10
Het was nog herfst, maar kleine scherpe sneeuwvlokken die door een gierende wind werden voortgejaagd striemden de bladeren van de wilgen en maakten de wereld wit.
De mensen van Galeena's groep bleven in de grot. Ze aten en sliepen en aten weer, en toen Lonit zich weer zorgen maakte omdat ze zoveel eten verspilden, lachten de vrouwen haar uit. Ze hadden een vaste pikorde en maakten het heel duidelijk dat zij helemaal onderaan stond. Toch gaven ze over het algemeen net zoveel vriendschap en gezelligheid als kritiek en advies. Tot Lonits verbazing vonden ze haar niet afschuwelijk, hoewel ze wel eens iets zeiden over haar uiterlijk. Toen Ai iets over Lonits ongebruikelijke oogleden zei, kwam de dikke Naknaktup voor haar op.
Als Galeena Ai lang genoeg laat leven, zal ze misschien op haar eigen rondkijkende ogen gaan letten en zich geen zorgen maken om Lonits ogen! Deze vrouw leeft al een hele tijd, ziet veel mensen met zulke ogen als Torka's vrouw. In sommige volken ver van deze plek vindt men zulke ogen mooier! Deze vrouw zegt dus: Als zo'n mooie man als Torka Lonit als vrouw neemt, zij misschien beter uitzien dan wij. En veel beter dan Ai omdat Galeena haar neus kapot heeft geslagen toen ze naar Lonits man keek!'
Alle vrouwen lachten, behalve Ai en Iana met haar verdrietige ogen, die nooit ergens om lachte. Lonit was te verbaasd om te reageren. Anderen met zulke ogen als zij had? Hele volken? Was dat mogelijk? Of zei Naknaktup het alleen om aardig te zijn. Nee. Voor deze vrouwen was vriendelijkheid een onbekend woord, behalve misschien voor Iana. Ze zat met hen in een kring om een grote ossenhuid geknield, die bijna was kaalgeschraapt. Ze waren allemaal opgehouden met hun werk: Ai om met openlijke vijandigheid naar Lonit te kijken, en de anderen, behalve Iana, om Ai uit te lachen.
Lonit wilde dat ze ophielden. Ais mond trok samen van verontwaardiging, wat de vrolijkheid van de andere vrouwen nog ver grootte. Lonit staarde onwillekeurig naar hun brede, gelijkmatig ronde, platte gezichten. Sinds Umak hen had gedwongen zich af en toe te wassen waren hun gelaatstrekken beter te zien. Ze hadden kleine gelijkmatige gezichtjes die zo op elkaar leken dat ze wel allemaal zusters van elkaar konden zijn. Zelfs de lelijkste van hen had de strakke, omhooglopende huidplooi die het ooglid bedekte waardoor hun ogen schuin naar hun slapen leken te lopen. Wat was ze jaloers op hun ogen en op hun leuke ronde gezichtjes. Maar verder niet! Zij was de vrouw van Torka en ze wist dat ze haar daar allemaal om benijdden.
Ai sprong overeind en veegde haar kleine, mollige handen af aan haar rok. 'Lach maar! Toe maar! Maar weldra zal Ai het hardst lachen! Lonit en haar man denken zij beter dan wij! Ergens anders zitten, neus optrekken voor ons eten, onze manieren! Nu wordt Lonits buik zo rond als een zomermaan. Weldra zal Ai met Lonits man slapen! En wanneer Lonits baby komt, zal Galeena hem beslist niet laten leven. Beslist niet! Daar zal deze vrouw voor zorgen!'
'Slaap nu. Maak je geen zorgen, klein Antilopeoogje. Geloof me. Galeena's vrouw kan niet voorspellen wat hij of welke man dan ook zal doen.'
Lonit had gewacht tot het heel laat was voordat ze hem vertelde waar ze bang voor was. Ze had hem zachtjes wakker gemaakt en nu pakte hij haar teder vast en kuste haar voorhoofd. 'Slaap maar,' drong hij aan. 'Torka is niet bang van de dreigementen van een jaloerse vrouw.'
'Jaloers? Waarom zou Ai jaloers zijn? Ze is Galeena's vrouw... en ze is mooi.'
'Lonit is mooi.'
