33

Hij mocht het nooit weten, van het kartel

Tunnelhuis

   Calexico, Californië

 

Moore en Ansara reden het tunnelhuis voorbij en parkeerden hun pick-up om de hoek. Voordat ze uitstapten, werd Moore gebeld door Towers. ‘Grote arrestatie bij het huis door politie van Calexico. Mules naar buiten gebracht, samen met volgens de spotters een enorme hoeveelheid drugs. Dit bevestigt Ruebens berichten. We proberen meer te weten te komen, maar de lokale politie ontkent elke betrokkenheid. Proberen de voertuigen op te sporen, maar ze zijn allemaal verdwenen. Of de politie van Calexico werkt samen met het kartel of dit is een verdomd ingewikkelde manier om die drugs te stelen.’

   ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zei Moore, ‘maar we gaan op zoek naar die mannen. Hou iedereen maar bij dat huis vandaan. Ik bel je terug.’

   Hij en Ansara slopen om een rij struiken heen en bleven staan naast het huis tegenover het tunnelhuis. Ze verstopten zich achter de palmen. De vrachtwagen van het kartel was achteruit de oprit op gereden en een van de mannen zat in de cabine. De beide andere waren kennelijk naar binnen gegaan.

   Ze zouden het huis aan de achterkant in moeten gaan om te voorkomen dat de man in de vrachtwagen hen zag. Moore gebaarde naar Ansara dat ze moesten wachten. Hij bleef zichzelf eraan herinneren dat ze de opdracht hadden deze mannen en het geldspoor te volgen, en hen niet te onderscheppen, ook al konden hij en Ansara niet wachten dat wel te doen. Dat gold vooral voor Ansara omdat hij geen contact meer had met zijn informant.

   Ze wachtten nog vijf minuten. Toen ging de garagedeur eindelijk open en zagen ze de twee mannen, in het licht van een gloeilamp. Moore zag dat de chauffeur van de karteltruck de achterklep opende. De man in de cabine stapte uit en liep naar de beide andere mannen die de Anvil-dozen in de garage zetten. Zodra de truck helemaal leeg was, trokken ze de klep naar beneden.

   Hoe lang moesten ze blijven wachten? Deze mannen konden niet in één keer al die wapens vervoeren. Vijf minuten? Tien? Het leek alsof de jaloezieën voor alle ramen dicht waren.

   Ansara gebaarde naar Moore: Laten we naar binnen gaan. Moore aarzelde, maar even later knikte hij.

 

Rojas’ herenhuis

   Cuernavaca, Mexico

   90 kilometer ten zuiden van Mexico City

 

Fernando Castillo liep de werkkamer van señor Rojas binnen. De werkkamer was een intimiderend bewijs van de macht van de man, die evenveel invloed op Mexico had als het weer. Op de mensen... de regering... Het enige wat ze konden doen, was zich aanpassen aan hem en aan zijn beslissingen, net als Castillo, hoewel de laatste bijzonder trouw was aan de man die hem van de armoede had gered, hem een ongelooflijk welvarend leven had geschonken en hem met meer waardigheid en respect had behandeld dan zijn eigen familie ooit had gedaan.

   Castillo keek even naar de boekenkasten die minstens zeven meter hoog waren en de hele twaalf meter lange achterwand bedekten. In de schaduw hiervan stond het gigantische mahoniehouten bureau waarop niet minder dan vier flatscreencomputers in een halve cirkel stonden opgesteld. Dit bureau was in feite een cockpit vol informatie voor de man die achterovergeleund in zijn pluchen stoel zat die hij in Parijs had gekocht en een slokje nam van een glas Le Montrachet. Aan de linkerwand van het vertrek hingen verschillende ledtelevisies die permanent waren afgestemd op financiële programma’s vanuit de hele wereld. Castillo had onlangs zelf voor de montage van deze schermen gezorgd en hoewel dat natuurlijk niet bij zijn werk als hoofd beveiliging hoorde, had Rojas hem in de afgelopen jaren dit soort persoonlijke taken en beslissingen heel vaak toevertrouwd, vooral als het om Miguel ging.

