Hoofdstuk 30

Tegen de tijd dat ik Fluffy van het politiebureau had gehaald, was het twee uur. Manny hield die middag de wacht bij de personeelsingang, en als Cerberus die de poort van de hel bewaakte, stond hij in een zee van uitgetrapte peuken een sigaret te roken. Zijn ogen werden groot toen hij me met mijn inmiddels bijzonder opgewonden hond uit de taxi zag stappen. Ik zette me schrap voor wat er ging komen.

‘Hé, Annie, doen we het vandaag dan meteen maar zonder tas?’ vroeg hij, terwijl hij zijn sigaret, na er nog een laatste trekje van te hebben genomen, weggooide en uittrapte met zijn hak.

‘O, had je het nog niet gehoord? Grote tassen zijn niet meer in,’ merkte ik geestig op en stevende ondertussen met vastberaden stap op de deur af. ‘En Fluffy paste niet in dit kleine ding.’

‘Erg leuk. Bijzonder gevat.’ Hij ging tussen mij en de deur in staan. ‘Je weet dat hij hier niet meer naar binnen mag. Als je hem nog een keer mee naar binnen neemt, gooit meneer Haines je eruit.’

Dat had ik aan niemand verteld, maar onder het personeel deden nieuwtjes razendsnel de ronde. ‘Waar heb je die onzin vandaan?’ vroeg ik.

‘Van de tamtam,’ zei hij, zonder een spier te vertrekken.

Ik nam hem onderzoekend op. ‘Zeker van Eva, hè? Of van George’s secretaresse?’

‘Je weet best dat je me dat niet hoeft te vragen, want ik zeg het toch niet.’

‘Nou, het kan me ook niet schelen! Toe, laat me er nu maar door alsjeblieft,’ smeekte ik toen hij me de doorgang bleef versperren. ‘Laat me naar binnen.’

Langzaam schudde hij zijn hoofd. ‘Niet met dat wilde beest. Dat is jouw baan niet waard. En de mijne ook niet.’

‘Maar deze keer komt niemand erachter,’ bleef ik koppig aandringen. ‘Ik zweer je dat hij deze keer geen kattenkwaad uit zal halen. En je hoeft niet meteen zo bedenkelijk te kijken. En als George er toch achter mocht komen, dan zweer ik je dat ik de volledige verantwoordelijkheid zal nemen.’ Ik keek op mijn horloge. Over enkele minuten moest ik bij George zijn en ik zou Fluffy eerst nog naar mijn kantoor moeten brengen. Ik moest gewoon naar binnen. ‘Toe nou,’ smeekte ik wanhopig. ‘Lieve Manny! Ik zou hem nooit hebben meegebracht als het geen noodgeval was geweest.’

Hij nam me peinzend op en kneep zijn ogen half samen. ‘Wat is dat toch, met jou en die noodgevallen? Als ik me goed herinner, had je er een paar jaar geleden ook al een.’

‘O ja?’

‘Ja, en die keer heb je, vlak voor mijn neus, de taxi ingepikt die ik voor een klant had aangehouden. Toen zei je dat je man ergens over was gevallen, of zo. En wat voor noodgeval is dit?’ Ondanks zijn achterdochtige gezicht voelde ik dat hij op het punt stond mij mijn zin te geven.

‘Nou, als je dat per se wilt weten, dan wil ik je wel vertellen dat Fluffy vanochtend van huis is weggelopen.’

‘Ach, lieverd, wat verschrikkelijk. Behandel je hem dan zo slecht?’

‘Het is een lang verhaal en ik zou je er graag alles over vertellen, maar ik krijg een klant. Ik beloof je dat je het straks, als ik klaar ben met werken, uitgebreid van me zult horen. Toe, maak het me nu alsjeblieft niet nog moeilijker dan ik het al heb. Ik kom bij de politie vandaan waar ik Fluffy heb opgehaald, en daar deden ze ook al niet echt aardig tegen me.’

‘Als meneer Haines erachter komt dat ik hem heb gezien…’

‘Maar je hebt hem niet gezien, of wel?’ Ik schonk hem mijn, naar ik hoopte, meest onweerstaanbare glimlachje en zei: ‘Sluit je ogen. Toe dan! Alsjeblieft!’

