Hoofdstuk 10

En zo gebeurde het dat ik, die altijd was teruggeschrokken voor enige vorm van verplichting, de sleutels van mijn flat overhandigde aan Mark Curtis, een volslagen vreemde, en hem onbelemmerd toegang verschafte tot mijn leven. Aangezien ik de hele dag op mijn werk was, had ik er geen idee van hoe vaak zijn oude, gammele en gedeukte VW, met de handgeschilderde pootafdrukken en de naam van Wag the Dog Walks erop, op de parkeerplaats naast de glimmende Audi’s en Porsches een plekje zocht. (Ik had de dagportier gezegd dat hij Mark binnen moest laten.)

Wat ik ook niet wist, was hoe lang Mark binnen was bij Fluffy, of wat hij uitspookte wanneer hij daar was. Zo af en toe stuurde hij me een sms’je om te melden dat alles in orde was. De dagen waarop ik niets van hem hoorde, zat ik de hele middag in angst dat hij niet was verschenen, en dan wist ik na afloop van mijn werk niet hoe snel ik, totaal uitgeput van de zenuwen, naar huis moest komen. Maar wanneer ik dan, met een schuldgevoel omdat ik Fluffy zo lang alleen had gelaten, de voordeur opendeed, was het geld dat ik voor Mark had neergelegd altijd weg en lag Fluffy zoals gewoonlijk heerlijk, tevreden en met een rond buikje in zijn box te slapen, en popelde hij om met mij te spelen.

Mark bleek een schat. Hij scheen precies te weten wat Fluffy nodig had en haalde het altijd zonder eerst met mij te overleggen. Zo gebeurde het bijvoorbeeld dat, toen ik tegen het einde van de tweede week ’s avonds thuiskwam, er een groene rubberen bal in de box lag die ik nog nooit eerder had gezien. Toen ik hem naar de andere kant van de kamer gooide, schoot Fluffy er achteraan alsof hij dat zo geleerd had. Ik moest lachen om de komische wijze waarop hij met die pootjes van hem uitgleed op het gladde parket. Een andere keer kwam ik thuis en lag hij op een kluifvormig, plastic speeltje met uitsteeksels te knagen. ‘Dit designer bijtspeeltje is afkomstig van de dierenzaak op de Queen’s Crescent Market,’ stond er op een nagenoeg onleesbaar, met balpen geschreven briefje dat hij op de salontafel had gelegd. ‘Nu hoeft hij niet meer op mijn vingers, en op jouw Manolo blahblah’s te knagen. Hoop dat je geen bezwaar hebt tegen de enorme onkosten van twee pond vijftig.’ Het briefje was ondertekend met: ‘Van Fluffy’s Personal Shopper.’

De volgende ochtend legde ik extra geld neer voor Mark, met een briefje erbij waarin ik hem bedankte voor het genomen initiatief. Twee dagen later, toen ik in de kleedkamers bezig was met een Amerikaanse producer die moest kiezen tussen de groene avondjurk van Vera Wang waar ze voor de Londense première van haar nieuwe film haar zinnen op had gezet, en de bedrukte, nauwsluitende japon van Issa die haar veel beter stond, ontving ik een sms op mijn Nokia: ‘Nieuw initiatief: heb kattenbak van de badkamer naar de gang verplaatst in de hoop dat Fluffy er tijdig bij kan zijn om hem te gebruiken. Oké?’ Hoewel het in principe vreemd voelde dat Mark zomaar door mijn slaapkamer liep, haastte ik me dat gevoel van me af te zetten, en die avond, toen Fluffy en ik samen op de bank televisie zaten te kijken, sprong hij opeens op de grond, liep naar de gang, klauterde in zijn bak en deed er, tot mijn stomme verbazing, een plas.

Toen Clarissa vanuit Cornwall belde, waar zij en James een huisje huurden, kon ik haar naar waarheid uiterst voldaan vertellen dat Fluffy het uitstekend maakte en dat alles op rolletjes liep, dankzij Mark. Die hondenoppas bleek meer en meer een gouden greep te zijn geweest. Op een dag stuurde hij me een tekst waarin hij aanbood om Fluffy voor zijn controle naar de dierenarts te brengen zodat ik geen vrij hoefde te nemen om dat te doen. Een ander keertje belde hij vanuit Sainsbury’s, waar hij zijn boodschappen deed, en vroeg of ik misschien ook iets nodig had. Toen ik zei van niet, vertelde hij me dat de melk in mijn koelkast zuur was en dat ik bijna door mijn waspoeder heen was – want dat was hem toevallig opgevallen toen hij onder het aanrecht naar iets zocht om Fluffy’s laatste ongelukje mee op te dweilen. Toen ik thuiskwam lag er een pak wasmiddel op het aanrecht, stond er een liter verse melk in de koelkast en lag er ook nog een pakje hondenkauwsticks op het werkblad met een briefje ernaast waarop stond: ‘Een cadeautje voor het jochie.’