Ze glimlachte flauwtjes. Ze wilde hem graag geloven, maar kon dat niet. 'Lonit zal weldra zijn zoals Ai zegt... even groot en rond als een zomermaan.'
Hij trok haar in zijn armen en liet zijn brede, sterke hand zacht op haar buik rusten. 'De zomermaan is de allermooiste maan.' Ze sloeg haar armen om zijn nek en drukte zichzelf en het kind tegen hem aan. Ze hield zoveel van hem dat ze even niets kon zeggen,
maar ze moest het zeggen. 'Lonit heeft Karana tegen Umak horen zeggen dat dit een slecht kamp is, dat we deze plek moeten verlaten, Jat de Machtige Berg door zijn mond heeft gesproken om ons te waarschuwen dat we weg moeten gaan.'
'Karana is een kleine jongen. Zouden de geesten van de berg door hem spreken in plaats van door Umak?' 'Umak is oud. Misschien...'
'Umak is Heer der Geesten. Als de geesten tegen iemand zouden spreken, zou dat tegen hem zijn. En hij is gelukkig in dit kamp. Hij heeft hier weer de kracht van zijn mannelijkheid gevonden. Luister dus maar niet naar het geklets van een domme vrouw en een nog dommer kind. Weldra zal Torka's vrouw onze zomermaan baren. Weldra, zal de tijd van de lange duisternis aanbreken. Wij zullen hier blijven, op deze hoge, veilige plek. Deze plek was van ons voordat hij van Galeena was. Dankzij Umaks toverkracht is zijn volk aan het veranderen... in elk geval een beetje. Op den duur zal het beter gaan tussen onze volken. Hij onderdrukte een geeuw en ging wat anders liggen. 'Lonit zal het zien. Weldra zal dit weer een goed kamp zijn.'
Ze wilde hem tegenspreken, hem vertellen over haar angstige herinneringen aan de nacht toen de vuren hoog hadden gebrand en de mensen van Galeena's groep hadden gedanst en zij zich had verbeeld dat de hoofdman haar had bedreigd; maar Torka was in slaap gevallen en ook zij moest geeuwen en haar ogen werden zwaar. Misschien was het maar goed ook. Galeena had verder geen avances gemaakt en haar ook op geen enkele manier meer bedreigd. De nacht van de dansende vuren leek lang geleden, alsof het een halfvergeten boze droom was. Ze zuchtte en was blij dat ze de herinnering kon laten vervagen. In Torka's armen, met hun ongeboren kind dat hoog onder haar borsten sliep, leek het leven zelf op een droom. Ze deed haar ogen dicht en viel in slaap, glimlachend omdat ze wist dat geen enkele droom zoeter of ongelooflijker kon zijn dan wat ze nu samen met Torka had.
Het was een tijd om verhalen te vertellen. Umak sprak als eerste. Toen zijn stem het begon te begeven en het duidelijk werd dat het Weer iedereen de rest van de dag en de nacht op de richel zou houden, nam Galeena het over. Umaks verhalen waren ingewikkelde allegorieën over mens en dier en hun eeuwige strijd en verbondenheid met de krachten der Schepping. Galeenas verhalen waren echter heel directe, tamelijk fantasieloze verhalen over dappere avonturen in verre streken. In Umaks verhalen waren mens en dier altijd ondergeschikt aan de krachten van hemel en aarde. In Galeenas verhalen daarentegen waren hij en zijn volk de centrale figuren waarom al het andere draaide. De zon, de maan, de sterren, alles draaide om Galeena. Hij vertelde over ongelooflijk klinkende jachtvelden waar hij en zijn jagers doodden tot al het wild verdwenen was. Hij vertelde over feestmaaltijden die dagen duurden tot al het eten op was en hij en zijn groep naar het jachtgebied van andere volken moesten gaan. Hij vertelde nog eens over de Gang der Stormen, een winderig stuk open grasland met veel wild, dat angstaanjagend smal was en tussen kilometers hoge bergen lag die louter uit ijs bestonden... bergen die bewogen en kreunden als vrouwen in barensnood en die soms met veel geraas in grote lawines naar beneden kwamen en mensen of dieren die eronder liepen bedekten. Voor het eerst veranderden de toon en de strekking van zijn verhalen. Hier, in de koude, winderige schaduw van zijn herinneringen aan de Gang der Stormen, gaf Galeena de verhalenverteller aarzelend toe dat zelfs de machtige Galeena, de held van zijn verhalen, slechts een mens was.
