Hoofdstuk 1

‘Goed, mevrouw Curtis, laten we dit nog een keer doornemen.’

De advocaat aan de andere kant van het mahoniehouten bureau ging verzitten, streek zijn handen nerveus over zijn terugwijkende zilvergrijze haar en boog zich, na zijn leesbrilletje goed te hebben gezet, over zijn aantekeningen.

‘Om te beginnen. De mogelijkheid dat het weer goed komt tussen u en uw man is uitgesloten?’

‘Absoluut, meneer Williams.’

‘En u weet zeker dat u op dit moment niet de voorkeur geeft aan een wettelijke scheiding van tafel en bed?’

‘Ja, dat weet ik heel zeker.’

‘Mooi. Dus dan gaan we over tot het indienen van uw verzoek tot echtscheiding van meneer Curtis wegens de onherstelbare echtbreuk van uw huwelijk, maar degene met wie hij overspel heeft gepleegd, wordt niet met name genoemd. Ziezo, en als uw man het verzoek niet aanvecht – ’

‘Nee, dat zal hij niet doen, dat verzeker ik u.’

‘Nou, in dat geval zal hij de ondertekende ontvangstbevestiging naar de rechtbank sturen. Vervolgens kunnen we het voorlopig vonnis van echtscheiding aanvragen, en daarmee zijn we dan een flink eind op weg.’

‘Mooi!’

Williams keek op alsof mijn enthousiaste reactie hem verbaasde. ‘Wist u, mevrouw Curtis, dat uw man zelf ook al een advocaat heeft geraadpleegd?’

‘Ja, dat is mij bekend,’ antwoordde ik. ‘Ik heb hem gezegd dat hij dat moest doen. En ook dat ik het zou betalen.’

‘Werkelijk?’ Er verschenen rimpels op zijn voorhoofd. ‘Mag ik misschien ook vragen waarom?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Nou ja, aangezien u mij vertegenwoordigt, lijkt me dat alleen maar eerlijk.’

Hij trok zijn beide zwaar overhangende wenkbrauwen op. Ze waren niet alleen dringend aan een lifting toe, stelde ik vast, maar moesten ook hoognodig met een heggenschaar gesnoeid. ‘Eerlijk is een woord dat je hier, onder dergelijke omstandigheden, niet gauw van een cliënt zult horen,’ mompelde hij, waarna hij een brief van het bureau pakte. ‘Ze heet Martha Greenwood en is van Greenwood en Broadhurst,’ las hij voor. ‘Dit heb ik al van haar ontvangen. Een voorstel voor de financiële regeling.’ Hij boog zich weer over zijn aantekeningen. ‘Zo te zien hebt u gezegd dat u uw man vijftig procent van uw bezit wilt geven, met inbegrip van de helft van uw flat – een loft met twee slaapkamers in Islington, die, twee jaar voordat u meneer Curtis leerde kennen, door u is gekocht en op uw naam staat, en die sindsdien driemaal in waarde is gestegen. En u hebt ook gezegd dat hij de Audi Avant mag hebben die u vorig jaar hebt gekocht, en die eveneens op uw naam staat. Is dat juist?’

‘Ja.’ De stof van mijn zwarte Armani-broekpak maakte een troostend, zacht ruisend geluid toen ik in mijn stoel naar achteren leunde en mijn benen over elkaar sloeg.

Williams fronste opnieuw en prikte zijn Mont Blanc-vulpen in een regel halverwege het blocnotevel. ‘Bovendien biedt u hem de eerste keus van uw persoonlijke roerende goederen, te weten, alles wat er in uw huis staat, waartoe behoren uw nieuwe Bang & Olufsen-geluidsinstallatie, een originele, uit de jaren vijftig stammende Charles Eames-stoel met bijpassende footstool die u twee jaar geleden ter gelegenheid van uw trouwdag voor meneer Curtis hebt gekocht, en een gesigneerde, originele litho – getiteld Welcome to Hell – van… Wie is de kunstenaar? Ik vrees dat ik mijn handschrift niet zo goed kan lezen.’

‘Banksy.’ Ik spelde het voor hem.

