21
Kogelbestendig
Al Basrah Oil Terminal
Perzische Golf, Irak
19 maart 2003
Terwijl Moore op zijn rug in die plas lag en omhoogkeek in het donker, dacht hij heel even aan het jaar 2003. Toen lag hij ook op zijn rug, maar dan wel op zeven meter diepte, en zag het silhouet van twee gigantische betonnen pijlers die naar boven toe dikker werden, als de gespierde benen van een reus die in kniediep water stond. De veiligheidslichten van het olieplatform veranderden het wateroppervlak in een rimpelende spiegel van geelgerande flitsen die in de verte vervaagden tot een diepblauwe kleur. Binnen die grote oppervlakte zweefden nog vier schaduwen, als een groep walvissen die zacht met de golven meedeinden. Terwijl hij in het water zweefde werd hij overmand door een griezelige kalmte; uit zijn lar v Dräger gesloten-circuit duikuitrusting kwam niet één luchtbelletje. Hij haalde gecontroleerd en ritmisch adem, en verdrong elke gedachte zodat hij zich op de komende taak kon concentreren. Met zijn digitale camera maakte hij perfecte foto’s waarmee hij de positie kon aangeven van de onderwatercamera’s van het platform zelf, die hij en zijn team zorgvuldig hadden ontweken.
Moore, Carmichael en de andere seal’s, verdeeld over twee teams van vier man, waren met een paar Mark 8 mod 1 seal Delivery Vehicles − kleine bemande duikboten − naar het zuidelijke platform van de olieterminal gekomen. Het gevaarte deed denken aan een trampoline die aan tientallen krabachtige poten hoog boven het wateroppervlak was opgehangen. Boven op het gevaarte zaten grote ronddraaiende schotelantennes, plus een geodetisch gewelf en zitjes voor uitkijkposten. Bewakers patrouilleerden aan alle vier de kanten van de boortoren.
‘Geen eer aan te behalen. We gaan ernaartoe en maken foto’s van een Iraaks olieplatform. Jippie.’
Dit was inderdaad een verkenningsoperatie waarbij ze binnen een paar minuten alle benodigde foto’s konden maken, waarna ze een paar flesjes bier konden openen. Terwijl Moore de onderwateropnamen maakte, maakten de drie andere mannen boven water foto’s van alles waar ze maar dichtbij konden komen, en markeerden de positie en routes van de Iraakse patrouilleboten en geschutemplacements op het platform.
Op dat moment lagen er bij het platform vier tankers voor anker die werden volgepompt met olie. Tijdens de briefing had Moore gehoord dat tachtig procent van het Iraakse bruto nationaal product via deze terminal liep, ongeveer anderhalf miljoen vaten per dag. Hierdoor vormde Al Basrah een belangrijke poot van de economie van het land, wat de oorzaak was van een ongebruikelijke aanwezigheid, zoals Carmichael via de radio verkondigde: ‘Team Twee, dit is Mako Twee, luister. De gebruikelijke bewaking is weg. De Revolutionaire Garde bemant de uitkijkposten. Ze hebben grote wapens meegenomen waar ze een beer mee kunnen vellen.’
‘Begrepen,’ antwoordde Moore. ‘Iedereen uitkijken.’
‘Doen we, Mako Eén,’ antwoordde Carmichael.
Moore had Carmichaels team en zijn eigen net opdracht gegeven uit te kijken naar tekenen van onderwaterexplosieven en bewijzen van bommen boven water langs de hele zijkant van het platform. De Iraki’s zouden hun olieterminal liever vernietigen dan in vijandelijke handen laten vallen. Omdat Moore hen kende, dacht hij dat ze C-4 zouden gebruiken, maar misschien waren ze niet zo slim om ervoor te zorgen dat het naar binnen blies, of waren ze misschien niet op de hoogte van het bestaan van expansieproducten als Dexpan waarmee ze op een veel veiliger en beheerstere manier de pijlers van het platform konden breken. Als ze C-4-ladingen onder het wateroppervlak hadden aangebracht, was de kans groot dat ze de paniekknop zouden indrukken en niet alleen het gevaarte zouden vernietigen, maar ook de seal’s die zich in het water bevonden doordat die explosieven naar buiten zouden blazen.