'Hoeveel sterven bij Gang der Stormen, waar bergen lopen als mensen?' Zijn vraag maakte deel uit van zijn voordracht. 'Velen sterven bij Gang der Stormen, waar bergen lopen als mensen!' antwoordde zijn jagers als één man. Zijn vrouwen weeklaagden alsof ze één waren. De jongens van zijn groep luisterden met grote ogen, ook al hadden ze het verhaal zo vaak gehoord dat sommigen van hen de woorden in stilte met Galeena mee konden zeggen. 'Sterven ze doordat de berg valt?' Weer hoorde Galeena's vraag bij het verhaal.
'Ze sterven niet doordat de berg valt!' 'Zeg ons waardoor de mensen sterven!' 'De mensen sterven door de woede van Grote Geest!' 'Ei-ja! En wie is de wijste hoofdman van alle groepen? Wie beschermt volk tegen vallende berg? Wie leidt volk weg van Grote Geest wanneer hij naar ons toe komen als de wind?' 'Galeena!' En wie vertelt zijn volk om nooit meer op Grote Geest te jagen? Welke man redt leven van deze groep terwijl anderen Grote Geest achtervolgen en sterven?' 'Galeena! Ei-ja-hee! Ga-lee-na!'
Hij straalde bij hun openlijke verering en keek toen kwaad omdat hij zag dat Manaak met het gehavende gezicht als enige van de jagers niets had gezegd en duidelijk niet onder de indruk was. Zelfs Torka leek betoverd door zijn verhaal. Torka zat in kleermakerszit bij zijn eigen vuurkring samen met Lonit en Karana. Ze zaten alle drie naar de grot toe gekeerd en keken hoe Galeena ging staan en zich breed maakte.
'Waar ligt de Gang der Stormen?' vroeg Torka.
'In het oosten, in de richting van de opkomende zon,' antwoordde Manaak.
Galeena snoof vol ongeloof. 'Wat voor soort jager Gang der Stormen niet kennen?'
'Deze soort,' gaf Torka kalmpjes toe, niet in de stemming om zich op stang te laten jagen. 'Torka is een man van het westen. Torka kan niet weten wat hij niet heeft gezien.'
Weer snoof Galeena. 'Wat voor weet-niets mensen wonen in westen en weten niet dat meer mammoets in oosten grazen?' 'Mensen die de kariboes volgen geven weinig om de gewoonten van mammoets,' zei Torka. 'Wij vinden het vlees van de mammoet alleen geschikt om in de ergste periode van de kwijnende maan te eten. Het is te taai. Het smaakt te sterk naar het bittere sap van de bomen die ze eten. Zelfs de geur van het vlees staat ons tegen.' 'Ha!' riep Galeena vol enthousiasme. 'Volken komen van overal naar grote kamp. Doden veel mammoets. Taai vlees geeft taaie mensen!'
En stinkend vlees geeft stinkende mensen, dacht Karana vol verachting. Plotseling kwam er een idee bij hem op en hij vroeg zich af waarom hij er niet eerder aan had gedacht. 'In dit grote kamp waar veel volken komen... heeft Galeena daar de groep van Supnah gezien? Hij voert veel mannen en veel vrouwen aan. Hij houdt niet erg van mammoetvlees, maar in tijden van hongersnood...' Galeena vond het niet prettig dat het kind hem onderbrak. 'Wat jij geven om die Supnah?'
; Karana vertelde het hem en Galeena gromde en zei tegen de jongen dat hij inderdaad een man had gezien die Supnah heette en samen met hem bij het vuur had gezeten.
'Grote groep. Geen kleintjes. Geen baby's. Een paar vrouwen. En tovenaar. Navahk, hij zo heten?' Karana's ogen werden groot. 'Navahk. Zo heet hij.' Galeena gromde weer. Hij vertelde Karana dat hij en zijn groep Supnah en zijn volk waren tegengekomen toen ze nog op weg waren naar het grote kamp. Ze hadden allebei een paar kariboes buitgemaakt. Ze hadden samen een kookvuur gemaakt, en Galeena had Supnah uitgenodigd om samen met hem verder te gaan naar de grote bijeenkomst van mammoetjagers dicht bij het begin van de Gang der Stormen. Supnah kende het gebied niet en had gezegd dat hij niet van mammoetvlees hield.
