28
Insomnio
Villas Casa Morada
San Cristóbal de las Casas
Chiapas, Mexico
De lokale politie had het hotel grondig doorzocht op zoek naar Miguel en Sonia. Ze hadden digitale foto’s van hen ontvangen, deze geprint en het personeel en de gasten van het hotel ondervraagd. Dante Corrales zat in een auto aan de overkant en had het allemaal gevolgd. Daarna stuurde hij een van de vier mannen die met Maria waren meegekomen naar binnen om meer te weten te komen.
‘Heb je die vermiste toeristen ook gezien?’ hadden ze hem gevraagd.
‘Nee,’ had Corrales’ man gelogen.
Pablo zat rechts en Maria links van hem, en zijn arm en schouder bonsden toen hij de chauffeur opdracht gaf weg te rijden.
‘Dante, als je niet met Fernando gaat praten, weet ik niet wat ik moet doen. Ze zullen me achtervolgen en vermoorden, net als die mannen.’
‘Ik praat wel met hem,’ loog Corrales. ‘Maak je maar geen zorgen. Fernando heeft nooit contact met hen gehad, dus ik zal alles wel regelen.’
‘Wat ga je doen?’ vroeg Maria.
‘Precies wat ik zei. We krijgen het geld van La Familia en dan bellen we Salou. Hij heeft ze. We krijgen ze terug en dan is alles weer goed.’
‘Hoe ga je dit aan Castillo vertellen?’
‘Daar denk ik nog over na, maar ik weet zeker dat hij zich afvraagt hoe hij het zo heeft kunnen verknallen dat een schutter zo dicht bij de baas heeft kunnen komen.’
De chauffeur, die naar een ochtendnieuwsprogramma luisterde, trapte abrupt op de rem, draaide zich om en zei: ‘Grote schietpartij in San Juan Chamula. Heel stel lijken daar.’
‘Denk je dat zij het waren?’ vroeg Pablo.
Het hart zonk Corrales in de schoenen. Hij keek op zijn horloge. ‘We hebben nog wel tijd om daarachter te komen.’ Tegen de chauffeur zei hij: ‘Breng ons daar naartoe. Nu!’
De situatie had niet verwarrender kunnen zijn. Toen Corrales en zijn mannen in het stadje arriveerden, stuurden ze er een van de mannen naartoe die later verslag kwam doen: er bleken militaire rebellen vermoord te zijn en de politie had het gebied afgezet.
‘Ik heb Raul gezocht, zoals u zei,’ vertelde zijn man. ‘Ze haalden een onthoofd lijk tevoorschijn en de broek was kakikleurig, zoals u zei. Volgens mij was het Raul.’
Corrales klemde zijn kaken op elkaar en toetste een nummer in op zijn mobiele telefoon.
Salou nam niet op en kon net zo goed een van de doden zijn. Waren Castillo’s mannen hier gekomen en hadden zij Salou aangevallen? Zo ja, waarom had hij Corrales dan niet gebeld?
Nu moest Corrales La Familia misschien terugbellen en hun vertellen dat hij de lening niet meer nodig had. Daar zouden ze nog meer van balen dan van zijn eerste telefoontje. Hij móést Castillo aan de telefoon zien te krijgen om in elk geval iets meer over deze toestand te weten te komen.
Maar nu niet. Nog niet. Hij had nog steeds niet bedacht wat hij moest zeggen...
‘Ze verwachten dat we naar het vliegveld gaan,’ zei hij ten slotte tegen zijn mannen. ‘Laten we maken dat we hier wegkomen, ook al moeten we de hele nacht doorrijden. Rijd maar naar het noorden, naar Villahermosa. Daar is een vliegveld dat we in het verleden ook eens hebben gebruikt.’
‘Ik ben bang, Dante,’ zei Maria. ‘Ik ben heel erg bang. Ik wil gewoon naar huis.’
Hij sloeg zijn goede arm om haar heen en fluisterde: ‘Ik weet het, maar ik heb je toch gezegd dat dit allemaal voorbijgaat...’