Manny slaakte een lijdzame zucht. Toen kneep hij zijn ogen dicht en ik liep met Fluffy onder mijn arm geklemd langs hem heen, waarbij ik alleen maar heel even bleef staan om hem een zoen op de wang te geven. ‘Zie je wel? Je hebt helemaal niets gezien,’ zei ik terwijl ik het ijzeren hek van de ouderwetse goederenlift opentrok en Fluffy erin zette. ‘Als meneer Haines er ooit achter komt – wat niet zal gebeuren – kun je dat met een zuiver geweten tegen hem zeggen.’

‘Ja, hoor!’ zei Manny, en hij gaf me een knipoog. ‘Je staat bij me in het krijt, Annie.’

‘Je zegt het maar. Wat je maar wilt,’ riep ik en trok het lifthek met kracht achter me dicht.

Ik stapte uit op de tweede etage en nam de gang achterlangs naar personal shopping. Toen Charlotte ons via de deur van het magazijn de receptieruimte binnen zag komen, sprong ze op en slaakte een opgewonden gilletje. ‘O, daar is de handtassengeest weer.’ Ze kwam, in haar denim overall met ultrakorte pijpen en bonte Office plateauzool-veterschoenen met open neus, achter haar bureau vandaan, liet zich op haar blote knieën vallen en sloeg haar armen om Fluffy’s hals. ‘O, wat een schatje is hij toch!’ Ze keek grinnikend naar me op. ‘Maar is dat wel verstandig, Annie? Ik bedoel, heeft meneer Haines niet gezegd dat hij je zou ontslaan als je hem nog eens mee naar binnen bracht? O, help! Dat word ik niet geacht te weten, wel?’

‘Waarom niet?’ vroeg ik. ‘Iedereen in de winkel schijnt het te weten. Moet je horen, Charlotte, ik heb je hulp nodig.’

‘Natuurlijk, Annie! Je weet toch dat ik alles voor je doe.’

‘Dank je. Ik zet Fluffy in mijn kantoor en ik wil dat hij daar blijft,’ zei ik. ‘Dus hou de wacht, wil je? Bewaak de receptie met je leven. Laat niemand erdoor. Het is van levensbelang dat niemand Fluffy vindt en dat hij deze keer niet ontsnapt, hoor je?’

‘Oké! O, te gek, Annie. Hemel, wat spánnend! Ik voel me net als in een film van James Bond. Je weet wel, die met Daniel Craig. Maar, Annie?’ Ze was me naar de deur van mijn kantoor gevolgd.

‘Ja?’

‘Wat doe je met hem als meneer Haines en Alexis Collins naar beneden komen?’

‘Die komen niet hier. Ik heb om drie uur met ze afgesproken in George’s kantoor.’

‘O.’ Ze maakte geen overtuigde indruk. ‘Weet je dat heel zeker, Annie?’

‘Ja, Charlotte, dat weet ik heel zeker.’

‘Oef! Wat een opluchting! Want Tamara heeft net gebeld en gezegd dat hij en Alexis Collins over vijf minuten hier zouden zijn.’

Tamara was George’s secretaresse. ‘Zijn ze dan niet naar Nabu om te lunchen?’

‘Nou, dat was wel de bedoeling, maar Tamara vertelde dat Alexis de lunch op het allerlaatste moment heeft afgezegd en dat ze hun afspraak vervroegd heeft. Kennelijk is ze gisteren in de Mandarin Oriental Spa bij een craneosacraal therapeute geweest, en die heeft Alexis verteld dat ze allergisch is voor schelpdieren. Dat Alexis allergisch is, bedoel ik. Niet die therapeute.’

‘O help! Wanneer zei je dat ze beneden komen?’

‘Nou, Tamara had het over vijf minuten, maar dat is inmiddels al – ik weet niet – tien minuten geleden?’

‘Verdomme!’ Pure paniek maakte zich van mij meester.

Charlotte beet op haar lip. ‘O, Annie! Kom je nu heel erg in de problemen? Mag ik je helpen?’

‘Dat mag je en dat kun je. Als je een revolver hebt, mag je me ter plekke fusilleren. Dan hoeft George dat straks niet meer te doen. Waar is Eva?’

