4

Lonit schreeuwde, maar het geluid klonk gedempt in het benauwde, bedompte kamertje waarin ze lag. Het was een van de hokjes aan het eind van de talloze, labyrintachtige ondergrondse gangen. Net als in de tunnels waren de muren en het kegelvormige dak verstevigd met mammoetribben en slagtanden en daarna gedicht met dezelfde dikke brij van uitwerpselen, gras en afval die op de vloer lag. De hele kamer was vochtig, stonk en gloeide als een zwerende wond. Lonit schreeuwde weer en hapte naar lucht. Een paar getatoeëerde vrouwen zaten om haar heen terwijl ze haar barensweeën doorstond. Ze hadden haar op een bed gelegd dat bestond uit een paar lagen schimmelige vachten op een matras van rottend gras en mos. Onder het bed zat een geraamte van mammoetribben om te voorkomen dat het matras niet in de warme, stinkende drab op de grond terechtkwam. Op tafeltjes van kariboeschedels met poten van beenderen stonden twee olielampen te branden. In het flauwe, flikkerende licht vormden de gezichten van de vrouwen een glimmende, donkere massa. Een van hen glimlachte vol medelijden en begrip. Ze stond op om aan Lonits wens gehoor te geven.

De vrouw was op een lendendoek van veren na naakt en ze was bijna even groot als Lonit. Ze kon zonder moeite bij de nok van het dak en haalde uit het midden ervan een grote plag. De warme, stinkende lucht schoot naar buiten en vormde een stoomwolk toen koude lucht de kamer binnenkwam.

Lonit ademde de lucht diep in. Het was heerlijke, schone lucht, die uit de wereld daarboven kwam, de wereld waar Torka leefde en naar haar zocht, zo langzamerhand waarschijnlijk zonder enige hoop haar ooit nog te vinden. Ze moest moeite doen zijn naam niet uit te schreeuwen.

Een van de vrouwen beet de vrouw die het luchtgat had geopend een verwijt toe. De lange vrouw deed het dicht en de andere vrouwen mompelden goedkeurend. Lonit kokhalsde bijna toen de stank van de kamer haar weer omgaf. De lange vrouw die zag hoe moeilijk ze het had, deed het luik weer open. De andere vrouwen spraken haar scherp toe, zo te horen in verschillende dialecten, maar de lange vrouw keek de anderen alleen maar kwaad aan, met haar getatoeëerde handen op haar brede, getatoeëerde heupen. De anderen kwamen overeind en een van hen gilde een zin die abrupt eindigde met het woord gulap. De lange vrouw reageerde met een nog vinniger zin die op hetzelfde woord eindigde. De anderen stonden allemaal tegelijk op, in eensgezinde woede, en gingen het kamertje uit door een lage, met een huid afgeschermde uitgang die niet veel meer was dan een gat in de muur. De lange vrouw zuchtte, schudde haar hoofd en kwam naast Lonit zitten. 'Gulap zal toch wel komen,' zei ze. Lonit was verbaasd haar eigen taal te horen.

De lange vrouw glimlachte toen Lonit liet merken dat ze haar verstond. 'Jij en Aliga, wij zelfde taal spreken. Komen vast uit zelfde streek. Ver weg. Naar het westen, ja?'

'Ja!' ;

Aliga's glimlach werd weemoedig. 'Daar was het leven goed. Lang geleden. We kunnen het maar beter vergeten. Het stinkt hier als een lijk in de zomer, maar het is goed te weten dat we ondanks alle stank toch leven.'

Op dat moment kreeg Lonit weer een wee en merkte ze niets meer: het was zo'n hevige, allesoverheersende pijn dat er een ogenblik lang niets anders was dan dat. Een golf van pijn drukte haar... langzaam... omlaag... en ebde toen weer weg.

Aliga legde haar hand onderzoekend op Lonits buik. 'Je baby zal nu gauw komen.'

'Waar is Iana? Ik zou haar nu graag bij me hebben.' 'Je vriendin, ze is bij de mannen. Ze is nieuw, dus ze zullen een hele tijd met haar bezig zijn. Wees blij dat je hier bent. Wanneer de baby er is, zal ik je, als je wilt, iets te drinken geven om het bloeden lang te laten duren. Geen man zal aan je komen zolang je bloedt.' 'Wat hebben ze met Iana's baby gedaan?'