   Rojas streek door zijn haar en keek ten slotte op van een van de schermen.

   ‘Wat kan ik voor je doen, Fernando?’

   ‘Sorry dat ik u stoor, señor, maar ik wilde dit graag persoonlijk met u bespreken. Dantes lichaam is nog steeds niet gevonden en zoals u weet, is Pablo ook verdwenen, net als Dantes vriendin, Maria.’

   ‘Ja, dat weet ik. Waar maak je je zo druk over? En waarom val je me lastig met dit soort onbelangrijke zaken? Ik betaal je uitstekend om dit soort dingen te regelen. Zoek hem. Hij weet dat hij mijn zoon niet heeft kunnen beschermen. Hij weet wat de consequenties daarvan zijn.’

   ‘Ja, señor, maar dit is belangrijk en u moet dit weten. We hebben problemen gehad bij de nieuwe tunnel. Er is alweer een zending gestolen.’

   Rojas keek verbaasd op en vroeg fronsend: ‘Zijn we alweer een zending kwijt? Zit je me voor de gek te houden?’

   ‘We zijn alles kwijt. De mules, de politieauto’s, de hele zending.’

   ‘Wacht eens even. Politieauto’s? Waar heb je het over?’

   ‘Onze spotters hebben me verteld dat het leek op een inval in het huis door de lokale politie van Calexico, maar niemand heeft die politiebusjes bij het politiebureau zien aankomen. Die zijn onderweg verdwenen.’

   ‘Dat is belachelijk. Ze hebben de auto’s dus omgewisseld. Wie had opdracht ze te volgen? Ik wil dat hij wordt gedood.’

   Castillo zuchtte. ‘Het wordt nog erger. Pedro Romero, de bouwkundige van ons project... Zijn gezin is vermoord. We vonden hem in het huis en een van de mules in de tunnel. Daar kwam de wapenzending uit Minnesota aan en dat team heeft ze gevonden. Op dit moment vervoeren ze de wapens door de tunnel, maar iemand had de stroom uitgeschakeld.’

   Rojas wreef in zijn ogen, vloekte zacht en vroeg toen: ‘Wat denk jij?’

   Castillo deed zijn ogen dicht en haalde diep adem. ‘Toen u terugkwam vanuit Colombia hebt u me verteld over uw ontmoeting met Samad en wat hij wilde.’

   ‘Nee, dat is onmogelijk,’ zei Rojas snel. ‘Ik heb hem gewaarschuwd. Ze zouden wel heel dom zijn om ons uit te dagen. Dante of Zuniga heeft deze keer van ons gestolen.’

   ‘Señor, het is heel goed mogelijk dat Samad onze tunnel heeft gebruikt om de Verenigde Staten binnen te komen.’

   ‘Dat geloof ik niet.’

   Castillo zei met nadruk: ‘Toen de politie de rugzakken naar buiten bracht, telden de spotters zes extra tassen. De spotters weten zeker dat het niet de gebruikelijke tassen waren en ik weet zeker dat niemand anders die tassen in het huis heeft opgeslagen. Ze moeten door de tunnel zijn gekomen.’

   ‘Ik zal Samad meteen bellen.’

   ‘Als hij het heeft gedaan, zal hij niet opnemen.’

   ‘Dan moet Rahmani dit maar eens uitleggen.’

   ‘En als hij alles ontkent?’

   Rojas stond op en brulde: ‘Dan is alles wat we samen hebben opgebouwd in gevaar!’

   Castillo deinsde achteruit.

   Rojas schrok. ‘Fernando, sorry dat ik tegen je schreeuwde. Het is gewoon... je weet dat ik heb overwogen om een einde aan dit alles te maken. Dat ik hier niets meer mee te maken wilde hebben... en als wat jij nu zegt waar is...’

   ‘Ik begrijp het, señor. Ik zou Rahmani toch maar bellen en hem vertellen dat hij ervoor moet boeten als Samad de Verenigde Staten binnen is gekomen. Elke bedreiging voor het kartel moet teniet worden gedaan.’

