Hoofdstuk 9
En zo kwam Mark Curtis, de zaterdagmiddag daarop, op zijn dooie gemak mijn leven binnengewandeld. Hij kwam om drie uur en dat was een uur later dan we hadden afgesproken.
Achteraf bezien realiseerde ik me dat ik hieruit had moeten opmaken dat Mark iemand was die iedereen tevreden wilde stellen en dat hij daarom doorgaans meer beloofde dan hij waar kon maken. Maar wat heeft het voor zin om dit soort dingen achteraf vast te stellen, afgezien dan van je het gevoel te geven dat je dom bent geweest?
Toen ik de deur voor Mark opendeed, droeg hij de canvas sandalen en de kaki bermuda die hij naar mijn idee sindsdien nooit meer heeft uitgetrokken. Die dag droeg hij er een verwassen wit T-shirt op met de tekst: Wag the Dog Walks, de naam van zijn hondenuitlaatbedrijfje.
Alhoewel, bedrijfje is mogelijk een beetje te veel gezegd. Bij die term denk je al snel aan een kantoor, een bankrekening, werknemers en een winst- en verliesrekening. In werkelijkheid bestond Wag the Dog Walks uit Mark, zijn roestige VW-busje en de oude prepaid Nokia waarop ik hem eerder die week had gebeld.
‘Annie?’ Mark kamde zijn vingers door zijn wilde, donkere haar dat op een aantrekkelijke manier over zijn voorhoofd viel, zijn verweerde gezicht omlijstte en over zijn indrukwekkend brede schouders streek. ‘Sorry dat ik laat ben,’ zei hij. ‘Ik had verwacht op tijd te zullen zijn, maar het verkeer was een ramp.’
Toen hij me glimlachend aankeek, was het alsof ik iets langs mijn rug voelde kruipen. En aangezien ik Fluffy die week drie keer royaal met vlooienspray had ingespoten, wist ik dat het geen ongedierte kon zijn. ‘Het geeft niet,’ hoorde ik mijzelf zeggen, hoewel ik het afgelopen halfuur bezig was geweest hem in gedachten de huid vol te schelden. Ik bedoel, wat kon je nu verwachten van de betrouwbaarheid van een hondenuitlater als hij op zijn kennismakingsbezoek al veel te laat was? ‘Kom erin.’
‘Dank je. Zal ik deze eerst even uittrekken?’ Hij tilde een van zijn enorme voeten op en bekeek de zool van zijn nogal stoffige sandaal. ‘Ik vermoed dat ik de halve hei van Hampstead mee naar binnen breng.’
‘O, nou, doe geen moeite. Met Fluffy hier denk ik niet dat de vloer nog veel vuiler zou kunnen worden dan hij al is.’
Ik deed een stapje opzij en hij liep doodgemoedereerd langs me heen, het entreehalletje door en de dubbelhoge woonkamer in. Ik wachtte op het moment dat hij een opmerking over het interieur zou maken. Dat deed namelijk iedereen. En ja hoor, hij bleef net iets over de drempel staan, stak zijn handen in zijn zakken en floot zacht en bewonderend. ‘Wow,’ zei hij, ‘wat een schitterende ruimte!’
‘Dank je.’
Hij liep door tot in het midden van de kamer en keek omhoog naar het plafond. ‘Ik wed dat de akoestiek hier fantastisch is.’
‘Dat kan best,’ zei ik, naar zijn gespierde, behaarde kuiten turend. Jezus, waar was ik mee bezig? Stel je voor, alsof ik een hondenuitlater zou begeren! ‘Weet je dan iets van akoestiek?’ vroeg ik met een onnozel glimlachje.
Hij knikte. ‘Ik ben musicus. Basgitarist.’
‘O! Speel je in een band?’
‘Nou, nee.’ Hij draaide zich naar me om en grinnikte. God, hij was wel knap hoor, wanneer hij zo glimlachte! Om op te vreten, eigenlijk. ‘Op het moment niet,’ ging hij verder. ‘De laatste tijd heb ik het nogal druk met de hondenbusiness.’
‘Echt?’ Ik realiseerde me dat ik stom stond terug te grijnzen en ik moest echt mijn best doen om mijn mondhoeken omlaag te krijgen.
‘Hoe lang woon je al hier?’ vroeg hij.