Corrales’ telefoon ging. Castillo. Hij zou het gesprek moeten aannemen, de waarheid zien te ontdekken en Castillo’s vragen met leugens moeten beantwoorden: zij vielen aan en ik weet niet waarom. In plaats daarvan zorgde hij dat Maria het display niet kon zien en nam niet op.
Hij sloot zijn ogen en liet zijn hoofd tegen de rugleuning rusten.
Die autobranden voor het huis in Chamula deden hem aan iets denken, maar het enige wat Corrales nu wilde, was slapen, hij wilde al zijn problemen wegslapen.
De telefoon ging weer. Castillo. Hij zette hem uit.
Dus iedereen was hier, vanwege een grote vergissing: Corrales had aangenomen dat Salou te geïntimideerd zou zijn om in opstand te komen tegen het machtige Juárez Cartel. Salou zou zich laten bedonderen en geen wraak nemen uit angst voor een reactie. Maar Corrales was geen veteraan en had niet gerekend op de inzet van militairen, een oplossing waar hij nu maar al te zeer bekend mee was.
Tijdens de rit vanaf Chamula zei Miguel tegen Sonia dat ze meteen naar de politie moesten gaan. Maar zij was bang dat de agenten samenspanden met de mannen die hen hadden ontvoerd en ze zei dat ze moesten doen wat hun vaders mannetje had gezegd: naar het vliegveld gaan. Hun kidnappers hadden hun mobiele telefoons afgepakt en daarom vond hij dat ze ergens moesten stoppen om het aan zijn vader te vertellen.
Maar daar wilde Sonia niets van weten. Zij zat achter het stuur en reed op volle snelheid over de smalle weg, dankzij het licht van de koplampen kon ze net zien waar ze reed. Opeens zagen ze een geel bord waarop stond dat ze linksaf moesten naar vliegveld San Cristóbal de las Casas.
Pas toen ze bij de eenvoudige hoofdterminal waren en Sonia de auto geparkeerd had, zei ze weer iets: ‘Oké, we bellen je vader. Volgens mij is het nu wel goed...’
Miguel streek met zijn vingers door zijn haar en wreef in zijn vermoeide ogen. Ze liepen de terminal in en vonden een telefoon, die echter alleen creditcards accepteerde. Ze vloekten en renden naar een winkeltje waar ze voor dertig peso’s een telefoonkaart konden kopen.
Zijn handen trilden toen hij verbinding had met de persoonlijke voicemail van zijn vader. Natuurlijk zou de man niet opnemen, hij zou het nummer immers niet herkennen! Miguel sprak een boodschap in − geëmotioneerd, kort − voldoende om zijn vader te laten weten dat hij nog leefde, en dat hij en Sonia niet gewond waren. Dat hij geen idee had wat er met Corrales en de andere twee mannen was gebeurd, maar dat hij dankbaar was dat de andere mannen van zijn vader waren gekomen, hoewel hij niet begreep waarom ze in hun eentje en zonder begeleiding hadden moeten ontsnappen.
Nadat hij had opgehangen, keek hij Sonia aan en schudde ongelovig zijn hoofd. ‘Jij bent de sterkste vrouw die ik ken. Sterker dan mijn moeder was, en dat wil heel veel zeggen.’
‘Bedoel je te zeggen dat je niet kunt geloven hoe sterk ik ben, ook al ben ik een vrouw?’ Ze trok een wenkbrauw op.
Hij grijnsde. ‘Nee, wat ik bedoel te zeggen is... dankjewel.’ Hij boog zich naar haar toe en kuste haar.
‘Graag gedaan,’ zei ze.
‘Hoe kon je zó rustig blijven? Ik dacht dat ik zou flauwvallen.’
‘Ik geloofde niet dat ze ons wilden vermoorden. We waren te waardevol voor ze, daarom besloot ik sterk te zijn... voor jou.’
‘Maar toch...’
‘Ach, soms ben ik gewoon kwader dan bang.’