‘Team Twee, dit is Mako Twee weer. Zie tekenen bovenop! Herhaal! Zie tekenen, ladingen aangebracht onder de reling aan de zuid- en oostzijde...’
Maar nu hoorde Moore niet Carmichaels stem, maar die van jtf-leider Towers: ‘Het busje stopt voor de deur! Moore, heb je dit gehoord? Het busje is er!’
Put vlak bij de Bridge of the Americas
Juárez, Mexico
Vandaag
Moore lag nog steeds op zijn rug omhoog te kijken. Towers riep hem nog een keer op en opeens drong de realiteit weer tot Moore door. Hij ging rechtop zitten en rolde naar rechts, en op datzelfde moment scheen iemand met een lamp in zijn ogen en ketste een kogel tegen de wand achter hem waarop stukjes beton onder de bivakmuts tegen zijn nek sloegen. Hij keek door zijn nachtkijker, zag de tweede bewaker ongeveer drie meter vanaf het ronde gat in de wand op zijn hurken zitten, en schoot zonder een moment te aarzelen terug. Hij schoot vier kogels af tot hij een zachte kreet hoorde en een zaklamp over de vloer rolde. Na een blik door zijn kijker wist hij dat de man op zijn buik lag en dat er bloed uit zijn mond kwam. Vloekend draaide Moore zich om en rende naar de ingang. Hij pakte het lichaam van de eerste bewaker en sleepte hem zo snel mogelijk weg, hij hijgde toen hij eindelijk bij de tweede bewaker was en keek om zich heen.
Nee, dit was niet goed: de leiding liep nog ongeveer tien meter door en eindigde bij een dikke stenen muur. Zelfs als hij de beide bewakers helemaal naar het eind zou slepen, zou je ze bij het licht van een zaklamp kunnen zien. Een goede hinderlaag omvatte altijd een plan om het lijk van de bewakers die je had vermoord te verstoppen, en dus besloot Moore dat het op dit moment geen goed plan was.
Toen hij buiten stemmen hoorde, rende hij terug naar het hek in het rooster. Ze waren met het busje naar de put gereden en waren vlak bij het rooster gestopt. Deze mannen waren zelfs nog dommer dan de beide klojo’s die hem vanaf Corrales’ hotel hadden achtervolgd. Of misschien voelden ze zich veilig genoeg om zich zo opvallend te gedragen? Want wie zou hen moeten tegenhouden? De lokale politie? De Feds? Dat ze zo openlijk te werk gingen was verwarrend, maar om zichzelf beter te voelen besloot Moore dat het een stel stommelingen was, en ook al was zijn plan niet bijzonder goed, zou het toch goed genoeg zijn om die stomkoppen hier naar beneden te krijgen.
Hij klom via het hek in het rooster naar buiten en richtte zijn Glock met geluiddemper op de groep. Hij telde zes jonge vrouwen, allemaal Aziatisch, zoals Towers al had gezegd, plus vier jongens die zeker niet ouder waren dan zestien of zeventien. Ze droegen allemaal een zware rugzak, waarschijnlijk boordevol pakjes marihuana en cocaïne.
Twee mannen van halverwege tot eind dertig in een New York Yankees-jasje, hadden een AK-47 bij zich en hielden de groep onder schot. De meisjes en jongens hadden moeite om rechtop te blijven staan op de grasachtige helling. De mannen waren natuurlijk sicarios, hadden dikke wenkbrauwen, allerlei piercings en een permanente chagrijnige blik op hun pokdalige gezicht. Ze hadden de magerste kinderen geselecteerd om door de smalle tunnel te kruipen terwijl ze hun rugzak vol drugs voor zich uit moesten schuiven. Ze konden hun rugzak niet gewoon dragen, dan konden ze er niet doorheen; er was hen een moeilijke doorgang bespaard gebleven, dankzij Moores ingrijpen. Hij had de dossiers van andere tunneloperaties gelezen waarbij gebruik was gemaakt van karretjes op rails (als mijnwagentjes) met touwen eraan waarmee de drugs door de tunnel werden getrokken; hierdoor hoefden er niet eens mules door de smalle doorgang.
‘Wie ben jíj verdomme?’ vroeg de langste van de beide sicarios.
