen het wel.’
‘Wat?’
‘O, mijn god!’
‘Wat? Wat?’ riepen de meisjes. ‘Wat heeft ze gedaan?’
‘O, je bent gek!’ riep Clarissa.
‘Dat weet ik,’ beaamde ik.
‘Ik wed dat ze seks heeft gehad!’
‘Ik kan gewoon niet geloven dat je zo dom bent geweest!’
‘Misschien heeft ze wel onveilige seks gehad!’
‘Annie heeft onveilige seks gehad!’
‘Mammie, wat is onveilige seks?’
‘O, houden jullie nou eens allemaal je mond!’
‘Ik kon hem gewoon niet achterlaten bij die walgelijke dronkaard. Hij zou dood zijn gegaan bij die man. En daarom heb ik hem mee naar huis genomen.’
‘Wat? Wat heb je mee naar huis genomen? Een schandknaap?’
‘Rachel, waar heb je het over? Wat weet jij van schandknapen?’
‘Dat staat in de syllabus. Mevrouw Nelson van seksuele voorlichting heeft ons erover verteld.’
Het was tijd om de tussenpersoon uit te schakelen en mijn jonge ondervragers rechtstreeks te woord te staan. ‘Het spijt me dat ik jullie teleur moet stellen, jongens, maar het heeft niets met seks of schandknapen te maken,’ verklaarde ik.
‘O!’ Ik kon duidelijk horen hoe teleurgesteld ze waren.
‘Ik heb het hondje gekocht waar ik jullie gisteren tijdens de lunch over vertelde.’
Ze kraaiden het uit van de pret. ‘O! Een hondje! Wat leuk! Mogen we hem komen bekijken?’
‘Gekocht? Wil je daarmee zeggen dat je geld voor hem hebt betaald?’ vroeg Clarissa verbaasd. ‘Hoeveel?’
‘Hij vroeg honderd pond.’
‘Ben je gek?’
‘Maar weet je, Clarissa, volgens mij is Fluffy niet helemaal gezond.’
‘Fluffy? O, hou óp, zeg.’
‘Hij moet steeds overgeven. En hij heeft diarree. En ongedierte.’
‘Gétver!’ sprak het koor, en ditmaal met Clarissa erbovenuit.
‘Ik zit onder de beten.’
‘Jasses!’
‘En hij heeft in bed geplast.’
‘Walgelijk! Hoe heb je dat kunnen doen, Annie? Geef hem maar liever zo snel mogelijk weer terug aan die zwerver!’ riep Clarissa boven de andere stemmen uit. ‘Of breng hem naar het asiel in Battersea en laat de mensen daar een goed tehuis voor hem vinden.’
‘Dat kan ze toch niet doen!’
‘Dat was ik van plan, maar… Nou, ondanks alles is hij eigenlijk heel lief, Clarissa. Een schatje. Hij glimlacht, heus, dat meen ik. Ik hou van hem. Ik zou hem het liefste willen houden, als dat gaat,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
‘Annie! Gebruik je verstand!’ Hoe kun je nou voor zo’n schurftig beest zorgen als je zes dagen per week moet werken?’
Dat was een goede vraag. Voor de eerste keer in al die jaren dat ik er werkte, belde ik naar de zaak om te zeggen dat ik ziek was. Het was iets besmettelijks, zei ik tegen mijn baas, Eileen Grey, en voor de goede orde gaf ik een opsomming van de symptomen waarvan ik wist dat zij en niemand anders op de afdeling personal shopping ze wilde oplopen. Zo noemde ik onder andere misselijkheid, diarree, maagkrampen en – als ergste – een verschrikkelijke uitslag waardoor ik er werkelijk niet uitzag. Dat van de uitslag was waar, behalve dan dat mijn bulten in werkelijkheid beten waren in plaats van een infectie. De misselijkheid en de diarree waren ook echt, alleen was ik niet degene die daaraan leed.
Een uur later zat ik, in plaats van bij mijn klant van die ochtend, een bekende advocate, die hulp nodig had bij het kiezen van de garderobe die ze mee moest nemen naar de Maldiven, bij de plaatselijke dierenarts op mijn beurt te wachten en ervaringen uit te wisselen met een vrouw in een groen joggingpak en haar vijftienjarige blinde kat. Fluffy zat in een handdoek gewikkeld op mijn schoot. Zijn onderlijf was voorzien van een oud plastic tasje van de supermarkt, want ik wilde hoe dan ook voorkomen dat de Diesel-spijkerbroek die ik vandaag aan had eenzelfde lot beschoren zou zijn als mijn Armani van de vorige dag.