‘Ik hoop dat je me dat een keer kunt leren. Dat wil ik graag van je leren.’
Ze haalde diep adem en wendde haar blik af, terwijl haar lippen trilden alsof ze op het punt stond te gaan huilen.
‘Wat is er?’
‘Niets.’
Miguel keek omhoog naar het nieuws op een breedbeeld-tv: ze lieten een groep mensen zien met de tekst eronder:
moordaanslag op jorge rojas.
Hij hapte naar adem.
Rojas’ herenhuis
Cuernavaca, Mexico
90 kilometer ten zuiden van Mexico City
Jorge Rojas had zijn huis laten bouwen in een stad die wereldberoemd was vanwege de taalcursussen Spaans. Cuernavaca was even beroemd om zijn groene parken en tuinen, zijn charmante zocalo, het stadscentrum, met zijn historische koloniale gebouwen en talloze restaurants en straatcafés, en zijn universiteit die vanuit de hele wereld kunstenaars en intellectuelen aantrok. Rojas’ herenhuis − met een oppervlak van 2.500 vierkante meter en gebaseerd op zestiende-eeuwse architectuurontwerpen − keek uit over de stad en was zelfs nóg rijker versierd en nóg gewaagder dan zijn vakantieresidentie in Acapulco. Het bevatte een bibliotheek, huisbioscoop, spelkamer, sportzaal en alle andere voorzieningen die normaal waren in het huis van een man met zijn status. Zijn vrouw had het huis La Casa de la Eterna Primavera genoemd en het, samen met een groep ontwerpers, ingericht. Na haar dood had hij niets veranderd. Deze plek was zijn toevluchtsoord, zijn Shangri-La waar hij elke keer dat hij op reis was naar verlangde. In Cuernavaca was hij omringd door zijn familie en de herinneringen aan zijn geliefde echtgenote. In het verleden had hij weleens maandenlang vanuit dit huis gewerkt en het in die tijd zelden verlaten. Het vakantiehuis in Punta de Mita was een geweldige plek voor feesten en liefdadigheidsevenementen, maar daar voelde hij zich veel minder op zijn gemak.
Op dit moment stond hij in de bibliotheek, vlak bij een van de rolladders voor een wand met meer dan tweeduizend boeken. Hij droeg zijn zijden kamerjas en drukte zijn mobieltje tegen zijn oor; hij luisterde naar de boodschap van zijn zoon. Hij was al een uur aan het ijsberen en had een diep pad gesleten in het bordeauxrode tapijt, en hij was al bijna twee keer zo lang allerlei telefoontjes aan het plegen. Hij wendde zich tot Castillo en viel bijna flauw toen hij zijn voicemail afluisterde. Er was gebeld, door een nummer dat hij niet herkende, terwijl hij telefonisch in gesprek was met een van zijn piloten die had gebeld over een onderhoudsprobleem met een van zijn vliegtuigen. ‘Ze zijn in orde, goddank. Ze zijn gered door onze mannen.’
‘Dat kán niet,’ zei de man. ‘Ons team is daar nog maar net.’
Rojas fronste. ‘Misschien is mijn zoon in de war, maar dat is niet belangrijk. Gelukkig is hij veilig. Stuur het team meteen naar het vliegveld. Ik bel hem nu meteen terug.’
‘Ja, señor.’
Maar Castillo kwam niet in beweging. Hij fronste zijn voorhoofd en dacht ergens diep over na.
‘Wat is er aan de hand, Fernando?’
‘Ik heb geen contact meer met Dante en zijn team. Ik vraag me af of zij misschien hebben geholpen.’
‘Nee, volgens mij zou mijn zoon dat wel hebben gezegd. Hij zei dat ze Dante en zijn team niet meer hadden gezien nadat ze in de stad waren aangekomen, toen het allemaal begon.’
‘Dan klopt er iets niet, señor. Miguel is een slimme vent. Ik denk niet dat hij in de war was.’
