Hoofdstuk 37
‘Mevrouw Barclay!’
Marion Barclay. Dezelfde mevrouw Barclay die van baan wilde veranderen en iets speciaals nodig had voor haar sollicitatiegesprek. Hoe zou ik dat wollen mantelpak dat ik voor haar had gevonden ooit kunnen vergeten? Dat pakje met de gerende knielange rok en de zijden Burberry-blouse die ik erbij had uitgezocht? Ik had haar niet meer gezien sinds die fatale dag waarop ze, op weg naar haar sollicitatie, in alle haast naar de winkel was gekomen om het pakje te halen dat, in de minuten daarvoor, door Fluffy was vernield.
Mevrouw Barclay was de nieuwe directrice van Highridge. Geweldig, dacht ik bitter.
Ze legde haar pen neer en zuchtte. ‘Annie. Ik had nooit gedacht dat ik jou hier zou zien.’
Ik slikte. ‘Ik had ook nooit gedacht dat ik hier terecht zou komen, mevrouw Barclay.’
‘Tja, maar hier zitten we dan. Tegenover elkaar – elk aan een kant van het bureau.’
‘Ja.’
Ze glimlachte koeltjes. ‘Uiteindelijk ben ik in dat oude fleecevest en de spijkerbroek van mijn man naar die sollicitatie gegaan – ik moest wel. Maar je ziet, ik heb de baan toch gekregen.’
‘Bedoelt u dat dít de baan was?’ vroeg ik. ‘Dat u voor déze baan ging solliciteren? Voor de baan van directeur van Highridge?’ Ze knikte. ‘Ik heb het u al eens gezegd, en ik zeg het nog eens. Het spijt me echt verschrikkelijk wat er met uw mantelpak is gebeurd.’
Ze wuifde mijn woorden weg. ‘Uiteindelijk waren het alleen maar kleren, Annie. Er zijn belangrijker dingen in het leven, realiseerde ik me, toen ik over de ergste schok heen was.’ Ze zweeg even. ‘Ik heb het gelezen van je scheiding. En ook van die rechtszaak, natuurlijk. Het stond in de krant. En ik wil je wel bekennen dat ik nogal verbaasd was. Meineed is een zwaar misdrijf.’
Ik kreeg een brok in mijn keel. ‘Ja, daar ben ik inmiddels wel achter.’
‘En diefstal ook. Zelfs van een zwerver.’
‘Ja.’
Ze keek met die doordringende ogen van haar dwars door me heen, en ik liet mijn hoofd beschaamd hangen. Ik schaamde me dieper dan ik gedaan had toen ik, op mijn elfde, tijdens een wiskundeproefwerk betrapt was op spieken. ‘En toen ontdekte ik, tot mijn verbazing, jouw naam op de lijst van nieuwe gevangenen,’ ging ze verder. ‘Wat zeggen je ouders hiervan?’
‘Nou… mijn vader was behoorlijk van streek, natuurlijk…’
‘En je moeder?’
Het brok in mijn keel werd groter. ‘O… mijn moeder…’ begon ik. ‘Ik heb geen…’ Ineens kon ik geen woord meer uitbrengen, en even later zat ik op het tweepersoonsbankje in het kantoor voor de tweede keer die middag te janken als een klein kind. Marion Barclay was naast me komen zitten. Ze hield mijn oververhitte hand tussen haar koele vingers en bood me een doos met tissues aan. Ik heb er geen idee van hoe lang ik daar zat, maar ik vertelde haar alles – over mijn moeder die ons in de steek had gelaten toen ik acht was, over hoe ik Fluffy had gered en Mark had ontmoet, over Ferns tanga, de roze riem en mevrouw Weimaraner, en over Fluffy die voor de rechtbank onder een auto was gelopen.