‘Dus niet een van de impressionisten dan, hè?’ Hij glimlachte vluchtig om zijn eigen grapje. Ik kon de rimpeltjes bij zijn mondhoeken bijna horen kraken. ‘De gesigneerde litho van Bánksy die uw man u… áfgelopen Kerstmis cadeau heeft gedaan. U bedoelt de Kerstmis die net is geweest? Een litho van achtduizend pond?’

‘Ik vermoed dat hij intussen meer waard is. Maar het ding is eerlijk gezegd meer zijn smaak dan de mijne.’

Williams schraapte zijn keel. ‘En verder, hoewel u gedurende uw huwelijk de enige kostwinner bent geweest…’

Ik hield mijn hand op. ‘Niet de énige kostwinner, maar wel de voornaamste. Ik heb voor de dagelijkse organische ciabatta gezorgd, om het zo maar eens te zeggen, terwijl Mark af en toe een korstje van een halfje wit van de supermarkt heeft ingebracht.’

‘Inderdaad.’ Hij veranderde iets in zijn aantekeningen en ging weer verder. ‘Ofschoon u gedurende de laatste jaren de voornáámste kostwinner was, mevrouw Curtis, hebt u, als ik dat goed begrijp, de wens uitgesproken om al uw overige bezittingen en spaargeld met uw man te delen, toch? Aandelen en obligaties verkregen vóór en tijdens de bovengenoemde periode van uw huwelijk, als ik het goed heb begrepen, met een totale waarde van…’ Hij bladerde door zijn aantekeningen tot hij een lange lijst met getallen had gevonden. ‘Die een gezamenlijke waarde hebben,’ hervatte hij, ‘van honderdzestigduizend pond. Correct?’ Hij trok één wenkbrauw op. ‘Dat is een aanzienlijk bedrag.’

Ik schaamde me bijna voor dat bedrag – hoewel, waarom ik me zou moeten schamen tegenover een man die ik driehonderdvijftig pond per uur betaalde, wist ik eigenlijk niet. ‘Jaarlijkse bonussen,’ zei ik verontschuldigend. ‘En een geslaagde speculatie op de woningmarkt. Het was boffen, dat is alles.’

Hij bleef me strak aankijken. ‘En u zegt dat u de helft van dit alles aan meneer Curtis wilt geven? Zomaar, zonder voor uw bezit te knokken?’

‘Ja, dat is de bedoeling.’

Williams schudde zijn hoofd en een hoeveelheid roos dwarrelde, even luchtig en teer als de allereerste sneeuw, neer op zijn wenkbrauwen en op de blauwgrijze schouders van zijn slechtpassende colbertje. ‘Mevrouw Curtis, als de advocaat die u in deze onfortuinlijke zaak gaat vertegenwoordigen, voel ik mij geroepen, nee, verplícht, op te merken dat u, met uw vrijgevigheid, een grote fout maakt. En “fout” is mogelijk nog zwak uitgedrukt.’ Hij hief zijn kin op en keek me, na een vluchtige blik te hebben geworpen op het dal tussen mijn borsten dat dankzij de bovenste open knoopjes van mijn Vivienne Westwood-blouse te zien was, vanonder zijn zware oogleden afkeurend aan. ‘Als ik het goed heb begrepen, bezat uw man niets toen u trouwde, en heeft hij ook tijdens het huwelijk niets ingebracht. De onherstelbare breuk van uw huwelijk is, laten we zeggen in ieder geval voor een deel, zijn schuld. En zelfs al zou het in dit land mogelijk zijn geweest om zonder het aanwijzen van een schuldige partij te kunnen scheiden…’

Ik kon het niet helpen dat ik boos werd toen ik hem dat hoorde zeggen. Ik bedoel, het sloeg natuurlijk nergens op. Voor een déél zijn schuld? Mark was een vuile, gemene leugenaar. Hij had me de hemel op aarde beloofd, en in plaats daarvan kreeg ik de hel. Voor een déél zijn schuld? Ik werkte me verdorie van de vroege ochtend tot de late avond kapot opdat hij de godganse dag op zijn luie achterste kon zitten om te proberen die zogenaamd fantastische gitaarsolo op papier te krijgen waarvan hij voelde dat hij die in zich had, als hij de tijd al niet doodde met het naaien van andere vrouwen.

