Hoofdstuk 31
De volgende ochtend was de hoorzitting. Mark en ik arriveerden op exact hetzelfde moment bij de rechtbank in Fleet Street. Hij werd vergezeld door Greenwood en haar gedrongen, donkerharige collega-advocate, ik was met Williams en Simon, de jonge, lange bekakte advocaat aan wie Williams me een uur daarvoor had voorgesteld en die mij tegenover de rechter zou vertegenwoordigen.
Fluffy, die vol energie was na zijn avonturen in het Natuurhistorisch Museum en de winkel, was met mij meegekomen. Toen hij Mark zag sprong hij prompt enthousiast tegen hem op, en Mark bukte zich om hem over de kop te aaien. Ik wierp mijn man, die weldra mijn ex zou zijn, een blik toe alsof hij een dierenmishandelaar was, trok Fluffy bij hem vandaan, hees het hengsel van mijn Downtown wat hoger op mijn schouder en liep, als een prijsvechter op weg naar een belangrijke wedstrijd, met hoog opgeheven hoofd en omgeven door mijn juridische ploeg, in mijn zwarte Teenflo-broekpak de gang af.
Clarissa, mijn vader en Norma stonden voor de rechtszaal op mij te wachten. Ze stonden dicht bij elkaar, een eindje uit de buurt van Marks ouders. Dennis keek weg toen ik hem passeerde, maar Jackie en ik wisselden een verdrietig glimlachje en een korte groet.
‘Hallo, Jackie.’
‘Hallo, Annie.’
Mijn schoonmoeder, in haar donkergroene rok en perzikkleurige blouse, leek in de verste verte niet op de vrouw met wie ik zo had gelachen toen we haar die merkkleren hadden gepast. Was dat echt nog maar een paar weken geleden? Het leek eeuwen. De blije, vrolijke Jackie was verdwenen. Dit was de echte – ongecompliceerd, loyaal, realistisch en bezorgd – en zo mogelijk hield ik nog meer van haar. Ik wilde haar vertellen dat ik haar raad had opgevolgd en dat ik mijn best had gedaan om het weer bij te leggen met Mark, maar dat die poging op een ramp was uitgelopen. Maar daar kreeg ik de kans niet toe. De saamhorigheid die we hadden ervaren toen ze me op mijn werk was komen opzoeken, was eenmalig geweest. Mijn schoonmoeder en ik zaten in twee verschillende kampen.
Clarissa keek al even bezorgd. Ze had donkere kringen onder haar ogen en in haar verschoten jurk en blazer van donker linnen zag ze er, in het licht van de neonlampen, nog bleker uit dan anders. ‘Natuurlijk kom ik, lieverd,’ had ze me verzekerd toen ik gebeld had om te vragen of ze erbij wilde zijn op de hoorzitting. Zonder haar had ik het nooit kunnen opbrengen. Nu sloeg ze haar armen om mijn hals en omhelsde me innig.
‘Ik ben misselijk van de zenuwen!’ fluisterde ik. ‘En ik ben doodsbang. Ik zou het liefst vluchten.’
‘Onzin,’ fluisterde ze terug. ‘Je kunt het best. Weet je nog wat juffrouw Davis altijd zei?’
Juffrouw Davis was onze lerares klassieke geschiedenis geweest. Met haar grote, uitpuilende ogen en wipneusje had ze, zoals ze voor de klas vol verveelde meisjes heen en weer liep en ons over Griekse en Romeinse helden vertelde, net een chihuahua geleken. Ze had de gewoonte gehad om met haar liniaal op de tafels van duttende meisjes te slaan, en vooral Clarissa en ik hadden het vaak moeten ontgelden.
‘Juffrouw Davis? Je bedoelt: “Als jullie twee niet ophouden met elkaar briefjes te sturen dan gaan jullie naar het hoofd”?’ vroeg ik.
‘Nee! Wat ik bedoel is: “Met je schild of er bovenop”.’ Dat waren, naar werd beweerd, de woorden waarmee de Spartaanse vrouwen hun zonen de strijd in zonden. ‘Kom terug met je schild of er bovenop’ betekende zoveel dat ze ofwel moesten winnen, en zo niet, dat ze een eervolle dood moesten sterven en naar huis zouden worden gedragen. ‘Alhoewel ik in dit geval waarschijnlijk beter kan zeggen van: Met je hond of erop,’ mompelde Clarissa, alvorens me los te laten.
De volgende die me omhelsde was mijn vader. Hij sloeg zijn arm om mijn schouders en drukte me tegen zich aan. ‘En hoe is het met mijn mooie meisje?’