‘Een fan van de Boston Red Sox,’ antwoordde Moore en hij schoot de man in zijn gezicht. Hij voelde zich niet schuldig, aarzelde niet; het was gewoon actie en reactie. Als Moore al iets voelde, was het walging voor deze klojo’s die zo diep waren gezonken. Als je een organisatie hielp die betrokken was bij de onderwerping van andere mensen, boekte je een speciale hotelkamer voor jezelf in de diepste krochten van de hel.
De langere vent had zijn sleutelkaart al door het elektronische slot gehaald en schrok van het schot. De vrouwen begonnen te gillen en de jongens renden terug naar het busje.
Moore richtte zijn Glock op de tweede man die een kamer naast die van zijn makker had gereserveerd.
De man hief zijn pistool.
Moore haalde zijn trekker over.
En de sicario een halve seconde later.
Maar Moore was al weggedoken toen de tweede man opzij viel en in de greppel rolde in de richting van het busje. Hij had een kogel in zijn hoofd gekregen. Towers, die alles kennelijk vanaf de overkant van de greppel kon zien, zei snel via de radio: ‘Zorg ervoor dat de vrouwen de tunnel in gaan. We kunnen ze niet helpen voor ze aan de andere kant zijn. Ik regel alles hier wel en zorg dat die lijken verdwijnen.’
‘Oké,’ kreunde Moore.
‘Leg die rugzakken weer in de bus,’ zei hij tegen de jongens. ‘Nu meteen! Daarna wil ik dat jullie hier terugkomen! Ik ben een goede vent en stuur jullie door de tunnel. Ik ben een goede man. Opschieten!’
Toen de jongens snel naar de bus liepen, pakte Moore de wapens van de twee sicarios, voordat een van zijn gevangenen op datzelfde idee zou komen. De meisjes sprongen snel door het gat in het rooster en klauterden in de storm drain. Ze droegen allemaal dezelfde goedkope tennisschoenen die je bij de supermarkt kon kopen en die ze waarschijnlijk van de sicarios hadden gekregen.
Nadat de rugzakken in het busje waren gelegd, riep Moore tegen de jongens dat ze de meisjes moesten volgen. Hij liep achter ze aan, zwaar bepakt met twee AK’s, extra pistolen en zijn eigen wapens. Zodra iedereen binnen was, pakte Moore een zaklamp van de sicarios en scheen in de tunnel.
Hij keek achterom naar de groep en zei één woord in het Engels: ‘Amerika.’
De meisjes, van wie er nu een paar aan het huilen waren, schudden angstig hun hoofd, maar eentje, de langste en waarschijnlijk de oudste, liep om het groepje heen en kroop de tunnel in. Ze riep iets naar de andere meisjes en haar Chinees klonk als het geratel van een machinegeweer. Toen ze zagen hoe dapper ze was en haar aanmoedigende kreten hoorden, kwamen de anderen ook naar voren, een voor een, en kropen in de krappe tunnel.
‘Als jullie aan de andere kant zijn, worden jullie geholpen. Ik wil niet dat jullie ooit nog eens voor de kartels werken,’ zei Moore tegen de jongens. ‘Wát ze ook zeggen. Wát ze ook doen. Nooit meer voor ze werken. Oké?’
‘Oké, señor,’ zei een jongen. ‘Oké.’
Een minuut later waren ze allemaal in de tunnel verdwenen en had Moore Ansara aan de telefoon. ‘Ze komen jouw kant op, bro. Veel plezier ermee.’
‘Begrepen. We zullen ze rustig aanpakken zodat ze niet terugkrabbelen.’
De meisjes zouden worden vervolgd en teruggestuurd naar China, tenzij een humanitaire organisatie voor hen zou bemiddelen. De jongens zouden zeker worden vervolgd en, als er geen arrestatiebevel voor hen was uitgevaardigd, worden teruggestuurd naar Mexico. Daarom had Moore tegen hen gezegd dat ze niet voor de kartels moesten gaan werken. Het sneue was dat de meesten zijn woorden zouden negeren, vooral zodra ze begrepen hoe alles werkte. Ze zouden het risico weer nemen.
Daarna belde Moore Luis Torres. ‘Ik heb een vroeg verjaardagscadeautje voor je baas.’
