Hoofdstuk 12
‘Je hebt verkering met een gozer die wát doet?’ riep mijn vader uit, toen ik hem zes weken later onder de zondagse lunch van rosbief en Yorkshirepudding bij Simpson’s-in-the-Strand vertelde van mijn relatie met Mark.
‘Hij is hondenuitlater. Ik bedoel, hij heeft een bedrijfje dat zich bezighoudt met het uitlaten van honden.’
‘En hij heeft zeker een heleboel mensen in dienst, niet?’
‘Nou, ik weet niet hoe veel.’ Mijn vader keek me aan en kneep zijn ogen half dicht. ‘Goed dan, hij doet het alleen,’ gaf ik toe. ‘Maar hij is echt ontzettend aardig, pap. Hij is een geweldig mens.’
Hij stopte een vork vol Yorkshire-pudding in zijn mond en spoelde het weg met een slok Beaujolais. ‘Hij moet wel ontzettend ambitieus zijn om zulk werk te doen.’
Ik legde mijn hand op de zijne. ‘Je hoeft heus niet zo sarcastisch te doen. Mark doet die honden alleen maar als bijbaantje. Hij is een getalenteerd musicus.’
Nu leek mijn vader pas echt goed van streek. ‘Wat voor soort musicus?’ vroeg hij achterdochtig.
‘Nou, eh… rockmuziek,’ zei ik, zo achteloos als ik maar kon.
Pap verstijfde. ‘Zit hij in een groep?’
Nu was het mijn beurt om de wijn te pakken. ‘Nou, dat zát hij. Maar sinds de afgelopen paar weken probeert hij het in zijn eentje te maken.’
‘Dat probéért hij, zeg je? Bedoel je daarmee dat hij geen werk heeft?’
‘Nee!’ Ik nam nog een slok. ‘Hij is eigen baas.’
‘Met andere woorden, werkeloos.’ Wanhopig schudde hij zijn hoofd. ‘Nou, lieverd, je hebt een echte winnaar gekozen. Helemaal het soort man dat ik altijd voor mijn enige dochter had zien zitten – een werkeloze rockmuzikant die honden uitlaat voor de kost! Had je niet iemand kunnen vinden die meer van jouw niveau is, Annie? En dat met al die dure scholen die je hebt gehad, en je studie bedrijfskunde!’
‘Moet je horen, pap. Ik weet niet waarom je zo moeilijk doet over Mark,’ zei ik defensief. ‘Hij komt uit een heel aardige familie, en bovendien heb je hem nog niet eens ontmoet.’
‘Dat hoef ik ook niet,’ zei mijn vader koppig. ‘Ik heb genoeg gehoord. Een rockster, verdomme. Een róckster!’
‘Hij is geen ster.’
‘O, en daar moet ik blij om zijn? Hij gebruikt zeker ook drugs, hè?’
‘Nee, dat doet hij niet!’
‘Hou toch op, Annie. Alle rockmuzikanten gebruiken drugs. Kijk maar naar de Beatles. En dan die gozer die getrouwd is met hoe-heet-ze-ook-alweer.’
Ik legde mijn bestek neer en liet mijn rosbief koud worden. Dat was jammer, want hij was werkelijk verrukkelijk. Maar door die negatieve houding van mijn vader had ik ineens geen honger meer. Ik wou dat ik tot na het toetje had gewacht om hem over Mark te vertellen – ik had appelkruimeltaart met custard op de kaart zien staan, maar daar had ik nu geen zin meer in. ‘Wie is hoe-heet-ze-ook-alweer?’
Hij prikte zijn vork in zijn ovenaardappel en zwaaide ermee in mijn richting. ‘Je weet wel, die van de tv met dat korte zwarte haar en dat mooie koppie.’
‘Daar zijn er zo veel van, pap.’
‘Je weet best wie ik bedoel! Ze hebben hun eigen show! En hij draagt een zonnebril.’
‘Bedoel je The Osbournes?’
Maar mijn vader had al geen interesse meer in rocksterren die drugs gebruikten – hij ging liever door met mij uithoren. ‘Vertel me eens, waarom wil een beeldschone jonge vrouw als jij haar leven vergooien aan zo’n slappe nietsnut als deze gozer?’
Het had geen enkele zin om mijn vader erop te wijzen dat ik, hoewel ik wist hoe ik het beste kon maken van mijn aardige figuur en vierkante gezicht, niet bepaald beeldschoon was en dat ik, met mijn vijfendertig jaar, ook zeker al niet jong meer was. Dus ik zei alleen maar, nogal boos bovendien: ‘Mark is geen nietsnut. Hij is een fantastische componist. En hij is op dit moment toevallig een grote hit aan het schrijven.’
‘Ha! En wie zegt dat, jongedame?’