'Sterke jongen, die baby! Veel vrouwen hier zullen trots zijn dat ze hem de borst mogen geven. Wanneer hij groter is zullen de Spookmannen hem meenemen naar de grote bijeenkomst van mammoetjagers niet ver hiervandaan. De Spookmannen zullen hem voor veel mooie dingen ruilen, en voor nog meer vrouwen. Lonit staarde haar aan en durfde bijna niet de volgende vraag te stellen. 'En Karana... gaan ze die ook verhandelen?' 'De kleine met het manke been? Nee, hij is zo mooi als een meisje. Spookmannen zullen hem als een vrouw gebruiken. Bij sommige groepen zijn zulke jongens heel waardevol op lange tochten zonder vrouwen.' Ze zag dat Lonit het niet begreep. 'Jongens bloeden niet op lange tochten en krijgen geen baby's in buik. Sommigen hebben liever jongens dan vrouwen.' Ze zuchtte bedroefd. 'Je vriendin heeft geluk dat ze een jongen heeft. Deze vrouw hoopt dat jij ook een jongen krijgt. Dan zullen de Spookmannen je baby laten leven... als Gulap zegt dat de voortekenen goed zijn.' 'Gulap?'

'Ze is de oudste zus van de hoofdman en de moeder van zijn lievelingszonen. Ze is al heel oud en ze is heel slim. Ze is heel intelligent dat ze in zo'n groep zo lang in leven is gebleven.' Aliga hield opeens op met praten. Er kwamen stemmen op de bloedkamer af. Aliga legde een waarschuwende hand op Lonits pols. 'Wees dapper en sterk, Vrouw Uit Het Westen, en zeg niets dat Gulap boos maakt. De hoofdman heeft gezegd dat je van hem zult zijn wanneer je na de bevalling ophoudt met bloeden. Hij heeft gezegd dat hij je zelf zal tatoeëren. Dat is een grote eer, maar Gulap is er erg kwaad om. Haar broer zal nooit meer naar haar kijken zoals hij naar jou heeft gekeken.'

'Maar deze vrouw is lelijk! Waarom wil hij mij hebben?' Aliga keek Lonit aan alsof ze haar oren niet kon geloven. 'Je hebt de ogen van een vluchtende hinde. Bij veel groepen geldt het als een teken van grote schoonheid. Het is net zo zeldzaam als een witte leeuw of de roep van de fuut die geen strepen op zijn rug heeft. Het zeldzame, het ongebruikelijke wordt bovenal gewaardeerd. Je bent mooi, Lonit, Vrouw Uit Het Westen. Heeft niemand je dat ooit verteld?

'Eentje maar. Maar dat was genoeg... Het betekende alles voor me...'

De hele nacht lieten de mammoets hun klaaglijke geluid horen. Torka sliep onrustig tot de dageraad de toendra zacht kleurde en de oostenwind een ongelooflijk smerige stank aanvoerde. De honden hadden het ook geroken. Ze waren allebei tegelijk overeind gekomen, hadden zich naar de stank gedraaid en zich daarna afgewend. Ze ademden door hun neus uit alsof ze probeerden hun neusgaten schoon te blazen. Aar begon opeens onrustig rond te draaien en zacht jankend te snuffelen.

Torka kwam overeind. Hij herkende de geur van mensen in de wind. Het stonk nog meer naar rottend afval dan op de richel nadat Galeena het bewind had overgenomen. Het was onmiskenbaar de stank van een kamp. Maar al zocht hij de horizon af tot zijn ogen traanden en brandden, hij zag geen enkel teken van leven... totdat Aar zich omdraaide naar het noorden en stokstijf bleef staan. Torka volgde de blik van de hond en kon even niet reageren. Een lange stoet mensen kwam op hem af, te veel mensen voor de roversbende waarnaar hij op zoek was. Hij zag vrouwen die zwaar bepakt waren en mannen met speren en stokken om in de sneeuw te steken. Als er al kleine kinderen waren, zag hij die in elk geval niet. Een groepje jagers kwam roepend en met opgeheven speren op hem afrennen. Hij bleef staan, met zijn eigen speer in de aanslag en Aar grommend naast zich.

De mannen waren gekleed in fijnbewerkte huiden en roken toen ze dichterbij kwamen niet alsof ze in vuiligheid leefden. De leider van de groep bleef net buiten speerworpafstand met opgeheven arm staan. Een tweede, jongere man kwam naast hem staan. Hij droeg kleren die uitsluitend van het witte buikvel van in de winter gedode kariboes waren gemaakt. Hij stak ook zijn arm omhoog en de haviksklauwen die onder aan zijn medicijntas zaten, bungelden in de wind.

