5

Ze trokken verder onder een dreigende wolkenhemel. Karana ging hen voor en was blij dat Navahk liever achter wilde blijven met een paar andere mannen om de vrouwen te bewaken voor het geval ze door grote roofdieren werden aangevallen.

De wereld was loodgrijs. Halverwege wierpen ze zich op de grond en bleven doodstil liggen. Met hun ogen samengeknepen tegen de aanzwellende wind zagen ze vanuit de luwte van een heuvel gewapende mannen uit het Spookhuis komen en een van de bergkloven in het oosten ingaan. De wind kwam van de kant van die hoge, imposante bergen vol gletsjers. Het rook sterk naar ijs. Af en toe werd de stilte verscheurd door het geschreeuw van een mammoet. 'Ze zijn op de grote dieren met slagtanden gaan jagen,' zei Karana. 'Het Spookhuis zal bijna leeg zijn op een paar wachters en de gevangenen na. We zullen onze vrouwen terugstelen en weg zijn voordat degenen die op mammoets zijn gaan jagen, terugkomen.' Supnah tuurde zoekend de horizon af. 'De wachters... die zullen we moeten doden. Deze man heeft nog nooit een andere man gedood.' Karana keek naar zijn vader en vroeg zich af of kinderen in de winterse duisternis achterlaten niet gelijkstond aan hen doden. 'De Spookmannen vallen hun eigen soort aan,' zei Torka. 'Door hun daden hebben ze zich tot prooi gemaakt waar andere mannen op moeten jagen. Als ze dood zijn, zal het volk van de toendra niet meer bang hoeven te zijn voor hun overvallen. Hen doden... zal goed zijn.' Hij beefde van het vreselijke besluit dat hij nam toen hij de laatste van de Spookmannen in de verte de kloof in zag gaan. Wanneer ze terugkomen zullen ze hun kamp aantreffen zoals ik dat van mij aantrof, dacht hij. Wanneer ze terugkomen, zullen ze sterven... maar pas nadat ze, net als ik, hebben gezien hoe de lijken van hun broeders en beminden als aas zijn achtergelaten.

In de lage, nauwe, stinkende tunnels liep de oude vrouw te gniffelen terwijl ze zich verkneukelde over de obscene overwinning die ze weldra zou behalen.

De baby in haar armen was mooi, even mooi als haar moeder en ook even sterk. Gulap zoog op de restanten van haar tanden. Haar grijns veranderde in een grimas. Vrouw Uit Het Westen had voor deze baby gevochten als een in het nauw gebrachte lynx. Ze had gekrabd en gebeten en toen de anderen Gulap hadden gehoorzaamd en hadden geprobeerd haar vast te binden, had ze nog een harde schop gegeven die de oude vrouw midden op de kin had geraakt. Gulaps tong onderzocht de dikke, pijnlijke plek achter haar onderlip. Ze proefde het bloed in de zachte holte waar twee tanden hadden gezeten. Haar grimas veranderde in een uitdrukking van haat die haar nog lelijker maakte dan anders.

In de dampige, met beenderen beklede tunnel die naar de ingang van het Spookhuis voerde, zat een van de wachters. Hij huiverde toen hij haar langs zag lopen. Zouden alle vrouwen zo lelijk worden als de oudste zuster van de hoofdman als ze na hun jeugd mochten blijven leven? Hij deed zijn ogen dicht en ging weer zitten slapen, wensend dat hij haar niet had gezien.

Ze liep zachtjes verder. Af en toe gleden haar gelaarsde voeten een beetje weg op de nattige grond. Een stukje verder stond nog een man te slapen. Ze porde met haar elleboog in zijn dikke pens toen ze langs hem liep, draaide zich toen om en lachte hem zachtjes uit terwijl hij naar zijn buik greep.

'Kom! Trek je kleren aan! Gulap heeft een man nodig die voor haar uit loopt om haar te beschermen tegen de vleeseters wanneer ze hun dit waardeloze vlees gaat aanbieden.' 'Een meisje?'