'Laatste keer Galeena die man zien, hij was nog bij vuur. Lang geleden. Supnah zeggen hij daar blijven, kariboes jagen, dan verder gaan, achter kudde aan, waar die maar gaat.' 'Maar hij heeft beloofd dat hij me zou komen halen, dat hij alle kinderen zou komen halen. Hij...'
'Zei niets over zoon. Zei niets over kinderen. Dus Galeena nu tegen Karana zeggen dat toen Grote Geest velen in kamp van mammoetjagers had gedood, Galeena zijn groep weer naar westen voerde, weg van Grote Geest, om die Supnah te zoeken, omdat hij denken misschien twee groepen beter dan een. Maar Supnah weg. Supnah achter kariboe aan. En Grote Geest achter Supnah aan. Galeena ziet sporen. Dus Karana Supnah vergeten, alle jagers vergeten die over toendra trekken zonder hoge, veilige berg om hen te beschermen tegen Grote Geest!'
Karana's hoofd tolde. Hij wist dat iedereen naar hem keek, maar het kon hem niet schelen. 'Jij zag sporen van de Grote Geest en volgde Supnah niet om hem te waarschuwen?' riep hij uit. Galeena's mensen mompelden. De vraag van de jongen had als een beschuldiging geklonken.
'Grote Geest volgen?' Galeena schudde zijn hoofd. 'Waarom deze man dat doen? Galeena niet bereid om zijn geest aan de wind toe te vertrouwen! Jagers jagen op wild en niet op boze geesten! En wat maakt het Karana uit wat er gebeurt met iemand die wegloopt en hem achterlaat om dood te gaan?'
'Omdat ik niet ben doodgegaan! Omdat hij mijn vader is! Omdat zijn volk mijn volk is! Omdat ik weet dat als hij gekund had, hij zeker zou zijn teruggekomen! En omdat Karana niet zoals Galeena bang is van de Grote Geest!
Hij wist meteen dat hij ver over de schreef was gegaan. Lonit hapte naar adem en hij hoorde Umak ingehouden snuiven nog voor de boze blik van Torka hem tot bezinning bracht. Torka las hem kwaad de les. 'Pas als Karana tegenover de Grote Geest heeft gestaan, zoals deze man en Galeena en zijn jagers, zal hij weten wat angst is. Of de Grote Geest nu van vlees en bloed is of niet, vele dappere mannen zijn gestorven toen ze probeerden de grote mammoet met de vele namen te doden. Dit is een klein jongetje met een mond die twee keer zo groot is als hijzelf! Pas als hij een man is en de verantwoordelijkheden van een man op zijn rug torst, wil Torka hem zijn ouderen horen uitdagen of bekritiseren. Want zij zijn heel wijs en Karana allerminst.'
Karana schaamde zich door het verwijt, maar zag wel dat het Galeena kalmeerde en zijn jagers minder boos maakte. Ze mompelden allemaal instemmend na Torka's woorden. De vrouwen knikten en de jongens joelden luid onder aanvoering van Ninip. Karana liet zijn hoofd hangen. Hij hoorde Umak zeggen dat Karana een jongen was die snel leerde en niet nog eens dezelfde fout zou maken. Hij voelde zich misselijk en verraden.
Om de spanning wat te verminderen begon Umak een verhaal te vertellen. Zijn twee vrouwen stonden op en zeiden tegen de anderen dat ze het vlees moesten doorgeven. De mensen van Galeena gingen verder met hun eindeloze feestmaal.
Lonit bood Karana een oud sneeuwhoenderei aan. Het was een van zijn lievelingskostjes, maar hij bedankte ervoor. Hij had geen trek. Ver weg op de toendra huilde een wilde hond met een geluid dat gedempt werd door de vallende sneeuw. Of was het een wolf? Karana wist het niet.
Hij voelde zich rusteloos en ging bij de rand van de overhangende rotspunt staan. Umaks lied vulde de grot. De woorden vulden het hoofd van de jongen als rook. De Machtige Berg had echt iets betoverends, dacht hij. Het was een duistere, ondermijnende toverkracht die zelfs van dappere en eerbare jagers zoals Torka en Umak meelopers maakte die in de uitspattingen en lafheid van een man als Galeena wijsheid zagen.