‘Het is allemáál zijn schuld!’ riep ik uit. Ik kon het niet helpen.

Williams stortte zich op mijn woorden als een uitgehongerde hond die een sappige kluif heeft bemachtigd. ‘Aha! Dát bedoel ik nu! De ontrouw van uw man. Om te beginnen zijn affaire met zijn – wat was ze ook alweer – zijn therapeute?’

Ik schraapte mijn keel, ging verzitten en stopte mijn woede terug waar hij thuishoorde – diep binnen in mijzelf. ‘Nou, ze was onze Pilates-trainer,’ zei ik, alsof het me totaal onverschillig liet.

Hij kon zijn honende lachje maar amper onderdrukken. Zijn lippen gingen vaneen en ik zag een rij venijnige tanden, en toen hij ook nog zijn zware wenkbrauwen samentrok, leek hij precies een opvliegende schnauzer die uit was op een robbertje vechten. ‘Als u wilt, kunt u dat overspel tegen hem gebruiken, hoor, en hem daar stevig voor laten boeten. Om nog maar te zwijgen van zijn onredelijke gedrag. U hoeft hem waarschijnlijk lang niet zo veel te geven.’

Ik schonk hem een medelijdende blik. ‘Meneer Williams, ik verwacht heus niet van u dat u dit begrijpt, maar voor mij staat redelijkheid nu eenmaal voorop, en ik wil mijn man echt niet tekortdoen. Ik hou van hem.’ Pas bij het zien van zijn bedenkelijke gezicht, drong het tot me door wat ik had gezegd. ‘Nou ja, ik bedoel natuurlijk dat ik van hem héb gehouden. Wij hebben van elkaar gehouden. Erg veel zelfs, maar toen ging het mis. En aangezien dat nu eenmaal zo is, wil ik niet dat die mooie relatie van weleer op een nare, kleinzielige manier beëindigd wordt. En daar denkt Mark net zo over.’

‘Dat geloof ik graag. Temeer daar hij er financieel ook zo leuk van afkomt.’

Ik kromp ineen. ‘Het was mijn idee om alles eerlijk te delen.’

Williams’ mond zakte open. ‘Meent u dat?’

‘Ja. Ik heb niet de indruk dat Mark iets van me verwacht, maar, zoals ik al zei, ik wil graag billijk zijn. Hij heeft zelf namelijk niets, weet u. En goed, hij mag dan zo zijn zwakheden hebben, hij is een heel bijzonder mens. Geld is wel het laatste waar hij aan denkt. Hij heeft nauwelijks een idee van de waarde ervan. En hij heeft echt erg veel talent. Ooit zal hij beroemd zijn. Maar momenteel is hij alleen…’ In gedachten liep ik alle uitdrukkingen na die ik in het verleden had gebruikt om Mark tegenover mijn vrienden en familie te verdedigen: ‘wereldvreemd’, ‘tijdelijk aan het uitrusten’, ‘op zoek naar een nieuwe stijl’, ‘een miskend talent’. Maar de term die het van alle andere won, was mijn vaders typering van Mark als een ‘luie, profiterende lamstraal’. Ik haastte me mijn vaders woorden veilig weg te stoppen bij mijn woede. ‘Niet iedereen kan nu eenmaal goed zijn in geld verdienen,’ zei ik snibbig.

‘Kom, mevrouw Curtis, u hoeft tegen míj niet zo lelijk te doen. Die toon bewaart u maar voor uw man. Ik zou mijn plicht verzaken als ik u niet heel duidelijk zei, wat ik denk. Dit voorstel van Martha Greenwood is onaanvaardbaar. Wat u zegt dat u uw man wilt geven – ook al zegt u dan dat u hem alles uit eigen vrije wil hebt aangeboden – is geen schikking, maar een volledige capitulatie bij het eerste schot. Het enige wat ik daarop kan zeggen is: Cut ante tubam tremor occupat artus?’