Torka bewoog niet, tot de eerste man zijn speer neerwierp om zijn vreedzame bedoelingen aan te geven. De man in het wit gooide ook zijn speer neer, al merkte Torka bij hem enige aarzeling. 'We zijn op zoek naar de grote bijeenkomst van mammoetjagers bij het begin van de Gang der Stormen.' De stem van de eerste man klonk helder en met even weinig dreiging als een wolkeloze lucht. 'We hebben de mammoets vannacht horen roepen. We willen graag jagen!' De stem van de tweede man was dun en scherp als een goedgesneden pijlpunt. 'Waar is jouw groep, Man Die Met Honden Trekt?'

Torka werd niet zozeer door hun toon als door hun dialect getroffen. Hij kende het net zo goed als zijn eigen dialect... het was Karana's taal. Hij keek naar het aantal mensen en de weinige kinderen die er waren en wist instinctief dat het Karana's volk was. Zonder zich nog om zijn eigen veiligheid te bekommeren wierp hij zijn speer neer. 'Ik ben Torka! Ik ben op zoek naar de Spookbende die mijn vrouw en Karana, zoon van Supnah, heeft gestolen! Als jij Supnah bent, sluit je dan bij mij aan. Vandaag zullen we niet op mammoets jagen, maar op mensen!'

In het Spookhuis deed Karana net of hij sliep. Geheel ontkleed bleef hij doodstil liggen, bang dat wanneer hij bewoog zijn kwelgeesten hem weer opnieuw zo onnatuurlijk zouden gaan gebruiken. Hij hoorde hoe ze zich in het zweetkamertje ernaast met urine afspoelden. Hij had net gedaan of hij hen niet verstond, maar zijn talent om de totaal andere taal te ontrafelen was goed van pas gekomen. Nu ze zich met hem - en met elkaar - hadden bevredigd, hadden ze het erover dat ze op een andere prooi wilden gaan jagen.

Het geluid van de mammoets had hen bijna net zo opgewonden als hun verkrachting van Karana. De manier waarop de beesten riepen gaf duidelijk aan dat er een of meer in de modder terecht waren gekomen. De anderen bleven in de buurt en probeerden te helpen of te troosten.

De rovers zeiden dat de hoofdman al met een grote groep verkenners was gaan kijken waar de mammoets zich bevonden en ze hadden het over het plezier dat ze zouden hebben wanneer ze de beesten gingen doden.

Karana luisterde en haatte hen. Hij haatte hen omdat ze hem pijn hadden gedaan diep in zijn lichaam, waar geen enkele man een andere man, laat staan een halfvolwassen jongen pijn zou mogen doen. Hun stemmen zwollen aan en zakten weer weg. Karana's haat zwol aan en zette zich vast in een onwrikbaar besluit. Ga maar. En terwijl jullie jagen, zal ik mijn kleren pakken en ontsnappen, als de rook door het luchtgat in het dak van deze kamer, voordat iemand het merkt. Ik zal Torka vinden en hem hiernaartoe brengen. Samen zullen we zien of de Spookmannen even makkelijk bloeden als de mannen en vrouwen die zij voor de lol doden. Het idee was bemoedigend, maar opeens drong het tot hem door dat hij totaal niet wist wat ze met zijn kleren hadden gedaan. Zijn blik ging naar de ladder van botten die hij omhoog zag gaan naar het luchtgat van de kamer. Een koude, vijandige wereld wachtte daar achter het luik van plaggen. Als hij snel was, zou hij nu kunnen ontsnappen. De stevige, doorvoede Spookmannen zouden hem geen van allen door het gat kunnen volgen, maar Karana was lenig en klein genoeg om zich erdoorheen te kunnen wurmen. Hij beefde van opwinding, maar besefte dat hij geen enkele kans had om te overleven zonder zijn kleren... tenzij hij Torka meteen vond. En hoeveel kans was daarop? Als hij zich nu eens vergist had met zijn voorgevoelens? Als de schaduwen die hij op de toendra had gezien nu eens alleen maar spelingen van de wind en het licht van de sterren waren geweest?

In een van de stinkende, labyrintachtige tunnels hoorde Karana Lonit schreeuwen. Hij voelde haar pijn en kende haar angst. Hij deed zijn ogen stijf dicht en beval de geest van de moed om in hem te groeien. Lonit was Torka's vrouw. Hij had zijn leven aan Torka te danken. In het Spookhuis waren Karana, Lonit, Iana en de kleine Ninipik dood voor de wereld daarboven.