Deze jongen blijft hier niet. Het is een slecht kamp. Net zoals Broeder Hond het kamp heeft verlaten, zo zal ook Karana gaan. Hij Za] zijn eigen volk naar het oosten volgen, in de richting van de opkomende zon. En wat Torka ook zegt, Karana zal niet bang zijn. Maar toen hij naar beneden keek, naar de ijzige, steile weg die hij zou moeten gaan om de grot te verlaten, was hij wel bang. Hij had deze wand van de berg vele malen beklommen voordat hij gewond raakte. In de zon, in de regen, met ijzel en met sneeuw wist hij elk steunpunt voor handen en voeten te vinden. In het beste geval was het een beklimming die tijd kostte en niet zonder gevaar was. In het ergste geval was het een levensgevaarlijke beklimming en zou alleen een dwaas eraan beginnen.
Karana was niet dom. Hij was zo lang in zijn eentje op deze berg in leven gebleven dat niemand van hem kon zeggen dat hij dom was. Maar Torka had dat net wel gedaan en nog wel ten overstaan van de hele groep.
Karana kreeg een brok in zijn keel. Toen hij probeerde te slikken verdween die niet. Hij had niet geweten dat hij zo graag door Torka gewaardeerd wilde worden en dat het zo'n pijn kon doen wanneer hij die waardering niet kreeg.
Het was opgehouden met sneeuwen. De lucht was heel koud. Het was net of de wind zijn adem inhield. Het zou spoedig opnieuw gaan sneeuwen, maar nu kon Karana de zon zien. De zon was een klein, dof geel oog dat hem van mijlenver door bewegende wolken aankeek. Soms deed dat oog hem aan de tovenaar Navahk denken die naar hem keek met zijn glimlach vol haat en een klein jongetje uitdaagde om hem te volgen naar een plek waar dappere jagers niet durfden te komen.
Door de weersverandering werd Karanas been stijf en pijnlijk. Hij wist dat Torka gelijk zou krijgen als hij nu zou proberen alleen vanuit de grot af te dalen. En wanneer hij van de ijzige bergwand naar beneden stortte, zou Navahk dat op de een of andere manier weten en zou het oog van de zon groot worden van genoegen terwijl mijlenver op de toendra de tovenaar zou glimlachen. Tenzij... Hij begon te speculeren. Hij herinnerde zich de katrol en de hijsstrop die Torka en Umak hadden gemaakt om de zwaarste delen van de in stukken gesneden eland tegen de bergwand op te hijsen.
Het apparaat was sinds die dag goed gebruikt. Het was niet erg stevig en als het niet goed in balans was, viel er net zoveel vlees uit als ze omhoog wisten te hijsen.
Karana zal voorzichtig zijn, zwoer de jongen. In het holst van de nacht, wanneer alles donker is en iedereen slaapt, zal Karana gaan. Niemand zal hem missen. Dit is niet meer zijn grot en zijn berg. Torka's volk is niet meer Karanas volk. Het volk van Torka hoort nu bij het volk van Galeena.
De dag leek eindeloos lang te duren. Het bleef sneeuwen en Galeena's mensen werden moe van het eten en het luisteren naar verhalen en liederen. Ze dronken een smerig vocht uit van blazen gemaakte flessen dat hun vrouwen hadden gemaakt. Al gauw was de helft van de flessen leeg. Terwijl Torka pijlpunten sneed en Lonit druk aan het naaien was, vertoonde Galeena's volk weinig neiging om iets productiefs te doen. Ze sliepen wat en toen ze wakker werden praatten ze met dikke tong en waren ze een tijdje erg lacherig. Toen veranderde hun stemming. De jagers paarden met hun vrouwen alsof ze kwaad waren, zo snel dat de vrouwen daarna geïrriteerd waren. De jongens mochten zelfs geen slokje uit de flessen nemen. Ze verveelden zich gingen zo erg kibbelen dat Ninip een andere jongen met een steen raakte en Umak moest komen om de hoofdhuid van de krijsende jongen te hechten.