‘Hmmm, als je het mij vraagt klinkt hij een beetje als een stalker,’ merkte Clarissa op, op die gebruikelijke wrange manier van haar. ‘Volgens mij heeft hij het op je voorzien. Het is toch niet normaal dat hij zo in je koelkast gluurt en aan je melk snuffelt. Ik vind het eng.’

‘Hij wilde waarschijnlijk een kopje thee voor zichzelf zetten,’ nam ik het voor Mark op terwijl ik me op het kleed naast Fluffy liet vallen, die daar opgerold diep lag te slapen.

Op de achtergrond hoorde ik een vogel fluiten en toen hoorde ik hoe Clarissa een slok nam van de wijn die ze, volgens haar eerdere zeggen, aan het drinken was. ‘Nou, ik heb zo mijn twijfels,’ zei ze achterdochtig. ‘Volgens mij heeft die hondenuitlater een oogje op je.’

Omdat ik zelf ook al een oogje op de hondenuitlater had, maakte mijn hart een sprongetje toen ze dat zei. Maar ik wist dat het te mooi was om waar te kunnen zijn. ‘Onzin!’ riep ik terwijl ik mijn eigen glas Pinot Grigio oppakte, dat gevaarlijk op het randje van de openhaard stond te wiebelen. ‘Mark en ik zien elkaar nooit.’

‘Misschien is hij daarom wel zo gek op je. Of anders voelt hij zich misschien wel tot je aangetrokken omdat je een teef bent!’ Ze schaterde het uit.

Clarissa deed altijd wonderen voor mijn zelfvertrouwen. ‘Nou hoor, Clarissa, je wordt weer reuze bedankt, joh. Hoe dan ook, mijn relatie met Mark is zuiver professioneel en we communiceren alleen maar per telefoon of per sms.’

Ik hoorde haar treurig zuchten. ‘Klinkt perfect. Misschien moest ik dat ook maar eens aan James voorstellen. Godzijdank is hij vanavond met de meisjes weg. Ze zijn op zoek gegaan naar de dichtstbijzijnde snackbar. Verslaafd als ze zijn aan de e-nummers, hielden ze het niet langer uit zonder die troep. Dus nu ben ik tenminste voor één avond niet gedwongen om voor Godin van het Huishouden te spelen en het meest fabuleuze voedsel op tafel te toveren, of om James te onderhouden met interessante conversatie.’

‘Daar draai je toch zeker je hand niet meer voor om? Hoe lang zijn jullie nu al niet getrouwd?’

‘Dat bedoel ik. Weet je, we zijn het gewoon niet meer gewend om zoveel tijd samen door te brengen. Wanneer we thuis zijn, communiceren we alleen nog maar via de kinderen. Op weg hier naartoe – een helse tocht, dat kan ik je wel zeggen – hadden we elkaar na een halfuurtje of zo al niets meer te vertellen. Stel je voor, vijf uur van snoepgoed, plasstops en krijsende ruzies over waar we naar moesten luisteren. Harry Potter versus Horrid Henry versus Kylie, of Danny Kaye die “Tubby the Tuba” zingt.’

‘Geef mij Danny Kaye maar. En hou op over James te klagen – je weet best dat je stapel op hem bent.’