Misschien kan een naakt jongetje wel overleven, dacht hij terwijl hij langzaam opstond van de vuile matras van bont en mos. Torka leeft. Torka is dichtbij. Net als op die koude, heldere ochtend toen de berg hem vanuit zijn eigen binnenste had toegesproken, was de stem die nu tot hem zei dat Torka leefde, de stem van een geest. Karana kon die stem net zomin negeren als het geschreeuw van Lonit. Hij had al eerder vrouwen met barensweeën gehoord. Het moment van de bevalling was aangebroken. En het moment om te ontsnappen eveneens.

Met of zonder kleren, hij zou misschien nooit meer zo'n kans krijgen. Muisstil haalde hij de slaapvachten van het matras en net zo snel als een adelaar die van zijn nest opvliegt, vloog Karana de ladder op, schoof de plaggen opzij en drukte zich door het luchtgat omhoog, terug naar de wereld van de levenden. Met Aar, die op de geur afging en hen net als een meute leidde, voorop, trokken Torka en de mannen van Supnah over de toendra op zoek naar het Spookhuis, achter de mensengeur aan die heel even van de aarde was opgestegen en de wind had bevuild. Nog even kwam de geur terug, sterk en zoet, stinkend naar warme urine en ontbindend afval en uitwerpselen. Daarna was de lucht even volledig verdwenen alsof ze het zich hadden verbeeld. Ze stopten en snuffelden als dieren. Supnahs regelmatige, verweerde gezicht stond strak van inspanning. De man die gekleed was in huiden van in de winter gedode kariboes knielde naast hem neer waarbij hij op de bal van zijn voet steunde. 'Weet mijn broeder Supnah heel zeker dat hij deze Spookmannen wil achtervolgen terwijl we ons halve leven al bezig zijn om hen te ontlopen?' 'Als Karana bij hen is, zal Supnah hen achtervolgen,' antwoordde de oudere man.

'Karana is beslist bij hen,' zei Torka nadrukkelijk. 'En deze man zegt dat spoken geen sporen achterlaten die kunnen worden gevolgd.'

Navahk de tovenaar keek Torka aan met kille, diepliggende ogen die dwars door hem heen leken te kijken. Torka had, dacht hij, nog nooit zo'n knappe man gezien en ook nog nooit een die hij instinctief zo wantrouwde. Zelfs Galeena had niet zo'n negatieve reactie bij hem opgewekt toen hij hem voor het eerst had ontmoet. Misschien stond hij door zijn ervaring met die hoofdman negatiever tegenover alle vreemdelingen? Hij wist het niet. Supnah stond hem niet tegen, hoewel hij moeilijk kon vergeten dat de man Karana in de steek had gelaten. Toch zag Torka een gelijkenis tussen de jongen en het verweerde gezicht van de vader en werd hij aangetrokken door de heldere, intelligente blik die zijn spontane maar voorzichtige karakter weerspiegelde. Supnah was heel anders dan zijn jongere broer.

De tovenaar was behoedzaam in elk woord en gebaar. Om zijn grote, volle mond lag een zelfvoldane glimlach, alsof hij een groot en geweldig geheim kende dat niemand anders te weten zou komen tot het te laat was... en ook dan maakte het weinig verschil, omdat enkel Navahk het kon begrijpen. Torka had nog maar net aan Supnahs groep verteld hoe Karana een adelaar was gevolgd naar een veilig toevluchtsoord op de Machtige Berg of hij voelde al de priemende blik van de tovenaar. Hij had zich naar de man omgedraaid en Navahk had heel vriendelijk geglimlacht waarbij hij grote, volmaakte tanden liet zien die merkwaardig puntig waren alsof hij een mond vol hoektanden had. Maar het waren niet de merkwaardige tanden van de man die Torka's aandacht trokken en hem voorzichtig maakten. Het waren zijn ogen. Die kenden diepten waarin vreemde stromingen dreigden. Hoewel Navahk glimlachte en het tegendeel veinsde, had hij toch blijkbaar reden om niet blij te zijn met het bericht dat Karana, de zoon van zijn broer, nog leefde en evenmin was hij er erg op gebrand hem van de Spookbende te redden.

Maar Supnah was opgetogen. Hij leek ineens jonger. 'Karana is eens door deze man in de steek gelaten. Dat zal niet weer gebeuren!' Hij legde een sterke, prachtig gehandschoende hand op Torka's arm. 'Het is goed dat de geesten ons hebben samengebracht.' 'Inderdaad,' stemde Torka in. Navahk, de tovenaar, zei niets.

De jagers schudden hun speren en ze waren het er allemaal mee eens dat het tijd was om op de Spookbende te jagen, als Supnah dat wilde. Die bende maakte al veel te lang slachtoffers en deden al te lang alsof hun medemensen dieren waren waarop kon worden gejaagd.