‘Beter dan ooit.’ Ik forceerde een glimlachje. Hoewel we in het verleden totaal verschillend over Mark hadden gedacht, was ik blij dat hij erbij was om me tijdens het laatste gevecht tot steun te zijn. In een van zijn op maat gemaakte grijze Savile Row-pakken, compleet met roodzijden pochet, zag hij er gewichtig en betrouwbaar uit – alleen al zijn aanwezigheid stelde me op mijn gemak. En dat gold ook voor Norma. Ze had haar uniform van superstrakke spijkerbroek, hooggehakte laarzen en ruimvallende truien verruild voor een kuis, donkerblauw mantelpak met knielange rok, en daaronder een stel lage hakjes. Toch zag ze er, met haar lange, ontkroesde haren, haar grote zilveren oorbellen en glimmende paarse oogschaduw, even sexy uit als altijd – vooral van achteren, door de manier waarop de rok om haar volumineuze achterwerk sloot.
‘Ik vind het heel lief van je dat je bent gekomen,’ zei ik toen we elkaar omhelsden.
‘Natuurlijk ben ik er,’ zei ze, met haar sterke armen om me heen. ‘Je kunt altijd op me rekenen, meisje.’ Het huilen stond me nader dan het lachen.
De rechter, mevrouw Khan, een tengere Aziatische schoonheid van begin vijftig, zat al achter de tafel toen we de rechtszaal binnengingen. Williams had niet overdreven toen hij had gezegd dat ze beeldschoon was – met haar scherpe gelaatstrekken, haar kleine, zuinige mondje en kille donkere ogen waarmee ze ongelooflijk fel kon kijken, wist ze iedereen angst en ontzag in te boezemen. En dat gold niet alleen voor de mensen, maar ook voor Fluffy, die haar, toen ik hem mee naar binnen trok, even aankeek, zijn oren plat in de nek legde en zacht grommend wegkroop onder de tafel die Williams, mijn pleitbezorger, en ik met elkaar deelden.
De rechter begon te verklaren dat dit, overeenkomstig het verzoek van Mark en mijzelf, een openbare zitting zou zijn – want als het een besloten zitting geweest was, had onze familie er niet bij aanwezig mogen zijn. Vervolgens kreeg mijn pleitbezorger het woord. Hij stond op, noemde de gronden van mijn verzoek tot echtscheiding – het feit dat Marks overspel had geleid tot een definitieve en onherstelbare breuk – en gaf een opsomming van de financiële regeling die ik had voorgesteld. Terwijl hij aan het woord was, bladerde mevrouw Khan in het dossier dat ze voor zich had liggen, waarbij ze zo nu en dan knikte, en af en toe het hoofd schudde. Meerdere keren pakte ze haar potlood op en krabbelde iets in de kantlijn. Maar toen mijn pleitbezorger bij het hoofdstuk Fluffy kwam, legde ze haar potlood neer en keek op.
‘Zelfs de gedaagde heeft verklaard dat de eiser – en ik citeer de woorden van zijn advocate tijdens de eerste hoorzitting – “meer dan gul” is geweest in het door haar gedane financiële aanbod,’ zei hij. ‘Meneer Curtis is gezond van lijf en leden, maar haar aanbod is zodanig dat hij, als hij het geboden bedrag verstandig investeert, op dezelfde voet kan blijven voortleven als die waaraan hij, dankzij het harde werken van eiseres, gewend is geraakt. Ik wil u er nog even op wijzen dat meneer Curtis, toen het huwelijk vijf jaar geleden werd gesloten, geen geld heeft ingebracht en dat hij ook in de tussenliggende jaren geen substantiële of zelfs maar noemenswaardige inkomsten heeft genoten. Het enige wat mevrouw Curtis in ruil voor haar genereuze aanbod vraagt, is het behoud van slechts een van haar persoonlijke bezittingen – Fluffy, de hond die ze voor honderd pond van haar eigen geld heeft aangeschaft, voordat ze de gedaagde zelfs nog maar kende.’
Toen hij dat had gezegd, stond mevrouw Khan op, zette haar bril met zwart montuur af en keek langs haar elegante neus neer op Fluffy, die inmiddels met zijn snuit tussen zijn poten en met gesloten ogen aan mijn voeten was gaan liggen. ‘Begrijp ik het goed, en zijn eiseres en gedaagde het alleen maar oneens over wie dát krijgt?’ vroeg ze.
‘Ja, mevrouw.’
Ze boog zich nog wat verder over de tafel heen om Fluffy beter te kunnen zien, en de zijkanten van haar paardenharen pruik vielen als de oren van een spaniël aan weerszijden van haar gezicht naar voren. Alsof Fluffy wist dat er over hem werd gesproken, spitste hij zijn oren, deed zijn ogen open en draaide ze in haar richting. Nadat hij haar lange seconden strak had aangekeken en nog eens zachtjes had gegromd, deed hij zijn ogen weer dicht en sliep verder. ‘Wat voor ras is dat?’
Na overleg met Williams antwoordde mijn pleitbezorger: ‘Hij is wat men een kruising noemt.’