‘Nou, ik laat het aan jou over om uit te zoeken wat er is gebeurd. Zorg eerst maar dat je mijn zoon en zijn vriendin ophaalt.’
Rojas keek om toen Alexsi in de deuropening verscheen, buiten adem. ‘Zijn ze gevonden?’
Hij knikte.
Ze rende naar hem toe en liet zich in zijn armen vallen. ‘Goddank...’
dea Office of Diversion Control
San Diego, Californië
Twee dagen later
Moore, Towers en fbi-agent Michael Ansara zaten aan de vergadertafel. Vega was nog steeds aan het werk en bleef in de buurt van inspecteur Gomez, en ze wilden niet het risico lopen haar dekmantel te bederven. Fitzpatricks dood was zorgvuldig geheimgehouden voor de media, en hij werd op dat moment teruggevlogen naar Chicago voor zijn begrafenis. atf-agent Whittaker was nog steeds in Minnesota, maar onderzocht nu een bijzonder verontrustend nieuwtje: een geheime voorraad Amerikaanse wapens was uit Afghanistan gesmokkeld en verkocht aan kartelkopers buiten Minneapolis. De eerste tips leken erop te wijzen dat de voorraad was weggehaald en verkocht door een Amerikaanse Navy seal, en Moore was verbijsterd geweest door dit bericht. Hij wilde het gewoon niet geloven, hij weigerde te erkennen dat een van zijn eigen broeders zo gecorrumpeerd kon zijn. Ansara had alleen maar zijn schouders opgehaald en gezegd: ‘Als ze die jongens zouden betalen voor wat ze waard zijn, zouden ze niet in de verleiding komen om zoiets te doen.’
‘Het gaat niet om het geld,’ zei Moore.
Ansara knikte. ‘Dat zeg ik.’
‘Zeg maar niets. Ik kan het gewoon niet geloven.’
Towers haalde zijn schouders op.
‘Dus wat gaan we doen, baas?’ vroeg Moore, die het graag over iets anders wilde hebben.
Towers keek op van zijn laptop. ‘Onze jongen Corrales is nog steeds niet boven water. En nadat hij bijna was doodgeschoten is Rojas teruggegaan naar zijn herenhuis in Cuernavaca. We hebben laarzen op de grond en ogen in de lucht die deze plek in de gaten houden.’
‘Al nieuws over de schutter?’ vroeg Moore.
‘Nog niet, maar zoals het was uitgevoerd... Ik betwijfel of deze aanslag door een concurrerend kartel is gepleegd. Volgens mij was het gewoon een willekeurige klootzak die een rijke vent wilde vermoorden.’
‘Hoe zit het met de zoon en ons meisje?’
‘Sonia en Miguel zijn hiernaartoe gevlogen door een paar van Rojas’ securityjongens, en ze zijn er allemaal nog steeds, geen verandering.’
‘Al iets van haar gehoord?’
‘Nog niet. De Guatemalanen hebben haar surveillancehorloge en haar telefoon afgepakt, maar ze weet waar de dead drops, de uitwisselplaatsen, zijn en hoe ze ons onopvallend berichten kan sturen. Ze zal nog wel iets van zich laten horen.’
‘Wachten we dus op haar?’ vroeg Moore. ‘Of niet?’
Towers schudde zijn hoofd. ‘We hebben een paar spotters in Sequoia. Het kartel staat op het punt de grootste oogst ooit binnen te halen. Jij gaat daar naartoe en volgt de distributie- en geldsporen, zodat je dus meteen weer teruggaat naar Mexico. Ik wil dat spoor volgen, helemaal tot aan hun sicarios die het geld op bankrekeningen storten en/of het geld via Rojas’ bedrijven witwassen. Dit is een perfecte kans voor ons om dat te doen.’
‘Ik zou ondertussen graag een paar geloofwaardige getuigen oppikken die deze hele zaak zonder dat er maar enige twijfel mogelijk is aan Rojas kunnen ophangen.’