‘Aan het lunchen. Ze zei dat ze met een halfuur terug zou zijn, maar ik weet niet meer precies hoe laat ze is weggegaan.’

Fluffy begon ondertussen ongeduldig te worden. In plaats van dat hij doodmoe was, hadden zijn uitstapje naar het Natuurhistorisch Museum en zijn verblijf in een politiecel hem juist extra energie gegeven. Zijn ogen hadden een wilde gloed en hij trok dartel aan de leren ceintuur van Versace die ik, bij wijze van noodriem, had meegenomen naar de politie. Ik liet hem in mijn kantoor braaf zitten en zei hem dat hij onder geen voorwaarde zou mogen blaffen. Een snelle zoektocht in mijn bureauladen leverde me drie volkorenkoekjes en een pak oude vanillebiscuits op. Hij sprong op, maar ik wilde ze nog niet meteen aan hem geven. Ik zou ze tot het allerlaatste moment bewaren om hem mee stil te houden zodra George en Alexis waren gearriveerd.

Net toen ik overwoog om Tamara te bellen met het voorstel om het gesprek toch maar in George’s kantoor te laten plaatsvinden, hoorde ik zijn schallende stem en wist ik dat het daar nu te laat voor was. ‘En hier zijn we dan op onze afdeling personal shopping. Deze lieftallige jongedame is, eh…’

‘Ik ben Charlotte, mevrouw. De receptioniste. Hoe maakt u het? Hebt u een fijne dag?’

Ik zette het pakje vanillekoekjes op de vloer. Fluffy kon zijn geluk niet op. Terwijl hij zich erop stortte, liep ik de gang op en zag nog net hoe Charlotte een kniebuiging maakte voor een broodmagere vrouw van onbestemde leeftijd, die een lange, kastanjebruine pruik droeg en een zonnebril met een reusachtig wit montuur. Dus dit was de beroemde Alexis Collins, het modeicoon van de New York Upper East Side dat zich uitsluitend, en van top tot teen, in Chanel hulde. En ze maakte haar reputatie waar: geelgroene schoenen van Chanel, een zwarte, ondoorschijnende panty met een motiefje van Chanel en het zwart met witte mantelpakje met splitten dat tot Chanels collectie van dit seizoen behoorde. Onder het pakje droeg ze een blouse van oranje zijde, terwijl haar grote, geelgroene tas eveneens tot Chanels nieuwe collectie behoorde en haar ringen, collier en oorbellen waren voorzien van het dubbele C-logo van diezelfde firma. Het verbaasde me dat ze het niet op haar strakke, vol botox gespoten voorhoofd had getatoeëerd. Overigens was dát – het driehoekje voorhoofd tussen de onderkant van haar pony en haar overdreven geëpileerde wenkbrauwen – op haar mond na het enige wat van haar gezicht te zien was.

‘Ach, zulke charmante Engelse manieren!’ teemde ze. ‘En wat heb je een beeldige blanke huid.’

‘Dankuwel,’ antwoordde Charlotte op hetzelfde toontje. Kennelijk voelde ze zich gesterkt door het compliment, want ze voegde eraan toe: ‘Mijn moeder heeft me geleerd mijn gezicht met regenwater te wassen en dat doe ik nog steeds. Ze zegt dat dat de huid zacht maakt.’

‘Maar is regenwater dan niet gíftig?’

Charlotte trok een bedenkelijk gezicht. ‘Ik geloof van niet. In ieder geval niet de regen die op ons landgoed in Shropshire valt, waar mammie het opvangt. Ze laat haar chauffeur altijd een fles naar Londen brengen wanneer ze hier zijn.’

‘Ach, wat heerlijk, en zo typisch Brits, nietwaar, George, schat?’

‘Inderdaad. Ah, Annie!’ riep George opgelucht uit op het moment dat hij me bij de deur van mijn kantoor ontwaarde. Ik was daar blijven staan om te luisteren naar hoe Fluffy de koekjes tussen zijn vlijmscherpe tanden vermorzelde. ‘Kom, laat me je aan Alexis voorstellen.’