‘O, een vuilnisbakkie, dus.’ Ze bewoog haar neusgaten en ging opnieuw, maar nu met een kaarsrechte rug, op haar leren rechtersstoel zitten. ‘Het verbaast me dat íémand hem wil hebben,’ merkte ze kortaf op. ‘Als hij van mij was geweest, zou ik waarschijnlijk een dierenarts hebben betaald om hem te laten inslapen.’ Ik moest me beheersen om niet op te springen en te protesteren, en ik vermoedde dat het Mark al net zo verging. Maar Williams legde zijn hand op mijn mouw. ‘Wel, dan stel ik voor om die zaak nu uit te zoeken,’ ging mevrouw Khan verder. ‘Als meneer en mevrouw Curtis niets beters met hun geld kunnen doen dan het aan mij te spenderen, dan zullen we ze hun zin maar geven, niet?’ Ze plooide haar lippen in een ijzige glimlach die mijn nekharen omhoog deed komen.
Toen mijn advocaat klaar was met zijn verhaal, was Marks pleitbezorgster aan de beurt. Ze sprak een poosje over hoe Marks rol als huisman mij in staat had gesteld om ongehinderd door huishoudelijke beslommeringen aan mijn carrière te werken en te bouwen. En toen begon ze aan een bezield betoog namens Fluffy.
‘Vele honderden jaren lang is een huisdier in dit land beschouwd als een roerend goed, en dat is het feit waar mijn betoog op is gebaseerd. Daar staat evenwel tegenover dat we, in deze meer verlichte tijden, kunnen stellen dat onze relatie met dieren, en dan bedoel ik met name honden, veel complexer is dan onze relatie met, ik noem maar wat, een stoel, een auto of zelfs een huis. In die zin lijkt het me niet onredelijk de rechtbank te verzoeken deze zaak ruim te bezien, in die zin, dat bij de beslissing over de toekomst van deze hond ook rekening met zijn welzijn wordt gehouden. In de Verenigde Staten is het inmiddels alom geaccepteerd dat er rekening moet worden gehouden met het belang van het huisdier van een gezin, dat er al ruim honderdnegentig erkende juristenopleidingen zijn waar wetgeving gericht op dieren wordt gedoceerd. In dit verband wil ik graag wijzen op enkele echtscheidingszaken van bekende persoonlijkheden, in de Verenigde Staten, waarin eenzelfde kwestie aan de orde is gekomen als die waar we hier vandaag mee geconfronteerd worden. Om te beginnen is daar de zaak van actrice Drew Barrymore, die met haar ex-echtgenoot de voogdij over hun hond Flossie betwistte, en verder hebben we dan de zaak van…’
‘Genoeg! Voldoende!’ sneed de bevelende stem van Djengis Khan door de zaal. ‘Dit is volkomen irrelevant geklets. Ten eerste zijn we hier níet in de Verenigde Staten, en ten tweede zijn meneer en mevrouw Curtis géén beroemdheden. En daarom zou ik – en ik neem aan alle aanwezigen hier net zo – het op prijs stellen als u zich wilt beperken tot de Britse wetgeving en de onderhavige kwestie. Anders zitten we hier eeuwen. Met andere woorden, beperkt u zich tot deze zaak.’
De advocate schraapte haar keel. ‘Goed, mevrouw, dan zal ik mij tot dit geval beperken. De eis van mevrouw Curtis is in zijn totaliteit gebaseerd op het feit dat ze zegt dat de hond haar eigendom was op het moment dat ze gedaagde leerde kennen. Het is mijn taak om u ervan te overtuigen dat meneer Curtis evenveel, zo niet méér, recht heeft op het exclusieve bezit van Fluffy als zij. In de afgelopen vijf jaar heeft meneer Curtis vrijwel als enige voor de hond gezorgd. In zijn hoedanigheid van hondenuitlater heeft hij Fluffy minstens twee keer per dag uitgelaten. Het was meneer Curtis die altijd thuis was om Fluffy…’
‘Met zijn huiswerk te helpen,’ mompelde Williams zacht.
‘… gezelschap te houden en met hem naar de dierenarts te gaan wanneer hij ziek was. En het was meneer Curtis die de hond heeft afgericht en hem te eten heeft gegeven, en die in alle opzichten voor hem heeft gezorgd. Als de rechtbank besluit om meneer Curtis de volledige voogdij over Fluffy te verlenen, betekent dit dat Fluffy’s leven even stabiel kan blijven als het altijd is geweest, hetgeen zijn welzijn natuurlijk ten goede komt. Maar als Fluffy daarentegen aan mevrouw Curtis zou worden toegewezen, zou hem een onzekere toekomst te wachten staan. In dat geval zou hij zes dagen per week alleen zijn en zou hij urenlang als een gevangene in zijn eentje opgesloten zitten in een ongeschikte woning, en wandelingen in de vrije natuur – de natuurlijke habitat van een hond – moeten ontberen. We kunnen wel stellen dat hij in dat geval de hondenequivalent van een sleutelkind zou zijn.’