Towers grijnsde. ‘Droom lekker verder, buddy. Ondertussen moeten we deze klootzak vanuit elke mogelijke hoek aanvallen, met Sonia, met de Sinaloa’s, met zijn banden met de federale politie en met het volgen van het geld. En over de Sinaloa’s gesproken...’
Moore snoof en viel hem in de rede. ‘Ik heb Zuniga beloofd dat we iets zouden doen, maar hij begon alleen maar hard te gillen, maakte me duidelijk dat ik zou moeten boeten voor de dood van zijn mannen en dat hij me zolang hij leeft zal achtervolgen.’
‘Dat klinkt goed,’ zei Towers grijnzend. ‘Maar we moeten wel contact met hem houden.’
‘Ik denk dat hij mijn telefoontjes wel zal blijven aannemen, waarschijnlijk vooral uit nieuwsgierigheid.’ Moores stem begon het te begeven; hij had al twee nachten niet kunnen slapen omdat er steeds weer een vertrouwd gezicht in zijn dromen verscheen. ‘Jullie moeten weten dat Fitzpatrick het geweldig heeft gedaan. Echt fantastisch. Zonder hem zou ik hier nu niet zitten.’
Even bleef het stil, zowel Towers als Ansara dacht hier even over na.
Ze gaan altijd dood. Altijd. Er was geen eenvoudige manier om dat te verwerken. Moore hoorde dat gewoon te erkennen en moest daarna doorgaan. Voor de missie. Voor zijn land. Hij had die gelofte gedaan, die eed afgelegd.
‘Zijn gezin wist hoe gevaarlijk zijn werk was,’ zei Towers. ‘Ze zijn er kapot van, maar het verbaasde hen niet.’ Hij klapte zijn laptop dicht en stond op. ‘Goed dan, heren. Jullie moeten naar het noorden, zo snel mogelijk.’
‘Dit ga je leuk vinden, Moore,’ zei Ansara. ‘Ze hebben alles opgetuigd met boobytraps en elektronische surveillance. Volgens mij wordt het een leuk feestje.’ Hij knipoogde.
Moore slaakte een zucht. ‘Kunnen we niet gewoon wat wijn proeven en dan naar huis gaan?’
‘Omweg via Napa, hè?’ vroeg Ansara. ‘Ik denk het niet.’
Schuilplaats van de taliban
De La Fortuna
Mexicali, Mexico
‘Het enige wat we tot nu toe hebben gevonden, is deze flashdrive,’ zei de man tegen Samad. Hij gaf hem de usb-stick met de sleutelring eraan.
Hij heette Felipe. Hij was vijftig jaar en was volgens eigen zeggen twee jaar geleden ingehuurd als spotter voor Mullah Omar Rahmani. Felipe werd bijzonder goed betaald, had een schuilplaats in Mexicali ingericht en te horen gekregen dat Samad en zijn mensen eraan kwamen. Hij werkte met een ploeg van vijf andere mannen, die allemaal trouw waren en geheimhouding hadden gezworen; hij zei dat de informatie die ze hadden verzameld heel nuttig zou zijn.
Doordat ze zo goed betaald kregen, hadden ze de verleidingen van deelname aan een kartel kunnen weerstaan. Als ze sicarios tegenkwamen, namen die meestal aan dat ze bij een andere groep hoorden en niet, zoals Felipe tegen zijn mannen zei ‘onafhankelijke contractanten’ waren.
‘Bedankt hiervoor en voor al je andere hulp,’ zei Samad. Hij nam de usb-stick van hem aan en stopte hem in de laptop die op de kleine bar in de keuken stond. Hij klauterde op de kruk en klikte door de bestanden die honderden foto’s bevatten.
Felipe knikte en zei: ‘Señor, we weten wat u van plan bent te doen.’
‘Echt?’
‘Ik ben in mijn leven drie keer naar de Verenigde Staten geweest. Ik ben nu voor vijf jaar verbannen omdat ik heb geprobeerd geld het land uit te smokkelen. Ik heb mijn vrouw en dochters al die tijd niet gezien. Ik weet dat u de grens gaat oversteken. Ik zal u betalen als u me meeneemt.’