‘En verder vergooi ik me ook niet aan hem. Alsof ik met hem zou trouwen of zo! We hebben alleen maar een relatie, net als jij en Norma.’
Ik vertelde hem niet hoe innig onze relatie wel niet was. Ongeveer een maand na onze eerste kus was Mark bij mij ingetrokken. Het was geen ingrijpende beslissing geweest, het was gewoon gebeurd. Het leek zinloos om hem ’s avonds naar huis te laten gaan als hij de volgende ochtend om halfnegen toch weer bij mij moest zijn om Fluffy voor zijn ochtendwandeling te halen. En daarbij was het koud en nat buiten. Het werd pas zo rond acht uur licht en om vijf uur was het alweer donker. De nachten leken eindeloos en aangezien we het grootste gedeelte ervan in bed doorbrachten – de liefde bedrijvend, of met het eten van alle zaligheden die Mark had gekookt, of lekker dicht tegen elkaar aan om naar dvd’s met oude zwart-witfilms te kijken – kwam ons dat uitstekend van pas.
Clarissa wist ook al van onze relatie. Ik had haar erover verteld toen we op een avond na het werk samen snel iets hadden gedronken in een tapasbar in Upper Street. Ook haar reactie was ongewoon sceptisch geweest. Sterker nog, ze was duidelijk bezorgd geweest toen ik haar alles had verteld. Ze nam een grote slok van haar Sauvignon Blanc. ‘Lieverd, dat is geweldig, maar…’
Mijn hand met een gevulde olijf verstijfde halverwege mijn mond. ‘Maar wat?’
‘Is het niet een beetje te snel, om Mark nu al bij je in te laten trekken?’ vroeg ze.
‘Nou, lieverd, jullie gaan nog maar een paar weken met elkaar om.’
Ik legde de olijf terug op het schoteltje. ‘Clarissa, we kennen elkaar al eeuwen!’
‘Mmm… niet echt. Nee.’ Ze stak een cocktailprikkertje in een inktvisring. ‘Jullie kennen elkaar nog maar nauwelijks – en zeker niet lang genoeg om nu al te kunnen weten dat je je leven met elkaar wilt delen.’
‘Nou, dat weet ik wel. En Mark weet het ook. We houden van elkaar.’
Tijdens het kauwen had Clarissa me schattend opgenomen. ‘Annie, jij en Mark weten zo goed als niets van elkaar.’
‘Dat is niet waar!’ protesteerde ik. ‘We kennen elkaar al sinds juli, weet je nog? En daarbij woont hij eigenlijk al min of meer bij mij sinds de eerste keer dat we met elkaar naar bed zijn geweest. Ik bedoel, voor die tijd paste hij al op Fluffy en werkte hij bij mij thuis, en zijn gitaren stonden er al, en zijn keyboard en zijn computer. En aangezien we elkaar afgezien van ’s zondags alleen ’s avonds konden zien, bleef hij toch al elke avond slapen. Het enige verschil is dat hij nu officieel bij me woont. Én hij heeft een elektrische espressomachine voor me gekocht! Is dat niet geweldig? O, Clarissa, ik ben zo onbeschrijfelijk gelukkig!’ besloot ik, waarna ik die olijf ten slotte in mijn mond stopte.
‘Dat is heerlijk voor je, lieverd.’ Haar glimlach was niet overtuigend, en even later begon ze opnieuw met: ‘Maar…’
Ik zuchtte. ‘Maar wat?’
‘Moet je horen, ik ben blij voor je dat je het zo naar je zin hebt met Mark. Echt, dat meen ik. Maar waarom heb je zo’n haast? Het lijkt me echt niet zo verstandig dat hij nu al zijn flat opgeeft en bij je intrekt.’
‘Nou, we hebben het gedaan, dus dat is nu niet relevant meer. En daarbij, we willen zo veel mogelijk samen zijn. Het leek ook zonde van het geld als hij zijn huur moet blijven betalen wanneer hij toch nooit thuis is. Om nog maar te zwijgen over al het geld dat hij met dat heen en weer rijden aan benzine kwijt zou zijn.’ Met een geïrriteerd gevoel dronk ik mijn glas leeg en gebaarde de kelner dat ik de rekening wilde hebben. ‘Luister, ik moet weg. Mark heeft het eten vast al klaar en ik weet zeker dat hij zich afvraagt waar ik zo lang blijf.’
Wat hadden Clarissa en mijn vader toch? Ze zeurden me al sinds jaren aan het hoofd dat ik niet zo pietluttig moest zijn en gewoon een aardige partner moest zoeken. In die tijd had ik zo goed als niemand ontmoet die ik aardig vond. En nu ik uiteindelijk verliefd was geworden op een ongelooflijk aardige man – nu Mark mijn saaie, grauwe en eenzame bestaan was binnengewandeld en het als bij toverslag had veranderd in een heerlijk, flonkerend, blij en met heerlijk voedsel gevuld wintersprookjesland – hielden ze maar niet op me te zeggen dat ik toch vooral voorzichtig moest zijn.