Djengis Khan zuchtte. ‘Laten we honden niet met kinderen vergelijken, alstublieft. Het is heel wat anders om bij scheidende echtparen te bepalen wie de voogdij over de kinderen krijgt – dat is een serieuze zaak. Dit soort vergelijkingen zijn smakeloos en het zou ons allemaal goed doen om niet te vergeten dat een hond een hond is.’
Williams plooide zijn lippen tot een zuinig glimlachje. Het was duidelijk dat het voor ons de goede kant op ging. Maar wat we toen nog niet wisten, was dat Marks advocaten nog een bijzonder onaangename troef achter de hand hadden.
‘Om kort te gaan, edelachtbare,’ ging Marks pleitbezorgster verder, ‘kan ik u zeggen dat er meneer Curtis zo veel aan gelegen is om Fluffy toegewezen te krijgen dat hij me heeft opgedragen te zeggen dat hij bereid is afstand te doen van de volledige financiële toezeggingen, in ruil voor de voogdij over de hond.’
Ik had blij moeten zijn, maar in plaats daarvan was ik diep verontwaardigd. Marks aanbod kwam neer op financiële chantage. Mijn vader dacht daar evenwel anders over, want hij sprong op en riep dwars door de rechtszaal: ‘Neem het geld, Annie!’
‘Stilte!’ Mevrouw Khan sloeg met haar hamer op tafel. ‘Stilte, of ik laat het publiek verwijderen.’
‘Ik bén geen publiek, verdomme, ik ben haar vader!’ mopperde mijn vader, terwijl Norma hem weer op zijn stoel trok.
‘Mevrouw Curtis,’ zei rechter Khan, zich tot mij wendend, ‘misschien kunnen we deze zitting kort houden. Meneer Curtis heeft u een aanbod gedaan dat u beslist niet kunt weigeren. Als u dat aanneemt en hem… Hoe heet dat dier ook alweer?’ vroeg ze, nadat ze zich opzij had gebogen naar de griffier.
‘Fluffy, edelachtbare.’
‘Dank u. Als u Fluffy aan uw man geeft, betekent dat een enorm financieel voordeel voor u. U hebt dan geld genoeg om meer dan tien nieuwe honden van te kunnen kopen.’
‘Maar ik wíl geen tien nieuwe honden!’ riep ik uit. ‘Ik wil alleen Fluffy maar. Ik hou van hem, en honden in het algemeen interesseren mij niet! U zou toch zeker nooit tegen een moeder zeggen “Dan neemt u toch gewoon een ander kind!” of wel? Begrijpt u dan niet hoe belangrijk Fluffy voor mij is?’
Ze keek me aan alsof ik een naaktslak was. ‘Nou ja, dat is duidelijk, want anders zou u hier nu niet zitten en hadden we ons deze vertoning kunnen besparen. Maar ik heb geen hond, en als moeder en grootmoeder kan ik niet begrijpen hoe u zo sterk aan een beest gehecht kunt zijn. Het is een zwaar emotioneel onderwerp, en de vraag is hoe de wet daar tegenover staat. Voor zover ik het zie zijn er twee vragen. Een: Wie is de feitelijke eigenaar van Fluffy? Degene die hem heeft gekocht of degene die voor hem heeft gezorgd? Twee: Moeten we de hond, zoals de wet dat voorschrijft, beschouwen als behorend tot het roerend goed, of moeten we rekening houden met zijn welzijn en wensen zoals we met kinderen doen? Als het meneer en mevrouw Curtis werkelijk om het welzijn van hun huisdier gaat, misschien dat we dan voor de tweede benadering moeten kiezen, en we met de hond moeten doen wat we doen met kinderen die oud genoeg zijn om hun eigen wensen kenbaar te maken – vooropgesteld natuurlijk dat de hond oud genoeg is om tot een verstandige beslissing te kunnen komen. Hoe oud is dat dier eigenlijk?’
‘Vijf jaar, edelachtbare,’ zeiden Mark en ik in koor. ‘Maar men gaat ervan uit dat elk jaar in een hondenleven gelijkstaat aan zeven jaar in een mensenleven. In die zin is Fluffy dus dertig jaar oud,’ vervolgde Mark.
‘Víjfendertig!’ corrigeerde mijn vader hem op afkeurende toon. ‘Die man is echt hopeloos!’ voegde hij er, voor iedereen hoorbaar, tegen Norma aan toe. ‘Hij kent zijn táfels nog niet eens!’