‘O, iets van vier jaar.’
‘Enne, huur je het?’ vroeg hij.
‘Nou, ik heb het een paar jaar geleden gekocht.’
Ik keek, een tikje beschaamd bijna, naar hoe hij om zijn eigen as draaide en zijn blik aandachtig over de vrijstaande openhaard met zijn stalen schoorsteenpijp, de zespersoonsbank en de roestvrijstalen keuken liet gaan. ‘Geweldige keuken,’ zei hij, erheen lopend om hem nader te bewonderen. ‘Mooi, dat dubbele fornuis. Het moet een genot zijn om daarop te koken.’
‘O ja, het is het einde!’ Dit was niet het moment om hem te bekennen dat ik mijn ultramoderne keuken alleen maar gebruikte om de kant-en-klaarmaaltijden waar ik van leefde in de magnetron te stoppen. ‘Hou je van koken?’
‘Ja, daar ben ik gek op.’ Mark haalde zijn hand over het smetteloze granieten aanrecht. Hoewel hij er nogal slonzig en onverzorgd uitzag, had hij mooie handen met lange slanke vingers, zag ik, en prachtig glanzende nagels. ‘Ik ben er zo’n beetje mee opgegroeid. Mijn ouders hebben een pub even buiten Norwich. Zo’n echt ouderwetse tent nog – je weet wel, met houten balken, paardenspullen, openhaarden en gemakkelijke stoelen.’
‘O, wat leuk.’
‘Ja, dat is het zeker. Hoe dan ook, toen ik iets van elf was, hebben ze een deel ervan in een echt restaurant veranderd. We woonden erboven, dus mijn oudere zussen en ik moesten, wanneer mijn ouders personeel tekortkwamen, altijd meehelpen in de keuken. Ze serveren er niet van dat peperdure pubvoer wat je tegenwoordig in die chique zogenaamde pubs in Londen krijgt.’
‘Je bedoelt dat ze niet deden aan fusion-garnalen-en-aspergemousse met chili- en pindadipsaus? Of lamsschenkel met gember en ahornsiroop, omringd door een lagune van watermeloenjus en puree?’
Mark lachte. ‘Ik zie dat we in dezelfde tenten eten. Nee, bij hen krijg je zuiver traditionele kost, maar van ontzettend goede kwaliteit. Je weet wel, gebraden kip met alles erop en eraan. Echte slagersworstjes, kool en zelfgemaakte puree. Boerenlunches met originele cheddarkaas, fatsoenlijke ham, tomaten uit de moestuin van mijn vader en zelfingelegd zuur. Alles maken ze zelf, ook het brood. Dus ik leerde al vroeg hoe je een voortreffelijke pastei met rundvlees en niertjes moest maken – met een lekkere korst en al. En mijn kruimeltaart van appel en bramen kan er ook heel best mee door. Maar mijn specialiteit is fazant uit de oven. Met appels en calvadossaus, kool, kastanjevulling en gepofte aardappels met knoflook.’
Inmiddels liep het water me in de mond, al kon ik niet zeggen of dat door al het heerlijks kwam dat hij had opgenoemd, of door hemzelf. Ik wist een vaag ‘mmm, ik ben onder de indruk,’ uit te brengen, en daarvan was geen woord gelogen.
Mark was een stuk. Zijn stem – een volle, hese bariton met een licht accent van Norfolk – kwam uit een zinnelijke mond in het doorleefde gezicht van een Franse filmster uit de jaren zestig – het soort dat altijd een Gauloise tussen de lippen had geklemd. Verder had hij de slaperige oogopslag van een man die de hele voorgaande nacht de liefde had bedreven en nog maar net uit bed was. En waarschijnlijk wás hij ook nog maar net uit bed, dacht ik – waar hij zich met de een of andere sexy vriendin vermaakt had. Dat was vermoedelijk ook de reden waarom hij een uur te laat was. Maar dat had ik nog niet bedacht, of ik werd knalrood. ‘O, lieve help, heb jij ook zo’n last van deze hittegolf?’ riep ik, terwijl ik me naar een van de ramen haastte en het opendeed.
‘En, hoe oud is je baby?’ vroeg hij.
Ik draaide me met een ruk om. ‘Mijn báby?’
