6

Ze werkten tot de zon onderging en nog steeds waren ze niet klaar met het verwerken van het vlees. Zo veel vlees. Zo veel huiden. Zo veel bloed. De wolven kwamen. En honden en vossen... ze verborgen zich in de schaduwen van de naderende nacht, maar ze waren er en ze wachtten.

Umak zat te wachten tot Aar zou afkomen op het licht van de vuren die ze hadden aangelegd. Maar zo de hond er al was, dan bleef hij in de schaduw, en de oude man begreep dat Broeder Hond noch die nacht, noch enige andere nacht naar hem toe zou komen zolang hij niet brak met Galeena en zijn volk. En dat kon hij niet... en wilde hij niet.

Bij zonsondergang voerde hij een dans uit voor de stervenden en trok al zijn kleren uit om te gaan baden in de dichtstbijzijnde van de diepe, ijskoude plassen aan de voet van de gletsjervlakte. Hij maakte een ritueel van het bad. Torka raadde geheel juist dat het een list was. Umak zag dat zijn kleinzoon moeite deed om niet te glimlachen toen Galeena en zijn mensen op Umaks verzoek hun kleren uittrokken en het water inliepen om te worden 'gereinigd' door de tovenarij van de oude man.

En het was inderdaad tovenarij om zulke vuile mensen zover te krijgen dat ze deden wat ze nog nooit hadden gedaan. Zogenaamd om de kracht van de dag die hun bij het jagen geluk had gebracht in zich op te nemen en de geesten van de jachtdieren sterk en heilig in zich te bewaren. Dat zou volgens Umak gebeuren door hun badoffer. En hij zorgde ervoor dat ze goed nat werden, vooral de matrones.

Vanaf de richel zag Karana de nacht vallen en de vuren van de jagers als zonnen op de gletsjervlakte branden. Hij zat er alleen en zag vanaf zijn arendsnest de roofdieren naar de slachtplaats komen. Hij keek of hij Aar zag tussen de schimmen. Zo de hond er was, dan zag Karana hem niet. De eenzame jongen zuchtte en wenste dat hij aan Je jacht had kunnen deelnemen. Morgen, wanneer het vlees was verwerkt, zouden Umak en Torka hem tong brengen, daar was hij zeker van, en Lonit zou een paar biefstukken voor hem hebben bewaard die ze zou roosteren op de manier die hij lekker vond. Maar nu was hij alleen met zijn herinneringen en zijn onvrede. Hij zat in het donker, met de speer die Torka voor hem had gemaakt op zijn knieën en zijn vuistjes om de lange witte schacht geklemd. Hij dacht aan alle liederen die hij de oude Umak had horen zingen. Hij probeerde ze voor zichzelf uit en hoopte de juiste volgorde van de lettergrepen en ritmes te vinden. Nu en dan hief hij de speer hoog op naar de nacht, in eerbetoon aan de geesten. Als hij hem hoog genoeg hield en hard genoeg riep, zouden ze misschien gehoor geven aan zijn wens om Galeena en zijn ellendige groep door toverkracht te laten verdwijnen. Maar er gebeurde niets.

De uren verstreken. Hij wist dat op de vlakte de gewapende jagers om beurten een kring vormden om het vlees te bewaken tegen de vele roofdieren die op de loer lagen. Karana wist dat ze lang konden wachten. Galeena was veel te inhalig om zonder slag of stoot iemand mee te laten eten.

Het werd steeds donkerder om hem heen. De sterren verdwenen. Er waren wolken voor getrokken. Karana zuchtte en vroeg zich af of zijn gezang de wolken had opgeroepen. Misschien had hij weermagie bedreven in plaats van de kunst om mensen weg te toveren? Beter iets dan niets. Hij wreef over zijn gewonde been. Het deed pijn. Er was inderdaad ander weer op komst. Hij hoopte dat het op Galeena's slachtplaats goot van de regen; dan zou zijn volk eens zien wat een slechte man ze als leider hadden gekozen. Maar de wolken bevatten geen regen. Ze waren niets anders dan de koude bevroren adem van de berg. Ze roken eerder naar winter dan naar de vroege herfst. Karana trok zijn slaapvachten om zich heen en ging slapen.

Toen hij wakker werd, lag Aar in elkaar gerold naast hem. Hij was ervan overtuigd dat hij droomde, maar de hond was maar al te echt. Dat zag hij aan het gedroogde bloed op Aars schouder en de verse Wonden op zijn neus, en dat merkte hij ook aan het warme, ruwe likken van het dier.

'Broeder Hond!' Karana sloeg blij zijn magere armpjes om Aa schouders en hield het dier vast alsof het zijn broer was. De hond jankte en likte zijn gezicht nog enthousiaster. De jongen raakte de wonden van de hond aan en fronste zijn wenkbrauwen. 'Je bent dus niet geaccepteerd door je eigen soort. Ik ook niet door de mijne. Heb je ondervonden dat de meute honden door Galeena wordt aangevoerd? Nu, Karana heeft ondervonden dat de meute mensen door een hond wordt aangevoerd. Je had gelijk dat je wegliep voor Galeena. Hij is slecht, even slecht als de hond die jou dit heeft aangedaan, mijn broeder.'

Ze lagen dicht tegen elkaar aan. Ze sliepen niet, maar rustten alleen uit en vonden troost in elkaars nabijheid. Diep in de berg hoorde hij het bekende zuchtten en kreunen en toen was het stil. Karana luisterde. Het was stil... onnatuurlijk stil. Met een schok besefte hij dat de watervallen die van de ijskap omlaag stortten, bevroren waren.

'Het wordt nu gauw winter,' fluisterde hij tegen de hond.

Aar hief zijn kop op. Hij luisterde naar de stilte en was er evenzeer door verward als de jongen.

'Karana denkt niet dat hij het hier een hele winter uithoudt bij Galeena en zijn volk. Karana doet veel moeite om de toverkunst te bedrijven die hen laat verdwijnen.'

De hond jankte en likte zijn gezicht. Het was net of hij de woorden van het kind begreep en hem wilde vertellen dat zijn plan gedoemd was te mislukken, maar dat Broeder Hond hem er niet om zou veroordelen.

Karana zuchtte. Zijn enthousiasme over zijn bedrevenheid als tovenaar werd overstemd door zijn gezonde verstand. 'Als Torka Galeena niet wegjaagt, gaat Karana hier weg. We zouden samen een groep kunnen vormen. Karana en Aar. Dat zou niet gek zijn.' De hond zuchtte zacht en Karana lag stil en dacht na over wat hij net had gezegd. Dat zou niet gek zijn. Dat zou onmogelijk zijn. Tenzij zijn been genas.

Hij sloot zijn ogen. Hij zou proberen om zijn been te genezen door middel van toverkunst. Dat zou toch niet zo moeilijk zijn als wolken opwekken? En dat had hij gedaan, nietwaar? Hij sliep en droomde over een uitgestrekte, donkere, stormachtige en winterse toendra, over kinderen die stierven onder het koude vuur van het noorderlicht, en over een jongetje dat een adelaar volgde naar een Machtige Berg waar hij veel te lang in zijn eentje als een dier had geleefd.

Hij werd met een schok wakker. De zon kwam al boven de besneeuwde berg in het oosten uit. Broeder Hond was verdwenen. En voor het eerst sinds hij in Torka's strik vast was komen te zitten, deed zijn been helemaal geen pijn.