‘Ik heb zelf ook een beetje onderzoek gedaan naar hoe dit soort zaken in de Verenigde Staten worden aangepakt,’ zei de rechter, met alweer zo’n verschrikkelijk bitterzuur lachje van haar. ‘De advocaten van meneer Curtis zijn niet de enigen die weten hoe je met zoekmachines als Google moet omgaan. Wat ik heb gevonden is de zogenaamde “roeptest”, en die zou ik nu graag met u willen doen. Bij wijze van een beetje vermaak. Aangezien iedereen vastbesloten is om tijd te verkwanselen, vind ik dat ik zelf ook wel wat tijd mag verspillen.’
Ik probeerde de angst weg te slikken die mij overweldigde in het besef van wat de rechter bedoelde. En Mark had het ook begrepen. Even keken we elkaar aan, en ik wist dat we precies hetzelfde dachten – we dachten aan dat weekend dat we op de kinderen van Clarissa en James hadden gepast. Toen we die zondagmiddag laat weer thuis waren gekomen, waren we naar bed gegaan en hadden we naar een dvd van The Awful Truth gekeken, de film waarin Lucy en Gerry Warrener – oftewel Irene Dunne en Cary Grant – naar de rechter waren gestapt om hem te laten bepalen wie de voogdij over hun foxterriër, Mr. Smith, zou krijgen. En de rechter in die film had eveneens van de ‘roeptest’ gebruikgemaakt. Op dat moment waren we er honderd procent zeker van geweest dat zoiets ons nooit zou kunnen gebeuren. Maar nu bevonden we ons toch in exact dezelfde situatie.
‘Meneer en mevrouw Curtis,’ hoorde ik mevrouw Khan zeggen, ‘zou u op willen staan en elk naar de andere kant van de zaal willen lopen?’ Terwijl we dat deden, deed Fluffy zijn ogen open, hief zijn kop op en keek nieuwsgierig van de een naar de ander. ‘U, meneer Curtis, een beetje dichter bij het raam, en mevrouw Curtis, u meer naar links. Dank u. Mooi! Meneer Williams, mag ik u verzoeken met de hond naar het midden van de zaal te gaan? Precies. We willen deze test zo eerlijk mogelijk laten verlopen.’
Toen Fluffy midden in de rechtszaal naast Williams stond, realiseerde hij zich ineens dat er van alle kanten naar hem werd gekeken. Hij begon te stralen en vrolijk te kwispelen.
‘Goed zo. Meneer en mevrouw Curtis, let u op. Ik tel nu tot drie, en dan wil ik dat u tegelijkertijd uw hond roept, zodat iedereen kan zien aan wie hij de voorkeur geeft. En op hetzelfde moment, meneer Williams, verzoek ik u de hond van de riem te laten. Zijn we er allemaal klaar voor?’
Nee, ik was er helemaal niet klaar voor. Er zou zo veel van het resultaat afhangen. Ik wou dat ik, net als Irene Dunne, het lievelingsspeeltje van mijn hond in mijn mof had verstopt, en ik kon het niet uitstaan van mezelf dat ik daar niet aan had gedacht. Ook had ik aan Darcies truc kunnen denken en stukjes bacon in mijn zak kunnen stoppen. Tegelijkertijd vroeg ik me af of ze Mark die truc had verteld – of dat hij zelf die bacon in haar zak had ontdekt. Maar dit was niet het moment om stil te staan bij wat ze samen hadden uitgespookt. Ik moest me met heel mijn wezen op Fluffy concentreren, om ervoor te zorgen dat hij naar mij toe zou komen, in plaats van naar Mark te gaan.
‘Eén, twee, dríé!’ zei mevrouw Khan.
Williams kreeg de clip van de riem niet meteen los, maar ondertussen waren Mark en ik al begonnen met luidkeels naar Fluffy te roepen. ‘Fluffy! Fluffybal!’
‘Hier, jongen, híér!’
‘Fluffy, lieverd, kom bij míj! Lieverd!’
Fluffy keek eerst naar mij en toen naar Mark, en toen keek hij weer naar mij, en opnieuw naar Mark. Toen ging hij staan en wandelde doodbedaard naar Clarissa. Norma giechelde, waarop Clarissa haar voorbeeld volgde, en toen ook Marks ouders en alle anderen in de zaal. Alle anderen, met uitzondering van Mark, ikzelf en mevrouw Khan.
‘Nou, zijn wens is overduidelijk!’ zei ze, haar lippen tuitend. ‘En ik kan niet zeggen dat ik hem dat kwalijk neem. Mevrouw, wilt u die hond?’ vroeg ze aan Clarissa. ‘U hoeft het maar te zeggen.’