‘Slim,’ zei dokter McClaw, de dierenarts van middelbare leeftijd. Hij onderdrukte een glimlach terwijl hij mij en mijn draagtasje de spreekkamer binnenliet. Ik zette het tasje op de behandeltafel en pakte Fluffy uit. Hij bibberde en beefde terwijl ik opnieuw het verhaal deed van hoe ik hem de vorige dag had gevonden. Ondertussen onderwierp de dierenarts hem aan een grondig onderzoek, met inbegrip van het schijnen met een klein lampje in zijn oortjes tot het prikken van een thermometer in zijn achterste.
‘Hij heeft een beetje verhoging,’ zei hij terwijl hij een tissue pakte en de thermometer afveegde. ‘Maar laat ik er meteen bij zeggen dat dit nog wel het minst erge is. Om te beginnen is hij bijzonder verzwakt en uitgedroogd. Dat kunt u zelf ook zo aan zijn vel voelen. Het is stijf, droog en voelt bijna als crêpepapier. Dat komt natuurlijk voor een deel door de diarree. En verder is hij zwaar ondervoed, zoals aan die uitstekende ribben van hem te zien is.’
‘Ik heb hem wat stukjes varkenskotelet en worstjes, en gisteravond ook wat roerei gegeven, maar hij heeft alles uitgespuugd.’
‘Dat is veel te vet voor hem. Het is niet ondenkbaar dat hij gastro-enteritis heeft, en hebt u die zweren rond zijn bek gezien?’
‘Ik denk dat die het gevolg zijn van het touwtje dat die zwerver aan het blikje voor de gulle giften had zitten, en dat Fluffy om zijn snuit moest houden.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Het arme dier. Ja, het is duidelijk dat hij mishandeld is. Ik schat dat hij zo’n tien of elf weken oud is. Vermoedelijk is hij kort na zijn geboorte door zijn moeder verstoten, of mogelijk hebben zijn baasjes hem ook wel gedumpt. Het zit er dik in dat hij vanaf dat moment amper nog iets te eten heeft gehad. En dat is dan ook de verklaring waarom zijn voorpoten een beetje krom zijn. Hier – ziet u wel? Het is mogelijk dat hij rachitis heeft, dat wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine D en fosfor. Maar gelukkig zijn zijn botten nog aan het groeien, dus we hebben tijd om dat probleem aan te pakken. Daarvoor zal hij een heleboel liefde nodig hebben, en een speciaal dieet.’
‘En dat is alles?’
Dokter McClaw keek me toegeeflijk glimlachend aan. ‘Ja, afgezien van dat hij mogelijk ook schurft heeft, zoals u aan die kale plekjes op zijn buik en zijn rug kunt zien. O ja, en dan natuurlijk niet te vergeten de andere parasieten.’
‘Parasieten? In meervoud?’
‘Ik vrees van wel. Ik zie dat u al de nodige ervaring met de luizen hebt opgedaan,’ zei hij, met een blik op mijn gezicht vol bulten. Hij duwde Fluffy’s haar met zijn vingers vaneen en haalde er een metalen vlooienkammetje doorheen. ‘En ziet u die donkere korreltjes? Dat is het teken dat hij vlooien heeft. Ik adviseer u om, bij thuiskomst, uw hele flat te ontsmetten. En hij heeft ook oormijt – kijkt u maar – en zo goed als zeker wurmen.’
‘Wurmen?’ vroeg ik geschokt.
‘Nou, als u onder hem kijkt – hier – ziet u dat hij een nogal bol buikje heeft, ondanks dat hij zo ondervoed is. Dat is in de meeste gevallen een symptoom van toxocara canis, oftewel rondworm. Hebt u daar niet iets van in het braaksel waargenomen?’
‘Ik kan niet zeggen dat ik daar zo aandachtig naar heb gekeken.’
‘Ze zijn behoorlijk lang en doen een beetje denken aan strengen krioelende spaghetti. Nee? Ik heb ooit eens een teefje iets van vijftien centimeter zien overgeven. In het ergste geval worden de darmen erdoor geblokkeerd. Ze zijn onvoorstelbaar productief. Een volwassen vrouwtje legt al snel tienduizenden eitjes per dag die dan, samen met de ontlasting, het lichaam van de gastheer verlaten.’ Ik hád het ondertussen al bijna niet meer. ‘Ik moet u ervoor waarschuwen dat ze, als ze per ongeluk op mensen worden overgebracht – onder vuile nagels, bijvoorbeeld – een ernstige infectie tot gevolg kunnen hebben die larva migrans wordt genoemd en die, in het ergste geval, tot blindheid en zelfs hersenletsel kan leiden.’ Ik keek zo onopvallend mogelijk onder mijn nagels. Gelukkig had ik, sinds ik in mijn doorweekte bed wakker was geworden, een obsessie voor boenen en schrobben ontwikkeld en had ik mijn handen die dag al zeker twaalf keer gewassen. ‘En verder kan hij natuurlijk ook lintworm en mijnworm hebben.’