‘Ja.’ Hij wees op de box vol pluchen beesten die bij de openhaard stond. ‘Ik ben dol op kinderen. Mijn jongste zus heeft er een en mijn oudste zus heeft er drie. Baby’s ruiken zo lekker, vind je ook niet?’
‘Nou, dat is de box voor de hond,’ bekende ik. Hij grinnikte en liep naar de cirkelvormige netbox die ik drie dagen tevoren bij Argos had gekocht, leunde over de rand en viste er een van de pluchen beesten uit die ik had aangeschaft om Fluffy gezelschap te houden. ‘Je vindt me vast volledig geschift,’ zei ik, toen hij de armpjes van Mickey Mouse begon te bewegen, ‘maar die box is voor Fluffy, om in te slapen. En voor wanneer ik even niet wil dat hij iets vernielt. Ik bedoel, wat doe je met een pup die zichzelf niet kan beheersen wanneer je, ik noem maar wat, in bad wilt of zo?’
Ik had het nog niet gezegd of ik had al spijt van mijn woorden. Want toen Mark zich naar me toe draaide en me glimlachend aankeek, voelde ik me even naakt alsof ik op het punt stond onder de douche te stappen.
Mark knikte. ‘Dus dan heb je geen kinderen?’ vroeg hij.
‘Help, nee!’ zei ik. Hij keek me op een vreemde manier aan. ‘Jij dan wel?’ reageerde ik na een korte stilte.
‘Ik ben nog niet zo ver.’
Ik vroeg Mark of hij wilde gaan zitten, dus hij nam plaats op het puntje van het ene uiteinde van de lage zespersoonsbank, terwijl ik het me aan het andere uiteinde gemakkelijk maakte.
‘En waar is het kereltje?’ vroeg hij nadat we alle twee even niets hadden gezegd.
‘Fluffy? O, ik heb hem een paar minuten geleden in de badkamer opgesloten. Ik probeer hem aan zijn kattenbak te wennen. Maar ik vermoed dat hij zich aan het amuseren is met het kapotknagen van mijn andere Manolo. Hij heeft er al een geruïneerd.’
Marks frons stond hem uitstekend. ‘Wat is een manolo?’
‘Blahnik?’ opperde ik, maar aan zijn gezicht te zien zei hem dat nog steeds niets. ‘Het is een schoenenmerk, een beroemd schoenenmerk, om precies te zijn. Manolo Blahnik is de naam van de ontwerper. Zijn moeder was Spaanse en zijn vader Tsjech – en dat verklaart die prachtige naam van hem. Hij is een echte kunstenaar. Hij is, in de jaren zeventig, begonnen met het ontwerpen van schoenen voor Ossie Clark, en sindsdien ontwerpt hij voor iedereen, variërend van John Galliano tot Issac Mizrahi en Carolina Herrera.’
Mark schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat alles wat je daar zegt Chinees voor me is.’
‘Het zijn allemaal modeontwerpers.’
‘Ah, goed. Mode is niet mijn sterkste punt, zoals je misschien ook wel hebt gezien,’ voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn oude T-shirt trok. ‘Maar jij schijnt er heel wat van af te weten.’
‘Nou, het is waar ik mijn brood mee verdien,’ legde ik uit. ‘Ik ben een make-overdeskundige en ik werk bij Haines en Hampton op de afdeling personal shopping.’ Hij keek me nog steeds met nietszeggende ogen aan. ‘Dat is een kledingzaak voor dure merken in Chelsea. Dé kledingzaak, om precies te zijn. Haines is voor King’s Road wat Harvey Nichols voor Knightsbridge en South voor Molton Street is.’ Maar ook die namen leken hem niets te zeggen. ‘We verkopen er alles, van designerhandtassen tot designeronderbroeken.’
Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘O, interessant, designeronderbroeken.’ Ik giechelde. ‘En als je designer zegt, dan bedoel je waarschijnlijk dat alles er heel erg duur is.’
‘Ja, dat kun je wel stellen.’
‘En wat is “personal shopping”?’
‘Nou, dat is een speciaal soort service die we geven. We helpen mensen bij het kopen. Hé, wil je misschien iets drinken? Thee? Koffie? Een kruidenthee?’