Inmiddels waren we al iets van een uur bezig. Het door ons aangevoerde bewijsmateriaal werd onder de loep genomen en uitgekauwd, en de klok van het uurloon van de advocaten tikte vrolijk door. De manier waarop onze relatie ten overstaan van vreemden onderuit werd gehaald, was om misselijk van te worden, en er waren meerdere momenten waarop ik het liefst door de grond was gezonken. Mark en ik werden om beurten naar het getuigenbankje geroepen om vragen over elkaars gedrag te beantwoorden. Hoe vaak was Mark mij ontrouw geweest? In hoeverre had ik het huishouden aan hem toevertrouwd? Wist ik wel hoe de oven werkte? En hoeveel uur per week bracht ik eigenlijk thuis door?
Vervolgens kwam Marks advocate met een fotoalbum op de proppen en toonde ze foto’s van Fluffy zoals hij speelde met de andere honden waarmee hij op Hampstead Heath ging wandelen. Verder liet ze een bandopname horen waarop we Fluffy hysterisch konden horen blaffen, en waarvan ze beweerde dat die heimelijk was gemaakt terwijl ik op mijn werk was, maar waarvan mijn advocaat Simon verklaarde dat die opname overal gemaakt kon zijn.
Mijn team sloeg terug met de vertoning van Darcies ‘Een Dag uit het Leven van Fluffy’. ‘Heel ontroerend,’ luidde mevrouw Khans sarcastische commentaar toen de laatste beelden waarop ik met Fluffy in mijn armen op een bankje in Regent’s Park zat, waren vervaagd. ‘Al kan ik me niet voorstellen dat u hier een Oscar voor zult krijgen.’ Ze bladerde haar aantekeningen door en keek toen weer op. ‘Had de eiseres niet een getuige-deskundige aan het woord willen laten?’
‘Inderdaad, edelachtbare,’ antwoordde Simon. ‘Het was dezelfde vrouw als degene die die film heeft gemaakt, juffrouw Darcie Wells, de hondenuitlaatster van mevrouw Curtis. Maar ik vrees dat juffrouw Wells zich op het allerlaatste moment heeft teruggetrokken.’
‘Ze heeft zich teruggetrokken? Hoezo?’
Hij haalde diep adem en deed een stap naar voren als een acteur die op het punt staat een bom de zaal in te slingeren. ‘Ze is van gedachten veranderd, edelachtbare, nadat meneer Curtis haar verleid heeft, kennelijk met de bedoeling haar zover te krijgen dat ze zou afzien van haar getuigenverklaring ten gunste van zijn vrouw.’
Jackie en Dennis slaakten een gesmoorde kreet. En Norma ook. Maar Mark sprong van zijn stoel en riep: ‘Dat is een grove leugen!’
Djengis Khan keek hem over de rand van haar leesbril streng aan. ‘Meneer Curtis, bemoeiing – en dat bedoel ik hier in de strikte betekenis van het woord – met een getuige is een serieuze misdaad. Ik verzoek u om een nadere verklaring. En houdt u er rekening mee dat u nog steeds onder ede staat. Wilt u beweren dat u geen seksuele relatie met juffrouw Wells hebt gehad?’
Mark was nobel genoeg om beschaamd te kijken. ‘Nou ja, we hebben wel met elkaar geslapen,’ bekende hij, terwijl hij vuurrood werd, ‘maar dat was niet om die reden. Ik wist verdorie niet eens dat Darcie Annies getuige was. En hoe had ik dat moeten weten? Ze heeft het me nooit verteld!’
‘U had het op dat moment waarschijnlijk ook te druk met het bespreken van andere zaken – zaken als de wereldpolitiek, neem ik aan,’ zei de rechter kortaf. ‘Mevrouw, meneer, hebt u verder nog opmerkingen?’ vroeg ze vervolgens aan onze raadslieden.
‘Ja, ik heb nog iets,’ antwoordde Marks advocaat nadat ze weer was opgestaan. ‘Ik wil mevrouw Curtis vragen om opnieuw in het getuigenbankje plaats te nemen.’
Wat nu weer? Williams en ik keken elkaar vragend aan, en na kort met Simon overlegd te hebben, zei de laatste: ‘Bezwaar, edelachtbare. Het lijkt ons een onnodige verspilling van tijd om mevrouw Curtis opnieuw aan een verhoor te onderwerpen.’
‘Deze hele zaak is één grote tijdsverspilling,’ merkte Djengis Khan op. ‘En het is totaal onnodig bovendien.’ Ze wendde zich tot Marks pleitbezorgster. ‘Mevrouw?’
Die schraapte haar keel. ‘Aangezien het eigendom van Fluffy zo essentieel is, edelachtbare, zou ik de eiseres nog op één punt een aantal vragen willen stellen.’
‘Uitstekend. Bezwaar afgewezen. Maar houdt u het wel zo kort mogelijk.’