Navahk glimlachte nog breder. 'Kunnen mensen op geesten jagen? Men zegt dat de Spookmannen zelf geen echt vlees hebben en daarom vrouwen van de mensen stelen. Anders zouden ze geen zonen kunnen krijgen. Kunnen we daarom kwaad op hen zijn?' 'Als ze jouw vrouw hadden gestolen zou je niet de behoefte voelen om je woede te rechtvaardigen,' zei Torka koel. 'Deze man zegt je dat ze niet alleen vrouwen uit Torka's kamp hebben gestolen. Ze hebben ook vachten meegenomen en het weinige eten dat we hadden. Spoken hoeven niet te eten en hebben geen kleren nodig. Het klinkt meer alsof het mannen zijn die liever vrouwen bij andere groepen wegstelen dan dat ze de tijd nemen om zelf meisjes groot te brengen. De jagers begonnen te mompelen. Navahks mondhoeken trokken naar binnen zodat zijn wangen onder de hoge, bolle jukbeenderen hol werden. 'Men zegt dat het grote, harige geesten zijn met het lichaam van een bizon en de tanden van een kat. Men zegt dat hun gezicht zwart is en dat de enige gelegenheid waarbij mensen naar hen mogen kijken zonder te worden gedood, de grote bijeenkomst is waarbij ze goederen ruilen voor vrouwen. Ze komen in de mist en verdwijnen daar ook weer in. Niemand heeft ooit jacht op hen durven maken zoals wij nu doen.'

Weer mompelden de jagers. Deze keer keken ze naar Supnah en wachtten tot hij zijn broer van repliek diende. Supnah wist even niet wat hij moest zeggen.

Torka wist dat Navahk gebruikmaakte van de angsten van de anderen. Was de tovenaar bang? Torka keek naar zijn glimlach, zijn ogen en de rechte, strakke lijnen van zijn lichaam in het witte omhulsel van zijn kleren. Nee, Torka was ervan overtuigd dat Navahk niet snel angst voelde. Zijn aarzeling om de Spookbende achterna te gaan was op minder uitgesproken redenen gebaseerd. Zijn tong was even koud, snel en gevaarlijk als een rivier die zwelt in de lente. Uit de manier waarop anderen hem behandelden, maakte Torka op dat Supnah niet de enige in deze groep was die beslissingen nam. Bij alles werd Navahks oordeel gevraagd. Samen hadden Supnah en Navahk het leven van hun volk bepaald en rust gebracht, maar hoewel Navahk er openlijk voor uitkwam dat ook hij leiding gaf, lag de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor succes of mislukking bij Supnah. Geen wonder dat de tovenaar glimlachte, dacht Torka, en hij herinnerde zich dat Karana had verteld dat door de voortekens die Navahk had gezien, Supnah zijn zoon had achtergelaten om voor de kinderen te zorgen terwijl de volwassenen op zoek gingen naar eten. De herinnering verontrustte hem. Waarom had Navahk zo'n advies gegeven? En hoe had Supnah naar hem kunnen luisteren? Voor hen uit, in de verre bochten van een van de bergkloven, begonnen de mammoets weer naar elkaar te roepen. Torka werd plotseling boos en ongeduldig maakte hij een gebaar in de richting van het geluid. 'Ga dan maar. Ga maar op mammoets jagen. Deze man zal naar de Spookbende gaan zoeken, naar zijn vrouw, naar de vrouw en het kind van iemand die een vriend van hem was en naar een jongen die als een zoon voor hem is. Torka zal alleen gaan. Hij is niet bang.'

Het was zijn bedoeling geweest om hen op stang te jagen, om hun trots te prikkelen en hen daardoor te laten doen wat hij zo dolgraag wilde. In zijn eentje had hij praktisch geen kans van slagen. Met bijna twintig gewapende mannen naast zich zou het misschien net lukken.

Maar ze bleven staan kijken. De uitspraken van hun tovenaar hadden hun enthousiasme verminderd. Zelfs Supnah leek nu onzeker. 'Hoe weten we dat Karana nog leeft en geen geest is?' vroeg de hoofdman.

Torka voelde minachting voor Supnah. Hij was zwak en Navahk manipuleerde hem als een stuk natte pees. Hij was niet geschikt om hoofdman te zijn. 'Dat weten we niet. We kunnen alleen proberen om erachter te komen.' Met die woorden draaide hij zich om en liep weg voordat hij zijn tong niet meer kon beheersen en zoiets beledigends over Supnahs mannelijkheid zei dat hij er met zijn leven voor moest boeten. Hij zou Karana, Lonit, Iana en kleine Ninipik alleen moeten vinden.