Samad dacht hierover na. Het zou heel nuttig kunnen zijn als ze een lokale gids hadden, die ook vervangbaar was. ‘Je hebt al genoeg gedaan. Ik neem je mee. Maar jou alleen.’
‘Wilt u ook voor mij met Mullah Rahmani praten?’
‘Natuurlijk.’
Hij hapte naar adem en riep: ‘Dank u wel, señor! Dank u wel!’
Samad knikte en wijdde zijn aandacht weer aan het beeldscherm. Ze waren eindelijk in Mexicali gearriveerd, ondanks de lekke band en de verschrikkelijk slechte chauffeurs. Zijn mannen hadden zich verbaasd over hoe dichtbevolkt de stad was en ze hadden het vreemd gevonden dat er zelfs een kleine, maar bedrijvige Chinatown-wijk was. Een van Felipes mannen, Zhen, was in Mexicali geboren en getogen, en was de afstammeling van Chinese immigranten die voor de Colorado River Land Company waren gaan werken. Dit bedrijf was in het begin van de twintigste eeuw naar het gebied gekomen om in het dal een uitgebreid irrigatiesysteem aan te leggen. Samad wist dit omdat Felipe iemand was die graag praatte, tot vervelens aan toe.
Samad bleef de foto’s en verslagen bekijken, terwijl zijn mannen in de kleine vierkamerwoning gingen eten, andere kleren aantrokken en zaten te kletsen. Ja, ze zaten als haringen in een ton in dit huis, zodat Samad niet wilde dat ze hier langer dan een paar dagen bleven. Felipe had hem al verteld wat zijn groep had ontdekt: ze waren er zeker van dat het Juárez Cartel betrokken was bij een gigantische tunneloperatie op een bouwplaats voor een nieuwe fabriek voor zonnecellen. Op de foto’s waren vijf gebouwen te zien in verschillende stadia van afbouw en een klein pakhuis op hetzelfde terrein dat al klaar was. Wat interessant was, was dat er grote hoeveelheden aarde uit het pakhuis kwamen die in kiepkarren werd afgevoerd. Bovendien zag Samad dat ploegen arbeiders op geregelde tijdstippen kwamen en gingen, vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week. Samad wist dat er bij een grote tunneloperatie altijd een voorman en/of technicus was die de leiding had. Van alle mannen die gefotografeerd waren, viel deze man vooral op doordat hij ouder en beter gekleed was dan de anderen en omdat hij, volgens Felipe, ’s ochtends kwam en ’s avonds vertrok, hoewel zijn rooster kortgeleden was veranderd, waardoor hij ’s ochtends al heel vroeg arriveerde. Maar ze hadden hem nooit achtervolgd als hij naar huis ging en daarom besloot Samad dat dit nu een prioriteit was.
Nog geen uur later zaten Samad, Talwar en Felipe in een gedeukte Honda Civic met Felipe achter het stuur. Ze wachtten tot de eerste ploeg het pakhuis verliet. Hun man vertrok nog niet. Pas toen de zon onderging, zag Samad hem − eindelijk! Hij stapte in een zwarte kia die even oud en gedeukt was als hun eigen auto. Ze volgden hem toen hij bij de bouwplaats vandaan en naar het zuiden reed, naar de buitenwijken in het zuidoosten van de stad.
Twintig minuten later was de man thuis en parkeerde zijn auto. Daarna, nadat Felipe iemand had gebeld, zetten ze een mannetje bij het huis neer die hen moest waarschuwen als hij dacht dat iedereen ’s ochtends vroeg was vertrokken.
‘Hij zal ons helpen de grens over te steken. Hij weet het nog niet, maar hij is een dienaar van Allah,’ zei Samad.
Talwar keek op van zijn smartphone en zei: ‘Als deze informatie nog steeds klopt, is dit huis van Pedro Romero. Ik heb hem gegoogeld: hij werkte als bouwkundige, maar het bedrijf waar hij voor werkte is failliet gegaan.’