   Rojas stond bij zijn bureau, met een lege blik, alsof hij in gedachten boven elke grote Amerikaanse stad een paddenstoelenwolk zag hangen. ‘Onze informanten in Calexico krijgen goed betaald. Schakel ze in. Zoek de chauffeurs van die politieauto’s. Ik wil het heel zeker weten voordat we iets doen. Ben ik duidelijk?’

   ‘Zoals altijd, señor.’

   Castillo verliet de werkkamer. Hij was ook van plan geweest Rojas iets anders te vertellen, maar de man had nu al genoeg aan zijn hoofd. Miguel was aan het rondsnuffelen, in het huis en op internet. Het was natuurlijk niet de eerste keer dat hij zijn vader probeerde te bespioneren. Een enkele keer probeerde een journalist señor Rojas in verband te brengen met investeringsfraude of malafide onroerendgoedtransacties of tijdens de verkiezingen zelfs te beschuldigen van geknoei met de uitslag, en hoewel Miguel altijd vierkant achter zijn vader stond, wist Castillo dat de jongeman nog altijd twijfels had. De recente aanslag op zijn vaders leven had zijn nieuwsgierigheid waarschijnlijk weer opgewekt. Castillo zou weer eens een lang gesprek met Miguel voeren om zijn verdenkingen de kop in te drukken. Wat dit betreft was señor Rojas heel duidelijk geweest: Hij mocht het nooit weten, van het kartel.

 

Tunnelhuis

   Calexico, Californië

 

Moores zintuigen waren al binnen toen hij de achterdeur zo geluidloos mogelijk opende en een klein washok binnenstapte. Daarachter was een smalle gang met twee slaapkamerdeuren en een derde deur verderop. Ansara liep voorop met getrokken pistool en liep linksaf een andere gang in, in de richting van de garagedeur. Ondertussen zocht Moore in de eerste twee slaapkamers naar de ingang van de tunnel. Er stonden alleen wat bij elkaar geraapt goedkoop meubilair en rechtop staande matrassen op de smerige vloerbedekking. Toen hij weer in de gang stond, zag hij Ansara die zei: ‘Tot nu toe hebben ze de helft van de dozen verplaatst. Ze komen dus terug voor de rest.’

   Hij was nog niet uitgesproken toen ze in een van de slaapkamers voetstappen hoorden.

   Ze gingen snel naar een andere slaapkamer en bleven achter de deur staan. Ze durfden amper adem te halen, terwijl de mannen door de hal naar de garagedeur liepen. Moore voelde zich heel rustig, hij stond achter de deur naar Ansara te kijken die niet langer zijn adem inhield. Hij zag Ansara’s borstkas op en neer gaan, hoorde zijn ademhaling luider worden. Moore hief zijn hand, als om te zeggen: Stil zijn.

   Ansara knikte snel.

   De mannen kwamen uit de garage met de rest van de dozen en liepen weer terug naar de slaapkamer. Moore fronste toen ze schuifelende voetstappen en het metaal van metalen gespen hoorden.

   Hij hief zijn wijsvinger. Wacht... wacht... Hij pakte zijn smartphone en stuurde een sms naar Towers: in huis, gaan zo tunnel in. wapens gaan erdoor. stand-by...

   Met een kort knikje naar Ansara liet hij weten dat het tijd was om te gaan. Ze liepen voorzichtig de slaapkamer uit naar de andere slaapkamer, waar ze vlak bij de kastdeur een jonge man op zijn rug zagen liggen, zijn overhemd doorweekt van het bloed. Ansara boog zich over hem heen, keek op en fluisterde: ‘Ik ken deze man. Ik bedoel, ik weet wie hij is. Pedro Romero. Hij was de bouwkundige van dit project. Hij had contact met mijn mule.’ Ansara’s gezicht betrok. ‘Man, hier is echt stront aan de knikker. Sinaloa’s... wie weet...’