‘Nou lekker, ja. Koffie, graag. Vertel me eens wat meer over dat personal shopping?’ Hij volgde me naar de keuken. Ik ving een glimp van mezelf op in het chroom. God, ik zag er niet uit! Het was geen moment in me opgekomen om me op te tutten voor het kennismakingsgesprekje met mijn hondenuitlater, maar daar had ik nu spijt van. Ik kamde mijn vingers door mijn uitgezakte haren om het eruit te laten zien alsof de wind er doorheen had gespeeld en draaide me naar hem om. ‘Nou, we krijgen alle mogelijke soorten mensen die er beter uit willen zien dan ze doen, of die gewoon eens iets anders willen, of meer trendy, zoals wij dat noemen, maar die zelf niet weten hoe ze die nieuwe look voor elkaar moeten krijgen. Het is mijn werk – en dat van mijn collega’s – om met ze door de winkel te lopen, of om dat námens hen te doen, en iets uit te zoeken wat bij hen past en wat ze kunnen betalen.’
‘Aha, dus dan ben je eigenlijk gewoon verkoopster?’ zei Mark.
‘Nou ja, goed, dat zou je kunnen zeggen.’ Ik ging op het aanrecht zitten om hem beter te kunnen zien – lang, slank, lekker bruin en iets van midden dertig. Hij zag er, op die speciale nonchalante en onverzorgde stijl die me een beetje aan Heathcliff deed denken, werkelijk uit om op te vreten. ‘Maar ik doe meer dan alleen maar verkopen,’ kletste ik verder. ‘De mensen die bij ons komen – en dat zijn voornamelijk vrouwen – doen dat om verschillende redenen. Je hebt erbij die steenrijk zijn, zoals vrouwen die een vermogen hebben geërfd, of van die jonge, bloedmooie prijswijven met bodemloze Chanel-portemonnees. George – de eigenaar van de zaak, George Haines – is stapel op die categorie, want bij elk bezoek spenderen ze een vermogen. Je kunt je niet voorstellen hoeveel geld ze uitgeven – wel tienduizenden ponden per keer.’
Mark was stomverbaasd. ‘Aan kleren?’
Ik knikte. ‘Kleren, make-up, schoonheidsartikelen en, vooral, accessoires. En zo moeilijk is dat niet in zo’n winkel als de onze. Ik bedoel, een echte fashionista is al snel bereid om zo’n zes- of zevenhonderd pond uit te geven voor beetje handtas. Echt hoor, dat is heus niet veel voor iets bijzonders! En ondanks die enorm hoge prijzen zijn er wachtlijsten voor.’
‘Wachtlijsten voor handtassen? Voor díe prijzen? Dat meen je niet!’
Ik knikte. ‘Ja, heus. Zelfs voor de Hermès Birkin, waarvoor je meer dan duizend pond op tafel moet leggen. Dus ga maar na, als een vrouw een geheel nieuwe outfit wil – tas, schoenen, een pakje, accessoires – en je hebt erbij die dat elke week willen, dan loopt de rekening aardig snel op. Ik had laatst nog een klant die ruim vijfentwintigduizend pond uitgaf aan iets wat ze voor een liefdadigheidsbal wilde aantrekken. Ze had dat geld veel beter meteen aan dat goede doel kunnen geven!’
‘Dat is waanzin!’
Ik lachte. ‘Ja, je hebt gelijk. Maar als klant is dat soort vrouwen niet echt interessant voor ons.’
‘Waarom niet?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ze kunnen verschrikkelijk veeleisend zijn en in de meeste gevallen bezitten ze al veel meer kleren dan ze ooit kunnen dragen. Ze komen binnen met het idee van meer van hetzelfde of, in ieder geval, het nieuwste van het nieuwste van de een of andere ontwerper dat je móét hebben, en in die gevallen wordt er natuurlijk niet gekeken naar of het bij hen past of aansluit bij hun leeftijd.’ Het water kookte, dus ik sprong van het aanrecht, trok een kastje open en haalde er mijn potje instantkoffie uit. ‘Zwart of met melk?’ vroeg ik. ‘Ik geloof dat ik nog wel wat melk heb.’
‘Eh…’ Mark maakte een onzekere indruk. ‘Eh, neem me niet kwalijk dat ik het vraag, maar heb je geen behoorlijke koffie?’