Voorzichtig zijn was wel het laatste waar ik in die eerste paar bedwelmende maanden aan wilde denken. Ik kon mijn geluk gewoon niet op. Het ene moment was ik single en het volgende speelden Mark en Fluffy een rol in mijn leven. En tegen Kerstmis had ik het gevoel dat we voor eeuwig een gezinnetje zouden zijn en was ik ervan overtuigd dat mijn leven het hoogtepunt van geluk had bereikt. Maar Mark had een verrassing voor mij.
Dat jaar was pap met Norma en haar twee zoons voor de feestdagen naar Parijs gegaan. Hij had natuurlijk gevraagd of ik mee wilde, maar ik bleef liever bij Mark. We hadden achtenveertig uur helemaal voor onszelf en op kerstochtend stonden we laat op, maakten onze cadeautjes open, deelden onze porties fazant met Fluffy en reden toen met het busje van Wag the Dog naar Hampstead Heath voor wat, vanaf die dag, onze traditionele kerstwandeling zou worden.
De loodgrijze hemel voorspelde regen en er stond een ijzige oostenwind. Toen we Fluffy loslieten, dook hij een bosje achter Parliament Hill in, en hoe we hem ook riepen, hij kwam niet terug. Tegen de tijd dat we hem ten slotte, onder de modder en met zijn kop in een vossenhol, vonden, was het al bijna donker. Ik bibberde zo erg dat ik ervan klappertandde en mijn handen waren ijsklompjes in de Miu Miu-handschoenen waar Mark zijn volledige maandsalaris aan had uitgegeven.
‘Je hebt het koud omdat je geen behoorlijke kleren aanhebt,’ zei hij, terwijl hij me de handschoenen uittrok en mijn bevroren vingers warm blies.
Ik moest lachen. ‘Je klinkt net als mijn juf van school, vroeger. Ze zei altijd: “Koud weer bestaat niet, het is gewoon een kwestie van verkeerde kleren.”’
‘Nou, ze had helemaal gelijk. Wat jij nodig hebt, is thermoondergoed – mmm, sexy! – en een behoorlijk jack, in plaats van dat miezerige jasje dat je nu aanhebt.’
‘Het is helemaal geen miezerig jasje! Het is een MaxMara!’
‘Dat kan wel zijn, maar het is veel te kort,’ zei Mark. ‘Het laat je middel bloot. Geen wonder dat je zo staat te rillen. Kom op, wie het eerste boven op Parliament Hill is. Daar zul je wel weer lekker warm van worden.’
Ik deed mijn best om het van hem te winnen, de steile helling op, op mijn zwart suède enkellaarsjes met een klein hakje, maar ik zakte weg in de modder en hij en Fluffy waren veel sneller dan ik. Ik hijgde en pufte de laatste meters achter hen aan. Mark, die op het hoogste punt was aangekomen – zijn gestalte stak af tegen het bijna donkere panorama van de stad en zijn wilde haren wapperden in de wind – bleef met gespreide armen op me staan wachten. Toen ik bij hem was gekomen, trok hij me tegen zich aan en sloeg de voorpanden van zijn anorak om me heen. Fluffy rende, tegen de wind in blaffend, als een gek in kringetjes om ons heen.
‘Dit is een heerlijke manier om Kerstmis te vieren,’ zei Mark, terwijl hij een kusje op het puntje van mijn ijskoude neus drukte.
‘Volmaakt,’ was ik het met hem eens, en ik nestelde me tegen hem aan.
‘Ik ben zo gelukkig met jou, Annie,’ fluisterde hij.
‘Echt?’
‘Nee, ik lieg. Weet je,’ vervolgde hij op dromerige toon, ‘ik wil echt dat we voor altijd samen blijven.’
‘Ja?’
‘Ja.’ En na enkele seconden voegde hij eraan toe: ‘Voor altijd.’ ‘Dat is een lange tijd.’
‘Niet als je het naar je zin hebt. En we hebben het naar onze zin, of niet soms?’ Ik knikte. Toen zei Mark: ‘Ik zou samen met jou oud willen worden, Annie. We zouden samen puppy’s kunnen krijgen. En misschien ook wel baby’s.’
‘Puppy’s ja. Maar baby’s? Daar moet ik eerst nog eens even over denken!’ zei ik luchtig en ik kuste hem op de mond.
Hij keek op me neer. ‘Ik weet best dat ik niet echt de hoofdprijs ben voor iemand zoals jij, maar…’ Hij aarzelde. ‘Zou je… Ik bedoel, ik zou echt willen dat dit een succes werd, weet je. Dus… Wil je met me trouwen, Annie Osborne?’
En dat was een vraag waar ik maar één antwoord op kon geven.