   Waarom ze de bouwkundige hadden vermoord, wisten ze niet. Terwijl Ansara foto’s van de dode man maakte en die doorstuurde naar Towers, inspecteerde Moore de ingang van de tunnel die zich in de kast bevond. Ze moesten naar binnen via een aluminium ladder die iemand bij de plaatselijke bouwmarkt had gekocht voor 89,99 dollar plus btw (het prijskaartje zat er nog op).

   Ansara gebaarde dat hij eerst zou gaan. De ladder protesteerde; Moore schrok ervan. Ansara bereikte ongeveer tweeënhalve meter lager de bodem. Moore volgde en samen liepen ze de tunnel in. Ondanks de nogal ruwe ingang, was de tunnel zelf een bouwkundig meesterwerk. Met de penlights die ze in hun borstzakjes hadden gestoken en met hun pistool in de aanslag liepen ze snel door. Moore klopte tegen een van de geluiddempende panelen, waarna hij nóg meer onder de indruk was. Ze hadden ledlampjes opgehangen, die nu niet brandden, hadden ventilatiebuizen en elektrische bedrading aangebracht, en een soort rioolpijp lag op de grond die niet verhard was maar geveegd en zeer nauwkeurig vlak was gemaakt. Moore kwam tot de conclusie dat deze tunnel een van de meest knappe en complexe smokkelroutes was die ooit door een kartel was gemaakt.

   Voor zich zagen ze opeens een lichtje flikkeren. Ansara bleef heel even staan, omdat hij dacht dat het licht hun kant op kwam. Maar toen ze doorliepen en links afsloegen, zagen ze iets wat volgens Moore een geïmproviseerd kapelletje was in een ondiepe zijtunnel die eindigde bij een muur van houten draagbalken die met aluminium banden aan elkaar waren vastgemaakt. De kaarsen, de kruisen en de foto’s leidden zijn aandacht af van de grond, waar Ansara als eerste het lichaam zag liggen.

   ‘Dit is de jongen,’ zei hij geschrokken, net toen Moore een paar sporen in de aarden vloer zag die waren gemaakt door de hakken van de schoenen van iemand die hem achter zich aan sleepte.

   Ansara knielde en scheen met zijn zaklampje in de ogen van de jongen. Verdomme, wat was deze mule jong! Steekwonden. Op slag dood.

   Opeens legde Ansara zijn oor bij de mond van de jongen. ‘Shit, hij ademt nog!’

   ‘Ja, maar buddy, we kunnen hier niet blijven,’ zei Moore. ‘Ze zijn misschien al weg. En het enige wat we hebben is het mobieltje van die ene vent. Als hij hem uitzet, zijn we de klos.’

   Ansara knikte, keek toen naar Rueben. ‘Ik weet het, ik weet het, maar luister, hij probeert iets te zeggen. Wie heeft dit gedaan, Rueben? Wie heeft dit gedaan?’

   Moore ging achter Ansara staan en zag dat de jongen, met zijn ogen half dichtgeknepen, zijn mond bewoog maar de woorden niet kon uitspreken.

   ‘Volhouden, knul,’ zei Moore. ‘We komen je later halen, dat beloof ik je.’

   De jongen stak zijn hand uit en greep Moores pols.

   ‘Rustig maar, span je niet in,’ zei Ansara. ‘Maak je geen zorgen.’

   Moore trok zijn pols los en liep weg. Toen hij achteromkeek, zag hij dat Ansara vlak achter hem liep, maar zijn blik was glazig, zijn ademhaling ging nu zelfs nog moeizamer. Ansara voelde zich schuldig, dat was hem aan te zien, en Moore wist precies hoe hij zich voelde.

 

Inwendig schreeuwde Rueben, maar hij had niet genoeg kracht om die gedachten om te zetten in geluiden die de fbi-agent kon begrijpen: Pedro werd gechanteerd. Er kwamen Arabieren door de tunnel! Terroristen! Zij hebben me gestoken! Zij hebben me gestoken! Nu zijn ze in de Verenigde Staten. Ze hebben het gered. Laat me hier niet achter. Ik ga dood.