‘Ach ja, dat is ook wel zo,’ gaf Clarissa ietwat aarzelend toe. ‘Zoals je stapel kunt zijn op je jongere broertje – van het soort dat je dagelijks zou willen wurgen. En ja, natuurlijk hou ik van hem. Ik wou alleen dat hij niet zo… nou, zo ontzettend energiek was! Hij heeft zo ontzettend veel energie – voor alles behalve seks. Een beetje van dattum zou niet gek zijn, laat ik je dat wel zeggen. Nee, bij hem is het van: “Kom op jongens, laten we een potje slagbal spelen!” Of: “Wie heeft er zin in Monopoly?” Of: “Gaan jullie mee naar het plaatselijke kaboutermuseum?” Of: “Ik heb een geweldig idee. Laten we een zandkasteel bouwen in de vorm van de Old Bailey!”’ Haar imitatie van James was zó perfect dat ik erom moest lachen. ‘Echt hoor, hij is net zo’n hyperactieve padvinder die een groepje moet leiden. Ik word geacht met vakantie te zijn, om uit te rusten en verwend te worden, maar ik zweer je dat ik hier nog minder tijd voor mezelf heb dan wanneer ik moet werken. Maar wanneer James en de meisjes even de deur uit zijn, zoals nu, dan is het zo heerlijk vredig. Wil je wel geloven dat dit het eerste moment is dat ik voor mezelf heb sinds we hier een week geleden zijn aangekomen? Op dit moment zit ik buiten, in de tuin, in een hangmat, te genieten van een gezond avondmaal van chardonnay en chips. Volmaakt.’ Ik hoorde een luid kraken toen ze in een chipje hapte. ‘En hoe is hij eigenlijk?’

‘Wie?’

‘De hondenuitlater.’

‘O…’ Ik nam een slok wijn. Om de een of andere reden wilde ik Clarissa niet al te veel over Mark vertellen – waarschijnlijk om me haar kritiek te besparen. ‘Ik weet niet. Ik heb hem maar één keer gezien.’

‘En?’ drong ze aan op die gebruikelijke nieuwsgierige manier van haar.

‘Wat kan ik zeggen? Hij is erg aardig. Lang, donker – ’

‘En onvoorstelbaar knap?’ viel ze me giechelend in de rede. Opnieuw gekraak.

‘Ja, zoiets.’

Ze verslikte zich in haar chips en ik verwachtte dat ze ook uit de hangmat zou vallen. ‘Echt?’ vroeg ze, toen ze was uitgehoest. ‘Is hij vrijgezel?’

‘Hoe moet ik dat nou weten?’

‘Heb je hem dat dan niet gevraagd?’

‘Nee, dat heb ik hem niet gevraagd. Hoe had je je dat voorgesteld? Iets van: “O, Hallo, Mark, hoe laat kom je Fluffy vandaag halen, en woon je soms met iemand samen?” Ik neem aan dat hij getrouwd is of dat hij op zijn minst een vaste relatie heeft. Hoe dan ook, wat maakt het uit? Hij is maar een hondenuitlater. Ik heb er niet echt aan gedacht.’

In werkelijkheid had ik er wél aan gedacht, zelfs vaker dan ik tegenover mijzelf wilde toegeven. Kon het werkelijk zijn dat Mark, zoals Clarissa beweerde, een oogje op me had? En was dat wederzijds? Hoewel ons gesprek na onze kennismaking nooit verder was gegaan dan Fluffy, genoot ik altijd van onze korte, wat flirterige telefoongesprekjes en de sms’jes die ik op mijn werk van Mark ontving. En toen ik eenmaal over de schok heen was van het feit dat hij, zonder iets te vragen, de kattenbak van de badkamer naar de gang had verplaatst, begon ik de gedachte dat hij tijdens mijn afwezigheid in mijn flat rondsnuffelde steeds geruststellender te vinden. En toen Mark me eind augustus op mijn werk belde en vroeg of ik er bezwaar tegen had dat hij van tijd tot tijd zijn gitaar meebracht om er tijdens het oppassen wat op te oefenen omdat hij thuis het verzoek had gehad het daar niet meer te doen, antwoordde ik dat ik best vond zolang de buren maar geen last van hem zouden hebben.

Toen ik die avond thuiskwam, lag er bedankbriefje voor me op de keukentafel, met daarnaast een bosje bloemen dat hij, volgens zijn zeggen, op de hei van Hampstead had geplukt. Het vaasje dat hij ervoor had uitgezocht, was een van mijn lievelingsvaasjes – een kannetje van roze porselein dat ik had meegenomen uit de flat van mijn oma toen ze drie jaar tevoren was overleden. Omdat ik het maar hoogstzelden gebruikte, was het achter in een van de hoogste keukenkastjes terechtgekomen. Hij moest echt moeite hebben gedaan om het te vinden – sterker nog, om bij dat kastje te kunnen komen, had je het trapje nodig dat ik in de gangkast had staan. En dat betekende dat hij de boel grondig doorzocht moest hebben.

