6
Het Vers van het Zwaard
District Shawal
Noord-Waziristan
De chief van de Shawal-stammen had een belangrijke vergadering belegd die plaats zou vinden in zijn lemen fort in de Mana Vallei. Mullah Abdul Samad was niet van plan hiernaartoe te gaan. Terwijl de misharans van de stammenleider zich buiten het fort verzamelden, bleef hij op de heuveltop naast een groepje bomen zitten. Hij zat gehurkt, net als zijn twee meest vertrouwde luitenants, Atif Talwar en Wajid Niazi.
Samad had op de tegenoverliggende heuvel beweging gezien. Bij nadere inspectie door zijn kijker zag hij twee mannen, de een had donker haar en een baard, de ander was veel jonger en slanker en had een korte, dunne baard. Ze waren gekleed als stamleden, maar een van hen gebruikte een satelliettelefoon en iets wat volgens Samad weleens een draagbaar gps-apparaat kon zijn.
Talwar en Niazi keken ook naar de twee mannen. Hoewel zijn beide voormannen nog maar in de twintig waren, dus bijna half zo oud als Samad, had hij hen de afgelopen twee jaar getraind en beiden hadden dezelfde mening over hun bezoekers: ze waren verkenners voor de Amerikaanse inlichtingendienst, voor het Pakistaanse leger of zelfs voor een Amerikaanse Special Forces-unit. De domme en slecht getrainde mannen van de chief hadden deze twee niet ontdekt en dus zouden zijn mensen de prijs voor hun onoplettendheid moeten betalen.
De chief hield ervan de regeringsvertegenwoordigers met de tribale gedragscode om de oren te slaan. Hij hield ervan om het leger te bedreigen en te wijzen op de verliezen die het leger in Zuid-Waziristan had geleden als voorbeeld van wat er zou gebeuren als ze hem aanvielen. Hij zei dat de regering moest weten dat zijn mensen hun problemen zouden oplossen met de tribale codes en besturen zoals de jirgas, en dat de regering hem alleen maar hoefde te helpen met de meest basale levensbehoeften en niet met het besturen van het volk. Hij verzekerde hen ervan dat zijn mensen nooit criminelen zouden verbergen, dat er geen ‘vreemdelingen’ in Shawal waren en dat hij zijn mensen en hun land nooit schade zou willen berokkenen. Maar de chief was geen goede leugenaar en Samad zou ervoor zorgen dat hij daarvoor zou sterven... misschien niet vandaag... of morgen... maar snel.
De verkenners verroerden zich niet terwijl ze met hun eigen kijkers de omliggende heuvels inspecteerden. Ze leken vooral belangstelling te hebben voor de lange rijen appelbomen die op de hellingen van de heuvel stonden en de rijen abrikozenbomen daaronder. In een paar van de steilste heuvels die op het dorp uitkeken waren akkers uitgehouwen en bomen geplant die een uitstekende dekking boden. Deze mannen hadden inderdaad een paar bewakers van de chief ontdekt, maar ze schonken amper aandacht aan de spionnen die zich achter hen bevonden. Weer schudde Samad vol afkeer zijn hoofd.
De Amerikaanse en Pakistaanse regering hadden een goede reden om te geloven dat deze stammen taliban- en Al Qaida-strijders verborgen. De stamleden van de Datta Khail en Zakka Khail voelden al eeuwen een diepe loyaliteit met de rebellen, en hun land was een natuurlijk toevluchtsoord voor hen. De huidige chief was geen uitzondering, behalve dan dat de Amerikanen hem erg onder druk zetten. Samad dacht dat het alleen nog maar een kwestie van tijd was voordat de chief onder die druk zou bezwijken en hem en de veertig andere mannen zou verraden die hier aan de Pakistaanse kant van Shawal en ongeveer tien kilometer verderop, binnen de Afghaanse kant van het gebied, trainden.
Na 11 september 2001 was het Pakistaanse leger naar dit gebied getrokken om de grens te verdedigen tegen de soldaten van de Noordelijke Alliantie die vanuit Afghanistan naar het oosten trokken. Hoewel er een confrontatie had kunnen (en volgens Samad had moeten) plaatsvinden, hadden de lokale stammen het leger verwelkomd en controleposten laten plaatsen. In de jaren daarna kregen de stamhoofden hier spijt van, want velen van hen werden vermoord door Amerikaanse drones en daisy cutter-bommen, omdat de Amerikanen dachten dat zich terroristen in het gebied bevonden. De Amerikanen boden vervolgens hun excuses en ontoereikende reparaties aan, maar vermoordden ondertussen in naam van gerechtigheid burgers.
De laatste maanden waren de stamleiders echter verstandig geworden en wezen verzoeken van de Amerikaanse en Pakistaanse regering af. Een paar jaar geleden was er een lashkar gevormd en dit leger had de opdracht alle vluchtelingen en opstandelingen in het district Shawal te arresteren. Nog maar een paar dagen geleden had de chief bericht uit Islamabad gekregen dat de regering niet blij was met het optreden van het lashkar en dat het leger misschien wel met grote aantallen soldaten zou moeten terugkomen om de vluchtelingen uit te roeien. Samad en zijn mensen, samen met hun leider Mullah Omar Rahmani, die op dit moment in het Afghaanse gebied was, hadden een deal gesloten: als het leger terugkeerde, zouden eenheden van de taliban en Al Qaida de stamleden voorzien van wapens en hen helpen tegen eventuele aanvallen. Bovendien had Rahmani de chief ervan verzekerd dat hij goed voor zijn hulp zou worden betaald. Rahmani had geen gebrek aan geld zolang de papavers bleven groeien en de pakjes opium naar het buitenland getransporteerd werden. Hun meest recente deal met het Juárez Cartel uit Mexico hield in dat zij de belangrijkste opiumleverancier naar dat land zouden worden als het kartel in staat zou zijn zijn vijanden te vermorzelen. Hoewel Mexico nooit een van de grootste afnemers van Afghaanse opium was geweest, wilde Rahmani daar verandering in brengen en ervoor zorgen dat zijn product beter kon concurreren met de Zuid-Amerikaanse leveranciers van cocaïne en methamfetamine (crystal meth), die enorme hoeveelheden van die drugs aan de kartels leverden, die dit weer doorverkochten aan Amerikanen.