‘De bouw heeft het hier heel zwaar te verduren gehad,’ zei Felipe. ‘Ik ken heel veel goede mannen die geen werk hebben.’
‘Nou, hij heeft nu een goede baan gevonden, hè?’ zei Samad. ‘Hij is onze man. Maar we moeten erg voorzichtig zijn. We moeten ervoor zorgen dat hij heel bereidwillig is, dus we moeten alles over señor Pedro Romero te weten komen.’
Rojas’ herenhuis
Cuernavaca, Mexico
90 kilometer ten zuiden van Mexico City
Rojas lag in zijn bed naar de plafondlijsten te kijken, lange lijnen van duur hardhout die in het donker verdwenen. De plafondventilator zoemde, de bladen draaiden langzaam rond, het maanlicht dat door het raam naar binnen viel bescheen de bladen en wierp een flikkerende schaduw over de beddensprei en over Alexsi’s wang. Ze lag stilletjes naast hem te slapen en Rojas deed zijn ogen weer dicht, maar toen vlogen ze weer open en keek hij naar de klok: 02.07 uur.
De gebeurtenissen van de afgelopen vierentwintig uur hadden zijn emoties overhoop gehaald: een moordaanslag op hemzelf, een poging tot ontvoering van zijn zoon en diens vriendin... hij besloot dat hij meteen vakantie nodig had van zijn echte leven.
Rillend stond hij op, trok zijn kamerjas aan en met zijn mobieltje als zaklamp liep hij de trap af, de koele duisternis in. Hij stapte de keuken in, deed het licht aan en liep naar een van de drie roestvrijstalen koelkasten om melk te pakken. Die wilde hij opwarmen en langzaam opdrinken, iets waardoor hij vaak kon slapen.
Tegen de tijd dat hij de pan op het gasstel had gezet en de melk erin had geschonken, hoorde hij achter zich een zachte stem vragen: ‘Señor Rojas?’
Toen hij zich omdraaide, zag hij Sonia staan, haar zwarte negligé grotendeels bedekt door haar eigen zijden kamerjas. Hij knipperde even omdat hij dacht dat hij zich haar verbeeldde.
‘Señor Rojas, gaat het wel goed met u?’
‘O, het spijt me, Sonia. Ik loop half te slapen, denk ik. Waarom ben jij uit bed?’
‘Ik hoorde iemand beneden. Miguel heeft een paar pillen ingenomen, zoals u zei, en hij ligt lekker te slapen. Ik hou er niet van om iets te slikken en nu kan ik niet slapen. Ik blijf maar zien wat die man heeft gedaan, steeds weer.’
‘Wat spijt me dat. Morgen zal ik een paar telefoontjes plegen en dan kunnen we je helpen met wat therapie.’
‘Dank u wel, señor. Ik weet niet of er een manier is om dat te vergeten. Ze hebben zijn bloed over mijn gezicht gesmeerd.’
Hij knikte, perste zijn lippen op elkaar en vroeg toen: ‘Wil je wat melk? Ik ben net wat melk aan het opwarmen.’
‘Dat lijkt me lekker. Bedankt.’ Ze stapte de keuken in en gleed moeiteloos op een van de krukken. ‘U kon zeker ook niet slapen, na wat u is overkomen?’
‘Ik verwacht al jaren dat er zoiets gebeurt. Daarom neem ik ook zoveel voorzorgsmaatregelen, maar je weet nooit hoe je reageert als het dan echt gebeurt. Je kunt niet alles voorzien.’
‘Dat is zo.’
‘Sonia, ik hou heel veel van mijn zoon. Hij is het enige wat ik nog heb in deze wereld en ik kan je niet genoeg bedanken. Hij heeft me verteld hoe flink je was. Hij kon het niet geloven. Maar weet je? Ik wel. Toen ik je voor het eerst ontmoette, zag ik je kracht in je ogen, hetzelfde licht dat ik ook bij mijn vrouw zag. Je bent heel dapper geweest.’