De volgende dag bracht Mark zijn elektrische gitaar mee. Een week later zei hij dat het hem zinloos leek om dat ding elke avond mee naar huis te nemen om het de volgende ochtend weer mee terug te brengen, en dus zei ik dat hij hem rustig kon laten staan. Vanaf dat moment werd zijn gitaar op de zwartmetalen standaard een vaste bewoner van de hoek van de woonkamer. Afgezien van de gitaar zelf behoorden ook een aantal elektrische kabels, een grote subwoofer en een oud tabaksblik met een verzameling plectrums tot de uitrusting. ’s Avonds liep Fluffy er wel eens heen en snuffelde eraan. Volgens een sms die ik in die tijd van Mark ontving, was mijn pup dol op muziek.

Inmiddels was het begin september en leek Fluffy in de verste verte niet meer op het treurige, zieke en uitgemergelde hoopje hond dat ik die fatale zondag in juli uit Camden Town mee naar huis had genomen. De kale plekken in zijn vacht waren bedekt met een laagje dons, zijn diarree was verleden tijd en de zweren van zijn bek, veroorzaakt door het touwtje aan het blikje van de bedelaar, waren volledig genezen. Doordat hij zo veel mogelijk in de zon op het balkon had geslapen en dagelijks zijn portie levertraan door zijn eten gemengd had gekregen, was zijn vacht prachtig gaan glanzen en waren zijn botten een stuk sterker geworden – het nadeel was alleen dat zijn adem er verschrikkelijk van ging stinken. Zijn poten waren ook rechter en langer geworden en hij liet zijn kopje ook al niet meer zo heel erg laag hangen – in plaats van tot mijn enkels kwam het nu tot halverwege mijn kuiten. Hij groeide als kool. Wanneer hij, zoals hij altijd deed wanneer hij opgetild wilde worden, aan mijn benen krabde, maakten zijn nagels schaafplekken tot aan mijn knieën. Toen de dierenarts hem voor het eerst had gewogen was hij een kilo geweest – inmiddels woog hij er vier.

Het meest bevredigende van alles was nog wel dat zijn staart nooit ophield met kwispelen en dat hij zijn bekje altijd half open hield waardoor het leek alsof hij voortdurend grijnsde.

‘Het is net alsof hij zich realiseert dat hij onvoorstelbaar geboft heeft,’ merkte dokter McClaw op toen ik bij hem was voor Fluffy’s laatste vaccinatie. ‘Hij is werkelijk onherkenbaar, vergeleken met een paar weken geleden. Gefeliciteerd.’

Ik kreeg een kleur van trots. Ik kon eigenlijk wel zeggen dat Fluffy mijn grootste make-oversucces tot nu toe was. Ondanks zijn malle, alle kanten op groeiende grijs en witte haar, waarvan de conditie per dag vooruitging, en zijn grote behaarde oren waarvan er eentje altijd recht overeind stond en de andere slap omlaag hing, bewoog hij zich met een onmiskenbare sierlijkheid en stijl. Zijn snuit was bijna even spits als die van een vos en zijn staart werd niet alleen langer, maar ook behaarder. Speels, vitaal en levenslustig sprong hij als een gazelle door de flat. Wanneer ik ’s avonds thuiskwam, sprong hij zo blij tegen me op dat het wel leek alsof we jarenlang gescheiden waren geweest. Op zondag, wanneer ik de hele dag thuis was, deden we het samen heerlijk rustig aan – hij volgde me van kamer naar kamer en knaagde op de kranten die ik uit had, en het leek wel alsof hij mijn voorkeur voor de modepagina’s met me deelde.

Fluffy was nog niet honderd procent zindelijk, maar het begon erop te lijken. Hij had inmiddels begrepen wat de bedoeling van zijn kattenbak was en hij maakte er dan ook vrijwel altijd gebruik van. Het enige probleem was dat hij er een beetje te groot voor was geworden en dat hij niet altijd even zorgvuldig richtte. Hoewel ik de bak wanneer ik thuis was op het balkon zette en hem altijd schoonmaakte wanneer hij vies was, hing er voortdurend een onaangename geur in de flat en waren er ook de nodige ongelukjes. Eigenlijk gebeurden er meer ongelukjes dan ik bereid was toe te geven en, mogelijk omdat hij nog altijd zo vaak te eten kreeg, moest Fluffy drie tot vier keer per dag poepen. Mijn vader noemde hem de poepchinees.