   Die gedachten waren te snel, te chaotisch, te veranderlijk, zodat hij zijn aandacht er niet bij kon houden. Hij hoorde Ansara tegen zijn moeder zeggen dat hij was vermoord.

   ‘Ik vind het zo erg van uw zoon.’

   Zijn dood op zich zou al een schok zijn, maar als ze ook hoorden dat hij betrokken was bij een drugskartel en bij de fbi? Hij betwijfelde of zijn moeder die informatie wel aankon. En dat was het enige waar hij nu aan kon denken, hij merkte niet eens dat hij niet meer ademde en dat de kaarsen nu uit waren.

 

De man die hem belde, had zijn naam niet genoemd, maar Jose begreep heel goed wat er gebeurde en uit de plotselinge komst van vier extra auto’s en minstens twaalf sicarios leidde hij af dat deze vent, wie hij ook was, connecties had en dat Jose maar beter kon doen wat hij zei.

   ‘Maar vergeet niet,’ zei Jose tegen hem. ‘Ik ben El Jefe. Corrales is nu weg.’

   ‘Ja, oké, knul, prima. Nu doe je precies wat ik zeg. Jij zit in de bouwkeet, nietwaar? Zie je de brandkast onder het bureau?’

   ‘Ja, ik zie hem.’

   ‘Loop ernaartoe. Zet hem aan. Typ 43678009 en sluit af met een hekje. Begrepen?’

   Jose deed wat hem werd gezegd, typte een verkeerd cijfer in, moest de juiste getallen weer vragen, deed het eindelijk goed en hoorde een klikje. De kluis ging open en hij keek verbijsterd naar de inhoud in het licht van zijn mobieltje. De bovenste plank lag boordevol stapels Amerikaanse dollars in briefjes van twintig en vijftig. Hij begon ze in de zakken van zijn leren regenjas te proppen, de jas die hij had gekocht nadat hij had gezien hoe cool Corrales er in zijn regenjas uitzag.

   ‘Ben je het geld al aan het stelen?’

   Jose rilde. ‘Ik heb het geld niet aangeraakt.’

   ‘Oké, ik geloof je,’ zei de man snuivend. ‘Zie je de walkietalkie liggen?’

   ‘Ja.’

   ‘Dat is geen walkietalkie. Zodra de wapenteams de wapens door de tunnel hebben gebracht, stuur je ze terug de tunnel in. Daarna breng je de boel tot ontploffing als zij nog binnen zijn. Je hoeft hem alleen maar aan te zetten en op de rode knop te drukken. Wil je dat voor me doen, Jose? Ben je daar slim genoeg voor? Want als dat zo is, mag je al dat geld houden.’

   ‘Ik regel het. Maar wie ben je?’

   ‘Ik ben Fernando. Ik ben je baas. Ik werk voor Los Caballeros. En jij bent een heer, net als ik. Dat is alles.’

 

Aan het einde van de tunnel was een houten trap gemaakt van regels met een doorsnede van een halve bij een centimeter en multiplex; daar hielden ook de geluidsisolerende panelen op en liep de vloer ongeveer zestig centimeter omhoog. Van boven kwam een zwak licht, van zaklampen of van iets anders. Moore dacht dat hij stemmen hoorde, vaag maar toch, en het geluid van een metalen roldeur die geopend werd.

   Moore hield zijn adem weer in en liep, met Ansara op zijn hielen, langzaam de trap op. Hij keek over de rand, die de vloer bleek te zijn, en zag dat de ingang van de tunnel zich bevond in een soort technische ruimte, met pompen, bouwmaterialen en gereedschap. Door de geopende deur zag hij een groot pakhuis dat minstens zes meter hoog was. Aan weerszijden stonden pallets met bouwmaterialen − betonnen bouwblokken, zakken cement, stapels betonijzer − maar recht voor hem stond een groepje mannen rondom de Anvil-dozen met de wapens. Ze waren de dozen in de laadbak van een Ford Explorer aan het laden.