Hij ging harder lopen en was zo boos en teleurgesteld, dat hij halfblind was van onderdrukte woede. Aar en zijn vrouwtje renden in grote cirkels voor hem uit, met hun neus bij de grond en hun staart omhoog, tot Aar opeens doodstil bleef staan. Uit het oosten kwam een naakt jongetje moeizaam op hen aflopen.

Het gezicht van de oude vrouw was zwart. Er was geen stukje huid, zelfs niet op haar oogleden en oren, dat niet getatoeëerd was. Het waren uitwaaierende stippen die over haar gezicht golfden als de lange spiralen van het noorderlicht.

Lonit staarde haar aan door een waas van uitputting en wegebbende pijn. Nog nooit had ze zo'n lelijke verschijning gezien. De wenkbrauwen en wimpers van de vrouw waren met schimmel groen gekleurd. Haar haar was broos geworden en uitgebleekt doordat het telkens met urine werd gewassen. Het kringelde om haar gezicht heen als een waas van gevlochten spinnenwebben waarop een of ander dier zijn behoeften had gedaan. Haar gelaatstrekken waren verborgen in plooien geoliede, verweerde huid vol heuvels en dalen. En tussen die heuvels en dalen opende zich een ravijn: de mond van de vrouw. Uit die mond stroomden woorden die Lonit niet begreep, maar die werden gezegd met een jonge in plaats van een oude stem. Het was net of je een pasgeboren baby met de stem van een volwassene hoorde schreeuwen. Lonit was zo verrast dat ze even de angst vergat die ze had gevoeld toen Gulap de bloedkamer binnenkwam.

Nu glimlachte Gulap en liet kleine getatoeëerde tanden zien die puntig waren gevijld, een teken van schoonheid bij de vrouwen van de Spookbende. Ze schudde een ratel boven Lonit. Het was een uitgeholde klauw van een reuzenluiaard waarin botjes van knaagdieren waren gestopt. Ze gaven een droog geklik dat Gulaps woorden onderstreepte. Terwijl ze sprak begonnen de andere vrouwen te jammeren. Gulap glimlachte nog breder.

Lonit sloot haar ogen. De pijn kwam weer terug. Het was een verschrikkelijke, snoerende pijn die om haar rug en buik heen schoot als een onzichtbare gordel die telkens strakker werd aangehaald. Ze was ervan overtuigd dat hij haar doormidden zou snijden. Het zachte geweeklaag van de vrouwen leek haar pijn nog erger te maken. Ze hielden haar omhoog in de juiste houding om te baren. Daar was ze blij om. Ze was te zwak om zelf te knielen. Maar ze wilde dat ze ophielden met hun gejammer. Ze wilde... De pijn trok opeens door haar heen toen Gulap met een harde duw haar ratel als een dolk in Lonit stak en het met water gevulde vlies om haar baby doorbrak. Alleen de spanning van haar spieren die hevig samentrokken, had voorkomen dat de nu bloederige klauw door het vlees en bot van haar baby was gegaan. Gulap sprak. Gulap schudde haar hoofd. Ze zag hoe Lonit beschermend achteruit deinsde en zich heftig losrukte uit de armen van de vrouwen die haar vasthielden. Aliga stond het dichtst bij Lonit. Ze keek bedroefd en berouwvol toen ze voor Lonit vertaalde wat Gulap zei.

'Gulap zegt dat ze een eind zal maken aan je vrouwenpijnen. Gulap zegt dat je baby maar beter kan sterven. Gulap heeft slechte voortekenen voor je gezien: je melk zal giftig zijn en je kind zal bij geen enkele vrouw kunnen drinken.'

'En daar zorgt zij voor door een gat in het hoofd van mijn baby te slaan nog voor die kan gaan ademhalen!' Lonit keek Gulap woedend aan om haar duidelijk te maken dat Lonit niet in haar zogenaamde tovenarij geloofde.

'Kijk de wijze vrouw niet zo aan!' waarschuwde Aliga. 'Ze is niet wijs, ze is slecht! Zeg haar dat deze vrouw helemaal geen hulp van haar wil bij het baren van deze baby! Zeg haar dat Lonit geen zin heeft om de vrouw van haar broer te worden! Zeg haar dat als ze zich afzijdig houdt, Lonit wacht tot haar baby er is en dan weggaat. Samen met Iana en de jongen Karana zal Lonit ver weg gaan zonder ooit nog om te zien!'