‘Hoeveel?’
‘Een bijzonder leuke partij.’
Wat Torres, Zuniga en de rest van het Sinaloa Cartel niet wisten, was dat Moore en Towers elk pakje drugs zouden injecteren met een gps-tracker, zodat wanneer ze de grens over werden gesmokkeld de autoriteiten ze meteen konden lokaliseren en confisqueren. Moores bazen zouden nooit toestaan dat de drugs de VS binnenkwamen zonder dat ze teruggevonden konden worden, wat natuurlijk heel begrijpelijk was. Maar hoe klein de gaatjes van de injectienaald ook waren, Moore wist zeker dat Zuniga en zijn makkers elk pakje aandachtig zouden controleren. Moore en Towers zouden goed moeten kijken waar ze de zenders injecteerden, bijvoorbeeld langs de randen van de tape waarmee de pakjes waren dichtgeplakt.
‘Oké, we kunnen hier weg,’ zei Towers.
Moores telefoon ging weer: Ansara. ‘De eerste meisjes zijn erdoor. Hebben ze vriendelijk opgevangen. Goed werk, baas. Een punt voor het team.’
‘Kerel,’ zei Moore met een vermoeide zucht. ‘We zijn nog maar net begonnen. Het wordt een bijzonder lange nacht.’
‘Maken we ooit een korte nacht mee dan, in onze business?’ vroeg Ansara.
Moore grijnsde en liep snel naar de bus.
Somoza Designs International
Bogotá, Colombia
Voordat Jorge Rojas Bogotá verliet, had hij nog een laatste bezoek ingepland aan zijn oude vriend Felipe Somoza, die had gebeld met de mededeling dat hij een bijzonder cadeau voor Rojas had. Om tien uur ’s ochtends kwam Rojas bij het pand aan, samen met zijn oude studiemaatje Jeff Campbell, die een lucratieve mobiele-telefoniedeal had gesloten met de Colombiaanse regering. Het pand was een blok lang, omvatte een winkel van twee verdiepingen en een inpandig pakhuis. Ze werden begroet door Lucille, een donkerharige vrouw van in de vijftig die al tien jaar als receptioniste bij Somoza werkte. Ze was, net als alle andere werknemers van de man, zeer loyaal en behandelde Somoza meer als een familielid dan als haar baas; ze bracht zijn kleren naar de stomerij, zorgde dat de olie van zijn auto werd ververst en hield zelfs bij wanneer het universiteitsteam van een van zijn drie zoons een voetbalwedstrijd speelde waar hij naartoe moest.
Ze liep voor Rojas en Campbell uit door de winkel en het atelier, waar tientallen vrouwen van achttien tot bijna tachtig in blauwe bedrijfskleding achter een naaimachine zaten en winter-, zomer-, regen-, formele en vrijetijdskleding maakten voor zowel mannen als vrouwen.
Toch maakten ze geen ‘gewone’ kleren.
Somoza stond bekend als de ‘Armored Armani’ en zijn kogelvrije kleding was wereldberoemd. Zijn bedrijf was na 9/11 tot bloei gekomen, doordat hij zich na deze datum had gespecialiseerd in particuliere beveiliging en bodyguardbedrijven. Hij breidde zijn klantenkring uit tot diplomaten, ambassadeurs, prinsen en presidenten van meer dan vijftig landen en was nu de leverancier van individuen en meer dan tweehonderd particuliere beveiligingsbedrijven, maar ook van de lokale politie in heel Amerika. Wat hem onderscheidde van andere fabrikanten van kogelvrije kleding, was zijn aandacht voor comfort en modeontwerp. Hij maakte geen lelijke legerachtige vesten, maar kogelvrije pakken en jurken en zelfs sokken en stropdassen. Hij bezat een boetiek in Mexico City in dezelfde straat als Hugo Boss, Ferrari, bmw en Calvin Klein. Hij was van plan een nieuwe winkel te openen op Rodeo Drive in Beverly Hills, Californië, zodat hij zowel celebrity’s als hun bodyguards kon voorzien van zo ongeveer de stijlvolste ‘veilige’ kleding ter wereld.