Met een geforceerd sereen glimlachje liep ik naar de receptie, waar ik me door George liet voorstellen. ‘Ik wilde juist naar boven gaan, naar uw kantoor, meneer Haines,’ zei ik. ‘Ik heb een mooie selectie van onze collecties gemaakt om aan mevrouw Collins te laten zien. Ik kan ze meenemen, want ik denk echt dat we bij u boven rustiger kunnen praten dan hier.’

‘Nee, nee, integendeel!’ Alexis keek rond in onze ontvangstruimte met de luxueuze moderne witte banken en het hoogpolige tapijt. ‘Ik ben veel liever hier, en dan is het maar een beetje minder rustig.’

‘Alexis wilde veel liever naar beneden, naar de afdeling, niet?’ zei George, en hij gaf haar een vaderlijk klopje op de rug.

Haar Rouge Noiret-lippen glimlachten onder de zonnebril. ‘Ja, Annie, ik hou er namelijk van om het vak op straat en onder het volk te ervaren. Het is nu eenmaal niet mogelijk om vanuit een ivoren toren een vinger aan de pols van de mode-zeitgeist te houden, toch?’

‘Daar zit wat in,’ beaamde ik. Het lag op het puntje van mijn tong om te zeggen dat onze luxe afdeling nou niet bepaald representatief was voor ‘de straat’ of ‘het volk’, maar in plaats daarvan zei ik: ‘Maar ik heb een rek vol prachtige modellen voor u geselecteerd en het is geen enkele moeite voor me om dat mee te nemen naar boven.’

‘Nou, maar hier kan het ook,’ zei George. ‘Ga zitten, Alexis.’

‘Kunnen we niet beter naar een van onze paskamers gaan?’ haastte ik me te opperen. ‘Daar hebben we meer privacy.’

‘Hier zitten we best,’ zei Alexis. ‘We hebben geen privacy nodig. We zijn uiteindelijk niet hier om te neuken, hè, George? We willen alleen maar kleren bekijken!’

George, die tot in het diepst van zijn wezen geschokt was, probeerde te lachen, maar kreeg het niet voor elkaar. ‘Eh, Alexis, mag ik je een glaasje champagne aanbieden?’

De Chanel-bonenstaak met pruik ging zitten en sloeg haar benen over elkaar. ‘Lieveling, ik drink geen alcohol. Ik drink alleen maar water.’

‘Perrier? Ik geloof dat we ook Buxton hebben, niet, Annie? Met koolzuur of gewoon?’

Alexis huiverde. ‘Nee, nee! Net als de moeder van deze charmante jongedame heb ik ook altijd mijn eigen voorraadje bij me.’ Ze schonk Charlotte een glimlach. ‘Denk je dat je me aan een leeg glas zou kunnen helpen? Gesteriliseerd, als het kan.’

‘Gesteriliseerd? Ja, natuurlijk, mevrouw.’

Charlotte liep weg om een glas te halen en Alexis haalde een donkerblauw flesje uit haar tas. ‘Zie je dit, George? Dit is water van Groenland. Het is ruim honderdduizend jaar oud.’

‘Hemeltjelief!’

‘En daarmee is het ouder dan de mens en de milieuvervuiling, en dat maakt het tot de meest zuivere substantie op aarde. Zuiverheid in een fles, en elke druppel kost meer dan een Château Margaux.’

‘In dat geval, geef mij dan maar die Bordeaux.’

‘Neem nu maar gerust van me aan dat deze “eau” elke cent waard is – en dat zijn me er nogal een paar. Een liter van dit vocht per dag en je hebt het eeuwige leven. Je zou het echt eens moeten proberen. Ik zeg je, het heeft mijn leven veranderd. Als ik op reis ben, zoals nu, dan neem ik het altijd mee. Dit is mijn laatste flesje. De hemel weet wat ik moet doen zodra het op is. Sterven van de dorst is vermoedelijk de enige optie.’

George knikte. ‘Interessant! Eh, Annie, misschien zou je ons nu willen laten zien wat je hebt uitgezocht? O – wat is dat geluid?’ Er klonk een enorme herrie vanuit mijn kantoor.

‘O, dat zijn de schoonmakers maar,’ zei ik snel. God, wat was Fluffy aan het vernielen? ‘De vloerbedekking krijgt een beurt. Ik ga wel even zeggen dat ze ermee moeten ophouden, goed?’