Samad liet zijn verrekijker zakken. ‘Vanavond zullen ze ons aanvallen,’ zei hij tegen zijn luitenants.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Talwar.
‘Geloof me maar. De verkenners zijn er altijd een paar uur eerder. Dat is alles. Nooit meer. Rahmani zal bellen om ons te waarschuwen.’
‘Wat moeten we doen? Kunnen we de anderen op tijd weg krijgen? Kunnen we vluchten?’ vroeg Niazi.
Samad schudde zijn hoofd en wees naar de lucht. ‘Ze houden ons in de gaten, zoals altijd.’ Hij streek peinzend over zijn lange baard en nog geen minuut later had hij een plan. Hij gebaarde dat ze hier weg moesten, dicht bij de fruitbomen moesten blijven en de bergkam moesten gebruiken om te voorkomen dat de spionnen hen konden zien. Aan de andere kant van de heuvel stond een klein huis met grote omheinde hokken voor geiten, schapen en een stuk of wat koeien. De boer die daar woonde, had Samad al vaak kwaad aangekeken omdat deze zijn troepen naar het dal bracht om te schijfschieten. Dit was een trainingsterrein van de taliban en de boer was zich daar heel goed van bewust. De chief had de boer opdracht gegeven Samad op alle mogelijke manieren te steunen en daar was hij met tegenzin mee akkoord gegaan. Samad had de man nog nooit gesproken, maar Rahmani wel en hij had Samad gewaarschuwd dat deze boer niet kon worden vertrouwd.
In tijden van oorlog moesten mannen worden opgeofferd. Samads vader, een moedjahedienstrijder die tegen de Russen had gevochten, had hem dat verteld op de laatste avond waarop hij de man nog in leven had gezien. Zijn vader was ten strijde getrokken met een AK-47, een kleine versleten rugzak en sandalen die uit elkaar vielen. Hij had zich nog even omgedraaid naar Samad en tegen hem geglimlacht. Hij had een bepaalde gloed in zijn ogen. Samad was enig kind en algauw waren alleen hij en zijn moeder nog over.
Mannen moesten worden opgeofferd. Samad had nog altijd een foto van zijn vader in een vergeeld plastic beschermhoesje. En in eenzame nachten keek hij weleens naar die foto en dan praatte hij tegen zijn vader en vroeg hem of hij trots was op alles wat Samad had bereikt.
Met behulp van verschillende internationale hulporganisaties had Samad in Afghanistan zijn middelbare school kunnen afmaken. Daarna had een andere hulporganisatie ervoor gezorgd dat hij een volledige beurs voor de Middlesex University in Groot-Brittannië kreeg. Daar had hij informatietechnologie gestudeerd en was hij verder politiek geïnteresseerd geraakt. Op deze universiteit had hij kennisgemaakt met jonge leden van de taliban, Al Qaida en Hezbollah. Deze opstandige geesten hielpen zijn jonge ziel ontbranden.
Na zijn afstuderen reisde hij met een paar vrienden naar Zahedan, een stad in het zuidoosten van Iran en strategisch gelegen in het grensgebied van Pakistan, Iran en Afghanistan. Met geld van de drugshandel en met behulp van bomexperts van de Iraanse Revolutionaire Garde richtten ze een werkplaats in waar bommen konden worden gemaakt. Samad had de leiding gekregen over het gebouw en het computersysteem. Ze maakten bommen en verstopten ze in holle betonnen bouwstenen die vervolgens over de grens werden gesmokkeld naar Afgha-nistan en Pakistan. Alle zendingen werden elektronisch getimed, gemarkeerd en gevolgd door de software die Samad had ontwikkeld. Dat was Samads eerste kennismaking met de wereld van het terrorisme.
De jihad is een collectieve verplichting voor alle moslims, maar de betekenis van dat woord wordt alom verkeerd geïnterpreteerd. Zelfs Samad was er niet zeker van geweest, tot hij tijdens het werk in de bommenfabriek de ware betekenis ervan had leren kennen. Sommige godgeleerden beschouwden de jihad als een innerlijke strijd of de verdediging van het geloof tegen critici, of zelfs de verhuizing naar een niet-islamitisch land om de islam te verspreiden. Je vocht op de manier van Allah. Maar was er eigenlijk een andere manier dan de gewelddadige jihad? De ongelovigen moesten uit het heilige land worden verwijderd. Zij moesten worden vernietigd. Zij waren de leiders van onrecht en onderdrukking. Zij waren de ontkenners van de waarheid, zelfs nadat hun dit duidelijk was gemaakt. Zij waren zichzelf al aan het vernietigen en zouden de rest van de wereld ook ten val brengen als ze niet werden tegengehouden.