‘Pardon?’

‘Dat is Latijn. Vergilius. “Waarom zou de angst bezit moeten nemen van de ledematen vóór het trompetgeschal?” Mevrouw Greenwood verwacht van ons dat we op basis van deze brief van haar in onderhandeling gaan.’

‘Onderhandeling?’ Ik lachte kort en verdrietig. ‘Meneer Williams, we hebben het hier niet over een zakelijke kwestie. En ik verzeker u dat Mark en ik niet in oorlog zijn. We willen een zo beschaafd mogelijke scheiding.’

Zijn bovenlip krulde zich tot een spottende grijns. ‘Mevrouw Curtis, ik kan u uit ervaring – en die is niet gering – zeggen dat een beschaafde echtscheiding niet bestaat.’

‘Nou,’ reageerde ik kribbig, ‘Mark en ik zullen bewijzen dat het wél mogelijk is. Neemt u nu maar rustig van me aan dat we elkaar op geen enkele manier willen kwetsen. Het enige wat we willen, is zo snel en pijnloos mogelijk elk onze eigen weg gaan.’

Williams zuchtte. ‘Vooruit. Dus dan weet u heel zeker dat u hem overal de helft van wilt geven?’ Ik knikte. ‘Prima, maar ik wil officieel vastleggen dat ik mijn best heb gedaan u op andere gedachten te brengen.’ Hij hield zijn digitale recorder bij zijn mond, herhaalde wat hij zojuist had gezegd en krabbelde iets onder aan de laatste bladzijde van zijn aantekeningen. Toen legde hij zijn pen op zijn blocnote, draaide die om en schoof hem over zijn overvolle bureau naar mij toe. ‘Ik verzoek u dit alles heel zorgvuldig door te lezen, mevrouw Curtis.’

Terwijl hij met zijn handen op zijn rug, door de oververhitte kamer met wanden vol boeken op en neer liep en zo af en toe even bleef staan om door de schuiframen naar de winterkale takken van de oude platanen van Lincoln’s Inn Fields te kijken, tuurde ik naar zijn aantekeningen. Ik vermoedde dat mijn contactlenzen niet helemaal goed zaten, want het krullende, half leesbare handschrift in blauwe inkt op geel papier werd ineens heel wazig voor mijn ogen.

‘U boft natuurlijk dat u geen kinderen hebt,’ zei Williams, hardop peinzend. ‘Een scheiding zonder kinderen is altijd veel eenvoudiger. U moest eens weten hoeveel afschuwelijke dingen ik in de rechtszaal heb meegemaakt. Hartverscheurende taferelen over de omgangsregeling en alimentatie. Hoe de mensen elkaar van alles en nog wat naar het hoofd slingeren. U hebt er geen idee van hóé ver mensen met hun beschuldigingen kunnen gaan om de rechter aan hun kant te krijgen. Maar aan de andere kant… moet ik eerlijk bekennen dat ik wel blij ben dat niet al mijn cliënten even redelijk – om niet te zeggen gul – zijn als u. Ik zou geen rooie cent verdienen! En dat zou hoe dan ook nog wel eens een probleem kunnen worden nu het aantal scheidingen zo snel terugloopt. Om nog maar te zwijgen over die snelle en makkelijke internetscheidingen… Bah! Die worden nog eens de ondergang van ons beroep. Alhoewel, wat overblijft zijn natuurlijk altijd nog de alimentatiezaken, zeker met de gecompliceerde nieuwe partnerschapwetgeving die de regering er zo graag doorheen wil hebben.’

Hij kletste maar door. Ik probeerde me op zijn geschreven woorden te concentreren, maar ineens voelde ik me verschrikkelijk ellendig. Wat een manier om het nieuwe jaar in te gaan. Dit was er uiteindelijk terechtgekomen van alle hoop die ik op mijn trouwdag had gekoesterd – een lijst van al mijn eigendommen op een blocnote. Andermans huwelijken mochten dan op de klippen lopen, maar tot op eerste kerstdag was ik er heilig van overtuigd geweest dat het onze eeuwig zou duren.