‘Je bedoelt echte koffie? God, nee. Dat zetten is me veel te veel werk. Doe jij dat dan wel?’
Hij knikte. ‘Het stelt niets voor. Waarom koop je geen cafetière? Of zo’n elektrisch espressoapparaat.’ Hij glimlachte verontschuldigend. ‘Sorry. Het gaat me niets aan. Instant is best. Vertel me nog maar wat meer over die klanten van jullie.’
Terwijl ik me een beetje schaamde voor die gemakzucht van mij, schepte ik een lepel bruine korrels in een mok en schonk er kokend water op. ‘Nou, de vrouwen die ik echt graag heb, zijn carrièrevrouwen met een niet al te royaal budget, zoals docenten, advocaten of actrices, of vrouwen die op een bank werken, of desnoods in een dure winkel. Of die zelf een bedrijf hebben. Een van mijn klanten is een minister – ik mag natuurlijk niet zeggen wie. Onze service is honderd procent vertrouwelijk en we zijn er trots op dat we zo discreet zijn. Hoe dan ook, deze vrouw moet naar een bijzondere bijeenkomst, maar ze heeft geen idee wat ze aan moet trekken. Of je hebt erbij die net zestig zijn geworden en die ineens al hun zelfvertrouwen kwijt zijn. Of anderen, wier huwelijk op de klippen is gelopen, of die bang zijn dát het op de klippen zal lopen, of dat ze ontslagen zullen worden. Maar net zo goed kan het iemand zijn die aan een nieuwe baan gaat beginnen en graag een goede indruk op haar nieuwe collega’s wil maken. Wat we proberen te doen, is te begrijpen wat zo’n vrouw wil, en dan helpen we haar dat te realiseren voor een bedrag dat ze zich kan veroorloven. We brengen haar goede kanten naar voren zodat ze zich zelfverzekerd kan voelen.’
Mark keek me ongelovig aan met die mooie ogen van hem. ‘En dat doe je door haar zulke schandalig dure kleren te verkopen?’
‘Nou, ik weet dat het gek klinkt, maar ja. Je hebt vast wel eens gehoord van troostshoppen. Soms is daar niet meer voor nodig dan iemand helpen bij het uitzoeken van een prachtige tas of ceintuur die haar hele garderobe in één klap weer actueel maakt. Maar er zijn net zo goed keren dat ik iemand niets verkoop, maar dat ik haar naar de kapper stuur voor een nieuw, modern kapsel, of naar de parfumerie waar de visagistes haar een andere manier leren om zich op te maken. Als je dat voor iemand doet, dan geven ze misschien niet zo veel geld uit – of misschien zelfs helemaal niets – maar ze zijn je verschrikkelijk dankbaar. En dan kun je er iets om verwedden dat ze, zodra ze wat geld te besteden hebben, weer bij je terugkomen.’
‘Dus dan ben je zoiets als een shoptherapeut?’
Ik lachte. ‘Ja, zo zou je het ook kunnen zeggen!’
O, Mark was aardig die dag. Hij was echt, heel, heel erg aardig, en hij was helemaal niet zoals ik verwacht had dat een eigenaar van een hondenuitlaatbedrijf zou zijn. Intussen begon ik het gevoel te krijgen dat ik veel te lang aan het woord was geweest, maar ik had het zo naar mijn zin dat ik aanvankelijk niet goed begreep wat hij bedoelde toen hij vroeg: ‘Maar, zeg, stel je hem eigenlijk nog aan me voor?’ Waar had hij het over? Ik was even helemaal vergeten wat hij hier kwam doen.
Nadat ik hem had gezegd dat hij weer op de bank moest gaan zitten, ging ik naar mijn slaapkamer waar ik, met de nodige schroom, voorzichtig de deur van de badkamer openmaakte. Een week geleden nog maar was het mijn eigen privéspa geweest, een vreedzame oase van rust en orde, voorzien van stapels smetteloos witte handdoeken en op kleur gerangschikte dure body-scrubs, douchegels en lotions die ik bij Haines had gekocht. Het rook er heerlijk naar de Chanel Allure waar ik aan verslaafd was, met een ondertoon van het grapefruitluchtje van de geurkaars die Norma, de verloofde van mijn vader, me voor mijn laatste verjaardag had gegeven. (‘Een vlam van een vlam,’ had ze er heel lief bij gezegd.) Maar nu stond de plank boven de stijlvolle, ronde Philippe Starck-wastafel vol met een chaotisch mengelmoesje van grote blauwe flessen bleekwater, felgekleurde verpakkingen vlekkenverwijderaar en flessen crème-de-menthekleurig ontsmettingsmiddel. Ondanks de tornado’s industriële luchtververser – het soort dat bedoeld is om stank te vernietigen in plaats van te maskeren – rook het in mijn badkamer naar een kruising tussen het trappenhuis van een parkeergarage en een latrine van het Glastonbury Festival.
