Hoofdstuk 36
De eerste die me, twee weken na mijn opsluiting, kwam opzoeken was mijn vader. Het moment waarop ik hem de bezoekkamer binnen zag komen, stond ik mijzelf toe iets te doen wat ik me de afgelopen veertien dagen niet gepermitteerd had – ik huilde. Pap hield me dicht tegen zich aan en liet me snikken op de revers van zijn kostbare, op maat gemaakte camel jas. ‘Och, Annie, Annie! Hoe heb je jezelf toch zo in de nesten kunnen werken.’
Ik maakte me van hem los, snoot mijn neus en ging tegenover hem aan het formica tafeltje zitten. In een troostend gebaar legde pap zijn hand op de mijne. Hij zag er fantastisch uit. Het was me nog nooit eerder opgevallen, maar zijn succes straalde van hem af. Zijn wangen en kalende hoofd glommen alsof er een ploegje schrobbende kappers overheen was gegaan. Zijn zongebruinde vingers waren opgetuigd met zijn gebruikelijke collectie gouden ringen, en zijn regelmatig geknipte nagels waren gewreven tot ze ervan glansden.
‘Het is zo heerlijk om je te zien,’ zei ik. ‘En je ziet er even chic uit als altijd.’
Mijn vader liet zijn blik over mijn gestalte gaan. ‘Ik wou dat ik hetzelfde van jou kon zeggen, lieverd, maar wat ik zie is een hoopje ellende.’
‘Dank je, pap. Dat had ik nu net even nodig.’
Hij wipte naar achteren op zijn plastic stoeltje. ‘Waar is mijn beeldschone Annie? Je hebt je verwaarloosd, schat. En dat nog maar na twee weken! En je haren zien er niet uit. Mag je die soms niet wassen hier? En wat is er met je gezicht? Je ziet verschrikkelijk flets.’
Ik legde mijn hand op mijn wang. ‘Nou, het eten dat we hier krijgen is nou niet bepaald wat je gezond noemt. En daarbij, ik heb geen make-up op.’
‘En waarom niet?’
‘Mijn make-uptasje is gestolen. Kort nadat ze mijn jasje hadden gegapt.’ Pap schudde zijn hoofd, maar hij keek er niet van op. Hij wist uit eigen ervaring hoe het binnen de gevangenismuren toeging. ‘Dus dit is waarschijnlijk de eerste keer dat je me, sinds mijn dertiende of zo, zonder mascara ziet,’ ging ik verder. ‘Hoe dan ook, het is niet echt zinvol om nog oorlogsverf op te smeren nu ik de strijd verloren heb.’
Hij nam me schattend op. ‘Het is helemaal niets voor jou, Annie, om het op te geven.’
Ik zuchtte. ‘Ach, er is voor alles een eerste keer.’
Er gleed een schaduw over zijn gezicht. ‘Als ik die man van jou ooit nog eens tegenkom, dan vermoord ik hem voor alles wat hij je heeft aangedaan!’
‘Mijn ex-man, zul je bedoelen. En ik zou me de moeite maar besparen. Hij is het niet waard. Bovendien, je komt ervoor in de gevangenis, en wie wil hier nu zitten?’
‘Wat? Achter slot en grendel met al die vrouwen?’ Mijn vader trok zijn wenkbrauwen op en glimlachte. ‘Ik kan wel ergere straffen bedenken.’
Ik kon het niet helpen dat ik moest lachen. ‘O, ik heb je zo gemist, lieve paps.’
‘Ik jou ook, kleine meid. Kun je hier niet een paar uur uitbreken om samen bij Wolseley te gaan eten?’ Hij legde zijn hand op de revers van zijn jas en zei quasi-fluisterend: ‘Ik heb hier een koevoet in zitten.’
‘Pap!’ Ik wierp een blik op de grimmig kijkende bewaakster die binnen gehoorafstand bij de deur stond. Maar mijn vader draaide zich naar haar om en gaf haar een knipoog.
‘Ze weet heus wel dat het een grapje is, niet, schoonheid?’ Ik zag tot mijn verbazing dat ze echt haar best deed om niet te lachen. ‘Ik ben, voor ik hier uiteindelijk naar binnen mocht, al zeker vijf keer gefouilleerd. En ik moet zeggen dat dat geen onaangename ervaring was. Al hadden ze me, wat mij betreft, daar ook best voor mogen strippen. Het volgende weekend kom ik terug – en heus niet omdat ik mijn dochter zo nodig wil zien!’ Ze lachte. Ik had bewondering voor mijn vader, voor de manier waarop hij het op zijn vijfenzestigste en nagenoeg kaal nog altijd voor elkaar kreeg om indruk op vrouwen te maken. ‘Maar het gaat dus goed met je, lieverd?’ zei hij, zich weer tot mij wendend.