'Niet lang meer!' riep ze, en krijste als een lelijke oude vogel totdat de wachter de toegang tot de wereld daarboven voor haar opende. Hij had snel zijn jak en ruim zittende laarzen aangetrokken. Voor wat ze van hem wilde zou hij niet al te lang in de kou hoeven te blijven. Hij klom de ladder op met het lompe gemak van een beer die in een sparrenboom klimt.

Nu viel de koude wind op haar en deed haar blijdschap verschrompelen omdat hij haar herinnerde aan haar verloren jeugd. Ondanks de dikke kleren die ze speciaal had aangetrokken, werd ze koud tot op het bot. Haar bijgevijlde tanden deden pijn tot diep in haar kaken. Ze vertrok haar smalle, getatoeëerde lippen tot een grimas. Hoeveel jaren waren er verstreken sinds de tijd dat ze een soepel jong meisje was dat niet om het weer gaf? Te veel! Hoe lang was het geleden dat ze een overmoedige en ervaren reizigster was die de slavinnen van de Spookbende uitlachte wanneer ze in de herfst een ijskoude rivier niet over durfden te steken? Te lang! Wanneer de gevangenen jammerden, was ze met haar harde vuisten op hen afgevlogen, en wanneer ze naakt huiverden van de kou en het ijzige water en om hun kleren smeekten, had ze hen geschopt. Daar zouden haar botten nu van breken.

De ijskoude, sterke wind omhelsde nu haar oude botten en drong langs de losse bovenkant van haar tuniek naar binnen. Met haar vrije hand probeerde ze haar kap over haar hoofd te trekken. Het had geen zin. De kou zou haar vlees toch wel weten te vinden, hoeveel lagen huiden en bont ze ook droeg. Zelfs in haar slaapnest van gras en mos in het Spookhuis, met al haar slaapvachten boven op haar, huiverde ze en had ze overal pijn. Dan lag ze wakker en dacht aan haar jeugd en aan de warmte van de mannen die eens naast haar hadden geslapen. Die mannen sliepen nu bij jonge vrouwen die ze gevangen hadden genomen. Mooie vrouwen. En zij knarste op wat er van haar tanden over was en wist dat ze tot het einde van haar dagen alleen zou slapen.

'Moeder... geef me het vlees aan zodat je gemakkelijker langs de ladder omhoog kunt klimmen!'

De stem van de wachter raakte haar net zo erg als de kou van de wind. Moeder? Ze was niet de moeder van die man! De onopzettelijke belediging maakte haar warm, want woede veroorzaakte altijd warmte... net als het plezier waarmee ze degenen kwelde die de jeugd en schoonheid bezaten die ze zelf nooit meer zou krijgen. Ze had plotseling geen zin meer om de baby die ze in haar armen droeg ritueel te vermoorden. Het kind was te jong om bang voor haar te zijn, te jong om weg te kruipen en angst te tonen. Het kon alleen maar blatend als een geit sterven. Maar de moeder? Die kon haar oude botten verwarmen en de pijn in haar tanden verdrijven. Niet door haar dood, want daar zou Gulap de toestemming van de hoofdman voor moeten hebben. Die zou ze op den duur wel krijgen, maar ze wilde nu warm worden.

Ongeduldig gaf ze het kind aan de wachter en zei dat hij het ver bij de ingang van het Spookhuis vandaan moest brengen zodat het daar geen roofdieren naar toe zou lokken.

'Stop sneeuw in de mond en de neusgaten. Laat het stikken. Dat is een nare dood. Maar sla het eerst zodat het gilt. Ik wil dat de moeder het hoort schreeuwen.'

Hij haalde zijn schouders op en pakte het kind aan. Het kon hem niet schelen of het zou leven of sterven, maar het doden van baby's was vrouwenwerk. Hij vervloekte in stilte de oude heks die hem naar buiten stuurde, de bittere kou in, om zo'n minderwaardig karweitje op te knappen terwijl zijzelf weer het warme Spookhuis inging".