Aliga keek van de een naar de ander. 'We zouden allemaal wel ver weg willen gaan zonder ooit nog om te zien. Als Gulap jou zou laten gaan zouden de mannen van deze groep haar doden.' 'Vertel haar wat ik heb gezegd!'

Aliga haalde haar schouders op en deed wat Lonit vroeg. Ze keek niet verbaasd toen Gulap boosaardig grijnsde en Lonit rechtstreeks toesprak.

Aliga vertaalde. 'Gulap zegt dat de jongen Karana naakt de kou is ingerend. Hij is nu al een tijd weg en zal wel dood zijn. Wanneer degenen die op mammoets zijn gaan jagen terugkomen, zullen ze heel kwaad zijn en de jagers straffen die zo slordig waren om zo'n mooie jongen te laten ontsnappen. Op dit moment zijn Liquah en Tlah nog op zoek naar zijn lichaam. Wanneer ze het vinden zullen ze het villen. Gulap zal er een jurk voor jou van maken die je kunt dragen wanneer het bloeden na de bevalling ophoudt. De hoofdman zal glimlachen omdat hij jou en wat er van de jongen over is tegelijkertijd kan nemen. En intussen zegt Gulap dat Vrouw Uit Het Westen zich geen zorgen over haar baby hoeft te maken. Die is vervloekt. Het maakt niet uit of het een jongetje of een meisje is. Zodra het kind geboren is, zal Gulap het zelf naar buiten brengen en de geest van de baby aan de wind prijsgeven.

Broeder Hond begroette Karana zo enthousiast dat de jongen omver werd geworpen. De jagers van Supnah gooiden al bijna hun speren naar het dier dat de lang vermiste zoon van hun leider leek te verslinden, maar Torka gaf een schreeuw en een paar tellen later rende Karana al weer op hen af terwijl Aar blij naast hem rende en de vrouwtjeshond hen verward jankend volgde. Nog nooit hadden de jagers van Supnahs groep een jongen met een beest zien lopen alsof het zijn broer was. Ze fluisterden tegen elkaar en vroegen zich af door welke toverkracht de kleine naakte jongen langs hen kon strompelen met een dier dat sprong alsof zijn geest betoverd was en dacht dat hij een menselijk wezen was in plaats van een wilde hond.

Navahk keek en luisterde vol wrok toen Karana voor zijn vader bleef staan en het gepaste welkom van de hoofdman van zijn groep in ontvangst nam. Supnah keek de jongen lang aan met ogen vol liefde die niet in woorden was uit te drukken. Hij legde zijn handen op de schouders van het kind. Hij noemde hem Jongen Die Adelaar Volgt. Hij wikkelde hem in kleren die snel door andere leden van de groep waren gehaald.

Karana aanvaardde de naam trots. Hij was blij dat hij weer bij zijn vader was. Toch was er een vreemde, bitterzoete leegte in zijn hart waar de liefde voor zijn vader had moeten zijn. Supnah had hem de rug toegekeerd en hem in de stormen tijdens de lange duisternis in de steek gelaten. Torka daarentegen had zijn leven gewaagd en die stormen getrotseerd om hem te redden. Hij was nu trouw aan Torka verschuldigd. Het was Torka tot wie hij zich wendde en die hij zonder schaamte omhelsde, zoals een zoon een geliefde vader omhelst. Toen Torka hem ook omhelsde en hem Kleine Jager noemde, was die kinderlijke koosnaam hem liever dan de krachtigere naam die Supnah hem had gegeven. Jongen Die Adelaar Volgt. Dat was hij. Maar hij was ook Kleine Jager en hij wist dat hij altijd Torka's zoon zou zijn. En Lonits broer.

'Ze leeft,' zei hij. 'Ze gilt het uit van de barensweeën en haar leven is in gevaar. Ze is op de meest afschuwelijke plek die deze jongen ooit heeft gezien. Deze jongen zal je ernaartoe brengen. Samen zullen we Lonit uit het dodenrijk halen en terugbrengen in de wereld der levenden!'

'Het zijn dus toch spoken...' Navahks woorden waren half een constatering en half een vraag. De toon waarop hij sprak was even zacht als de dunste pees.

Karana verbleekte en Torka had het gevoel alsof er een pezen lus om zijn nek viel en straktrok.

'Kijk!' Karana wees naar het oosten, blij dat hij even niet naar zijn oom hoefde te kijken.