Een vers uit de Koran lag altijd op het puntje van Samads tong: Verzamel alle mannen en ruiters die je tot je beschikking hebt en jaag de vijanden van Allah angst aan...
En geen enkel volk vertegenwoordigde de vijanden van Allah duidelijker dan de Amerikanen, die verwende, goddeloze consumenten van troep. Amerika, land van ontuchtigen en dikzakken. Amerikanen vormden een bedreiging voor alle mensen in de wereld.
Samad nam zijn luitenants mee naar de boerderij en riep vervolgens tegen de boer dat hij naar buiten moest komen. De man, die alleen woonde nadat zijn vrouw was overleden en zijn twee zonen naar Islamabad waren verhuisd, kwam wankelend door zijn voordeur, steunend op een stok en met zijn blik op Samad gericht.
‘Ik wil je hier niet zien,’ zei hij.
‘Dat weet ik,’ zei Samad en hij liep naar de man toe. Hij knikte nog eens en stak de man met een lang gebogen mes in het hart. Toen de boer achteroverviel, pakte Samad hem vast en droeg hem samen met Talwar en Niazi naar binnen. Ze legden hem op de onverharde vloer waar hij met zijn blik op hen gericht langzaam doodbloedde.
‘Als hij dood is, moeten we zijn lichaam verbergen,’ zei Niazi.
‘Natuurlijk,’ antwoordde Samad.
‘Iemand zal hem missen,’ zei Talwar.
‘We zullen zeggen dat hij is vertrokken om zijn zoons in de stad op te zoeken. Maar dat zeggen we alleen als de stamleden ernaar vragen. Als de Amerikanen of het leger hier komen, dan is dit onze boerderij. Begrepen? Als we nu vluchten, zullen we alleen maar nog meer argwaan wekken.’
Ze knikten.
Buiten vonden ze vlak bij de hokken van de geiten een gat dat de boer gebruikte om de mest in te scheppen. Daar gooiden ze hem in en bedekten hem met nog meer mest. Samad grijnsde. Geen enkele soldaat zou in die mest gaan graven om het lijk van een waardeloze boer te zoeken. Samad trok wat kleren van de oude man aan, daarna gingen ze in de wankele stoelen zitten, maakten thee en wachtten tot het donker werd.
Moore en zijn jonge rekruut Rana hadden drie mannen geobserveerd vlak bij een groepje bomen op de heuvelkam. Maar ze waren te ver verwijderd om hun gezichten te zien, zelfs met hun verrekijkers. Rana dacht dat het talibanstrijders waren, wachtposten langs de buitengrens, en Moore was het met hem eens. Hij en Rana liepen terug over de voet van de bergen en door een ravijn, daarna omhoog van waaruit Moore een telefoontje pleegde met zijn Iridium-satelliettelefoon. Als hij zich te diep in de dalen en ravijnen bevond, werd de ontvangst meestal verstoord, maar op de bergtoppen had hij over het algemeen een uitstekend signaal hoewel hij daar natuurlijk veel gemakkelijker kon worden ontdekt. Hij bereikte de detachementcommandant van een oda-team (Operational Detachment Alpha), een van de Special Forces-elitegroepen van het leger. Als seal had Moore in Afghanistan samengewerkt met deze mannen en hij had veel respect voor ze, ook al werden er heel veel beledigende opmerkingen gemaakt over welke groep de effectiefste en dodelijkste leden had. De onderlinge rivaliteit was zowel gezond als amusant.
‘Ozzy, met Blackbeard,’ zei Moore, die zijn cia-zendercode gebruikte.
‘Wat is er aan de hand, bro?’
De stem aan de andere kant van de lijn was van kapitein Douglas Osbourne, een ontstellend jonge maar buitengewoon slimme operator die met Moore had samengewerkt tijdens verschillende nachtelijke overvallen in Afghanistan die twee high-value targets hadden opgeleverd.
‘We gaan vanavond voor de hattrick.’
Ozzy snoof. ‘Heb je vervolgbare info of alleen maar de gebruikelijke bullshit?’
‘De gebruikelijke bullshit.’
‘Je hebt ze dus niet gezien.’
‘Ze zijn hier. We hebben er al drie.’
‘Wat zijn jullie toch een klojo’s, waarom doen jullie me dit altijd aan?’
Moore grinnikte. ‘Omdat jullie zo dom zijn. Ik heb de namen en foto’s geüpload. Ik wil deze mannen.’
‘Verder nog iets?’
‘Luister, misschien heb je hier wat aan, maar we hebben hier allemaal hulzen gevonden. Dit is zeker weten een recent trainingsterrein. Die slordige klootzakken hebben hun troep niet eens opgeruimd. Ik heb je hier vannacht nodig voor de surpriseparty.’
‘Je weet zeker dat Obi-Wan niet liegt?’
‘Zeker weten.’
‘Nou, holy shit, dan heb je een deal. Je kunt ons verwachten om nul uur dertig, baby. Tot dan.’
‘Oké. En vergeet je handschoenen niet. Je wilt je nagels natuurlijk niet bederven.’
‘Tuurlijk niet.’
Moore grijnsde en verbrak de verbinding.
‘Wat doen we nu?’ vroeg Rana.
‘We zoeken een kleine grot, zetten daar ons kamp op en daarna zul je een helikopter horen aankomen.’
‘Zal hen dat niet wegjagen?’
Moore schudde zijn hoofd. ‘Ze weten dat we hier satellieten en Predators hebben. Ze zullen zich alleen maar ingraven. Let maar op.’
‘Ik ben een beetje bang,’ bekende Rana.