Fluffy had weer eens op de granitovloer geplast, zag ik, en hij lag, half weggedoken onder mijn badhanddoek, die hij van het glanzende, roestvrijstalen droogrek had weten te trekken, prinsheerlijk te slapen op het kurkdroge grit van de kattenbak. Ik pakte hem op. Hij deed zijn ogen open, keek me slaperig aan, geeuwde en rekte zich uit terwijl ik het grit van zijn vacht sloeg en hem naar de kamer droeg. Toen ik de deur door ging zag ik nog net hoe Mark, heel onopvallend, zijn koffie in de gootsteen kiepte.
Ik schraapte mijn keel. ‘Daar is-ie dan.’ Ik ging, met Fluffy op schoot, op de bank zitten.
Mark kwam naast me zitten. ‘Hé, hallo, jongen.’ Hij kroelde Fluffy onder zijn kin. Fluffy ging op zijn rug liggen, keek met glimmende oogjes naar hem op, deed zijn bek open en begon op een van Marks vingers te knagen. ‘Je bent een echt schatje, hè?’
‘Vind je?’ Ik nam Fluffy kritisch op. De eerste paar dagen was hij erg ziek geweest, met hoge koorts. Maar het puppyvoer voor zieke hondjes had, samen met de vervangende puppymelk die ik hem ’s nachts om de vier uur had gegeven, plus zo nu en dan een restje van mijn bij M&S gekochte kant-en-klaarmaaltijden, een klein wondertje tot gevolg gehad, zag ik nu. Zijn droge, schurftige huid was zachter en soepeler, zijn ogen stonden een stuk helderder en hij scheen ook veel meer energie te hebben om te spelen. Maar ikzelf zag er, na zes gebroken nachten, eerder uit als een van mijn vele gebleekte spijkerbroeken.
‘Au!’ zei Mark, toen Fluffy wat te hard in zijn duim beet.
‘Fluffy, stop!’
‘Het geeft niet. Ik kan wel tegen een stootje. Hoe oud is hij?’
Ik vertelde Mark hoe ik Fluffy de vorige zondag in Camden Town had gered. ‘Nou, ik vind het fantastisch van je dat je hem wilt nemen,’ zei hij, toen ik klaar was met mijn verhaal, ‘maar hoe wil je het doen? Hoe had je gedacht de hond te combineren met al dat personal shopping?’
Diezelfde vraag had Clarissa me maandagochtend ook al gesteld. En de dierenarts ook. En pap en Norma, toen ik ze op dinsdag te eten had gevraagd om mijn nieuwe aanwinst te komen bewonderen – ofschoon mijn vader nogal bot was geweest in zijn bewoordingen. ‘Je moet wel hartstikke geschift zijn om al dat geld te betalen voor zo’n schurftig scharminkel!’ had hij gesnauwd, nadat hij met een afkeurend gezicht op de bank was gaan zitten. ‘Hoe wil je verdomme nog aan toe voor hem zorgen?’
‘O, Bob, doe toch niet zo negatief! Hij is beeldig!’ had Norma geroepen terwijl ze, met haar kniehoge zwartleren laarzen, nauwsluitende heupspijkerbroek en fuchsiarode T-shirt dat als een tweede huid aan haar weelderige welvingen plakte, over het kleed had gekropen. In plaats van dat mijn vaders vriendinnen met de jaren ouder en rijper werden, werden ze alleen maar jonger en mooier. Norma was met haar achtendertig jaar maar drie jaar ouder dan ikzelf. Hoewel ze een ongehuwde moeder van twee jongens in de tienerleeftijd was – Jason en Shane – en een succesvol cateringbedrijfje runde van mooi opgemaakte schalen bonbons en chocolaatjes, kleedde ze zich en oogde ze als een vrouw van twintig. En buiten haar werk en uit de buurt van haar zoons gedroeg ze zich ook zo. ‘Je bent een plaatje,’ ging ze verder terwijl ze Fluffy oppakte en tegen zich aan drukte. ‘Weet je, Bob, ik vind dat wij er ook zo eentje moeten nemen.’