De kogelvrije inzetstukken werden zorgvuldig in de kledingstukken verborgen. Elk inzetstuk was gemaakt van vele laagjes polymeren. Ze gebruikten kevlar, Spectra Shield, soms twaron (bijna hetzelfde als kevlar) en Bynema (hetzelfde als Spectra), afhankelijk van het lichaamsgewicht van de drager en de beschikbare materialen. Kevlardraad werd gebruikt voor het aan elkaar naaien van lagen geweven kevlar, terwijl Spectra Shield werd gevoerd en gekoppeld aan kunsthars zoals Kraton voordat het tussen dunne laagjes polyethyleen werd geseald.
‘Oké, Jeff,’ fluisterde Rojas toen ze bij Somoza’s kantoor, achter in de winkel, kwamen. ‘Hij wil een spelletje met ons spelen, en jij moet een beetje meespelen.’
‘Wat bedoel je?’
‘Ik bedoel dat je hem niet mag beledigen. Gewoon doen wat hij zegt, oké?’
‘Jij bent de baas, Jorge.’
Campbell had geen idee wat er zou gebeuren en dat vond Rojas wel grappig.
Somoza stond al bij de deur toen ze eraan kwamen. Hij was net vijftig, zijn dikke bos zwart haar begon een beetje grijs te worden en hij had een indrukwekkend lichaam: bijna een meter negentig lang, brede schouders en een dikke buik die zijn snoepverslaving verraadde. Op zijn brede mahoniehouten bureau stonden dan ook vier grote glazen potten met snoep. Achter hem hing een grote poster met het logo van zijn bedrijf: twee gekruiste zwaarden achter een zwart schild met daarop een zilveren kogel die een combinatie suggereerde van middeleeuwse wapenrusting en moderne technologie.
Somoza droeg een strakke designerjeans en een overhemd met lange mouwen dat flink wat bescherming bood tegen een langeafstandswapen. Hij droeg altijd zijn eigen producten: niets anders...
‘Buenos días, Felipe,’ riep Rojas en hij omhelsde hem. ‘Dit is mijn vriend, Jeff Campbell.’
‘Hola, Jeff. Heel prettig kennis te maken.’
Jeff gaf Somoza een hand. ‘Het is een eer om de beroemde kogelvrije kleermaker te ontmoeten.’
‘Beroemd? Nee,’ zei Somoza. ‘Druk? Jazeker! Kom binnen, heren. Kom binnen.’
Rojas en Campbell gingen zitten in de chique leren stoelen tegenover Somoza’s bureau, terwijl hijzelf even de kamer uitglipte en Lucille opdracht gaf hem het cadeau te brengen. Links van hen hingen tientallen foto’s van Somoza met filmsterren en hoogwaardigheidsbekleders, die allemaal zijn kleding droegen. Toen Rojas naar de foto’s wees, viel Campbells mond open. ‘Wat een bedrijf heeft hij, zeg. Kijk eens naar die sterren!’
Rojas knikte. ‘Voor we vertrekken, zal ik je het pakhuis wel even laten zien. Dit is een bijzonder ambitieus bedrijf. Ik ben ontzettend trots op hem, ik weet nog dat hij hier net mee begon.’
‘Nou, de wereld is veel onveiliger geworden.’
‘Ja, de wereld die we onze kinderen nalaten.’ Rojas slaakte een diepe zucht en draaide zich om toen Somoza de kamer binnenkwam met een zwartleren regenjas.
‘Voor jou, Jorge!’
Rojas stond op en nam de jas aan. ‘Je maakt zeker een grapje? Deze is niet kogelvrij.’ Hij streek over het materiaal en voelde de flexibele inzetstukken. ‘Dit is veel te licht en te dun.’
‘Dat lijkt inderdaad zo, hè?’ beaamde Somoza. ‘Dit is ons nieuwste ontwerp en ik wil dat jij hem krijgt. Het is natuurlijk jouw maat.’
‘Heel erg bedankt.’
‘We hebben hem net laten zien tijdens onze jaarlijkse modeshow in New York.’
‘Wauw, een modeshow in New York voor kogelvrije kleren?’ vroeg Campbell.
‘Dat is heel erg in,’ zei Somoza.
Jorge keek naar Campbell en gaf Somoza een knipoog.