‘Je maakt een grapje zeker? Relax. We hoeven ons geen zorgen te maken.’
Moore wees naar de AK-47 die aan zijn schouder hing en klopte op de oude Russische Makarov in de holster aan zijn zij. Rana had ook een Makarov, en Moore had hem geleerd hoe hij met dit wapen moest schieten en het moest herladen.
Ze ontdekten een ondiepe grot in een van de heuvelhellingen en camoufleerden de ingang een beetje met wat grotere rotsblokken en takken. Daar bleven ze toen het donker werd en Moore begon een beetje te doezelen. Hij merkte twee keer dat hij in slaap viel en vroeg Rana of hij wakker wilde blijven en de wacht wilde houden. Het joch was toch al gespannen en vond het prettig om alert te blijven.
De energiereep die hij eerder had opgegeten, viel niet goed zodat hij levendige dromen had. Hij dreef op een pikzwarte zee in een inktzwarte duisternis en stak opeens zijn hand uit en gilde: ‘laat me niet alleen! laat me niet alleen!’
Hij schrok wakker doordat iets op zijn mond werd gedrukt. Waar wás hij verdomme? Hij voelde niet nat aan. Hij lag te hijgen, kreeg geen lucht en realiseerde zich dat dit kwam doordat iemand zijn hand op zijn mond drukte.
Door de korrelige duisternis zag hij Rana’s wijd open ogen en hoorde hem fluisteren: ‘Waarom schreeuw je zo? Ik ga nergens naartoe. Ik ga echt niet weg. Maar je mag niet schreeuwen.’
Moore knikte heftig en Rana trok langzaam zijn hand terug. Moore beet op zijn lip en probeerde zijn ademhaling in bedwang te krijgen. ‘Oef, sorry, ik had een nachtmerrie.’
‘Je dacht dat ik weg zou gaan.’
‘Dat weet ik niet. Wacht. Hoe laat is het?’
‘Al na middernacht. Bijna nul uur dertig.’
Moore ging rechtop zitten en schakelde zijn satelliettelefoon in. Er was een voicemail: ‘Hé, Blackbeard, waardeloos stuk vreten dat je bent. We stijgen op. eta je achtertuin, twintig minuten.’
Hij deed de telefoon uit. ‘Luister. Hoor je dat?’
Samad werd wakker door een hand op zijn schouder en heel even wist hij niet waar hij was. Toen herinnerde hij zich dat ze in de boerderij waren. Hij lag in het smalle houten bed en ging rechtop zitten. ‘Er komt een helikopter aan,’ zei Talwar.
‘Ga maar weer slapen.’
‘Weet je het zeker?’
‘Ga maar weer slapen. Als ze komen, zullen we kwaad zijn omdat ze ons wakker hebben gemaakt.’
Samad liep naar een kleine tafel en bond een lapje voor zijn ene oog waardoor het leek alsof hij nog maar één oog had; niet ongebruikelijk in dit door oorlog verscheurde deel van het land. Het was een eenvoudige vermomming en in de tijd dat hij bommen maakte, had hij geleerd dat hoe eenvoudiger de bom, het idee, het plan was, hoe groter de kans op succes. Dat die theorie juist was, had hij steeds weer bewezen. Een lapje, een wond, een kwade boer die door domme Amerikanen wakker was gemaakt. Een kwade boer, dat was hij.
Allahu Akbar!
God is groot!
De twaalf mannen van het oda-team lieten zich snel via een touw uit de zwevende helikopter zakken, terwijl een tolk in gesprek was met een paar stamleden die slaperig uit hun huizen waren gestrompeld en hun ogen beschermden tegen de windvlaag die de helikopter veroorzaakte. De tolk praatte luid via de luidspreker van de Black Hawk: ‘We zijn hier om twee mannen te zoeken, dat is alles. Niemand zal gewond raken. Er zal niet worden geschoten. Help ons alstublieft die twee mannen te vinden.’
De tolk herhaalde dit bericht minstens drie keer, terwijl Ozzy’s team de grond bereikte, de een na de ander, en zich vervolgens in paren verspreidde met hun geweer in de aanslag.
De helikopter hing boven een open plek vlak bij een rij huizen, ongeveer tweehonderd meter vanaf de muren van het fort van de chief. Moore trof de jonge Special Forces-commandant en zijn chief warrant officer in een steegje tussen de huizen.
De Black Hawk helde over en verdween in het donker met flitsende navigatielichten. De piloot vloog het toestel terug naar de veilige landingszone een paar kilometer verderop, waar hij zou wachten tot Ozzy hem belde met de opdracht ze op te halen. Het was gewoon te gevaarlijk om de helikopter in het dorp op de grond te zetten en daar te laten staan terwijl het team aan het werk was.
Moore en de beide mannen wachtten tot de helikopter was vertrokken. ‘Herinner je je mijn hulpje nog, Robin?’ vroeg Moore en hij wees met zijn penlight naar Rana.
Ozzy grijnsde. ‘Hoe gaat het, buddy?’
Rana fronste. ‘Mijn naam is Rana, niet Robin.’
‘Dat was een grapje,’ zei Moore. Hij keek naar de chief warrant officer, Bobby Olsen, ook wel bekend als Bob-O, die één blik op Moore wierp en vroeg vervolgens quasichagrijnig: ‘Ben jij die kwal van de cia?’