Nu Fluffy al zijn prikken had gehad mocht hij naar buiten, hetgeen, naar ik hoopte, het einde van de kattenbak zou betekenen. Het betekende ook het einde van het oppassen van Mark. En dat was maar goed ook, want alles bij elkaar kostte me dat – hoewel hij werkelijk niet duur was en hij heel wat uurtjes bij Fluffy doorbracht – negentig pond per week. Als ik een tweede slaapkamer had gehad, zou ik voor minder een inwonende aupair hebben kunnen hebben die dag en nacht voor Fluffy beschikbaar zou zijn geweest. Dus die zondag, weer thuis van mijn bezoek aan de dierenarts, belde ik Mark om nieuwe afspraken te maken. Hoewel het drie uur in de middag was, klonk hij alsof hij nog maar net wakker was.

‘Heb ik je gewekt?’ vroeg ik, een tikje nerveus.

‘Nee, nee.’ Hij geeuwde. ‘Ik ben al ruim een uur bij mijn positieven, maar ik lig nog in bed.’

Ik vroeg me af wat hij daar zo lang deed. ‘Neem me niet kwalijk als ik je stoor.’

‘Je stoort me niet. Ik doe niets. Of liever, ik ben bezig met het ontspannen van mijn hamstrings, want zondag is mijn vrije dag. Ik had je ook al willen bellen om een nieuwe afspraak met je te maken.’

‘Precies. Daar bel ik voor.’

‘Nou, weet je, ik had gedacht dat het, hoewel Fluffy nu wel naar buiten mag en zo, misschien toch geen goed idee is om hem meteen al met de grote honden mee naar de hei te nemen. Het lijkt me beter om het niet te overhaasten, maar om hem beetje bij beetje aan het buitengebeuren te laten wennen. In die zin had ik gedacht om, zoals ik tot nu toe heb gedaan, bij je langs te blijven komen, en hem dan alleen uit te laten.’

‘O ja?’

‘Ja, om hem gedurende een weekje of zo aan het lopen aan de lijn te laten wennen. Een lange wandeling op de hei zou nog wel eens te veel voor hem kunnen zijn.’

‘Ja, dat is waarschijnlijk wel zo. Hij is natuurlijk nog steeds een pup, niet?’

‘En misschien is hij ook wel een beetje bang voor die grote honden. Je moet namelijk weten dat ik drie keer per week een rottweiler mee uit neem en op vrijdag een enorme mastiff.’

‘Ja, ik snap wat je bedoelt.’

‘Maisie, de rottweiler, is in feite een schatje – ze is echt ontzettend lief, en laf is ze ook. Vorige week, op Parliament Hill, is ze zich nog wild geschrokken van een teckel.’ Ik lachte. ‘Maar toch zou ik me voor kunnen stellen dat Fluffy bang voor haar is omdat ze zo groot is.’

‘Mmm, dat zou kunnen. En, hoe dan ook, je hebt natuurlijk gelijk – een uur lang lopen zou nog wel eens te veel voor hem kunnen zijn,’ zei ik. ‘Nou, als je er geen bezwaar tegen hebt om nog een poosje langer op te komen passen…’

‘Helemaal niet. Ik doe het graag.’

‘Het enige is…’

‘Ja?’

‘Nou, na alles wat ik je al heb moeten betalen, zal Fluffy het nu met maar één wandeling per dag moeten doen.’

‘O.’

‘Ja, het is…’ Ik haalde diep adem. ‘Ik zeg niet dat je duur zou zijn, Mark. Integendeel, ik vind juist dat je tarieven ontzettend redelijk zijn voor wat je doet, en zonder jou zou ik het nooit hebben gered. Maar ik kan het me niet veroorloven om je datzelfde bedrag per week te blijven betalen, niet ad infinitum, alleen maar opdat Fluffy niet zo lang alleen is. Ik vind het geen prettige gedachte om hem zo lang achtereen alleen thuis te moeten laten, maar… ik dacht, als ik hem ’s ochtends vroeg mee uitnam voor een lange wandeling, en jij hem dan rond het middaguur zou kunnen nemen… denk je dat dat voldoende is? Ik bedoel, als iets om naartoe te werken nu hij al wat ouder is?’

Het bleef lange tijd stil aan de andere kant van de lijn. ‘Nou, weet je,’ zei Mark ten slotte, ‘ik ben eigenlijk heel graag bij dat kleine monster.’