‘Weet je zeker dat het een kogel tegenhoudt?’
Somoza trok een bureaula open, haalde er een .45 kaliber revolver uit en legde hem op zijn bureau.
‘Ho,’ riep Campbell. ‘Wat gaan we nu doen?’
‘We moeten hem uittesten,’ zei Somoza met een duivelse blik in zijn ogen. ‘Jeff, je moet weten dat ik al mijn werknemers deze test laat ondergaan. Je kunt hier niet werken tenzij je bereid bent een van onze producten aan te trekken en een kogel op te vangen. Je moet weten hoe het voelt en je moet vertrouwen hebben in het product en in je werk. Daarom is mijn kwaliteitscontrole ook zo goed: ik schiet op al mijn werknemers.’
Somoza zei dit heel nonchalant en zo cool dat Rojas in de lach schoot. Daarna gaf Rojas de jas aan Campbell. ‘Aantrekken.’
‘Meen je dat?’
‘Het stelt niets voor,’ zei Somoza. ‘Alsjeblieft...’
Campbells blik verstrakte; hij voelde zich klem zitten tussen zijn instinct om Somoza te beledigen en toe te geven aan Rojas’ waarschuwing dat hij het spelletje mee moest spelen. Rojas kende Campbell al heel lang, wist dat hij graag risico’s nam en daarom verbaasde het hem toen hij hem hoorde zeggen: ‘Het spijt me, ik eh... ik verwachtte dit gewoon niet.’
‘Lucille?’ riep Somoza.
Een paar seconden later stond de vrouw al in de deuropening.
‘Heb ik op je geschoten?’ vroeg Somoza.
‘Ja, señor. Twee keer.’
Somoza keek naar Campbell en vroeg: ‘Zie je wel? Deze dame heeft op zich laten schieten. Ben jij daar te bang voor?’
‘Goed dan,’ zei Campbell. Hij stond op en trok de jas uit Rojas’ handen. ‘Ik kan gewoon niet geloven dat ik dit zeg, maar oké dan, schiet maar op me.’
‘Uitstekend!’ riep Somoza. Hij draaide rond met zijn stoel en haalde drie oorbeschermers uit een kast. Zodra Campbell de jas had aangetrokken, knoopte Somoza hem zorgvuldig dicht en plakte een sticker op de linkerkant van de jas, vlak bij de buik.
‘Dus dat is je doel,’ zei Campbell.
‘Ja, dit heb ik nodig, omdat ik niet zo’n goede schutter ben,’ zei Somoza met een stalen gezicht. Rojas grinnikte weer.
‘Ja, lach maar,’ zei Campbell. ‘Jij wordt niet beschoten!’
‘Hij laat heel vaak op zich schieten,’ zei Somoza. ‘Jorge? Hoe vaak heb ik al op jou geschoten?’
‘Vijf keer, volgens mij.’
‘Kijk toch eens. Vijf keer,’ zei Somoza. ‘Dan kun jij heus wel één kogel aan.’
Campbell knikte. ‘Mijn handen trillen. Kijk maar.’ Hij stak zijn handen naar voren, die inderdaad hevig trilden.
‘Het is oké, hoor. Het komt wel goed,’ zei Somoza en hij deed Campbell zijn oorbeschermer op.
Rojas zette zijn eigen op, net als Somoza die vervolgens een kogel uit een la haalde en het wapen laadde. Hij duwde Campbell iets van het bureau af en richtte vervolgens het pistool op Campbells borst.
‘Zo dichtbij? Ben je gek geworden?’ vroeg Campbell.
‘Oké, luister, we doen het als volgt: houd je adem in, dan tel je één, twee, drie, en ik schiet. Snap je? Eén, twee, drie, boem! Oké?’ Somoza praatte nu luider zodat ze hem ondanks hun oorbeschermers toch konden horen.
Campbell slikte en keek met een smekende blik naar Rojas.
‘Kijk me aan,’ zei Somoza. ‘Diep inademen. Klaar?’
‘Eén, twee...’
Boem!
Somoza haalde de trekker over bij twee; dat deed hij altijd bij nieuwelingen omdat die te gespannen zouden raken op het moment waarop ze het schot verwachtten. Hij schoot te vroeg, als de man of vrouw nog ontspannen was.
