Hoofdstuk 5

‘Een roze halsband en riem? Voor Flúffy?’

Het was de eerste week van februari, en mijn vader en ik zaten samen aan de zondagse lunch. Ik had lang en diep nagedacht over wanneer en waar ik het hem zou vertellen – hoe de ochtend van die vijfentwintigste december voor mij en Mark zo blij en gezellig was begonnen met het uitwisselen van pakjes, en hoe, tegen de tijd dat de koningin om twee uur aan haar toespraak begon, mijn huwelijk vergeleken kon worden met de puinhoop van de resten kerstpapier die Fluffy met zoveel plezier aan flarden had gescheurd. Als ik het pap bij hem thuis verteld zou hebben, zou hij – dat wist ik zeker – meteen in zijn Jaguar zijn gesprongen en naar het Workhouse zijn gereden om Mark eigenhandig te wurgen. Eindelijk zou hij het perfecte excuus hebben om datgene te doen wat hij al had willen doen sinds de tijd waarin we nog niet eens getrouwd waren. Maar hier, in het restaurant, gezeten achter een saignant gebakken biefstuk, patat, salade en een glas verrukkelijke Merlot, was de kans een stuk groter dat mijn vader zich behoorlijk zou gedragen.

En hoe chiquer het restaurant, des te beter zijn gedrag, want hij zou zichzelf en mij in het openbaar niet willen beschamen. En al helemaal niet hier, in het trendy Le Caprice in St James, zijn favoriete tent om bekende mensen tegen te komen, waar je een redelijke kans had Joan Collins of Michael Winner tegen het lijf te lopen.

‘Precies, pap,’ zei ik. ‘Dat bedoel ik. Mark had ze dus niet voor Fluffy gekocht. Het cadeautje was niet voor mij bestemd.’

‘Voor wie dan wel, verdomme?’

‘Nou, inmiddels weet ik dat het voor een Weimaraner was.’

De verbaasde uitdrukking op zijn gezicht maakte plaats voor woede. ‘Een buitenlander? En een Duitser nog wel. Ik had het kunnen weten!’

‘Pap!’

‘Zeg op, wie is die Weimar-trut met wie hij een verhouding heeft?’

Ik legde mijn hand op de zijne. ‘De Weimaraner is een teef.’

‘Ja, dát staat als een paal boven water!’

‘Ik bedoel dat ze een hond is.’

‘Een hond? Je bedoelt dat ze hondslelijk is!’ Het bestek rammelde toen hij zijn vlakke hand op het witte tafelkleed sloeg. ‘Hoe bestaat het!’

Ik zuchtte geïrriteerd. ‘Een hond zoals een spaniël. Of een labrador. Of een dalmatiër.’

Mijn vader werd nog roder, maar nu niet van woede maar van schaamte. ‘Dat wist ik ook wel,’ zei hij defensief. ‘Natuurlijk. Het was maar een geintje, ja? Goed, goed, je hoeft heus niet zo te grinniken, jongedame. Niet iedereen kan prat gaan op een goede opleiding.’

‘Ja, pap, je hebt gelijk.’

‘Sommigen van ons moesten met veertien jaar van school om te werken – om achter een marktkraam tot op het bot te verkleumen om de kost te verdienen.’ Hij spreidde zijn forse handen – zijn op worstjes lijkende vingers kregen inmiddels wekelijks een professionele manicure, en waren permanent getooid met gouden ringen met diamanten.

‘Ja, pap, dat weet ik.’

‘Ik heb nooit de kans gekregen om te studeren.’

‘En je weet best dat ik je eeuwig dankbaar ben voor alle geweldige kansen die je mij hebt gegeven.’

‘Hmmm!’ gromde hij sceptisch, waarna hij zijn glas opnam en zijn laatste restje wijn in één slok achterover gooide. Toen, met een geoefend verfijnd gebaar, liet hij de kelner weten dat hij nog een glas wilde hebben.

Ik haalde diep adem en ging verder met mijn trieste verhaal. ‘Marks… geliefde… is het bazinnetje van de Weimaraner.’

Pap greep het heft van zijn mes zo stevig beet dat zijn knokkels er wit van zagen. ‘Ik vermoord hem,’ siste hij.

‘Ze is getrouwd. En ze heeft twee kinderen. Kennelijk hebben ze elkaar leren kennen toen ze alle twee de hond uitlieten op de hei. Mark zegt dat het alleen maar een avontuurtje was, en een ernstige vergissing, en dat het alleen maar is gebeurd omdat hij ongelukkig was.’