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik overleef het wel. En weet je, ik had het je al eerder willen zeggen, maar ik heb er nog geen kans toe gehad – het spijt me echt heel erg allemaal. Ik heb je enorm teleurgesteld.’
‘Nou, je kunt rustig zeggen dat het een klotesituatie is – en neem me de uitdrukking niet kwalijk,’ zei hij over zijn schouder tegen de bewaakster. ‘Door die schoft ben je alles kwijtgeraakt waar je zo hard voor hebt gewerkt – je baan waar je zoveel plezier in had, je flat…’
Ik had een brok in mijn keel. ‘En die lieve Fluffy.’
Hij leunde naar achteren. ‘Hou op over dat mormel! Jij en Mark, jullie stellen je alle twee even erg aan over dat beest. En moet je kijken waar je door hem terecht bent gekomen!’ Hij drukte mijn hand. ‘Maar je hebt een lief, goed hart, en je bent al erg genoeg gestraft. Veel te erg. Je verdient dit niet. Helemaal niet.’ Opnieuw rolden de tranen over mijn wangen. ‘En dan te bedenken dat die klootzak gewoon vrij rondloopt. Hier.’ Hij haalde een schone, gestreken zakdoek met zijn initialen uit zijn zak en gaf hem aan mij. ‘Nou, Annie, het is maar goed dat je oma er niet meer is en dat ze niet hoeft te weten dat jij hier zit.’
‘Zou ze zich heel erg voor me hebben geschaamd?’
‘Ben je gek? Ze zou een fles Guinness open hebben gerukt en het glas op je hebben geheven. Een tijdje in de nor is immers een familietraditie!’
We keken elkaar glimlachend aan. ‘Maar hoe is het met jou?’ vroeg ik.
‘Met mij? Nou, afgezien van dat ik je mis en dat ik me zorgen om je maak, schat, gaat het goed met mij. Heel goed, zelfs.’
‘Echt?’ Ik nam hem onderzoekend op.
‘Maar… Ik moet je iets vertellen. Over Norma en mij…’
Mijn hart trok samen. ‘O, nee toch, pap? Je gaat me toch niet vertellen dat het uit is tussen jullie?’
‘Nou, om je de waarheid te zeggen, lieverd…’ begon hij ontwijkend.
Ineens werd ik ontzettend boos op hem. ‘Waarom nu opeens? Of gewoon, waarom? Norma is zo’n lieverd.’
‘O, dus je mag haar?’
‘Natuurlijk mag ik haar! Ik vind haar het einde. Ik wou alleen dat jij dat ook zo zag.’
‘Ho, ho, Annie. Ik heb nooit gezegd dat dat niet zo zou zijn. Norma is een fantastische meid, dat geef ik toe –’
‘Ze is een vrouw!’ corrigeerde ik hem.
Hij knipperde met zijn ogen en leek niet te begrijpen wat ik daarmee wilde zeggen. ‘Dat zeg ik toch. Ze is een fantastische meid.’
Waar maakte ik me druk om? Ik hoefde van mijn vader niet te verwachten dat hij zich net zo zou uitdrukken als ik. ‘Pap, jullie hebben al vijfenhalf jaar een vaste relatie, en dat is langer dan ik met Mark getrouwd ben geweest.’
Mijn vader snoof afkeurend. ‘En dat moet zeker doorgaan voor een lange relatie, niet?’ Hij reikte over tafel en drukte mijn hand. ‘Weet je, je mag niet vergeten dat ik een kwart eeuw ouder ben dan Norma. De laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat ik haar niet kan bijbenen. Ik ben gewoon te oud om op zaterdagavond tot zo laat met haar te gaan stappen. En ineens, ik weet niet waar het vandaan komt, heb ik de behoefte aan iemand om oud mee te worden. Iemand met wie ik gewoon thuis kan blijven, bij wie ik op sloffen kan lopen en met wie ik gezellig samen op de bank voor de televisie kan zitten.’
‘Maar waarom moet dat met iemand anders?’ drong ik aan.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Zou je me nu even willen laten uitpraten? Wie heeft het over iemand anders?’
‘Dan snap ik niet wat je wilt zeggen.’
Hij kreeg een kleur. ‘Ik, eh… heb het haar gevraagd,’ mompelde hij.
‘Wát heb je gedaan?’ riep ik stomverbaasd uit.