Campbell boog zich iets naar voren en trok zijn oorbeschermer af, net als de andere mannen. ‘Wauw,’ zei hij hijgend. ‘Je hield me voor de gek! Maar het is oké. Ik heb niets gevoeld, alleen een beetje druk.’
Somoza maakte de knopen van de jas los en trok Campbells overhemd omhoog om te laten zien dat hij niet gewond was. Vervolgens pakte hij de jas en haalde er de geplette loden kogel uit. ‘Kijk eens, een souvenir!’
Campbell pakte het loden kogeltje aan en zei glimlachend: ‘Wat bijzonder.’
En daarna hield hij zijn mond, rende naar de wasbak en kokhalsde.
Op dat moment gooide Somoza zijn hoofd naar achteren en begon te schateren.
Later, tijdens de koffie, sprak Rojas alleen met zijn oude vriend, terwijl Campbell een uitgebreide rondleiding kreeg van Lucille. Rojas vertelde over zijn gevoelens ten opzichte van zijn zoon. Somoza praatte over zijn eigen zonen, die ook te snel opgroeiden en voorbestemd waren om bij hem in de zaak te komen werken.
‘Onze jongens hebben veel met elkaar gemeen,’ zei Rojas. ‘Bevoorrechte kinderen. Hoe moeten we ervoor zorgen dat ze... ik weet niet... normaal blijven?’
‘Dat is heel moeilijk in deze geschifte wereld. We willen ze beschermen, maar er is niets wat jij en ik kunnen doen, behalve hun leren de juiste keuzes te maken. Ik wil dat mijn zonen een kogelvrij pak dragen. Ja, ik kan ze tegen de kogels beschermen, maar niet tegen alle ellende die het leven hen zal aandoen.’
Rojas knikte. ‘Je bent een wijze man, mijn vriend.’
‘En ook knap!’
Ze lachten.
Toen werd Rojas ernstig. ‘Oké, Ballasteros heeft alweer wat problemen gehad en ik wil dat je voor hem en zijn mensen zorgt. Stuur me de rekening maar. Wat ze maar nodig hebben.’
‘Natuurlijk. Prettig zaken met je te doen, zoals altijd. En ik wil de maten van je vriend, señor Campbell. We zullen net zo’n regenjas voor hem maken als jij hebt, omdat hij zo sportief was.’
‘Ik weet zeker dat hij dat heel fijn zal vinden.’
‘Dan nog iets, Jorge.’ Nu werd Somoza ernstig. Gespannen zei hij: ‘Ik heb hier al heel lang over nagedacht. We bevinden ons allebei in een fase van ons leven waarin we ons niet langer met ons bedrijf hoeven te associëren. Mijn bedrijf is legaal en bloeit nu. Natuurlijk zal ik onze vriend Ballasteros helpen, maar voor mij is dit de laatste deal, de laatste connectie. Ik maak me grote zorgen. De puinhoop in Puerto Rico heeft ons allemaal geraakt. Ik wil dat je begrijpt dat ik nog steeds voor je werk, maar ik moet de connecties hier afbreken. Eerlijk gezegd vind ik dat jij je ook zou moeten terugtrekken, Jorge. Draag de boel aan iemand anders over. Het is tijd. Zoals je al zei, is je zoon zich aan het ontwikkelen. Zou jij ook moeten doen.’
Rojas dacht hier even over na. Somoza praatte inderdaad als een oude vriend met hem, en wat hij zei was verstandig. Maar zijn woorden kwamen voort uit angst, Rojas zag die angst weerspiegeld in Somoza’s ogen.
‘Mijn vriend, je mag nooit bang zijn voor iemand. Mensen zullen proberen je te intimideren, maar niemand is beter dan een ander. In dit leven moet je een vechter zijn.’
‘Ja, Jorge, ja. Maar een man moet ook verstandig genoeg zijn om te weten met wie hij gaat vechten. We zijn niet meer jong. Laten de jongens deze strijd maar uitvechten, wij niet. Wij hebben veel te veel te verliezen.’
Rojas stond op. ‘Ik zal er eens over nadenken. Je bent een goede vriend, en ik begrijp wat je bedoelt.’