‘Ha! Wacht maar tot ik klaar met hem ben! Dan zal hij nog een stuk ongelukkiger zijn!’

Ik werd innerlijk verscheurd door het verlangen om pap aan te moedigen en de wetenschap dat ik hem juist moest zien te kalmeren. Gelukkig won mijn verstand. ‘Toe, pap,’ smeekte ik. ‘Hier heb ik niets aan.’

‘Hoe durft die schofterige nietsnut je te bedriegen?’

‘Nou, hij bezweert me dat het hem verschrikkelijk spijt en dat het uit is, enzovoort, enzovoort. Maar… het probleem is dat ik hem niet geloof.’

‘Nee, terecht!’ was hij het met me eens.

‘Want…’

‘Ik heb je van begin af aan gezegd dat hij een geboren leugenaar was,’ viel hij me in de rede.

‘Nee, dat is het niet. En wees zo lief om me rustig uit te laten praten. Je moet namelijk weten dat…’ Ik aarzelde.

‘Wat?’ Pap keek bezorgd. ‘Vooruit, schat, je kunt me alles vertellen. Ik ben uiteindelijk je vader.’

Dat was nu juist het probleem. ‘Je moet me eerst beloven dat je niet zult ontploffen.’

‘Alsof ik dat ooit zou doen.’

‘Je moet het beloven.’

Hij schudde zijn hoofd en slaakte een verslagen zucht. ‘Goed, goed, ik beloof het.’

‘Mooi. Nou, de kwestie is… Eh,’ ik haalde diep adem, ‘het is niet de eerste keer dat Mark me ontrouw is geweest.’

Le Caprice of geen Caprice, pap gooide zijn bestek met luid gerinkel op zijn bord, schoof zijn stoel naar achteren en sprong op. ‘Wát?’ brulde hij.

‘In godsnaam, ga weer zitten!’ siste ik, terwijl ik hem aan zijn jasje trok, iedereen zich naar ons omdraaide en de maître haastig aan kwam gelopen om te vragen of alles in orde was. ‘Hij heeft het maar één keertje eerder gedaan.’

‘Máár één keertje eerder? Ik zal die schoft een lesje leren – ik trek hem een voor een de ledematen uit zijn lijf.’

‘Meneer Osborne? Is alles naar wens?’

‘Ja, Carlo, dank je wel.’

‘En het vlees?’

‘Dat is heerlijk. Zoals gewoonlijk. Sorry voor alle drukte. Het is alleen… nou ja, ik heb slecht nieuws te verwerken gehad, dat is alles.’

‘Dat spijt me, meneer. Kan ik misschien iets voor u doen?’

‘Nee, dank je. Tenzij je me een huurmoordenaar kunt aanbevelen,’ mompelde hij, terwijl hij Carlos gebaarde dat hij kon gaan.

‘Die affaire had niets te betekenen, pap. Ik bedoel, niet voor Mark. Dat zegt hij nu in ieder geval. Hij zegt dat hij het alleen maar heeft gedaan omdat hij zich verwaarloosd voelde. En omdat ik… nou ja, laat maar zitten.’ Dit was niet het moment om pap te vertellen dat Mark en ik een halfjaar eerder in een impasse waren geraakt ten aanzien van het krijgen van kinderen. Mark wilde zoals altijd dat we het zouden proberen, en ik wilde, zoals altijd, nog wachten. ‘Ik moet je bekennen dat het de laatste tijd niet zo erg goed ging tussen ons. Nou ja, al langer dan een jaar, eigenlijk. En daarom,’ ging ik haastig verder, toen ik mijn vader weer rood zag aanlopen, ‘heb ik besloten dat ik wil scheiden.’

‘O!’ Paps wenkbrauwen schoten omhoog, waardoor hij er ineens niet meer stomverbaasd, maar bijna dolblij uitzag. ‘Echt waar?’ mompelde hij. ‘Nou, Annie, dat noem ik nog eens een verstandige beslissing.’

‘Ik ben ook al bij de advocaat geweest.’

‘O ja?’ Hij gaf me een klopje op de arm. ‘Zo mag ik het horen! Je hebt het er niet bij laten zitten. Smijt die smerige wurm eruit en laat hem teruggaan naar de goot waar hij vandaan komt.’

Hoe kwam het dat het me pijn deed om mijn vader zo over Mark te horen praten, terwijl ik zelf al veel ergere dingen van hem had gedacht? ‘Toe, pap, niet doen. Hij is nog steeds mijn man.’