   Moore draaide zich om naar Ansara en gebaarde dat hij moest blijven waar hij was. Maar toen hij zich weer omdraaide en zijn hoofd wat hoger hield om de boel iets beter te kunnen zien, draaide een vent met een sikje en brede bakkebaarden zich ineens om...

   ‘Hé, verdomme!’ riep hij toen hij Moore zag. ‘Wie bén jij?’

   ‘We horen bij die mannen,’ zei Moore snel.

   ‘Onzin!’ De man draaide zich om naar de anderen. ‘Jose!’

   Op dat moment begon Moores telefoon te vibreren en Ansara riep: ‘Towers belde. Buiten staat een grote groep!’

   Moore vuurde twee kogels in de rug van de man die Jose had geroepen en draaide zich toen om naar Ansara. ‘Rennen!’

 

Jose rende bij de groep mannen vandaan toen zijn man Tito tegen zijn buik aan viel. Hij kon niet zien wie op zijn man had geschoten, maar hij dacht dat het iemand was die uit de tunnel was gekomen.

   Hij begon te rennen en schreeuwde naar de drie mannen die de wapens hadden gebracht, daarna rende hij de technische ruimte in en liep achter de pompen langs naar de ingang van de tunnel. De anderen kwamen hijgend achter hem aan.

   Jose gebaarde met zijn pistool. ‘Ga naar beneden. Doorzoek de boel. Ik wil die klootzak hebben die dit heeft gedaan.’

   Alle drie de mannen waren gewapend met een mata policía en stommelden de trap af.

   Met bonzend hart rende Jose terug naar de anderen en schreeuwde dat ze moesten opschieten met het inladen van de wapens en dat hij binnen een minuutje bij hen was.

   Rustig ademhalen, zei hij tegen zichzelf, toen hij een eindje bij de suv vandaan met zijn rug naar zijn mannen ging staan. Hij haalde de detonator uit zijn zak en zette hem aan. Het groene lampje verlichtte zijn gezicht en een paar seconden keek hij ernaar, gehypnotiseerd door het licht.

   En toen het wapenteam volgens hem ongeveer driehonderd meter de tunnel in was, grinnikte hij, dronken van de gedachte dat hij nu de macht in handen had.

 

Rojas’ herenhuis

   Cuernavaca, Mexico

   90 kilometer ten zuiden van Mexico City

 

Sonia bleef bij de deur staan, terwijl Miguel de werkkamer binnenliep en zijn keel schraapte. Zijn vader zat aan zijn bureau, keek op en zei: ‘Miguel, het spijt me, ik moet nog even doorwerken vanavond en heb het nu even heel erg druk. Is er iets mis?’

   ‘Ik wil de kluizen in de kelder zien,’ zei hij abrupt.

   ‘Wat?’

   ‘Neem me nu meteen mee naar de kelder. Laat me zien wat u daar in die kluizen hebt verstopt.’

   Na een tijdje keek zijn vader weer op van zijn computerschermen en vroeg fronsend: ‘Waarom?’

   Miguel kon het niet opbrengen hem de waarheid te vertellen. ‘Ik wil gewoon... Ik ben daar nog nooit geweest. Ik wilde het Sonia laten zien. Maar u hebt daar bewakers, altijd.’

   ‘Goed dan. Laten we nu maar gaan.’

   ‘Meent u dat? U zegt altijd nee. Hoe vaak heb ik het u al niet gevraagd? Al minstens twintig keer?’

   ‘Oké, ik laat het je nu wel zien.’ Hij stond op, liep met grote passen langs Miguel, trok de deur open en maakte Sonia aan het schrikken die net een sms naar haar vader stuurde.

   ‘Wil jij soms ook een rondleiding?’ snauwde Miguels vader.

   ‘Het spijt me, señor. We wilden u niet storen.’

   Zijn vader hief zijn hand en stormde de gang door.

   Miguel keek Sonia bezorgd aan en rende toen achter zijn vader aan.

   Bij de dubbele deuren voor de brede trap gaf zijn vader de bewaker opdracht de deuren te openen en hen erdoor te laten. ‘Schakel het alarm ook uit,’ zei hij.