Terwijl hij naar buiten klom, hoorde hij haar vrolijk gniffelen en haar bebloede ratel van luiaardklauwen schudden. Hij hoopte dat ze zou struikelen en zichzelf erop zou spiesen. Toen keek hij naar de baby in zijn armen. Het 'vlees' leek op de moeder. Hij glimlachte en zag de bebloede punt van de ratel van luiaardklauwen voor zich. Hij had gezien wat Gulap daarmee deed. De moeder van het kind zou nog onder vele mannen liggen, maar ze zou nooit meer vlees baren dat aan de storm zou worden prijsgegeven.

Ze lagen in hinderlaag. Verborgen achter de heuvel lieten ze de man uit de aarde klimmen. Hij stond met zijn rug naar hen toe en ademde de koude, schone lucht van de toendra in terwijl de wind door de stinkende, aan elkaar gekleefde haren van zijn mantel van bizonvacht streek. Hij draaide zich niet om.

Het was de laatste fout die de man zou maken, Supnah greep hem van achteren vast. Torka kookte van woede toen hij zonder de ladder te gebruiken naar binnen sprong, met zijn speer in de ene hand en zijn knuppel in de andere.

Overal in het labyrint flakkerden en doofden de toortsen. De sterke rooklucht en de stank van brandende huiden begonnen tot het binnenste deel van het Spookhuis door te dringen. Hoe ze ook probeerde, Aliga kon het luchtgat van de Bloedkamer niet open krijgen: het was net of het was vastgevroren.

Het kon Lonit niet schelen. Ze hadden haar baby afgepakt. Ze hadden Torka's kind te vondeling gelegd. Ze was een gevangene in een onderaardse wereld en ze had geen enkele hoop haar man ooit nog terug te zien. Haar bevalling was lang en moeilijk geweest, maar de geboorte zelf was snel en zonder complicaties verlopen. Terwijl ze op haar rug lag en aan Iana's afschuwelijke lot dacht dat ze weldra zou delen, keek ze hoe de pitten in de olielampen begonnen te sputteren en dacht: De kamer wordt donker, maar dat hindert niet. Deze vrouw voelt het licht van haar leven uitgaan. Ze deed haar ogen dicht. Gelukkig maar.

Aliga schudde haar heen en weer. 'Lonit! Luister! Hoor je stemmen? Ver weg, bij de ingang naar het Spookhuis. Stemmen van mannen die in onze taal vloeken.'

De vermoeidheid van de bevalling had Lonit draaierig gemaakt. Het gebrek aan frisse lucht maakte het nog erger. Ze was slaperig en dreef weg op haar eigen gedachten zodat ze Aliga maar half hoorde. 'Iana. Waar is Iana. Ik heb haar baby niet horen huilen. De baby is vast heel zoet.'

Aliga beet op haar lip. Het was niet het juiste moment om Lonit te vertellen dat Iana's baby niet zoet was geweest, dat hij stuipjes had gekregen en lastig was geworden toen hij bij een vreemde vrouw moest drinken. Geërgerd door zijn gedrein had Gulap hem de hersens ingeslagen.

Opeens stond Gulap in de kamer, terwijl ze met de ene hand de leren flap in de deuropening opzij hield en met de andere haar ratel vastgreep. Langzaam kwam ze naar voren. Langzaam stak ze de bebloede punt van de klauw omhoog en schudde de klauw zodat hij siste toen ze sprak. Ze dacht waarschijnlijk dat er een paar jagers waren teruggekomen en besteedde daarom geen aandacht aan de geluiden die vanuit de diverse, met elkaar verbonden tunnels tot de Bloedkamer doordrongen. Haar ogen waren zo fel als die van een fret.

'Ga opzij, Aliga. Vrouw Uit Het Westen en Gulap zullen enige tijd samen doorbrengen. Met dit ding.'