Hij hield zijn hand op om duidelijk te maken dat ik hem niet steeds in de rede moest vallen. ‘Nou, ik weet wel dat je dit nooit van me zou verwachten, maar na wat er toen op de stoep voor de rechtbank gebeurd is tussen haar en die schoft van die advocaat van jou, nou, ik had gewoon geen keus.’
‘Meneer Williams? Wat heeft hij hiermee te maken?’
Pap trok een gezicht. ‘Toen we met zijn allen Fluffy achternagingen, heeft hij haar terzijde genomen en mee uit gevraagd. Hij zei tegen haar dat hij diep onder de indruk was van de manier waarop ze tegen mij tekeer was gegaan. Hij houdt kennelijk van sterke, dominante vrouwen.’ Hij huiverde in zijn jas. ‘Nou, toen Norma me dat een paar dagen later vertelde en erbij zei dat ze overwoog of ze met hem zou gaan lunchen, schrok ik daar wel een beetje van. En toen dacht ik… Eigenlijk is ze nog helemaal niet zo’n slecht wijf… Stel dat ik haar zou verliezen. Dus toen heb ik maar gedaan wat elke zichzelf respecterende man onder die omstandigheden zou doen. Ik probeerde het van me af te zetten. Maar dat lukte niet. En toen heb ik haar een paar dagen geleden ten huwelijk gevraagd.’
‘Pap! En heeft ze ja gezegd?’ vroeg ik ademloos.
Mijn vader, die zich niet voor kon stellen dat ik dat nog moest vragen, trok een gezicht. ‘Wat dácht je? Godallemachtig! Zo’n onweerstaanbare kerel als ik?’
‘O, pap!’ Ik was zo opgetogen dat ik het wel kon uitschateren, maar in plaats daarvan werd ik overspoeld door emoties en moest ik verschrikkelijk huilen. Ik had me vaak afgevraagd hoe het met hem moest wanneer hij ouder werd, want er zou onvermijdelijk een moment komen waarop zijn steeds jongere vriendinnen genoeg van hem kregen, en ik was altijd bang geweest dat hij oud en eenzaam zou eindigen. Maar nu wist ik dat Norma er voor hem zou zijn. Een vrouw met een goed hart, onafhankelijk, die wist wat ze wilde, maar ook iemand die zich over haar dierbaren ontfermde, die een goed stel hersens had en in staat was om het tegen mijn overheersende vader op te nemen. Daarbij hield ze ook nog eens van hem en wist ik dat ze even dol op mij was als ik op haar. Maar hoe blij ik ook was, ik voelde me ook een beetje beroofd, alsof ik mijn vader verloor op het moment dat ik hem het hardst nodig had. En ik geloof dat mijn vader dat ook zo voelde, want hij zei met hese stem: ‘Maar je moet niet denken, Annie, dat je je vader verliest, hoor. Tussen jou en mij en de gevangenismuren, voor mij zul jij altijd op de eerste plaats blijven staan. Je krijgt er gewoon twee tienerbroers bij, en een stiefmoeder met wie je kunt gaan stappen.’
Toen ik hem de verzekering had gegeven dat ik dolblij voor hem was en een kort briefje aan Norma had geschreven om haar geluk te wensen, ging mijn vader weg. Ik probeerde dapper te zijn, maar ik vond het verschrikkelijk om afscheid van hem te moeten nemen in de wetenschap dat hij terug zou gaan naar Hampstead Garden Suburb en ik niet met hem mee kon – het voelde alsof een van mijn ledematen werd afgerukt. Gedurende de afgelopen twee weken had ik mijn best gedaan om niet te veel aan Fluffy te denken, maar ineens werd ik overweldigd door een intens verlangen om hem, met die grijnzende open bek van hem en die mallotig flappende oren, springend aan mijn zij te zien. Wat zou dat een troost zijn geweest.
Maar wat een absurde fantasie.
Ik was op weg terug naar mijn cel toen een van de gevangenbewaarsters over de gang brulde: ‘Osborne, de nieuwe directrice wil je spreken.’
‘Ik wil terug naar mijn cel,’ riep ik terug. ‘Ik ben niet lekker.’
‘Dat was geen verzoek, Osborne, het was een bevel. De directrice wil je spreken, dus je gaat, verdomme, naar haar toe!’