Ze boog haar hoofd en bloosde.
Hij was te ver gegaan, dat wist hij, en zijn toon was een beetje te charmant. ‘Ik wil je gewoon bedanken,’ voegde hij er opeens aan toe.
‘Volgens mij kookt de melk,’ zei ze en ze wees met haar kin naar het gasstel.
Hij draaide zich snel om en zette het gas laag, maar de melk kookte al over. Hij vloekte en zette de pan van het vuur, terwijl de melk siste en spatte.
‘Señor Rojas, mag ik u een persoonlijke vraag stellen?’ vroeg ze, nadat hij de melk onder controle had en twee bekers uit een kast had gehaald.
‘Natuurlijk, waarom niet?’
‘Bent u wel helemaal eerlijk tegen uw zoon?’
‘Wat bedoel je?’
‘Weet hij alles van u en uw bedrijven? Ik bedoel, zou hij in uw voetsporen kunnen treden als u iets zou overkomen?’
‘Dat is een behoorlijk morbide vraag.’
‘Als we bij elkaar blijven en we met elkaar trouwen, zou hij alles moeten weten.’
‘Natuurlijk.’
Ze vond het moeilijk hem aan te kijken. ‘Hij lijkt nu gewoon zo naïef over bepaalde dingen.’
‘En terecht,’ zei Rojas die een beetje argwanend werd door haar woorden. ‘Sommige bedrijven van mij zijn niet belangrijk genoeg om zijn aandacht te hebben. Ik heb mensen aangesteld om ze te leiden en zij rapporteren wekelijks of maandelijks aan mij. Als hij er klaar voor is, zal ik hem alles leren.’
‘Zou u mij dan ook alles leren?’
Hij aarzelde. Ze was inderdaad een sterke vrouw, misschien wel te sterk, en hij had zijn lieve vrouw nooit ook maar vijf procent verteld van wat hij precies deed. ‘Natuurlijk,’ loog hij en hij gaf haar een beker dampende melk. ‘Ik denk dat jij en Miguel mijn erfgenamen zullen zijn, als jullie gaan trouwen.’
‘Ik wil niet overkomen als een op geld beluste vrouw, señor. Ik maak me gewoon zorgen om Miguel. Ik weet dat u wilt dat hij deze zomer bij de bank gaat werken, maar ik ben bang dat hij dat verschrikkelijk zal vinden. En als hij ongelukkig is, zijn we allebei ongelukkig.’
‘Wat stel je dan voor?’
‘Vertel hem hoe u uw bedrijven leidt. Maak hem uw rechterhand. Hij is immers uw zoon.’
Rojas dacht hierover na. Ze had gelijk. Miguel was de erfgenaam van zijn imperium en de jongen wist er maar heel weinig van. Hij had wel vermoord kunnen worden en Miguel zou de enorme omvang van zijn vaders wereld niet kunnen bevatten. Maar Rojas zou hem nooit de lelijke waarheid over het kartel vertellen, niet aan Miguel, niet aan iemand anders, nooit...
Opeens verscheen Alexsi in de deuropening. ‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg ze met een beschuldigende blik op Sonia.
‘Wil je ook wat warme melk?’ vroeg Rojas die haar vraag negeerde. ‘Er is nog wat.’
‘Graag.’
‘Ik kon niet slapen. Niet na alles wat er is gebeurd,’ zei Sonia. ‘Toen hoorde ik señor Rojas naar beneden gaan en vond dat ik hem maar even gezelschap moest houden.’
Alexsi’s blik verzachtte. ‘Dat kan ik wel begrijpen.’
Rojas keek naar Alexsi. Als ze zijn gedachten kon lezen, zouden haar koffers binnen een uur gepakt zijn.
En als Sonia zijn gedachten kon lezen, zou zij straks samen met Alexsi in een taxi zitten die hen heel ver bij zijn wereld vandaan zou brengen.