Elke keer als ze elkaar tegenkwamen, keek Bob-O op dezelfde manier en stelde hij dezelfde vraag. Om de een of andere reden schepte hij er een duivels genoegen in Moore zo vaak hij kon te pesten. Moore stak waarschuwend zijn vinger op en wilde hem net van repliek dienen toen Ozzy zei: ‘Oké, stelletje sukkels, ophouden nu.’
Hij keek Moore vragend aan en zei: ‘Dit is jouw feestje, Blackbeard. Ik hoop dat je gelijk hebt.’
Ozzy’s team was goed getraind in de kunst van het onderhandelen met de stamleden en hun veldwerk had hen in staat gesteld de theorie en verzonnen scenario’s in praktijk te brengen. Ze hadden de taal geleerd, de gewoonten bestudeerd en zelfs weerbestendige spiekbriefjes in hun borstzakjes gestoken voor het geval ze een keer met hun mond vol tanden kwamen te staan. Ze waren, naar hun bescheiden mening, ambassadeurs van de democratie, en hoewel bepaalde mensen dat een domme of waardeloze mening vonden, waren zij het enige contact met de westerse wereld dat veel stamleden ooit zouden hebben.
Moore, Rana, Ozzy en Bob-O wilden net een zandpad met diepe voren naar de lemen huizen oversteken toen ze in de bergen salvo’s van automatische wapens hoorden. Moore hield zijn adem in en Bob-O vloekte.
‘Raceman, wie vuurde die schoten af?’ brulde Ozzy in de microfoon voor zijn mond, terwijl Moore en Rana naast het huis hurkten.
Bob-O vroeg op dat moment via de radio informatie aan de andere teams.
Weer hoorden ze geweervuur, deze keer in een ander ritme en met een andere intensiteit. Ja, het was afkomstig van Ozzy’s mensen die met hun Special Forces Combat Assault Rifles (scar’s) de vijandelijke verrassingsaanval beantwoordden met 5.56 of 7.63-millimeter snipers. Nog twee salvo’s. Een derde. Daarna antwoordden vijf, zes, misschien zeven AK-47’s. Ongeveer zes huizen verderop woedde een vuurgevecht.
Moore luisterde aandachtig. Om een AK-47 af te vuren, moest je het magazijn erin doen, de schakelaar ontgrendelen, de trekker naar achteren trekken en loslaten, richten en vuren. Nogal wat handelingen voor één enkel schot. Maar als je de schakelaar op de middelste stand zette, stond hij op volautomatisch en kon je de trekker vasthouden tot het hele magazijn leeg was. Basale vuurwapenkennis, maar waar het om ging was dit: tijdens elk vuurgevecht luisterde Moore eerst om de locatie van de vijand te weten te komen en pas daarna probeerde hij te ontdekken of de vijand munitie probeerde te besparen. Hij hoorde het elke keer: volautomatisch, wat meestal betekende dat iedere tegenstander verschillende magazijnen tot zijn beschikking had, of enkele schoten, wat er vaak op duidde dat de vijand elke kogel raak wilde schieten. Dit was natuurlijk geen wet van Meden en Perzen, maar meestal had Moore het bij het rechte eind.
Als talibanstrijders hun wapens op volautomatisch hadden staan, moest je je op het ergste voorbereiden, want dan hadden ze meer dan genoeg munitie.
Moore zei tegen Rana: ‘Niets doen. Blijf waar je bent.’
Rana zei: ‘O, maak je maar geen zorgen. Ik ga nergens naartoe.’
‘Neo en Big Dan, jullie gaan naar de heuvels aan de zuidkant. Raceman wordt daar beschoten,’ zei Ozzy en hij keek om de hoek. Daarna gebaarde hij dat Moore en Rana hem moesten volgen. Moore liep door tot hij naast de kapitein stond. ‘Hoe ziet het eruit?’
‘We hebben tot nu toe acht, misschien tien Tango’s. Ik laat een Apache komen om die klojo’s te stoppen.’
Ozzy had het over de AH-64D Apache Longbow, de belangrijkste gevechtshelikopter van het leger, bewapend met een M230-chaingun, Hydra 70 lucht-grondraketten en agm-114 Hellfire- of fim-92 Stinger-raketten. Het silhouet van die helikopter alleen al veroorzaakte gedachten aan een gruwelijke dood bij die talibanstrijders die medestrijders onder het genadeloze vuur verscheurd hadden zien worden.
Ozzy pakte zijn radio en zei tegen de helikopterpiloot dat hij onmiddellijk terug moest keren naar het dorp en zijn chaingun op de opstandelingen moest afvuren.
‘We brengen jullie meteen terug naar de landingszone,’ zei Ozzy.
‘Hoor je dat?’ vroeg Moore aan Rana. ‘We gaan terug. Het komt dus wel goed.’
Rana klemde zijn Makarov tegen zijn borst. ‘Ik vind dit maar niets.’
‘Ik ben bij je, Rana,’ zei Moore. ‘Het komt wel goed.’
Terwijl hij dit zei, keek Moore naar de andere kant van het huis, waar hij net iemand de hoek om zag komen en wiens geweer het maanlicht reflecteerde.
Moore richtte zijn AK-47, zette hem op volautomatisch en schoot vier salvo’s af. De man werd in zijn borst geraakt en viel achterover in het zand.
Terwijl de man viel, kwamen Ozzy en Bob-O onder een kogelregen vanaf de andere kant van het huis aan rennen; minstens drie talibanstrijders openden het vuur en dwongen hen bij de hoek vandaan. Bob-O ging voor Rana staan om hem te beschermen. Moore keek even achterom, draaide zich vervolgens snel om en rende in de richting van Ozzy.