‘Wij?’ Pap was ontzet. ‘Waar komt dat “wij” opeens zo vandaan? Hou op, Norma. En als ik jou was, zou ik dat beest maar heel snel weer op de grond zetten voor hij je helemaal onderplast!’
‘Die vader van jou,’ riep Norma uit, ‘kan toch zo ontzettend lollig zijn, af en toe.’ Ze lachte echt en liet zich achterover vallen op het kleed. Toen riep ze: ‘O god! En hij heeft nog gelijk ook!’
‘Smerig beest!’
Ik rende met hem naar de badkamer in de vergeefse hoop dat hij zou leren om de kattenbak met plassen te associëren, en toen ik even later weer binnen was gekomen, had pap opnieuw gevraagd: ‘Nou, en wat ga je met hem doen wanneer je moet werken? Annie? Heb je daar al aan gedacht? En nu we het daar toch over hebben, jongedame, waarom was je niet op je werk vandaag? Ik heb je tijdens de lunchpauze geprobeerd te bereiken.’
‘Ik ben ziek, deze week.’
‘Ja hoor,’ had mijn vader gegromd. ‘Ziek in je kop, zul je bedoelen. Hondsdol, zullen we maar zeggen!’
De vraag wat ik tijdens mijn werk met Fluffy zou moeten doen, had me al vanaf de allereerste dag uit mijn slaap gehouden. Ik werkte zes dagen per week, van negen uur ’s ochtends – en soms nog vroeger, als een klant dat wilde – tot zes, zeven uur ’s avonds. Donderdag was koopavond en dan waren we tot negen uur open. Ondanks het feit dat ik onderdirecteur van de afdeling was – mijn bazin, Eileen Grey, zou binnenkort met pensioen gaan – wist ik dat ik Fluffy niet mee naar de winkel zou kunnen nemen. Net bij als de meeste grote winkels in Londen waren honden ook bij Haines and Hampton ten strengste verboden, met uitzondering dan van blindengeleidehonden en hulphonden voor gehandicapten. Daarbij wilde ik nog niet eens denken aan wat Fluffy’s plassen en ontlasting zouden aanrichten op de fluweelzachte, smetteloos witte vloerbedekking die onlangs in de wachtruimte en paskamers van de personal-shoppingafdeling was gelegd.
Maar inmiddels zag het ernaar uit dat mijn gebeden verhoord waren in de vorm van Wag the Dog Walks. Al moest ik er dan bij zeggen dat deze oplossing, net als het geval was met designer-mode, weliswaar volmaakt, maar niet goedkoop was.
‘Ik doe twee keer per dag een wandeling van een uur,’ vertelde Mark. ‘Om negen uur ’s ochtends, en dan in de middag. Je kunt dus kiezen welke jou het beste uitkomt. Maar als je wilt, kan ik hem natuurlijk ook twee keer per dag doen. Als je de hele dag moet werken, is het voor Fluffy waarschijnlijk het beste dat ik hem rond het middaguur doe, want dat breekt zijn dag een beetje. Ik haal hem hier op en breng hem na afloop weer thuis.’
‘Dat klinkt geweldig. Mag ik je vragen wat je daarvoor rekent?’
Hij keek beschaamd. ‘Tien pond per wandeling. Ik weet dat het veel geld is, maar dat is de markt van tegenwoordig. En in tegenstelling tot andere hondenuitlaters die ik ken, en die met twaalf honden tegelijk op pad gaan, doe ik er maximaal vier per keer omdat ik duidelijk voel dat ik meer niet goed aankan. Hoe dan ook, ik vind het ook niet eerlijk naar de honden toe om met zo veel te gaan lopen, want dan komen ze aandacht tekort. Maar jij, Fluffyfluff, bent nog te klein voor dat soort lange wandelingen, hè?’ besloot hij, terwijl hij zijn blauwe ogen van mij op Fluffy richtte, die op zijn schoot was gekropen om beter op de opvallend lange, puntige nagels van zijn rechterhand te kunnen knagen.