Aliga staarde, niet naar de naakte oude vrouw, even taai en dor als een in de wind gedroogd stuk oud vlees, maar naar de omhooggerichte punt van de afschuwelijke klauw. Diep in haar lendenen trokken de verminkte spieren onwillekeurig samen toen ze zich herinnerde hoe ze zelf doorboord was en hoe de getatoeëerde oude heks had gegromd van seksuele bevrediging. Aliga's hart ging uit naar de jonge vrouw. Ze was zo zwak. Ze zou zich niet tegen Gulap kunnen verzetten en als Aliga tussenbeide zou proberen te komen, zouden de mannen haar straffen en misschien zelfs doden. Niemand durfde Gulap te tarten. Nooit. Ze was de oudste zus van de hoofdman. Ze had hem vele zonen geschonken. Geen van hen verzette zich ooit tegen haar.

De oude vrouw grinnikte en ze schudde de ratel bij elke stap die ze dichter bij Lonit kwam.

'Spreid haar benen!' beval ze. Aliga stapte vol walging naar voren en deed wat Gulap zei.

Lonits ogen gingen even open en ze probeerde haar hoofd op te tillen toen de oude heks bukte en Aliga gebaarde dat ze opzij moest gaan. Plotseling kwam een van de andere gevangenen binnenrennen en keek de oude vrouw geschrokken op.

'We zullen stikken!' hijgde de vrouw. 'We zullen worden gerookt als vissen boven een smeulend vuur onder een leren mand!' 'Wat zeg je?' vroeg Gulap.

'Er zijn vreemdelingen gekomen! Ze hebben de luchtgaten dichtgemaakt! Ze lopen op dit moment door de tunnels en doden de wachters die proberen te ontsnappen om lucht te krijgen. Ze komen hierheen! Ze zullen ons allemaal doden!' Op Aliga's gezicht stond zowel vrees als blijdschap te lezen. 'Op deze plek zijn we al dood!' zei ze vinnig en deinsde terug toen de leren deurflap werd opengezwaaid.

De man die door de lage ingang naar binnen drong was groot en had een woeste blik in zijn ogen van het doden. Hij duwde de jammerende vrouw opzij en toen die wegrende, staarde hij langs Gulap en Aliga heen naar het bed van vachten waarop Lonit lag. Zijn haar, zijn kleren en zijn krachtige, knappe gezicht waren helemaal rood van het bloed van de Spookmannen. De punt van zijn speer en het lange, vreemd gekromde benen mes dat hij in zijn hand hield, waren glibberig van het gestolde bloed.

De oude vrouw knipperde met haar ogen en keek naar hem, bang maar ook opgewonden. Hij was de Macht. Hij was de Dood. Hij was de mooiste en de meest volmaakte man die ze ooit had gezien. En ze wist dat hij haar zou doden.

Er kwam een grommend en gelijkertijd spinnend geluid uit haar keel. Ze zag aan de manier waarop die geweldige man naar haar keek dat hij nog nooit zo'n lelijke vrouw had gezien. Zijn afgrijzen krenkte haar diep. Haar hart klopte en bonkte. Oud. Gulap is oud. Oud. Oud. Haar hart sloeg het woord telkens weer, tot het gillend uit haar mond kwam. Ze wierp zich vol walging op de man en haalde naar hem uit met haar ratel. Ze wilde de schoonheid van zijn gezicht vernietigen, ze wilde zijn jeugd en zijn leven verwoesten met de dodelijke klauw.

Hij maakte een schijnbeweging zodat ze struikelend langs hem vloog. Ze draaide vliegensvlug om en kwam weer krijsend op hem af. De scherpe punt van haar ratel van luiaardklauw schraapte over zijn schouder, ging door de lagen kleren en het vlees eronder heen en haalde hem tot bloedens toe open. Hij liet haar struikelen en ze viel als een trillende hoop neer, met een bloedend hart dat voor het laatst klopte, om de klauw die erdoorheen was gegaan.