Aan de overkant van de straat stonden twee huizen en daar zag Moore twee geweerlopen flitsen. Een van de mannen bevond zich op het platte dak en verschool zich achter de kuithoge stenen rand. Hij vuurde en trok zich daarna terug achter de stenen rand. Een andere man bevond zich aan de achterkant van het huis, waar een kniehoge muur hem goede dekking bood. De derde stond in het linkerhuis, kroop naar het open raam om te vuren en liet zich dan terugrollen. De drie mannen wisten dat de lemen stenen hen tegen de vijandelijke kogels zouden beschermen.
‘Rana, blijf bij hen,’ zei Moore tegen de jongen. Daarna kroop hij een meter of twee tot hij dicht bij Ozzy was. ‘Hou ze bezig. Ik ga er met een boog omheen. Ik begin met die vent op het dak.’
‘Man, ben je gek?’ vroeg Ozzy. ‘Laat mij ze afmaken.’
Heftig hoofdschuddend zei Moore: ‘Ik wil eentje levend in handen krijgen. Geef me een paar zipper cuffs.’
Ozzy grinnikte ongelovig, maar gaf Moore de plastic boeien.
Moore zei met een knipoog: ‘Ben zo terug.’
‘Hé, Money,’ riep Rana zenuwachtig.
Maar Moore rende de steeg al uit. Omdat hij zelf als een stamlid was gekleed en een van hun wapens bij zich had, zouden ze even aarzelen als ze hem zagen en daar zou hij gebruik van kunnen maken. Hij rende om twee andere huizen heen, stak de zandweg over en kwam weer bij het huis waar een van de talibanstrijders op het dak lag. De man had een wankele houten ladder gebruikt en tijdens het eerstvolgende salvo klom Moore snel naar boven.
Hij kwam boven en kon over de rand kijken waar hij de man in het oog kreeg. Hij sprong op en neer als een doelwit op de schietbaan: hij kwam snel omhoog om te schieten en dook vervolgens snel weer achter de stenen rand. Bob-O en Ozzy schoten hun eigen kogels in de stenen rand, waardoor kleine wolkjes steengruis en stof opdwarrelden.
Omdat de talibanstrijder alleen lette op wat vóór hem gebeurde, merkte hij niet dat Moore naar hem toe kwam. Moore pakte zijn Makarov bij de loop vast, haalde diep adem en sprong naar voren. Hij torende hoog boven zijn tegenstander uit en voerde een ongebruikelijke combinatie uit van Krav Maga en zijn eigen improvisatie. Toen de man achteromkeek omdat hij vanuit zijn ooghoek iets had zien bewegen, landde Moore boven op hem als een soort roofvogel, duwde met zijn knie tegen de rug van de man en zette de loop van zijn geweer in zijn nek, onder en iets voor het oor. Een felle klap tegen de zijkant van de nek veroorzaakt bewusteloosheid door het schokeffect op de halsslagader, de hals-, keel-, nekader en de zwervende zenuw.
De man viel op zijn rug op het dak. Moore maakte de handen van de man op zijn rug vast, boeide zijn voeten en liet hem daar liggen. Als de man bijkwam, zouden ze wel een kopje thee drinken en een gezellig praatje maken. Maar nu klauterde Moore de ladder weer af, terwijl Ozzy en Bob-O de beide andere talibanstrijders beschoten.
Moore liep vlak langs de muur om het volgende huis heen. Hij kwam bij de hoek waar, links van hem en ongeveer tien meter voor hem uit, de tweede talibanstrijder achter de kniehoge muur lag. Hij had een geweer, maar ook een pistool in een zijholster en hij droeg een zware rugzak waarin misschien nog meer magazijnen zaten. Moore vroeg zich af wat hij moest doen. De man leek te ver om hem stilletjes van achteren te kunnen besluipen. En als Moore in de verkeerde hoek naar voren rende, zou hij door Ozzy’s of Bob-O’s kogels geraakt kunnen worden. Uitgeschakeld worden tijdens een moedige actie was één ding, maar uitgeschakeld worden tijdens een roekeloze actie en je door je eigen mensen laten doodschieten was stupiditeit van een niveau dat meestal alleen maar werd vertoond door overspelige politici.
Omdat Moore een AK-47 bij zich had en daarmee zou schieten, dacht de derde talibanstrijder misschien wel dat zijn kameraad aan het schieten was. Maar toen verscheen een zelfs nog betere afleiding: de Apache Longbow begon te dalen, helde over naar rechts en vloog over hen heen. De wind en het gebrul trokken de aandacht van de talibanstrijder, net als het sterke schijnwerperlicht dat het dal verlichtte.
Moore richtte zijn geweer en schoot drie kogels in de rug van de man. Het bloed spatte in het rond. Daarna draaide Moore zich snel om en rende weg langs de muur van het volgende huis, waar de laatste man zich bevond. Moore kroop op handen en voeten onder het zijraam door en kwam zo aan de voorkant van het huis. Bob-O en Ozzy hielden op met schieten, zodat Moore onder het raam kon kruipen van waaruit de derde man aan het schieten was.
Op dat moment hadden ze een granaat kunnen gooien en de man kunnen doden, maar Moore was al vlak bij de opstandeling. Hij rolde op zijn zij en strekte zijn hals zodat hij de loop van het geweer van de man kon zien, boven de vensterbank, binnen handbereik. Moore greep het geweer bij de loop en trok zich hieraan op tot hij op zijn knieën zat. De man begon van schrik te gillen, liet het wapen los en greep naar het pistool in zijn holster.