‘Hoe is het mogelijk,’ zei ze, toen ik was uitgehuild. ‘Jij en ik hebben meerdere keren contact met elkaar gehad, en in de loop der jaren moet ik je heel wat intieme dingen van mijzelf hebben toevertrouwd. Je maakte op mij altijd de indruk van een opgewekte jonge vrouw. Ik had er geen idee van dat je zoveel problemen had. Het spijt me, Annie. Je bent al zwaar genoeg gestraft zonder dat ik daar nog eens een schepje bovenop zou hoeven doen.’ Ze glimlachte. ‘Waarschijnlijk heb je niets aan wat ik nu ga zeggen, maar voor wat meineed betreft ben je in goed gezelschap. Heel wat bekende mensen hebben dezelfde misdaad begaan en daar, net als jij nu, voor moeten boeten. Daarna hebben ze de draad van hun leven weer opgepakt, en in de meeste gevallen hebben ze ook hun reputatie nog weten te redden. Denk maar aan Jonathan Aitkin en Jeffrey Archer. En Martha Stewart, natuurlijk, de Amerikaanse die zo beroemd is geworden met het opnieuw inrichten van huizen, en die in grote moeilijkheden kwam door gegevens achter te houden voor de belasting. Maar ik weet zeker dat jij, zodra je weer vrij bent, net als zij weer door kunt gaan met het werk waarin je zo goed bent.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘George Haines heeft me ontslagen.’
‘Niet om wat er met mij is gebeurd, hoop ik.’
‘Het was mijn eigen schuld. Hij was woedend omdat ik Fluffy de winkel had binnengesmokkeld. U moet namelijk weten dat het al een keer eerder was gebeurd, en ik had hem bezworen dat het bij die ene keer zou blijven.’
Marion Barclay zuchtte. ‘Nou, dat was een erg domme beslissing van Haines. Voor wat zijn zaak betreft, bedoel ik. Niemand op personal shopping heeft zoveel flair als jij, en ze zullen heel wat klanten kwijtraken – en ik als een van de eerste. Haines and Hampton is niet de enige zaak in Londen met een personal shopping-afdeling. Ik weet zeker dat je wel ergens anders werk zult kunnen vinden.’
‘Met een strafblad? Dat betwijfel ik.’ Intussen had ik een hele doos tissues weggewerkt. Ik pakte de laatste en snoot mijn neus. ‘Hoe dan ook,’ zei ik, ‘het kan me niets meer schelen. Al die dure mode hoeft niet meer voor mij. Make-overs en personal shopping en merkkleren – het is zo’n ontzettend oppervlakkig wereldje.’
‘Ik zal je iets vertellen, Annie.’ Ze pakte mijn hand en drukte hem. ‘Er was niets oppervlakkigs aan wat jij voor mij hebt gedaan. Na mijn borstamputatie was jij degene die me mijn zelfvertrouwen teruggaf. Dankzij jou heb ik de touwtjes van mijn leven weer in handen gekregen en ben ik me weer een begeerlijke vrouw gaan voelen – al is dit waarschijnlijk niet de plek om het over dit soort dingen te hebben. Moet je horen,’ ging ze verder, terwijl ze mijn hand losliet. ‘Ik weet zeker dat je weer werk zult kunnen vinden na je vrijlating, die, als ik het goed heb, een paar dagen voor Kerstmis zal zijn.’
‘Nou, personal shopping hoeft niet meer voor mij,’ zei ik. ‘Het kan me allemaal niets meer schelen. Ik ben alles kwijt wat belangrijk voor me was. Mijn huwelijk. Mijn huis. Mijn zelfrespect. En Fluffy.’
‘Die onverschilligheid kun je je niet veroorloven, Annie,’ zei ze, nogal streng. ‘We krijgen in het leven maar één kans, en jij bent veel te jong en veel te getalenteerd om het bijltje er op deze manier bij neer te gooien. Vroeg of laat vind je een ander met wie je wilt trouwen –’
‘Dat nooit meer!’ viel ik haar in de rede.