Aliga was zo duizelig van angst dat ze dacht dat ze flauw zou vallen. Gulap was stervende. Haar eigen leven zou zo voorbij zijn. De vreemdeling kwam op haar af. Tot haar verbazing wilde ze niet sterven. Toen ze zag dat zijn grote, donkere ogen op Lonit waren gericht slikte ze en wierp zich toen tussen hem en het verzwakte meisje. 'Nee!' riep ze, verbaasd over haar eigen moed, die haar ertoe bracht om tussen de uitgeputte jonge vrouw en de dood en verderf zaaiende vreemdeling te blijven staan. 'Kom niet aan Aliga's zuster!' zei ze tegen hem. Ze wou dat ze minder trilde en hoopte dat haar bijna volledige naaktheid hem er niet toe zou brengen haar ook nog te verkrachten.

Hij nam haar onderzoekend op. Hij zag haar angst, maar ook haar dapperheid. Langzaam trok de moordlust uit zijn ogen. Zijn handen grepen zijn wapens minder stijf vast. 'Sta niet zo te beven, Aliga. Je "zuster" is mijn vrouw. Torka zal noch haar noch jou ooit enig kwaad doen.' Hij stapte langs haar heen en knielde naast Lonits bed. Hij legde zijn wapens neer en raakte voorzichtig haar gezicht aan. Hij fluisterde haar naam alsof hij bang was dat ze zou verdwijnen wanneer hij hem uitsprak.

Haar handen pakten de zijne en het leven welde weer in haar op en flikkerde weer in haar ogen. 'Torka?'

Hij omhelsde haar voorzichtig en hield haar vast alsof zijn leven van haar afhing.

'Ja,' zei hij, terwijl hij haar kuste en de warmte van zijn leven door zijn neusgaten in de hare blies. Hij ging in haar op, mond op mond, leven met leven verbonden. 'We zijn een,' fluisterde hij toen de kus voorbij was. 'Torka en Lonit... één leven. Voor altijd...'

De mannen van Supnahs groep kwamen zwijgend het Spookhuis uit, stil van wat ze hadden gedaan, niet blij maar ook niet bedroefd dat ze anderen van hun eigen soort hadden geveld. Ze lieten de lichamen van de rovers liggen en brachten de vrouwen die in slavernij hadden geleefd, naar de vrijheid.

Torka droeg Lonit in zijn armen naar buiten toen Karana naar hen toekwam. 'Kijk!' riep de jongen dolgelukkig, terwijl hij een klein bundeltje omhooghield. 'Karana heeft haar goed verzorgd voor Torka en Lonit! Maar nu heeft ze honger en deze jongen kan haar niet te eten geven!'

Lonit snikte van opluchting toen Karana enthousiast haar kleine dochtertje in haar armen legde. Torka keek naar de baby en zag dat ze de antilopeogen van haar moeder had. Hij wilde blij glimlachen, maar even voelde hij niets. In hem groeide een donkere, koude leegte die stonk naar het bloed van de mannen die hij had gedood. De baby rommelde aan Lonits borst. Door de vermoeidheid en spanning had ze nog geen melk. Aliga kwam naar haar toe. Ze was in bontvachten gewikkeld om zich te beschermen tegen de snerpend koude wind. Ze stak haar armen uit en bood aan om het kind naar Iana te brengen zodat die het kon voeden. 'Op den duur zal Lonit wel melk krijgen. Laat Iana de baby nu maar voeden. Misschien zal Iana, wanneer ze jullie kind de borst geeft, zelf ook worden gevoed.'

Lonit en Torka begrepen pas wat Aliga bedoelde toen Iana hun baby in de armen kreeg gelegd. Haar droeve, nietsziende ogen begonnen te glanzen. Haar bleke gezicht verzachtte zich tot een stralende glimlach. Ze kirde. Ze koerde. Ze legde het kind aan haar borst en kuste het kleine hoofdje, terwijl ze de baby Ninipik en 'zoontje' noemde.

'Waar is Manaaks kind?' vroeg Torka.

Terwijl Lonit haar ogen sloot en haar hoofd tegen Torka's schouder legde, gaf Aliga antwoord op zijn vraag: 'Er zijn zoveel geesten met de wind meegegaan...'