‘Hij is echt een schatje, niet?’

‘Ja, en bovendien…’

‘Ja?’

‘Nou, dan is er ook nog die kwestie van mijn muziek.’

‘Wat is daarmee?’

‘De akoestiek in die grote woonkamer van jou is fantastisch. Ik vind het ontzettend stimulerend om daar te kunnen spelen – bij jou thuis ben ik veel creatiever dan ik in lange tijd ben geweest, zullen we maar zeggen. En ik ben op dit moment halverwege de compositie van een nieuw nummer.’

‘Ja?’

‘Mmm. Een beetje jazzy, bluesachtig nummer met een popondertoon – denk maar aan een kruising van Oscar Peterson van circa 1959 met Kylie Minogues Can’t Get You Out Of My Head.’

‘Dat klinkt geweldig!’

‘Ja, nou, ik wil niet verwaand zijn of zo, maar ik denk echt dat dit wel eens een grote, commerciële hit zou kunnen worden. Maar ik moet er nog veel aan schaven.’

‘Aha.’ Het lag op het puntje van mijn tong om te zeggen dat ik hem toch onmogelijk zou kunnen aanhouden als hondenoppas alleen om hem aan zijn compositie verder te laten werken, toen hij zelf met een suggestie kwam:

‘Dus… eens denken… Wat zou je ervan zeggen om me te betalen voor het uitlaten in de ochtend, maar dat ik dan toch ’s middags naar je huis kom? Zonder je dat in rekening te brengen, bedoel ik.’

‘Wat? Je bedoelt dat je daar dan niets voor wilt hebben?’

‘Fluffy zou niet al die tijd alleen hoeven zijn en in ruil daarvoor, voor dat ik hem af en toe uitlaat en zo, kan ik dan bij jou werken.’

Ik had even nodig om zijn voorstel te verwerken. ‘Dus je bedoelt dat je mijn huis als een soort studio wilt gebruiken?’

‘Ja. Zoals ik dat de afgelopen weken ook heb gedaan. Als een ruil, snap je?’

‘Ja, ja. De ene gunst voor de andere.’

‘Precies. Het gebruik van je flat in ruil voor het uitlaten van Fluffy. Ik kan me de huur van een studio niet veroorloven en jij kunt het je niet veroorloven om me zo veel te blijven betalen, dus dan is dit alleen maar een logische oplossing, vind je niet? En je bent toch de hele dag weg, dus je hebt geen last van het feit dat ik er ben, toch? En als je om de een of andere reden wel thuis zou zijn en je je flat voor je alleen zou willen hebben, kun je me gewoon wegsturen. En dan ga ik natuurlijk ook. Lijkt je dat wat?’

Er rinkelden meerdere alarmbelletjes in mijn hoofd, maar ik negeerde ze. ‘Een interessant idee, moet ik zeggen.’

‘Ja, dat is het ook. Plus…’

‘Ja?’

‘Ik zou me altijd nog op andere manieren nuttig kunnen maken.’

Ik realiseerde me dat ik glimlachte. ‘Zoals?’

‘Nou, ik zou boodschappen voor je kunnen doen. Ik zou de boel kunnen vegen. Die grote yucca in de woonkamer kunnen afstoffen. Boekenplanken op kunnen hangen.’

Ik werd ernstig. ‘Nou, bedankt, maar ik heb al genoeg boekenplanken.’

‘Dat is zo. Nou, in dat geval zal ik je gloeilampen verwisselen als ze kapotgaan.’

‘Grappig genoeg is dat zo ongeveer het enige doe-het-zelven dat ik kan.’

Nu moesten we alle twee lachen. ‘Moet je horen,’ ging hij verder, ‘als het niet bevalt, dan houden we er toch gewoon mee op. Zo simpel als wat.’

Ik haalde diep adem. ‘Goed, dan.’

‘Góéd?’ Mark klonk geschrokken. ‘Bedoel je dat je ermee akkoord gaat, of bedoel je dat je het niet wilt?’

‘Nou, eigenlijk bedoel ik alle twee.’

‘Geweldig! Hartstikke fantastisch, Annie!’ Mark klonk extatisch. En toen voegde hij er profetisch aan toe: ‘Ik beloof je dat je hier geen spijt van zult krijgen.’

Dat had hij me zwart op wit moeten geven.