‘– en met wie je misschien ook kinderen zult krijgen. Dat is iets waar ik zelf altijd spijt van heb gehad. En na wat je zelf met jouw moeder hebt meegemaakt, zou dat ook wel eens een helende ervaring voor je kunnen zijn. En voor wat het verlies van Fluffy betreft…’ ze stond op en liep terug naar haar bureau ‘… je zegt dat je van hem hield, maar…’ Ze ging zitten en gebaarde me dat ik weer tegenover haar moest plaatsnemen. ‘Je wilt dit misschien niet van me horen, Annie, maar, nou ja, hij was maar een hond. Het kan best zijn dat je op dit moment vreselijk veel verdriet om hem hebt. Je bent er misschien wel kapot van. Maar als dat het ergste is wat je in je leven te verwerken krijgt… Echt, je komt er heus wel overheen. Er zijn mensen die hun kínderen verliezen, en die toch voldoende motivatie vinden om de draad van het leven weer op te pakken. Je wilt me toch niet vertellen dat je de moed opgeeft alleen omdat je een hónd hebt verloren? Kom op zeg, jongedame! Met dat zelfmedelijden, en met steeds maar aan je eigen ellende te denken, schiet je niets op. Denk liever aan wat je voor anderen zou kunnen doen – voor anderen die er veel erger aan toe zijn dan jij.’
‘Waarom zegt u dat allemaal tegen mij?’ vroeg ik nadat ik was gaan zitten.
‘Omdat je een preek waard bent, Annie. En omdat ik je een voorstel wil doen.’ Ze sloeg haar handen in elkaar, legde ze op het bureau en boog zich naar voren. ‘Luister. Je bent hier om een straf uit te zitten, en ik kan je niet zomaar een voorkeursbehandeling geven. Die zul je, net als alle anderen, moeten verdienen. Ik kan het me niet veroorloven om je speciale gunsten te verlenen. En aangezien jij zo je best hebt gedaan om mij aan deze baan te helpen – en dan heb ik het even niet over Fluffy – zou het wel heel erg jammer zijn als ik door aan jou bewezen gunsten op straat zou komen te staan, vind je ook niet? Maar, Annie, je kunt iets voor me doen.’
‘O?’
‘Het gaat om een experiment dat ik graag uit zou willen proberen. Deze gevangenis zit vol vrouwen die geen greintje eigenwaarde hebben. Ze hebben geen zelfrespect en geen ambitie. De meesten hebben ook nauwelijks enige opleiding gehad. Ik vertel je waarschijnlijk niets nieuws als ik zeg dat een groot deel van hen ook geestelijke problemen heeft, depressief is en met zelfmoordneigingen kampt. Ze komen over het algemeen uit gezinnen waar ze mishandeld zijn, of waar ernstige misstanden heersen. Jij hebt het als kind zonder moeder moeten stellen, maar veel van deze vrouwen hebben het veel en veel zwaarder gehad in hun jeugd. Het enige wat veel van deze vrouwen hebben zijn hun kinderen, alhoewel veel vrouwen die kinderen ook kwijt zijn geraakt aan het systeem omdat ze verslaafd zijn, geen huis hebben of omdat ze, om wat voor reden dan ook, niet voor hen kunnen zorgen. Maar het opvallende is dat veel van deze vrouwen heel intelligent zijn. Ze hebben er echter geen idee van wat ze zouden kunnen bereiken als ze zich ergens helemaal voor in zouden zetten. En nu wilde ik jou vragen of je hen zou willen helpen met het terugwinnen van hun zelfvertrouwen, en een beetje zelfrespect.’
‘Ik? Hoe zou ik dat moeten doen?’
Marion Barclay glimlachte. ‘Ligt dat niet voor de hand, Annie? Door voor hen te doen wat je voor mij hebt gedaan. Door ervoor te zorgen dat ze zichzelf gaan accepteren. Door ze te laten zien hoe ze het beste van zichzelf kunnen maken met wat ze hebben – hetgeen in de meeste gevallen echt bitter weinig is.’
‘Bedoelt u dat u wilt dat ik make-overs met ze doe? Hier, in de gevangenis?’ Mevrouw Barclay knikte. Ik moest er bijna om lachen. ‘Maar dat is toch onmogelijk! In de winkel had ik een heel team van assistentes en vier verdiepingen vol dure merkkleren om uit te kiezen. En kappers en visagisten en alle denkbare cosmetica van de hele wereld. Geld speelde geen rol.’