‘Ja, maar dat zal nu niet lang meer duren, gelukkig. Als je het mij vraagt is het hoog tijd dat je hem dumpt.’ Hij pakte zijn mes en vork op en begon genietend in zijn biefstuk te snijden. Bij het zien van de bloederige vleessappen die over zijn bord liepen, begon hij zowaar grimmig te grijnzen. ‘Ik heb van begin af aan geweten dat hij niet deugde. Heb ik dat niet gezegd toen je hem die eerste keer kwam voorstellen?’

‘Ja, dat heb je.’

‘En nu, slimmerikje, blijkt dat die domme pa van jou al die tijd gelijk heeft gehad. Een lekkere echtgenoot is die Mark voor jou geweest! Niks dan luieren, en zo af en toe eens een riedel op die gitaar van hem spelen, terwijl jij je voor hem te pletter werkte.’ Hij zweeg om op een hap vlees te kauwen, en ik schoof het viskoekje op mijn bord heen en weer. ‘Hoe kun je nu respect hebben voor zo’n man? En hoe kan hij zichzelf respecteren? Dat zou ik wel eens willen weten.’

‘Mark heeft ook gewerkt. Op zijn manier.’

‘Bah! Die man weet nog niet eens wat fatsoenlijk werken is, al zou je hem ermee om de oren slaan!’

Ik zei niets, volstond ermee mijn vork en mes neer te leggen en verdrietig naar mijn bord te staren. Mijn vader snoof als een woedende stier. Sinds de dag dat mijn moeder ons had verlaten, had hij het niet kunnen verdragen mij verdrietig te zien. ‘De hemel sta me bij, als hij jouw hart heeft gebroken, dan breek ik elk bot in zijn lijf!’ brabbelde hij met zijn volle mond.

Ik voelde me nog ellendiger. ‘Je hebt hem nooit gemogen, hè?’ vroeg ik.

Pap haalde zijn schouders op. ‘Wat valt er te mogen? Hij vertoont geen enkel initiatief en hij kan je niet onderhouden. Niet bepaald het type dat de handen uit de mouwen steekt. Toegegeven, hij is altijd heel aardig en zo, en zijn ouders zijn vriendelijke, hardwerkende mensen. Maar de werkgenen zijn aan hem voorbijgegaan. Hij heeft geen pit, Annie, en jij hebt dat wel. Ik ben erg trots op je, weet je dat wel?’

Ja, dat wist ik, maar het deed me altijd weer goed om het van hem te horen. En op dat moment kon mijn zelfvertrouwen daar best nog wel wat meer van gebruiken. Dus ik vroeg: ‘Echt, pap?’

‘Afgestudeerd met een titel – als eerste van de familie. En dan die geweldige baan die je hebt. Je vette salaris. Je eigen huis, dat je helemaal zelf hebt gekocht. En dan zo zelfstandig als je bent. Wat dacht je, en óf ik trots op je ben!’

‘Dank je.’

‘Maar híj – het enige wat hij kan is nemen, nemen en nog eens nemen. Hier, lieverd!’ Hij stak zijn hand in de zak van zijn Aquascutum-colbertje en haalde er een linnen zakdoek uit die tot in de perfectie was gestreken door zijn hulp, die drie keer per week bij hem langskwam. Terwijl ik de tranen wegbette die in mijn ogen waren gesprongen, vervolgde hij: ‘Die dochter van mij, dat is een kei, wist je dat? Ze heeft heel veel meegemaakt, maar ze heeft het ook heel ver geschopt.’ Hij kroelde me onder mijn kin. ‘Ze verdient veel beter dan zo’n veertigjarige halvegare die droomt van een carrière als rockster, maar die, zoals nu blijkt, nog niet eens in staat is zijn pik in zijn broek te houden.’

Nu kon ik de tranen werkelijk niet meer de baas. ‘Ik haat hem, pap!’ riep ik uit. ‘En dan weet je nog niet eens het ergste! Hij probeert me Fluffy af te pakken!’

‘Wat?’

‘Stel je voor! Hij wil de voogdij over Fluffy!’

‘O ja?’ Maar in plaats van dat mijn vader, zoals ik verwacht had, opnieuw in diep verontwaardigde toorn ontstak, leek hij dit laatste beetje nieuws juist amusant te vinden. ‘Dat zou wel eens het enige verstandige idee kunnen zijn dat die rotzak ooit heeft gehad.’ Grinnikend prikte hij een aantal patatjes aan zijn vork.