Wat had dit te betekenen? Ik keek Williams aan, die zijn wenkbrauwen fronste en zijn schouders ophaalde. Met een ietwat onaangenaam voorgevoel keerde ik terug naar het getuigenbankje. De rechter herinnerde mij eraan dat ik nog steeds onder ede stond, en Marks advocate begon met haar vragen. ‘Mevrouw Curtis, zou u het hof met eigen woorden willen vertellen hoe u aan Fluffy bent gekomen?’
Ik keek naar Williams, die naar Simon keek. ‘Bezwaar, edelachtbare,’ zei deze meteen. ‘De eiseres heeft daar al vragen over beantwoord.’
‘Afgewezen. Geeft u antwoord, alstublieft.’
Ik aarzelde. Ik had een akelig wee gevoel in mijn maag, maar er zat niets anders op dan door te zetten. ‘Zoals ik al eerder heb gezegd, ik heb hem in Camden Town van een zwerver gekocht. Fluffy was nog een pup, en de man mishandelde hem. Het dier was totaal uitgedroogd en hij was nagenoeg verhongerd.’
De vrouw duwde haar lange, zwarte haren achter haar oor en zette haar bril recht. ‘En zou u het hof nogmaals willen vertellen hoeveel u die zwerver voor hem hebt betaald?’
Nu voelde ik me écht slecht op mijn gemak. Aller ogen waren op mij gericht. Ik schraapte mijn keel en zei: ‘Honderd pond.’
‘Even kijken of ik het goed heb begrepen, allemaal.’ Ze schonk me een zelfvoldaan glimlachje. ‘De zwerver zei: “U kunt deze pup krijgen voor honderd pond,” en toen hebt u uw handtas opengemaakt en hem het geld overhandigd?’
Ik aarzelde, en antwoordde toen: ‘Ja.’
‘Aha.’ Ze schraapte opnieuw haar keel. ‘En had u op dat moment honderd pond in uw tas, mevrouw Curtis?’
‘Ja,’ stamelde ik, en ik voelde dat ik een kleur kreeg. ‘Nou – nee,’ voegde ik eraan toe. ‘Ik had niet het volledige bedrag.’
Er viel een lange stilte waarin ik om me heen keek. Verbeeldde ik het me alleen maar, of werd er door iedereen op een vreemde manier naar mij gekeken? Pap, Norma, Jackie, Dennis, Mark – en zelfs Clarissa. En toen hoorde ik Marks advocate zeggen: ‘Zou u dat misschien even nader willen toelichten?’
Ik maakte mijn blik los van de mensen op de tribune en keek strak naar mijn handen. ‘Ik had… nou, iets van dertig of veertig pond op zak. En dat geld heb ik toen, bij wijze van aanbetaling, aan die zwerver gegeven. Vervolgens ben ik naar de bank om de hoek gegaan om de rest te halen.’
‘Op een zondag?’
‘Ja. Die bank heeft een geldautomaat.’
‘Aha. En kunt u ons ook vertellen wat er daarna is gebeurd, mevrouw Curtis?’
‘Nou, ik… ik…’ Er werd nog steeds naar mij gekeken. Ik aarzelde opnieuw. En terwijl ik dat deed kwam Simon opnieuw van zijn stoel en riep: ‘Bezwaar!’
‘Afgewezen,’ snauwde mevrouw Khan. ‘Al zie ik persoonlijk niet goed wat deze vragen voor zin hebben, en daarom verzoek ik u snel terzake te komen. Wilt u de vraag beantwoorden, mevrouw Curtis?’
‘Zal ik hem voor u herhalen, mevrouw Curtis? Wat hebt u gedaan nadat u het geld uit de geldautomaat had gehaald?’
Ineens kon ik amper nog ademhalen. Ze wist het! Ik had mezelf voorgehouden dat ze het onmogelijk kon weten. Hoe waren Marks advocaten erachter gekomen? Hoe konden ze het weten, als ik het aan niemand had verteld? Niet aan Clarissa, niet aan mijn vader en zelfs niet aan Mark?
Niemand kende de ware toedracht van hoe ik aan Fluffy was gekomen.
Niemand, afgezien dan van Darcie Wells.
Ik dacht terug aan die avond waarop we, nadat we elkaar hadden leren kennen, samen naar die singlesbar waren gegaan en we te veel hadden gedronken. Hoewel ik normaal eigenlijk nooit dronk, hadden we samen een hele fles wijn soldaat gemaakt, en daarna hadden we zelfs nog een tweede besteld en die voor de helft leeggedronken. De volgende ochtend was ik met barstende hoofdpijn wakker geworden, en ik had me nóg ellendiger gevoeld toen ik me herinnerde dat ik haar dingen had bekend die ik nog nooit aan iemand anders had verteld. Op het moment zelf had ik die gedachte snel weer van me af gezet. Wat kon het uiteindelijk schelen? Het was bovendien ook zo lang geleden gebeurd allemaal.
En daarbij, Darcie stond aan mijn kant.