‘Ja, ja, dat weet ik allemaal. En het zou natuurlijk een enorme uitdaging voor je zijn. Maar… Denk je niet dat je íets zou kunnen proberen? Ik kan een ruimte voor je regelen – een soort van kantoor, zeg maar. En ik weet zeker dat we cosmeticafabrikanten en ook warenhuizen – misschien zelfs wel Haines and Hampton – zover zullen kunnen krijgen dat ze ons make-up willen schenken. We zouden mensen aan moeten schrijven. En wat kleren betreft – hier in de kelder is een grote opslag met gevonden voorwerpen, spullen die door gevangenen zijn achtergelaten. Het is natuurlijk niet bepaald haute couture, maar… Je zou moeten improviseren. Probeer het beste te maken van wat je hebt. Misschien dat je de gevangenen ook zover zou kunnen krijgen dat ze dingen met elkaar willen ruilen.’ Ze glimlachte warm en enthousiast. ‘Zou je dat voor mij willen doen, Annie? Ik heb zo het gevoel dat je, door iets voor anderen te doen, jezelf ook beter zult gaan voelen.’
Gedurende de rest van mijn verblijf in Highridge stortte ik me op de uitvoering van Marion Barclays make-overplan. Ze kreeg haar vriendinnen zover dat ze hun oude kleren schonken, en nadat ik in de eetzaal een poster had opgehangen, vond ik een kapster en een paar naaisters onder de gevangenen die bereid waren me bij de transformatie van mijn nieuwe ‘klanten’ te helpen. Verder gaf mevrouw Barclay me toestemming om Eva te bellen, die na mijn ontslag tot hoofd van de afdeling personal shopping was benoemd – een functie waarvan ik wist dat ze die verdiende. Dat kon evenwel niet voorkomen dat ik het heel moeilijk vond om me voor te stellen hoe ze nu in mijn kantoor zou zitten, haar jas aan de haak aan de achterkant van de deur zou hangen en, met haar mooie voetjes naast elkaar, achter het bureau zou zitten dat voor mijn gevoel nog steeds van mij was. En was het alleen maar mijn verbeelding, of klonk ze echt een beetje zelfvoldaan toen ze zei: ‘Ik zal kijken wat ik voor je kan regelen, Annie. Ik beloof je dat ik het met meneer Haines zal overleggen, maar ik kan je niets beloven.’
Twee weken later werd ik opnieuw bij de directrice geroepen. In Marion Barclays kantoor stonden drie grote kartonnen dozen en vier grote plastic draagtassen van Haines and Hampton op te me wachten. En tussen die dozen en tassen stond – zenuwachtig en ingetogen – Charlotte. Ze droeg een sober zwart broekpak en een gewatteerde Cecilia van Mark Jacobs, en ze had haar blonde haren in een strakke paardenstaart. Ze fronste haar voorhoofd toen ze me zag binnenkomen – waarschijnlijk had ze even tijd nodig voor ze mij herkende, maar toen dat was gebeurd, begon ze te stralen en wiebelde ze me op haar rode naaldhakken van Manolo tegemoet. Ze wapperde met haar handen en riep: ‘Annie! Annie!’ Toen ze me tot op een meter afstand was genaderd, bleef ze staan en wendde ze zich tot mevrouw Barclay. ‘Kan ik haar aanraken, mevrouw Barclay?’ vroeg ze. ‘Ik bedoel, mag dat? Is het toegestaan?’