‘Nee, nee, dat is niet nodig. Ik was alleen maar nieuwsgierig.’

‘Het is maar een kwestie van een seconde, heus.’

‘Laat maar, Annie.’ George sloeg op zijn dij. ‘Breng ons nu maar liever dat rek met die schitterende, allernieuwste creaties!’

Charlotte kwam terug met een glas voor Alexis’ gesmolten ijswater en ik haastte me naar het magazijn voor het rek met kleren die Eva en ik de vorige dag hadden uitgezocht. Er zaten lange jersey kokerjurken van Marios Schwab bij, vrolijke, bonte jurkjes van Duru Olowu, een paar gewatteerde jasjes van Giles Deacon die zo uit een sciencefictionfilm afkomstig leken – kortom, de kleren die volgens ons niet zouden misstaan op de e-pages van Zine. Tegen de tijd dat ik onze afdeling weer op kwam, stond er een vrouw bij de receptie. Ze had zich al aan George voorgesteld als een van onze klanten en Alexis Collins zat met ontzetting naar haar te kijken.

Het was Marion Barclay. Zenuwachtig als ze was omdat ze vreesde te laat op haar belangrijke sollicitatiegesprek te zullen komen, was ze tien minuten vroeger verschenen dan we hadden afgesproken. Ze droeg een onflatteuze, oude spijkerbroek, een armoedig bruin fleecevest en sportschoenen. Haar goede schoenen zaten in een zakje van de supermarkt, dat ze onder haar arm hield geklemd. Juist op dat moment kwam Eva terug van de lunch. Zij kon George en Alexis de kleding tonen, want ik moest mevrouw Barclay met aankleden helpen.

‘Moet je me toch zien!’ riep Marion Barclay uit toen we op weg gingen naar mijn kantoor om haar kleren te halen. ‘Ik had zo’n haast om het huis uit te komen, dat ik gewoon maar het eerste het beste heb aangetrokken wat ik te pakken kon krijgen.’ Ze trok haar fleecevest uit. ‘Dit ding is van mijn man. Niet bepaald chic!’

‘Nou, nog even en u zult er fantastisch uitzien voor dat sollicitatiegesprek van u,’ zei ik. ‘Ik ga alles even voor u pakken.’

Zonder erbij na te denken deed ik de deur van mijn kantoor open, en reikte erachter om de kleren te pakken. En op hetzelfde moment schoot Fluffy naar buiten.

Vol energie als gevolg van alle suiker in de koekjes draafde hij naar de receptie. Ik liet Marion Barclay staan waar ze stond en ging hem achterna. ‘Wie voor de duivel!’ brulde George toen Fluffy op de bank sprong, over zijn dijen naar Alexis Collins liep, tegen haar op sprong, haar glas met honderdduizend jaar oud water omver stootte en vervolgens zijn snuit in het kruis van haar rok drukte om de vloeibare ijsberg op te likken.

‘Mijn water!’ krijste Alexis terwijl ik Fluffy bij zijn halsband probeerde te pakken.

Hij was me echter te snel af. Hij sprong van de bank en vloog de winkel in. Zonder de tijd te nemen om de situatie aan George uit te leggen – wat zou ik hem trouwens moeten vertellen – volgde ik mijn hond, links en rechts verbaasde klanten opzij duwend, naar de roltrappen en naar de eerste etage.

‘Neemt u mij niet kwalijk! Stop, Fluffy! Pardon, mevrouw! Kom ogenblikkelijk hier terug!’

Fluffy, die wist dat ik hem achternazat en zich niet wilde laten pakken, snelde door het verkooppunt van Burberry waar hij een paspop die kleding van de nieuwe collectie aanhad – een kort jasje van bruine kasjmier en een donkerbruine legging – omver duwde, die vervolgens op vier andere paspoppen viel die de een na de ander als dominostenen omverkukelden. Ik probeerde ze recht te zetten, maar ze bleven omvallen, dus ik besloot het verder aan de verkoopsters over te laten die haastig kwamen aangesneld om te zien wat er aan de hand was. ‘Ik moet er door! Er is een wild beest ontsnapt!’ riep ik, terwijl ik nog net zag hoe Fluffy de hal van de liften en het trappenhuis in rende.