Tegen de tijd dat hij zijn wapen had losgemaakt, had Moore de AK op de grond gegooid en zijn Makarov gericht. Hij doodde de man met drie kogels. Moore had zijn eigen pistool gebruikt, want een van de oudste gevechtsregels van de oude school luidde dat je alleen in uiterste nood je leven in handen van een vijandelijk wapen mocht leggen.
De Apache vertrok alweer, weggestuurd door Ozzy.
Slechts het wegstervende gedreun van de rotorbladen was nog te horen in de Mana Vallei. Ten slotte begon een hond te blaffen en daarna schreeuwde iemand in de verte. In het Engels.
Moore rende terug naar Ozzy en Bob-O. Overal hing de geur van buskruit en toen Moore op zijn hurken ging zitten, merkte hij dat hij trilde van opwinding.
‘Goed gedaan, kwal,’ zei Bob-O.
‘Ja,’ hijgde Moore. ‘Heb eentje levend te pakken gekregen, op het dak. Die wil ik ondervragen.’
‘Wij hebben nog vier anderen gedood, maar de rest is de bergen in gevlucht,’ zei Ozzy en hij legde één hand op zijn oor om naar de verslagen van zijn mannen te luisteren. ‘We zijn ze kwijt.’
‘Ik wil met Old Man Shah praten, zodat hij me in mijn gezicht kan voorliegen,’ snauwde Moore. Old Man Shah was de chief van het dorp.
‘Ik ook,’ zei Ozzy, en hij ontblootte zijn tanden.
Moore liep naar Rana die nog steeds, met opgetrokken knieën, in de steeg zat. ‘Hé. Gaat het?’
‘Nee.’
‘Het is voorbij, hoor.’ Moore stak zijn hand uit en de jonge man nam hem aan.
Terwijl Ozzy’s team de lijken van de gedode talibanstrijders opruimde (en de gevangene ophaalde die Moore geboeid op het dak had achtergelaten), arriveerden Moore, Ozzy, Bob-O en Rana bij het lemen fort. De rechthoekige gebouwen waren omringd door een ongeveer twee meter hoge stenen muur en een groot houten hek waar nu zes bewakers voor stonden. Ozzy zei tegen een van de bewakers dat de chief van de Shawal-stammen meteen met hen moest praten. De bewaker liep het huis binnen, terwijl Moore en de anderen wachtten.
Chief Habib Shah en een van zijn meest vertrouwde geestelijken, Aiman Salahuddin, stormden het hek door. Shah was een indrukwekkende man van ruim een meter tachtig, hij droeg een grote zwarte tulband en een baard die meer op een bos zwarte draden leek dan op haar. Zijn groene ogen flikkerden in het licht van Ozzy’s zaklamp. De geestelijke was veel ouder, een jaar of zeventig, en had een ivoorwitte baard en een bochel en was amper een meter vijftig. Hij keek hoofdschuddend naar Moore en de anderen alsof hij hen op die manier kon wegjagen.
‘Laat mij het woord maar doen,’ zei Moore tegen Ozzy.
‘Ja, want ik zou hem het liefst verrot schelden.’
‘Hallo, chief,’ zei Moore.
‘Wat doen jullie hier?’ vroeg de chief.
Moore probeerde zijn woede te bedwingen. Dat probeerde hij inderdaad, maar hij slaagde daar niet in. ‘Voordat we werden aangevallen door de taliban, kwamen we hier in vrede, op zoek naar deze twee mannen.’ Moore gaf hem de foto’s.
De chief keek even naar de foto’s en haalde zijn schouders op.
‘Die mannen heb ik nog nooit gezien. Als iemand in dit dorp de taliban helpt, zal hij lijden onder mijn toorn.’
Ozzy snoof. ‘Chief, wist u dat de taliban hier waren?’
‘Natuurlijk niet. Hoe vaak heb ik je dat al niet verteld, kapitein?’
‘Volgens mij is dit de vierde keer. U blijft maar zeggen dat u geen terroristen helpt, maar we blijven hen hier vinden. Dat begrijp ik gewoon niet. Komen ze soms zomaar uit de lucht vallen?’ Ozzy was de ‘kunst’ van het onderhandelen duidelijk even vergeten.
‘Chief, met uw hulp zouden we graag willen doorgaan met onze zoektocht,’ zei Moore. ‘We hebben maar een paar man nodig.’
‘Het spijt me, maar mijn mannen hebben het heel druk met het beschermen van dit dorp.’
‘Kom, we gaan,’ zei Ozzy. Hij draaide zich om en liep weg, met Bob-O achter hem aan.
De geestelijke liep naar Moore toe en zei in het Engels: ‘Ga met je vrienden mee naar huis.’
‘U helpt de verkeerde mensen,’ zei Rana opeens.
Moore keek naar de jongeman en legde een vinger op zijn lippen.
De geestelijke kneep zijn ogen halfdicht en zei tegen Rana: ‘Jonge man, jij bent degene die zich heel erg vergist.’
Ozzy’s Special Forces-team had nog twee uur nodig om het dorp en de omringende boerderijen uit te kammen, maar was steeds bedacht op een nieuwe aanval.
Ondertussen ondervroeg Moore de man die ze gevangen hadden genomen. ‘Ik vraag het je nog een keer, hoe heet je?’
‘Dood me.’
‘Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Heb je deze mannen gezien?’ Hij hield de foto’s omhoog.
‘Dood me.’