   Hij keek even achterom naar Miguel. ‘Ik weet waarom je dit wilt. En je stelt me teleur.’

   Miguel beet op zijn lip en ontweek zijn blik. Zijn vader marcheerde door de deur die de bewaker voor hem openhield, op de voet gevolgd door Miguel en Sonia.

   Er lag een dikke donkerrode loper op de trap die zich bij twee tussenportalen splitste voor ze bij de kelder waren.

   Dankzij de bewegingsmelders sprongen de plafondlampen automatisch aan toen ze over een sierlijk betegelde vloer liepen. Achter hen bevond zich een garage die Miguel ook nog nooit had gezien. Er stonden minstens tien auto’s in en er was een lift om ze naar een oprit te tillen die naar buiten leidde. Miguel vond het grappig en helemaal niet vreemd dat de kelder van hun huis even mooi was ingericht als de rest van het herenhuis.

   Helemaal achterin waren twee kluizen, zoals je ook in een bank wel ziet, naast elkaar. Beide deuren waren gesloten. Zijn vader liep naar een paneel rechts van een van de kluizen. Hij toetste een code in en legde zijn hand op een stukje donker glas. Er scheen een lichtje in zijn oog, daarna bracht hij zijn hand naar een ander apparaat en stak zijn wijsvinger erin. Een computerstem zei: ‘Test.’ Hij trok zijn vinger terug, waar nu bloeddruppeltjes op zaten, en likte hem af.

   De deur van de kluis klikte een paar keer en ging vervolgens sissend open, alsof hij naar buiten werd geblazen.

   ‘Ga maar naar binnen. Kijk maar rond, terwijl ik de andere openmaak,’ zei zijn vader.

   Miguel knikte naar Sonia en ze stapten door de enorme deur de kluis in die minstens twintig meter lang was en even breed. Honderden kunststukken stonden in rijen op de vloer en op ezels, terwijl er in de achterste hoek minstens twintig, misschien wel dertig handgemaakte meubelstukken stonden: bureaus en ladekasten en kledingkasten, waarvan Miguel zich nu wel herinnerde dat hij die zijn vader ooit had zien kopen, maar ze helemaal was vergeten. Op twee lange tafels lagen geweren, dezelfde als hij verzamelde in het vakantiehuis; andere wapens stonden er nog in hun verpakking naast. Links van hen hingen twintig of meer tapijten die zijn vader ongetwijfeld in Azië had gekocht, de documentatie van elk tapijt was aan een van de hoeken gehecht. In een aantal glazen bakken waarvan de luchtvochtigheid werd gecontroleerd, zagen ze een verzameling van zijn vaders meest zeldzame literatuur uit de periode vóór 1900, eerste edities waarvan Miguel wist dat die een fortuin waard waren.

   Sonia keek verbijsterd naar dit alles, terwijl Miguel zich omdraaide naar de deuropening waar zijn vader nu stond te wachten.

   Zijn vader vroeg op beschuldigende toon: ‘Wat had je verwacht?’

   ‘Ik weet het niet.’

   ‘Je vertrouwt me niet meer, is het wel?’

   ‘Eh... wil je dat ik wegga, zal ik naar de andere kluis gaan?’ vroeg Sonia, die ongemakkelijk van haar ene been op het andere wipte.

   ‘Nee, het is wel goed, blijf maar,’ zei Miguel, iets zelfverzekerder. ‘Ik denk dat het andersom is, dat u mij niet vertrouwt. Als u niets te verbergen had, waarom hebt u me deze kelder dan niet al jaren geleden laten zien?’

   ‘Omdat ik wilde dat je me vertrouwde. Je hebt geen idee hoe belangrijk dat is. Dat moet je niet onderschatten. Wil je de andere kluis ook zien?’

   ‘Is dat meer van hetzelfde?’

   ‘Ik heb nog een huis nodig als ik dit alles wil uitstallen. Je moeder zei altijd dat mijn oog groter was dan mijn maag, en dat geldt dus ook voor mijn aankopen.’