'Veel te veel,' antwoordde Torka met een stem die even kil en vijandig was als het land om hem heen. 'En er zullen er nog meer volgen voor deze dag ten einde is.'

Ze brachten de vrouwen naar de plek waar Navahk en de anderen op hen wachtten, en toen de gevangen hen vertelden wat ze hadden doorstaan, was iedere man van Supnahs groep het met Torka eens dat de jacht nog niet was afgelopen. Zolang er Spookmannen bleven leven was hun eigen leven in gevaar.

Alleen Navahk bleef staan en keek naar Torka die bij Karana en de honden zat en een nieuwe punt aan zijn speer deed. 'Voor wie jaag je, Man Die Met Honden Loopt? Voor het welzijn van allen of alleen voor jezelf?'

Torka aarzelde niet. 'Ik jaag op de Spookbende voor Manaak en voor een dood kind waarmee hij zwerft in de wind. Ik jaag op de Spookbende voor Naknaktup, een dappere oude vrouw die haar volk de rug toe durfde te keren uit liefde voor een nog dapperder oude man. Ik jaag op de Spookbende voor Umak, die de vader van mijn vader was en heer was over mijn geest. Ik jaag op de Spookbende voor Iana, Aliga en Lonit en voor mijn dochter die nog een naam moet krijgen, zodat ze nooit meer bang hoeven te zijn dat er 's nachts "spoken" komen om hun volk te vermoorden en hen tot slaaf te maken. Ik jaag op de Spookbende voor Karana, zodat geen enkele jongen ooit nog zo te lijden heeft. En ik jaag voor Torka. Ja. Omdat ik wel op hen moet jagen. Voor mijzelf.'

Ze beraamden een plan voor hun mensenjacht. Ze zouden in een paar groepen gaan en elke groep zou kijken waar de Spookmannen zich precies bevonden. Zodra ze hen vonden, zouden ze met vereende krachten hun prooi omsingelen en hen allemaal doden. De Spookmannen zouden druk in de weer zijn met hun mammoetjacht, en de dieren aan het doden of villen zijn zonder te merken dat ze werden achtervolgd door hun soortgenoten. Supnah wees de mannen aan die zouden achterblijven om het kamp van de vrouwen te beschermen. Karana kreeg opdracht bij hen te blijven en ervoor te zorgen dat de honden geen problemen gaven. De dieren maakten de meeste vrouwen zenuwachtig. De jongen pruilde en liet duidelijk zijn teleurstelling blijken. Hij hield vol dat zowel hij als de honden konden helpen. Torka en Supnah wilden geen woord meer van hem horen. Ze zeiden tegen hem dat het gevaarlijk zou worden en dat ze zijn leven niet in de waagschaal wilden stellen.

'We laten een paar van onze beste jagers hier,' zei Supnah, in een poging de jongen wat te sussen. 'Onze vrouwen moeten sterke mannen hebben om hen te bewaken. Karana zal een van die mannen zijn. En Navahk ook. Het is wel goed voor Karana om weer bij de broer van zijn vader te zijn. Leer van Navahk. Hij kan ons allen veel leren.'

Karana was diep teleurgesteld en Aar duwde zijn neus tegen zijn hand om hem te troosten. Navahk was een grote, glimlachende, in wit geklede gestalte die zonder met zijn ogen te knipperen keek hoe de jagers wegliepen en langzaam in de verte verdwenen. 'Navahk zal de toverij bedrijven die ons sterk maakt bij de jacht,' zei Supnah tegen Torka terwijl ze samen wegliepen. 'Ons aantal en de vele goede speren die Supnahs mannen dragen zullen ons sterk maken,' antwoordde Torka. Hij wist niet precies waarom hij niets met Navahks toverij te maken wilde hebben.