Terwijl ik haar kromme, vette rug volgde door een aantal afgesloten deuren en hekken, betonnen trappen op en af en langs de gemeenschappelijke wasruimtes waar het naar shampoo rook en je, van achter de halfopen deurtjes, water kon horen spetteren, vroeg ik me af wat ik misdaan had. In het boekje met de voorschriften, dat ik op de eerste dag overhandigd had gekregen, stonden maar liefst vijfentwintig regels vermeld, en in die zin was het niet moeilijk om een overtreding te begaan. Had ik met opzet een bewaarster in de uitvoering van haar plicht gehinderd? Had ik mijzelf, zonder dat te beseffen, een verboden middel toegediend? Had ik dreigende of beledigende taal gebruikt? Of had een medegevangene, iemand die mij niet kon uitstaan, drugs in mijn cel verstopt of me ergens ten onrechte van beschuldigd? Er waren meer dan voldoende vrouwen die ik daartoe in staat achtte. Ik had me geprobeerd te gedragen zoals Tanya me dat had aangeraden – door ogen in mijn rug te hebben en te proberen zo min mogelijk op te vallen – maar hoewel ik zelden met iemand sprak, had ik sterk het gevoel dat iedereen een ontzettende hekel aan me had.
In de afgelopen veertien dagen had ik over de nieuwe directrice horen vertellen. Ze zat nog maar net op haar post, maar in de twee weken dat ik hier was had ik nog nooit meegemaakt dat ze een gevangene bij zich had laten komen. Ik vermoedde dat ik iets heel ergs had gedaan, maar eerlijk gezegd kon het me niet schelen. Wat ze me ook zou verwijten, ik zou gewoon toegeven en de opgelegde straf – een bepaalde tijd in de isoleercel, aardappels schillen met mijn nagels, toiletten schrobben met een tandenborstel – gelaten ondergaan.
Na een labyrint van kale gangen en nog meer hekken en deuren in de moderne vleugel van de gevangenis kwamen we uit in de hal van het oorspronkelijke victoriaanse gebouw. We gingen een dubbele mahoniehouten deur met ruiten van kogelvrij glas door en liepen een gang met een stenen vloer in. Daar moest ik gaan zitten op een bankje tegenover een deur waarop een bordje met ‘Directie’ hing. Na vijf minuten zwaaide de deur open en kwam een vrouw in minirok, met een stapeltje dossiers onder de arm geklemd, naar buiten. Voordat ze een andere kamer in ging, zei ze tegen mij: ‘Je kunt naar binnen.’
Ik ging naar binnen terwijl de bewaarster op de gang bleef wachten. Het vertrek was voorzien van donkere houten lambriseringen. Er hingen moderne spotjes waarvan het licht tegen het hoge, gepleisterde plafond weerkaatste. Tegen de muur stond een rij grijze archiefkasten met dikke stapels papieren erop, en de andere muur beschikte over een kleine open haard. Het grimmige instellingsinterieur werd enigszins verzacht door een aantal foto’s in zilveren lijstjes, een vaas met chrysanten op de schoorsteen en een tweepersoonsbankje bekleed met verschoten chintz.
Het eerste wat me echter opviel aan het kantoor, waren de ramen. In de afgelopen twee weken was mijn horizon beperkt geweest tot lange, met kunstlicht verlichte gangen en het hoekje dat ik, door het smerige raampje van mijn cel, van de binnenplaats kon zien. Maar nu kon ik, door twee hoge, aan de buitenzijde van tralies voorziene schuiframen, de takken van grote platanen onderscheiden, en langsrijdende auto’s, en gewone mensen die bij een bushalte stonden te wachten. De buitenwereld – waar ik deel van had uitgemaakt – bevond zich ineens weer verleidelijk dichtbij, maar ik kon er niet bij. Hoewel het uitzicht op de doodnormale straat werkelijk niets bijzonders was, kwam het mij prachtig voor.
Ik was zo gegrepen door wat ik zag, en door het zonlicht dat door de vensters naar binnen viel, dat ik de vrouw die ervoor aan een groot ouderwets bureau zat, helemaal niet had gezien. Ik schrok me wild toen ze ineens tegen me begon te praten.
‘Dag, Annie. Ga alsjeblieft zitten. Ik maak dit even af, maar ik ben zo klaar.’
Haar toon was zakelijk, maar ik bespeurde er ook iets geruststellends in. Op de een of andere manier kwam haar stem me bekend voor, maar ik zocht er niets achter. Ik schoof een van de houten stoelen aan de andere kant van het bureau naar achteren, ging zitten en keek naar haar. Aanvankelijk zag ik, door het tegenlicht, alleen maar het silhouet van een ietwat mollige vrouw met keurig verzorgd bruin haar die iets aan het schrijven was, maar naarmate mijn ogen meer aan het licht gewend raakten en ze even later ook haar bril nog afzette, realiseerde ik me wie ze was. En mijn adem stokte.