‘Nou, het kan me niet schelen of het mag. Ik heb er graag een week isoleercel voor over!’ riep ik en ik sloeg mijn armen om haar heen. Tijdens onze omhelzing drongen de meest heerlijke geuren mijn neusgaten binnen – Chanel Naturally Luminous Foundation, als ik me niet vergiste, en Aveda Pure Abundance Voluminizing Shampoo en, ja, Breath of Joy, dat exclusieve parfum van Jean Patou dat Charlottes moeder haar altijd voor haar verjaardag gaf. In het verleden hadden al die luchtjes zo vanzelfsprekend deel uitgemaakt van mijn dagelijkse bestaan dat ze me nauwelijks waren opgevallen, maar nu riepen ze beelden op van een wereld die miljoenen kilometers ver weg leek – exotisch, duur en luxueus. Het verlangen daarnaar was zo intens dat het nagenoeg ondraaglijk was.
Charlotte maakte zich van mij los, en hoewel haar rood gestifte lippen glimlachten, deden haar ogen niet mee. Tot op dat moment had ze me alleen nog maar netjes en goed verzorgd op mijn werk gezien, en ik realiseerde me hoe afstotelijk ik eruit moest zien in mijn gekreukte T-shirt en trainingsbroek, en met mijn ongewassen haren, en mijn onopgemaakte, vettige en naar gevangenis stinkende huid. Ik was die ochtend bezig geweest met het schoonmaken van het stoffige kantoor dat mevrouw Barclay voor me had gevonden om mijn make-overs in te doen, dus waarschijnlijk rook ik ook nog naar zweet. Ik schaamde me voor mijzelf en voelde me in het nadeel.
‘Het is heerlijk om je te zien, Charlotte,’ zei ik terwijl ik een stapje naar achteren deed, ‘en ik zie dat je een heleboel spullen hebt meegebracht.’
‘Nou, Eva heeft het aan meneer Haines gevraagd, en die zei dat we een deel van de oude uitverkoopvoorraad uit het magazijn konden krijgen,’ vertelde ze. ‘Dus ik ben erheen gegaan en heb de hele boel gesorteerd, en hoewel er natuurlijk niets van dit seizoen bij zit, heb ik toch nog heel wat aardige dingen van afgelopen winter gevonden, zoals een paar jasjes van Miu Miu en broeken van Nicole Farhi. Er is zelfs een jurk van Julien Macdonald van vorig seizoen bij die is teruggebracht omdat de rits kapot was, maar ik weet zeker dat er een nieuwe ingezet kan worden. In deze doos zitten ceintuurs en tassen, en die andere zit vol met topjes en blouses. En in deze,’ ging ze verder, op de draagtassen wijzend, ‘zitten make-up en cleansers. Ik heb de meisjes van cosmetica verteld waar ik de spullen voor nodig had en ze hebben een hele hoop testers en monstertjes gevonden. En dit kleine tasje is voor jou. Je krijgt veel liefs van iedereen, Annie.’
Sinds mijn ontslag had ik heel bewust geprobeerd om niet te veel aan Haines and Hampton te denken, maar terwijl ik zo naar de keurig prononcerende Charlotte luisterde, zag ik de zaak en mijn afdeling weer glashelder voor me. In gedachten zag ik mijzelf op de cosmetica-afdeling met zijn vitrines van staal en glas, zijn schier eindeloze spiegelwanden, de onbetaalbare lotions en crèmes in hun prachtige potten en verpakkingen, het deskundige personeel en de knappe schoonheidsspecialistes in hun onberispelijk witte uniformen die hen op verpleegsters deden lijken. In het verleden had ik alleen maar over die afdeling hoeven lopen om me meteen vrolijk en veilig te voelen. Hoe heerlijk had ik het niet gevonden om daarvan deel uit te kunnen maken. En dat alles had ik nu vergooid. Ik was persona non grata. En ik zou er nooit meer thuishoren.
Volgens mij zag Marion Barcley aan me dat ik van streek was, want ineens zei ze: ‘Waarom breng je die dozen niet meteen naar het kantoor, Annie? En misschien wil Charlotte je wel helpen – dat wil zeggen, als je daar tijd voor hebt, Charlotte? Ik kan zo een speciaal bezoekerspasje voor je regelen. En misschien ook een goederenkarretje om de spullen op te zetten.’