   Miguel realiseerde zich op dat moment dat dit tijdverspilling was. Als zijn vader echt iets voor hem wilde verbergen, zou hij dat openlijk doen. Dan zou hij hebben gezegd: Nee, je mag niet zien wat er in de kluis zit. Toch had hij nog twijfels. ‘Het spijt me.’

   ‘Miguel, ik wil alleen maar het beste voor je. Er is niets illegaals aan wat ik doe. De kranten schrijven alles om de verkoop te stimuleren en advertenties te verkopen. Ze roepen al jaren dat ik een crimineel ben, maar je hebt gezien wat ik in ons land probeer te doen, hoeveel ik terug probeer te geven. Dat is iets waar ik heel erg in geloof. Je moeder heeft me meer dan jij beseft geleerd om mijn hart open te stellen.’

   Miguel keek naar Sonia die haar lippen op elkaar perste en knikte.

   ‘Dan moet ik u iets vragen. Voordat ze Raul vermoordden, smeekte hij hun en zei dat het kartel alles zou willen betalen. Als hij voor ons werkte, waarom zou hij het kartel dan vragen voor hem te betalen?’

   Zijn vader haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet. Fernando neemt veel van die mensen zelf aan. Ik twijfel er niet aan dat sommige vroeger voor het kartel werkten, maar wij hebben hen gered van dat soort leven.’

   Miguel haalde diep adem. ‘Als ik u iets vraag, wilt u me dan beloven dat u me de waarheid vertelt?’

   Zijn vader knikte.

   ‘Doet u zaken met de drugskartels?’

   Zijn vader grijnsde een beetje en ontweek zijn blik. ‘Nee, natuurlijk niet.’

   ‘Goed dan. Het spijt me.’

   Zijn vader liep opeens naar Miguel toe en omhelsde hem stevig. ‘Je bent mijn enige zoon. Je bent alles wat ik heb. Je móét in me geloven.’

 

De leugen veroorzaakte een diepe en afschuwelijke pijn in Rojas’ hart en die pijn bracht hem naar een plaats waar zijn vermoorde broer hem met een vreemde blik aankeek en zijn vrouw roerloos in haar kist lag, haar prachtige huid nu nog bleker en levenlozer. De leugen was de dood.

   Toen hij zijn zoon omhelsde, wilde hij daar weg; hij probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat hij hen beiden, bij wijze van spreken, niet vermoordde door het geheim te bewaren, dat het alleen maar voor Miguels eigen bestwil was.

   Maar de pijn was zo heftig dat hij wilde dat hij Miguel en Sonia nog een keer mee kon nemen naar de kluis, om de goed verborgen paneeldeuren daar te openen en zijn zoon de tweede kluis te laten zien − de kluis in de kluis − waar miljoenen Amerikaanse dollars lagen te wachten om te worden witgewassen...

   Hij zou zijn zonden moeten opbiechten. Miguel zou het niet van iemand anders mogen horen.

   Maar een ander deel van Rojas pleitte hiertegen. Alles moest blijven zoals het was. Zijn vrouw had de lelijke waarheid nooit te horen gekregen en zijn zoon mocht die ook nooit te horen krijgen.

   Rojas liet zijn zoon los en keek hem diep in zijn ogen, terwijl er een rilling door hem heen ging.

   Ja, de leugen was de dood.

 

De ogen van de vijand
titlepage.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_000.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_001.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_002_split_000.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_002_split_001.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_003.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_004.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_005.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_006.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_007.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_008.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_009.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_010.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_011.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_012.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_013.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_014.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_015.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_016.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_017.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_018.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_019.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_020.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_021.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_022.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_023.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_024.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_025.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_026.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_027.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_028.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_029.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_030.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_031.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_032.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_033.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_034.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_035.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_036.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_037.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_038.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_039.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_040.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_041.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_042.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_043.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_044.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_045.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_046.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_047.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_048.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_049.xhtml
De_ogen_van_de_vijand-ebook_split_050.xhtml