Alleen had ze een paar weken later een verhouding met Mark gekregen. En toen had ik haar ontslagen.
In gedachten zag ik haar opeens voor me – naakt in Marks armen nadat ze de liefde hadden bedreven, en op die gebruikelijke manier van haar tegen hem kletsend. Mark moet haar gretig hebben aangehoord – hij was altijd al een liefhebber van intieme gesprekken geweest. Ik kon haar bijna horen, zoals ze, met dat lieve kinderstemmetje van haar, haar gif had gespuid: ‘Annie was van, weet je wel… en ze was van, je kent het wel… en toen deed die zwerver van, hé… en toen was Fluffy, wat dan ook.’ Had ze elk detail van wat ik haar in die bar had verteld herhaald? Met inbegrip van die opmerking van mij dat Mark zo goed was in bed? En had Mark toen alles over de zwerver aan Greenwood verteld? Of was Darcie uit eigen beweging naar Greenwood gegaan om zich te wreken?
‘Mevrouw Curtis? Kunt u ons alstublieft vertellen wat u toen hebt gedaan?’
Ik keek Marks pleitbezorgster strak aan. Het bloed bonsde even luid als een trommel in mijn oren. En zelfs als ze het wist, hoe zou ze dat dan moeten bewijzen? Ik zou toch heel gemakkelijk kunnen zeggen dat Darcie loog? Wie kon het tegendeel bewijzen? De enige die er die dag bij was geweest, was de zwerver zelf.
Clarissa had gelijk – vandaag was een kwestie van ‘met je schild of er bovenop’. Ik hief mijn kin op, keek uitdagend om me heen en zei: ‘Ik ben teruggegaan naar Jamestown Road, waar ik die zwerver had achtergelaten, en heb hem de rest van het geld gegeven.’
‘Dank u, mevrouw Curtis. Ik heb verder geen vragen meer.’
‘De getuige mag terugkeren naar haar plaats.’
Toen ik – opgelucht omdat ik dat achter de rug had – terugkeerde naar mijn plaats, zag ik Marks pleitbezorgster even heel triomfantelijk naar me glimlachen. Toen wendde ze zich tot de rechter. ‘Edelachtbare, ik zou graag nog een laatste getuige willen horen.’
Mevrouw Khan geeuwde. ‘Is dat echt nodig, mevrouw?’
‘Hij is een uiterst belangrijke getuige. Meneer Joseph Holtby.’
‘Wie is Joseph Holtby?’ fluisterde Williams toen ik weer naast hem was gaan zitten.
‘Geen idee,’ fluisterde ik terug. ‘Ik heb nog nooit van die man gehoord.’ Ik reikte omlaag en aaide Fluffy, die intussen languit onder mijn stoel lag te slapen.
Simon stond op. ‘Bezwaar, edelachtbare,’ zei hij. ‘Er is van tevoren niet gesproken over deze getuige. Mijn cliënte kent niemand die Joseph Holtby heet, en wat hij ook te vertellen mag hebben, kan op geen enkele wijze van invloed zijn op de beslissing van wie de hond krijgt toegewezen.’
‘Integendeel, edelachtbare,’ zei Marks advocate. ‘De getuigenverklaring van meneer Holtby is van doorslaggevende betekenis. Niet alleen zal blijken dat eiseres niet in staat is om op fatsoenlijke wijze voor Fluffy te zorgen, maar bovendien dat ze niet eens zijn rechtmatige eigenaresse is. En bovendien heeft ze een valse verklaring afgelegd, en heeft ze, vanaf de dag waarop ze haar echtgenoot heeft leren kennen, tegen hem gelogen.’
‘Onzin!’ riep Clarissa. Ze sprong van haar stoel. ‘Dat bestaat niet!’
Op hetzelfde moment was ook mijn vader opgesprongen. Hij had een knalrood hoofd gekregen. ‘Hoe durf jij mijn Annie voor leugenaar uit te maken?’ schreeuwde hij.
Zelfs Mark maakte een wat onthutste indruk. Hij trok Greenwood aan haar mouw en zei: ‘Hé, nu gaan jullie wel een beetje te ver!’
‘Stilte! Stilte! Wil iedereen blijven zitten, alstublieft! Stilte!’
Simon keek naar Williams, die zich tot mij wendde. ‘Waar heeft ze het over?’ vroeg hij zacht.
‘Geen idee,’ siste ik terug. Maar dat had ik wel.
‘Goed, goed, mevrouw, in dat geval,’ zei mevrouw Khan op lijdzame toon, ‘laat u die getuige van u dan maar binnenkomen. En ik kan alleen maar hopen dat u hetgeen u zojuist over de eiseres hebt beweerd ook werkelijk hard kunt maken.’
‘Dat kan ik, edelachtbare,’ zei de pleitbezorgster. ‘Ik roep meneer Jospeh Holtby naar de getuigenbank.’