Hoe had ik zo naïef kunnen zijn?

Ineens wilde ik weg uit Williams’ kantoor. Ik wilde die hele scheiding achter de rug hebben, want ik wilde alles vergeten, ook dat ik Mark ooit had ontmoet. Ik stond op en pakte mijn oversized, zwarte lakleren YSL Downtown-tas, het uitpuilende, glimmende gevaarte dat op de stoel naast me had gelegen. ‘Alles is goed zo,’ zei ik, terwijl ik de riem van mijn tas kreunend over mijn schouder hees. ‘Hoe sneller u het afwerkt, hoe beter. Ik heb geen zin en geen tijd om me druk te maken over de details.’

‘Dan zal ik het antwoord schrijven dat u kunt goedkeuren.’

Hij keerde terug naar zijn bureau, pakte de brief op die hij van Marks advocate had gekregen en nam hem nog een keer door. ‘O, jeetje! Wat slordig van mij. Ik ben het PS van mevrouw Greenwood vergeten. Er is nog één klein dingetje dat geregeld moet worden.’

‘O?’

‘Daar zijn we vast zo mee klaar.’

Hij schonk me een glimlachje alsof de zaak zó banaal was dat hij zich er bijna voor schaamde om het ter sprake te moeten brengen. ‘Kennelijk wil uw man de hond hebben.’

In de veronderstelling dat ik hem niet goed had verstaan, glimlachte ik terug. ‘Zou u dat misschien nog een keertje willen zeggen?’

‘Uw man wil de hond!’ herhaalde hij jolig.

Ik plofte terug op de stoel en drukte de Downtown tegen mijn borst.

‘Ik zei toch al dat het een futiliteit was,’ vervolgde Williams vrolijk. ‘Zal ik het maar gewoon op de lijst zetten?’

Hij wilde de gele blocnote pakken, maar ik legde mijn hand erop en hield hem vast. ‘Dat moet een vergissing zijn,’ bracht ik met moeite uit.

‘Nee, nee.’ Hij liet zijn blik opnieuw over de brief gaan. Door de glazen van zijn leesbril leken zijn pupillen groter dan ze waren. ‘Hier staat het, zwart op wit.’ Hij schraapte zijn keel en begon te lezen op een luchtig, overdreven traag toontje dat je zou kunnen gebruiken om een kind een leuk verhaaltje te vertellen: ‘PS: Mijn cliënt wenst de volledige voogdij over zijn hond, Fluffy, te verkrijgen.’ Hij sprak de naam van de hond extra langzaam uit en liet de ‘ff’ overdreven lang doorklinken.

Het voelde alsof de lucht uit mijn longen was geperst. ‘Maar Fluffy is Marks hond helemaal niet,’ kwam het piepend over mijn lippen. ‘Hij is van mij, en dat weet Mark heel goed.’

Twee waterige, blauwe ogen keken me aan over de rand van het leesbrilletje, en toen zei Williams met enige voorzichtigheid: ‘Nou, mevrouw Curtis, zo te zien weet hij dat niet. Want hier staat toch echt heel duidelijk “de volledige voogdij over zíjn hond”.’

‘Hoe bedoelt u, “volledige voogdij”? Geef hier!’ Mijn Downtown viel met een doffe klap op de grond terwijl ik de brief uit zijn hand griste. Mijn handen beefden zo erg dat de woorden voor mijn ogen dansten. Maar inderdaad, daar stonden ze: “volledige voogdij… zíjn hond”. Ik liet het papier los en het dwarrelde neer op het bureau. ‘Dat kan niet kloppen,’ zei ik. ‘Mark weet hoeveel Fluffy voor mij betekent. Hij zou hem nooit van me af willen nemen!’