Aan de rand van het kamp van de vrouwen keek Karana naar Navahk en voelde weer dezelfde instinctieve angst en hetzelfde wantrouwen jegens de man en zijn eeuwige, verraderlijke glimlach. Zo Navahk de jongen al zag, liet hij dat niet merken. Hij bewoog niet. Hij bleef staren. Hij bleef glimlachen. Er stond nu een harde koude oostenwind die een scherpe geur van ijs, rottende stenen en sparrenbosjes meevoerde. Navahk gaf geen krimp. De wind blies de lange, witte franje van zijn mouwen heen en weer. Hij tilde de winterwitte vleugelveer van de pooluil op die hij altijd in de voorste lok van zijn zwarte, tot op het middel hangende haar droeg. Hij blies in de dikke, zijdezachte witte kariboevachten van zijn jak en beenstukken.

Karana huiverde van de intense, dreigende lelijkheid die voor zijn gevoel altijd schuilde onder het mooie uiterlijk van de man. 'Navahk... waarom glimlach je eigenlijk?' drong hij aan, half bevreesd om het te vragen, maar wetende dat hij het toch moest doen.

Navahks glimlach verbreedde zich toen hij naar Karana keek. 'Waarom denkt Karana dat ik glimlach?'

Karana bleef naar de ogen van de tovenaar kijken. In deze diepe, zwarte, bodemloze putten waadde Karana's geest voort als door pek. Hij zonk, stikkend, naar adem happend en in die verstikkende duisternis kwam opeens het licht. Alles was onduidelijk zoals wanneer zonlicht tegen hoge ijswanden weerkaatst. Het was een kilometershoge wereld van ijs en in die wereld weerklonk een geluid zoals de jongen nog nooit had gehoord: een gegil, een gebrul, een getrompetter. En opeens zakte het ijs in elkaar en brak in stukken terwijl het beeld verdween.

'Karana weet het. Karana ziet het. De zoon van de vrouw van mijn broer, van de vrouw die van mij had zullen zijn als ik hoofdman was geweest... weet dat hij van mijn vlees is... hij ziet de wereld door mijn ogen... En wat hij ziet verraadt de waarheid over zijn afkomst aan iedereen behalve aan Supnah. Hij is een dwaas die niets begrijpt!'

Karana staarde nog steeds naar de ogen van Navahk. Naar de ogen van zijn vader. Hij voelde zich misselijk, verward en verraden. 'Je liet me achter om met de wind mee te gaan!'

'En ik brak zo de geest van mijn broer! Ik voer bevel over de groep door zijn mond. Alleen omwille van jou heeft Supnah zich ooit tegen mijn wil durven verzetten, omwille van jou en je moeder. Het was maar goed dat zij doodging! Het zal goed zijn wanneer je geest zich bij de hare voegt. Ik heb je dood gezien, Karana. Daarom glimlach ik.'

De jongen deed vol afschuw een stap achteruit. Hij kon geen woord uitbrengen.

Navahk glimlachte weer. Zijn blik gleed naar de bergen in het oosten. 'De kloof waar de jagers ingaan voert naar de Gang der Stormen. Het is een plek des doods waarvan niemand ooit is teruggekeerd. Supnah en zijn jagers zullen terugkeren, maar Torka zal sterven. Ik heb zijn dood gehoord in het geraas van de donder.' Navahk draaide zich om en legde zijn vingers op Karana's schouder. Zijn vingers kromden zich en deden hem met opzet pijn. Hij keek de jongen aan met de blik van een roofdier. 'Jij zult met hem sterven, jij die nooit geboren had mogen worden. Navahk zal zijn toverij met niemand delen!'

Karana rukte zich los. De tovenaar probeerde hem weer vast te grijpen, maar het waarschuwende gegrom van Aar weerhield hem. 'Ik heb jouw dood gezien,' ging Navahk verder, 'en die van Torka. In de opkomende zon... aan het eind van een lange gang vol ijs en storm zullen jullie allemaal sterven.'

Karana werd opeens kwaad. 'We zullen zeker allemaal sterven. Te zijner tijd. Maar niet vandaag als het aan deze jongen ligt!' Hij draaide zich snel om en probeerde niet aan Navahks glimlach te denken toen hij over de toendra naar het oosten rende, met Aar naast en Zuster Hond vlak achter zich aan.