Twee gestalten, die op de puinhellingen in de verte nauwelijks te zien waren, kwamen op hen af rennen. Ze liepen telkens een kort stukje, zoals spoorzoekers doen, en alleen de stand van de zon voorkwam dat ze Supnahs jagers in de schaduw van de glooiende toendra zagen staan.

'Spookmannen,' fluisterde Karana. 'Dat weet je niet,' zei Navahk.

De jongen knikte. 'Hun huis is daar, onder die langwerpige berg die eruitziet als een heuvel. Ze zullen mijn spoor wel volgen, denk ik. Ze willen natuurlijk niet dat een gevangene ontsnapt en anderen naar hun schuilplaats brengt of anderen vertelt hoe makkelijk de Spookbende daar kan worden gedood. Het zou net zijn of je dassen uitrookte. Het Spookhuis is een grote burcht met veel tunnels en luchtgaten. Maar de luchtgaten zijn klein en er is maar één ingang. Als je die blokkeert en de luchtgaten dichtmaakt, gaan ze allemaal dood.'

'Of je gaat met speren bij de ingang staan, gooit vuur in de luchtgaten en maakt die daarna dicht. Dan zullen ze liever naar buiten komen net als het ongedierte dat ze zijn, dan dat ze stikken.' Torka glimlachte bij het idee. Met een paar kleine verbeteringen zou het misschien wel kans van slagen hebben.

'Geesten zijn onsterfelijk. Degenen die jacht op hen maken lopen de kans hun woede op te wekken,' zei Navahk ontwijkend. 'De Spookmannen hebben mijn woede opgewekt!' reageerde Torka fel. 'En nu zal ik je laten zien dat het echte mensen zijn!' Hij vroeg niemand om hem te volgen, maar zei tegen Karana dat hij niet mee mocht gaan. Met zijn knuppel en speerwerper in de aanslag sloop hij naar degenen toe die op zoek waren naar Karana. Het kostte hem niet veel tijd. De eerste man zag niet eens de speer die hem doodde. De tweede draaide zich vliegensvlug om en zocht naar tegenstanders die er niet waren. Toen Torka zich liet zien, was hij zo ver buiten speerworpafstand dat de man alle drie zijn speren wierp en ook nog die van zijn gevallen kameraad, zonder dat er een ver genoeg kwam. Torka glimlachte toen hij zag dat de man in paniek raakte. Nu zag de Spookman een spook. Hij ging rustig de speren van de man pakken. Langzaam raapte hij ze op, keek hoe ze in zijn hand lagen en merkte dat ze primitief, maar bruikbaar waren. De Spookman keek naar hem. Hij deinsde achteruit en struikelde bijna over zijn eigen voeten toen hij zich uiteindelijk omdraaide en begon te rennen.

Torka's speren vlogen als raketten achter elkaar uit zijn speerwerper. De eerste twee kwamen voor de man terecht en dwongen hem stil te staan, terwijl de derde door zijn rug schoot en bij zijn buik weer naar buiten kwam. Nog twee speren bleven achter in zijn dijen steken. Torka grijnsde tevreden. Achter hem kwamen Supnah en zijn mannen aanlopen, verbaasd door zijn dapperheid en de 'toverkunst' van zijn speerwerper.

'Geen toverkunst,' zei hij tegen hen en bood aan om een speerwerper te maken voor iedere man die er een wilde hebben... maar pas wanneer ze hem hadden geholpen om zijn vrouw te redden. Ze mompelden tegen elkaar. Hij hoorde hen nauwelijks, maar boog zich naar de stervende Spookman en rolde hem op zijn zij, zonder aandacht te schenken aan zijn geschreeuw van pijn omdat de speren nog in zijn benen staken. 'Je bent geen spook,' grauwde hij en dacht aan Manaak, Naknaktup en Umak terwijl zijn hand het leer om de keel van de man greep. 'Vertel hun wat je bent.' De ogen van de Spookman puilden uit in zijn zwarte gezicht. Onder de tatoeëringen verbleekte de huid toen het leven uit zijn ogen begon weg te trekken.

'Vertel het hun!' hield Torka aan, terwijl hij hem schudde en genoot van het idee dat hij hem pijn deed. 'Man... ik ben... een man... ik ben...'

'Weldra een dode man,' zei Karana terwijl hij de speer uit de buik van de man trok, wetend dat hij zo zijn ingewanden uitrukte. Hij zou langzaam sterven. Net zoals Karana langzaam had geleden onder de ruwe behandeling van deze man, onder zijn gewicht en onder het afschuwelijke besef dat dit degene was die Umak van achteren had neergeslagen en hem in de brandende kuilhut had gegooid zodat hij levend verbrandde.