Toch wel. Dat probeerde hij. Mark, die mij ooit meer had liefgehad dan zijn originele Gibson-gitaar, wilde me nu treffen waar het echt pijn deed. Alsof hij me niet al genoeg pijn had gedaan. Ik staarde met nietsziende ogen naar de blocnote en begon, nadat ik Williams’ Mont Blanc had opgepakt, afwezig cirkeltjes in de kantlijn te tekenen. Ik, die thuis en op het werk – en ook wanneer het verschrikkelijk druk was – altijd mijn kalmte wist te bewaren, kon ineens niet meer helder denken. Het voelde alsof er een strakke ijzeren band om mijn borst klemde en ik was ook een beetje misselijk. Voor de zoveelste keer sinds Mark en ik hadden besloten om te scheiden, voelde ik zuivere paniek. Maar daar was nu ook een ander gevoel bij gekomen – een gevoel dat ik de afgelopen jaren getracht had te onderdrukken, maar dat nu met de heftigheid van een rijpe zweer de kop opstak.

De advocaat ging weer tegenover mij zitten. ‘Hebben we het hier over een kostbaar dier, mevrouw Curtis? Is deze…’ hij trok met zijn lippen, ‘… Fluffy soms een dure rashond? Een kampioen?’

‘Hij is een kruising,’ mompelde ik. ‘Deels stropershond en deels Tibetaanse terriër. En er zit vermoedelijk nog wat Jack Russell in. De dierenarts zegt dat hij waarschijnlijk ook wel iets van een bobtail heeft.’

‘Aha, u bedoelt een bastaard. Of liever gezegd: een vuilnisbakkie.’

‘Wilt u hem zien?’ Ik pakte mijn tas, haalde er mijn BlackBerry uit en toonde hem de screensaver – mijn lievelingsfoto van Fluffy, die opgerold op het bed lag te slapen, met zijn snuit tussen zijn voorpoten en zijn lange haar voor zijn ogen. Ik zag dat Williams zijn best deed om niet in de lach te schieten.

‘In dat geval, en naar mijn bescheiden mening,’ voegde hij eraan toe, alsof hij vond dat zijn mening allesbehalve bescheiden was, ‘kan ik alleen maar zeggen dat een vuilnisbakkie in vergelijking met al die andere dingen, nauwelijks iets voorstelt. En ik herhaal, de helft van de waarde van uw flat. Een keuze uit de roerende goederen. Een dure auto. De helft van uw aandelen en spaargeld. Als u dit inderdaad zo snel en pijnloos mogelijk achter de rug wilt hebben als u zegt, is het misschien een goed idee om de hond als onderhandelingstroef in te zetten.’

Mijn mond viel open. ‘Wilt u daarmee suggereren dat ik Fluffy aan Mark zou moeten geven? Bent u gek? En hoe zit het dan met al die dingen die u eerst zei over niet capituleren? En daarbij, Fluffy is van mij!’

Ik voelde de zweer openbarsten waardoor ik volstroomde met iets dodelijks en vitaliserends tegelijk – giftige, withete woede.

‘Ja-aa… Maar – ’

Ik hoorde van mezelf dat ik luider ging praten. ‘Niks geen gemaar, meneer Williams. Het is míjn hond. Míjn hond. Hebt u dat begrepen?’ besloot ik schreeuwend.

Er viel een geladen stilte. Williams keek me niet langer aan. Hij keek omlaag, naar zijn bureau, of liever, naar zijn blocnote. De aantekeningen die hij erop had gemaakt waren onleesbaar geworden door een hoeveelheid wilde blauwe krassen en halen, en het papier zelf zat onder de putjes en gaatjes op de plaatsen waar ik het getracht had met zijn pen te doorboren.

‘Als ik het goed begrijp,’ zei hij terwijl hij zijn Mont Blanc voorzichtig uit mijn hand haalde en de vernielde pen bekeek, ‘is dit het enige punt waarover niet onderhandeld kan worden.’

Ik pakte, met alle waardigheid die ik kon opbrengen, mijn Downtown van de vloer en stond op. Hoewel mijn knieën aanvoelden alsof ze mijn gewicht amper konden dragen, was mijn brein volkomen helder. ‘Meneer Williams,’ zei ik, ‘zegt u maar tegen die advocate van mijn man dat, voor wat de hond betreft, die schoft van een Mark de pot op kan. Als hij erom wil vechten, kan dat. Fluffy is van mij. Punt uit. En hij blijft bij mij.’