Twintig minuten later duwden Charlotte en ik een blauw metalen wagentje met de dozen en tassen erop de lange gangen door. We werden op de voet gevolgd door een bewaakster en oogstten nieuwsgierige blikken van mijn medegevangenen. Vergeleken met ons zag Charlotte eruit als een wezen van een andere planeet. En dat was ze in zekere zin natuurlijk ook – een wezen van Planeet Chic.
Na een maand in Highridge was ik al helemaal gewend geraakt aan de talloze metalen hekken en deuren waar we doorheen moesten, maar ik zag haar ineenkrimpen bij elke deur die achter ons op slot ging. Om de haverklap keek ze zenuwachtig achterom alsof ze verwachtte door een met een bijl gewapende gek besprongen te worden, en op sommige momenten zag ik dat ze dapper haar best deed om niet te kokhalzen van de stank. Tegen de tijd dat we bij mijn zogenaamde kantoor waren gekomen, zag ik hoe bleek ze was geworden. Ik vroeg of ze weg wilde, maar ze stond erop tenminste te blijven tot we de dozen hadden uitgepakt. Gelukkig rook het vertrek, na mijn grondige schoonmaakbeurt van die ochtend, niet meer naar spruitjes en kool, maar naar ontsmettingsmiddel en bleekwater.
Het eerste wat ik deed nadat we alles van het wagentje hadden geladen, was in de draagtasjes van de cosmetica-afdeling kijken. Ik pakte de eerste de beste eau-de-toilettetester – Oscar, van Oscar de la Renta – en spoot ermee in de lucht.
‘Oef! Dat is beter!’ verzuchtte ik, de lucht diep opsnuivend. ‘Mmm! Ik voel me bijna weer mens.’
Charlotte veegde het wagentje af met een tissue en ging met een somber gezicht op de rand zitten. ‘Annie, zou je het erg bezwaarlijk vinden als ik je heel eerlijk zei wat ik denk?’
Het was niet het moment om te lachen om haar gecompliceerde zinnen, dus ik volstond met: ‘Ga je gang, Charlotte.’
‘Je bent zo verschrikkelijk vrolijk, maar…’ Ze vertrok haar zorgvuldig gepoederde gezicht tot een grimas. ‘Het is verschrikkelijk hier! En al die dichte deuren en zo! En die afschuwelijke stank. En alles lijkt zo smerig dat ik amper ergens aan durf te komen uit angst voor besmetting. En dan… nou ja… sommigen van die mensen die we op de gangen zijn tegengekomen… Er waren erbij die… om het vriendelijk te zeggen… zo, nou ja…’ ze fluisterde nu ‘… die veel te zwaar waren, en dan zoals ze erbij liepen, je weet wel, zo smakeloos gekleed! Het lijkt wel, Annie, of iedereen er hier zijn eigen stijl op na houdt! Hoe kun je daar tegen, Annie? Hoe hou je het uit om hier weken achtereen opgesloten te zitten? Ik zou hier al na één dag gillend weg willen lopen!’
Mijn mond viel open. Ik had van begin af aan geprobeerd om me niet aan te stellen. Ik had mezelf zelfs wijsgemaakt dat ik maar een akelig verwend nest was en dat de gevangenis in werkelijkheid niet half zo ondraaglijk was als ik wel dacht. Uiteindelijk leek geen van mijn medegevangenen zich ook maar half zo erg aan de dingen te storen als ik. En nu bracht Charlotte hier precies al die dingen onder woorden die ik wekenlang onderdrukt had, en zelfs niet had durven denken. Op de een of andere manier kwam haar hele beschrijving me waanzinnig komisch voor.
Ik had sinds de hoorzitting niet meer gelachen, maar ineens schaterde ik het uit. Charlotte keek me geschrokken aan. ‘Wat is er, Annie? Heb ik iets verkeerds gezegd?’
‘Nee,’ wist ik uit te brengen, ‘je hebt alleen maar precies datgene onder woorden gebracht wat ik zelf niet durfde toe te geven. Kom hier, en laat me je een zoen geven! Je bent een schat!’