Tegen de tijd dat ik daar arriveerde, zag ik nog juist de liftdeuren sluiten. De luide stemmen en de geschrokken kreten die ik uit de lift hoorde opklinken, zeiden me voldoende. Ik keek naar de digitale display om te zien waar de lift zou stoppen. Hij passeerde de begane grond en zakte verder naar de kelder. In plaats van op de volgende lift te wachten, maakte ik dat ik naar de trap kwam en vloog naar beneden.

Ik kwam bij de herenafdeling de kelderverdieping in. Zoeken bleek niet nodig, want de opschudding in de hoek van het Italiaanse restaurant zei meer dan voldoende. Ik duwde de matglazen deurtjes open van het minimalistisch ingerichte lokaal met zijn gebleekte, lindehouten meubilair en witlinnen tafelkleden. De verstrakte gezichten van de gasten en van de maître waren alle op de keuken in het hart van de ruimte gericht. Het doorgaans spectaculaire schouwspel van de koks in hun witte uniformen die achter de glazen wanden over de roestvrijstalen fornuizen en tafels stonden te sloven, werd overtroffen door een nog spectaculairder aanblik van mijn hond die kwispelend en met zijn tanden in een Parmaham op een van de werkbanken stond.

Diep ademhalend duwde ik de glazen klapdeuren van de keuken open, waar ik door de oorverdovend vloekende Carlo, de chef, werd ontvangen. Hij stond, met een uitbeenmes zwaaiend, over Fluffy gebogen. Ik baande me een weg door het opgewonden schreeuwende keukenpersoneel dat zich rond het tafereel had geschaard, greep Fluffy bij zijn halsband, wurmde de ham uit zijn bek en tilde hem in mijn armen. Ineens was het doodstil. Carlo gaapte me aan en zei: ‘Je boft dat je hem hebt gevonden!’ Door iedereen nagekeken verliet ik met hangend hoofd de keuken en het restaurant, terwijl Fluffy nog nagenietend zijn lippen likte.

Ik bleef hem in mijn armen houden – hij zou niet nóg een keer ontsnappen – en nam de klantenlift terug naar de tweede verdieping. Met lood in mijn suède enkellaarsjes liep ik mijn afdeling op. Ik wist dat ik George vroeg of laat onder ogen moest komen, en hoe eerder ik dat achter de rug had, hoe beter. En uiteindelijk had ik ook heel wat uit te leggen.

George was evenwel niet in mijn excuses geïnteresseerd. Hij had het te druk met het kalmeren van Alexis Collins, die over haar toeren was vanwege haar bedorven mantelpak, om nog maar te zwijgen over Marion Barclay, die lijkbleek en bijna in tranen nog steeds in het vest van haar man en haar spijkerbroek bij de receptie stond. Ze zagen me aankomen en er viel een geladen stilte. Zelfs Eva, wier hand troostend op Marion Barclays schouder lag, was stil. Mevrouw Barclay keek me aan alsof ze me het liefste zou vermoorden en de uitdrukking op George’s gezicht veranderde van woedend in bezeten. De enige die een beetje met me doen leek te hebben, was Charlotte. Vanaf haar plekje achter de balie schonk ze me een waterig glimlachje, waarna ze op haar onderlip beet.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik nogal dom. Alsof dat niet duidelijk was. Maar het ergste moest nog komen. Eva wees met een rukje van haar kin op mijn kantoor, en toen ik er, nog steeds met Fluffy op de arm, naartoe liep, herinnerde ik me die vreemde geluiden die ik er eerder had gehoord – de schoonmakers, zoals ik tegen George en Alexis had gezegd. Maar wat had Fluffy gedaan?

Ik deed de deur open. Het Armani-pakje van mevrouw Barclay lag, in een knoedel en half uit de plastic verpakking, op de vloer. De rok was gescheurd en het jasje zat onder de vlekken van halfverteerde koekjes. Van de blouse van Burberry waren alleen nog maar een mouw, vijf knopen en een kraagje over.

Het mantelpak voor mevrouw Barclays sollicitatie was volledig verwoest.

En met mijn carrière was het al niet veel beter gesteld.