‘Dat klopt. Hij heeft zijn injecties nog niet gehad en hij slikt nog medicijnen. Hij mag de eerstkomende maand nog niet met andere honden in contact komen. En ik moet je eerlijk bekennen dat ik er geen idee van heb wat ik zolang met hem moet doen.’
‘Nou, ik zou bij hem kunnen komen oppassen tot hij oud genoeg is om mee te kunnen gaan wandelen,’ stelde Mark voor.
‘Oppassen?’
‘Ik kan twee keer per dag langskomen en hem voeren, of hem de pillen geven die hij moet hebben, en dan speel ik ook een beetje met hem. Voornamelijk eigenlijk om te zien of alles goed met hem is.’
Mark was inderdaad een hemels geschenk. ‘Echt?’ vroeg ik ademloos. ‘Dat zou meer dan geweldig zijn. Maar… wordt dat niet onbetaalbaar duur?’
Het hemelse geschenk haalde zijn indrukwekkende schouders op. ‘Nou, ik heb het op het moment niet zo heel erg druk, dus ik weet zeker dat we het wel eens kunnen worden. Ik bedoel, het is uiteindelijk maar voor maximaal een maand, niet? Tegen die tijd kan hij gewoon meewandelen. Hoe dan ook, ik ben redelijk flexibel ten aanzien van geld – je zou me altijd nog, als deel van de betaling, aandelen kunnen geven in een handtas van een duur merk.’ Hij glimlachte. ‘En daarbij, het is ook niet zo heel veel moeite, want ik woon redelijk in de buurt – in Finsbury Park om precies te zijn. En jij woont zo goed als op mijn route naar Hampstead, waar ik twee keer per dag op de hei ga wandelen. Vind je vijftien pond per dag voor twee huisbezoeken en een poosje oppassen te veel? Want als dat zo is, dan kunnen we erover praten. En als ik dan toch hier ben, zou ik ook kunnen helpen Fluffy te trainen, als je dat wilt.’
‘Je bedoelt dat je hem zindelijk zou willen maken?’ vroeg ik gretig.
‘Dat ook, en daarnaast kan ik hem de nodige basisdingen bijbrengen zoals zitten, blijven, liggen, je weet wel. Ik ben goed met honden. Dat komt waarschijnlijk omdat ik op het land ben opgegroeid, te midden van labradors en retrievers.’
Ik zuchtte. ‘Zo te horen heb je een idyllische jeugd gehad.’
‘Ja, dat kun je waarschijnlijk wel zeggen,’ zei Mark op dromerige toon. ‘Jij dan niet?’
Ik begon eigenlijk het gevoel te krijgen dat ik voor een dag al meer dan genoeg over mezelf had verteld, dus ik volstond met te zeggen: ‘Niet echt.’
‘Het probleem met zo’n fijne jeugd is alleen dat niemand je van tevoren vertelt dat volwassen zijn een stuk moeilijker is,’ ging Mark verder. Hij klonk bijna spijtig. Toen keek hij op zijn horloge. ‘Verdorie, het is al vijf uur! Ik moet gaan. Dus, Annie, wil je dat ik bij Fluffy kom oppassen?’
Ik keek naar mijn pup en maakte snel een rekensommetje. Het zou me een klein vermogen kosten om Mark een maand lang bij mij thuis op Fluffy te laten oppassen, maar ik kon het me net veroorloven – als ik Fluffy wilde houden, was dit de enige oplossing. ‘Ja, graag, Mark. Het zou een enorme opluchting voor me zijn.’
‘Geweldig.’ Hij zette Fluffy voorzichtig op de vloer en stond op. ‘Dan begin ik maandag, als je dat goed vindt. Zondag is heilig – dan slaap ik uit tot drie uur. Het enige wat ik van je nodig heb is een stel sleutels, en daarmee is de deal dan rond.’
‘Om mee naar binnen te kunnen om op Fluffy te passen wanneer jij op je werk bent. En als je bang bent voor diefstal of zo, kun je altijd naar mijn andere klanten bellen en om referenties vragen.’
‘Dat zal niet nodig zijn. Ik weet zeker dat ik je kan vertrouwen.’