Ik probeerde niet in paniek te raken. ‘Meneer McClaw, ik ben ook bang dat Fluffy dubbel incontinent is.’
‘Nee, nee, hij is niet incontinent, lieve mevrouw. Hij is gewoon nog niet zindelijk. We kunnen denk ik wel stellen dat hij is grootgebracht als een enfant sauvage, zoals de Fransen dat noemen. Daarbij is hij nog te jong om zijn blaas en darmen te kunnen beheersen. Dat zal in ieder geval niet lang meer duren, al moet hij dat natuurlijk wel leren. Maar om te beginnen zullen we hem beter moeten maken, de kleine schat. Ik kan u geen wonderen beloven, maar ik doe mijn best. Ik zal hem nu een algemeen ontwormingsmiddel geven en daarmee moet hij van dat ongedierte in zijn ingewanden af komen. En zodra hij wat dikker is geworden, zullen we hem chippen en hem inenten tegen de meest voorkomende ziektes zoals hondenziekte en kennelhoest. U kunt hem zolang maar beter binnenhouden en ervoor zorgen dat hij niet in de buurt van andere honden komt. Ik zal u wat antibiotica voor zijn maag geven, een goedje om twee keer per dag in zijn oren te spuiten en speciaal puppyvoer voor zieke jonge hondjes waarvan u hem een week lang dagelijks om de vier tot vijf uur een kleine portie moet geven. ’s Nachts geeft u hem alleen maar eten als hij erom vraagt. U hebt een pak speciale vervangende puppymelk nodig en, natuurlijk, een kattenbak met kattengrit. Hier hebt u een voedingsschema en een boekje waarin van alles over zindelijkheidstraining staat te lezen. En dit hebt u misschien ook wel nodig – het adres van het dichtstbijzijnde puppytrainingsklasje. Vraagt u de receptioniste om insectenspray voor hem. En ook voor uw bed en de rest van uw huis. We kunnen dat probleem het beste maar meteen in de kiem smoren. En dan een tandenborstel en tandpasta, want ik wed dat het in zijn bekje krioelt van de bacteriën. Laat u zich niet door hem likken. U moet een halsband en een riem voor hem kopen, en begint u maar meteen hem daaraan te laten wennen. Voor de goede orde adviseer ik u een speciale schimmeldodende shampoo. Als u hem daar de eerste twee weken drie keer per week mee wast en het elke keer tien minuten laat inwerken alvorens het uit te spoelen, doet dat goed zijn werk. U hebt een hele taak op uw schouders genomen. Weet u zeker dat u het aankunt?’
‘Ik geloof van wel. Fluffy heeft zo’n verschrikkelijke start gehad in het leven. Ik zou hem niet graag laten vallen.’
‘Heel bewonderenswaardig.’ Hij gaf me een klopje op de schouder. ‘Nou, mocht het toch te veel zijn, laat u mij dat dan weten. We kunnen altijd aan een van die organisaties van dierenliefhebbers vragen of ze een ander tehuis voor hem willen zoeken, als dat nodig mocht zijn. Hebt u ook al gedacht aan wat u met hem doet wanneer u moet werken?’
‘Misschien dat ik hem in het begin wel mee kan nemen. Dat wil zeggen, ik moet eerst aan mijn baas vragen of het mag. Fluffy zou in mijn handtas onder mijn bureau kunnen zitten.’
McClaw keek me aan alsof ik gek was. ‘In uw handtas?’
‘Nou, zo groot is hij niet.’
Hij onderdrukte een glimlach. ‘Hij groeit snel genoeg. En te oordelen naar het formaat van die poten van hem – en, neemt u mij niet kwalijk, zijn forse testikels – wordt hij nog een heel stuk groter. En puppy’s en honden zitten niet stil. Ze rennen rond. Ze spelen. Ze kauwen op van alles en nog wat. Ze hebben veel beweging nodig. Ik kan me niet zo heel goed voorstellen dat het een haalbare optie is om hem mee te nemen naar uw werk – tenzij u een heel begripvolle baas hebt, natuurlijk. Maar zodra hij gevaccineerd is, kunt u natuurlijk een officiële hondenuitlater inhuren om hem voor u uit te laten.’
‘Echt?’
‘O, ja. Ik heb heel wat cliënten die er eentje hebben. De receptioniste kan u een lijstje van hondenuitlaters in de buurt geven. Er zijn er een paar die erg populair zijn – met name eentje, op wie vooral onze vrouwelijke cliënten bijzonder gesteld zijn. Vraagt u het maar aan de receptioniste, ze zal u uitgebreid informeren.’