En zo ging het maar door, en door en door, tot Moore zo gefrustreerd raakte dat hij het opgaf voordat hij iets zou zeggen wat hij niet moest zeggen. Moores collega’s van de cia zouden het verhoor immers overnemen. Het zou misschien een week of meer kosten om de man te breken.
Toen Ozzy’s team eindelijk weer bij de helikopter kwam, debriefde Moore ze voor hun vertrek.
‘Die boerderij daar,’ zei Moore en hij wees naar het huis op een satellietfoto, ‘ligt behoorlijk afgelegen. Is iemand daar geweest?’
‘Wij,’ zei Bob-O. ‘Oude boer met één oog. Paar zonen. Niet blij ons te zien. Ze leken niet op de beschrijving van jouw mannen.’
‘Dat was het dan,’ zei Ozzy.
Moore schudde zijn hoofd. ‘Mijn mannen zijn hier. Ze zitten waarschijnlijk nu naar ons te kijken.’
‘En wat moeten we daaraan doen?’ vroeg Ozzy met zijn handen in de lucht. ‘We zitten hier tussen een rots en, nou ja, nog een rots. En een paar bergen. En een paar chagrijnige stamleden. En een paar dode talibanstrijders. Zeg maar tegen je mensen thuis dat ze een paar cadeaubonnen naar die lui hier sturen als bedankje voor hun moeite.’
Het verrassingsbezoek was niet helemaal voor niets geweest. Moores bazen hadden zich afgevraagd waar de loyaliteit van de chief tegenwoordig lag, en dat wisten ze nu. Je zou wel gek zijn om te geloven dat niemand in dit deel van Shawal de mannen had gezien naar wie Moore zocht. Ze hadden hen gezien, met hen gepraat, misschien zelfs samen met hen getraind en gegeten. Moore had dit al heel vaak meegemaakt, maar voorlopig kon hij niets anders doen dan de foto’s achterlaten en de chief om hulp vragen.
‘Was deze missie een mislukking?’ vroeg Rana.
‘Geen mislukking,’ antwoordde Moore. ‘We hebben gewoon vertraging opgelopen door onvoorziene weersomstandigheden.’
‘Weersomstandigheden?’
Moore snoof. ‘Ja, een grote strontstorm van stilte.’
Rana schudde zijn hoofd. ‘Ik begrijp niet waarom ze ervoor kiezen de taliban te helpen.’
‘Dat zou je wel moeten. Ze krijgen meer van de taliban dan van wie ook,’ zei Moore tegen de jonge man. ‘Ze zijn opportunisten. Ze moeten wel. Zie maar waar ze wonen.’
‘Denk je dat we die mannen ooit te pakken krijgen?’
‘Echt wel. Dat kost gewoon wat tijd en dat is mijn probleem, snap je?’
‘Misschien heeft Wazir nieuws over je verdwenen vriend.’
Moore slaakte een gefrustreerde zucht. ‘Dat zou fijn zijn. Hoe dan ook, morgenavond ben ik hier weg en ik zou willen dat ik wraak had kunnen nemen voor wat ze de kolonel en zijn gezin hebben aangedaan. Als die mannen zomaar kunnen weglopen, zal dat altijd aan me blijven knagen.’
Ze klommen aan boord van de helikopter en waren nog geen tien minuten later in de lucht.
Al voordat ze in Kabul waren geland, zag Moore dat hij een telefoontje van Slater had gekregen.
De Mexicaanse man op de foto, Tito Llamas, een luitenant in het Juárez Cartel, was gevonden in de kofferbak van een auto met een kogel in zijn hoofd. Ook Khodais bondgenoten die samen met Llamas op de foto stonden waren allemaal vermoord. De enige mannen op die foto die tot nu toe niet dood waren gevonden, waren de taliban. Moore moest zo snel mogelijk terug naar Islamabad.
Hij wilde met de plaatselijke politie over Llamas praten en kijken of hij nog andere aanwijzingen kon ontdekken. Hij dacht dat hij misschien een beetje tijd zou winnen door ‘per ongeluk’ het vliegtuig naar huis te missen.
Hij kwam niet voor de ochtend in de stad en zei tegen Rana dat hij naar huis moest gaan om wat te slapen. Hij ging naar het politiebureau, ontmoette daar een paar rechercheurs en kon Tito Llamas’ lichaam identificeren. Dit kartellid had valse papieren bij zich gehad, onder andere een vals paspoort, en Moore kon de politie deelgenoot maken van de informatie die de Agency over dit kartellid had. De rechercheurs waren hem hier natuurlijk erg dankbaar voor.
Een onverwachte e-mail van de oude Wazir was bijzonder welkom, tot Moore las wat erin stond.
De twee andere talibanstrijders op de foto die Wazir noemde, waren onbelangrijk en in feite Punjabi taliban, zo genoemd omdat ze afkomstig waren uit Zuid-Punjab. Ze waren herkenbaar, doordat ze geen Pastho spraken en traditioneel banden hadden met groeperingen als Jaish-e-Mohammed. De Punjabi taliban opereerden nu vanuit Noord- Waziristan en vochten samen met de Pakistaanse taliban en Al Qaida.
Maar die geschiedenisles was niet het belangrijkste onderdeel van deze e-mail. Wazir had de mannen gevonden, maar ze waren allebei vermoord. Hij zei dat de taliban hun lek had ontdekt en iedereen had vermoord die ermee werd geassocieerd... Behalve Moore natuurlijk, die ongetwijfeld boven aan hun zwarte lijst stond.
Misschien was het tijd om naar huis te gaan.