Karana zat in zijn eentje dicht bij de rand van de uitstekende rotspunt, met zijn slaapvachten dicht om zich heen getrokken. Het was beter om de koele, schone sneeuw stil te zien vallen dan naar het gedoe in de grot te kijken. In gedachten was hij al weg uit de grot. Toen Lonit naar hem toekwam en hem probeerde over te halen om uit de kou te komen, negeerde hij haar. Als Torka met ook maar iets van een verontschuldiging was gekomen, was hij misschien zwak geworden en van zijn besluit om weg te gaan, teruggekomen. Maar Torka was niet gekomen, en hoewel Karana teleurgesteld was, zei hij bij zichzelf dat hij blij was. Torka was een vreemdeling geworden. Bovendien, zei hij bij zichzelf, moest hij toch aan de kou wennen want die zou zijn enige trouwe metgezel zijn tot hij Broeder Hond vond en ze met zijn tweeën over de toendra zouden gaan trekken op zoek naar Supnahs volk.
Bij de vuurkring van de hoofdman zat Ai fluisterend Galeena hitsen. Tevreden over de manier waarop ze zich de laatste paar da gen had gedragen liet hij zich haar avances aanleunen. Een klap in het gezicht was een goede methode om lastige vrouwen aan te pak. ken, hoewel Ai er langer over had gedaan dan de meeste vrouwen om op te houden met pruilen. Hij zuchtte van genoegen toen ze hem streelde, en knikte bij elk vleiend woordje dat ze in zijn oor fluisterde. Toen ze zich opende voor zijn ongeduldige paardrift en hem vertelde dat hij in alles de beste was, twijfelde hij geen moment aan haar.
Maar toen fluisterde Weelup, zijn tweede vrouw, wat Ai haar had opgedragen. Ai had gedreigd dat ze haar anders, de volgende keer dat ze de berg afdaalden, zou laten struikelen. 'Sommigen zeggen dat Torka beter is,' zei Weelup. Ze kromp ineen terwijl ze sprak en rolde weg omdat ze een klap verwachtte. Die kreeg ze ook.
Galeena sloeg haar hard op haar rug. Hij was zijn energie kwijt en zijn vrijpartij met Ai was bedorven. 'Welke vrouw zegt dat?' vroeg hij met moord in zijn ogen.
'Geen enkele vrouw,' suste Ai. 'Torka denkt hij is het best in alles. Altijd daagt Torka Galeena uit. Torka eet niet van onze vuren. Torka drinkt niet uit onze flessen. Torka beledigt onze mannen door alleen met zijn eigen vrouw te slapen.'
Ondanks zijn woede besefte Galeena nog wel dat geen enkele man had aangeboden om zijn vrouw met Torka te delen. De hoofdman moest als eerste zo'n gebaar maken. En Galeena had dat met opzet niet gedaan. Als er iemand schuldig was aan het beledigen van de ander, was hij dat wel omdat hij niet zo'n doodgewoon beleefdheidsgebaar had gemaakt. Torka leek het niet erg te vinden. De jonge man was duidelijk meer dan tevreden met zijn eigen vrouw met haar vreemde ogen, en Galeena was daar blij om. Hij had geen zin om een van zijn vrouwen te delen met een man op wie hij duidelijk jaloers was.
Ai liet haar kleine, warme handpalmen over zijn borst glijden en tilde haar hoofd op om aan zijn huid te likken en te knabbelen. 'Galeena niet zorgen maken om wat Torka zegt of wat andere vrouwen en mannen van zijn groep denken. Ai hoort ouderen zeggen dat lang geleden Galeena de beste man was bij de grote bijeenkomst waarbij veel volken kwamen jagen en de plaku dansen bij het begin van de Gang der Stormen.'
'Ouderen? Lang geleden?... Galeena is nu de beste! Als vrouw plaku dansen in dit kamp, zou Torka lang niet zo goed zijn als deze man!' Ai glimlachte en duwde haar gezicht tegen zijn borst om te voorkomen dat haar glimlach zou veranderen in hoongelach. 'Galeena hoeft dat niet tegen Ai te zeggen! Ai is Galeena's vrouw, zij wil geen andere man dan hoofdman! Ai weet dat Galeena de beste van allemaal is!'
'Ai zal het zien!' Hij duwde haar weg en stond al overeind, terwijl hij riep dat zijn mensen zich onmiddellijk klaar moesten maken voor een plaku. Er viel een stilte.
Galeena's mensen staarden hem verbaasd en vol ongeloof aan. 'Plaku! Plaku! Klaarmaken! Klaarmaken!' beval hij. Hij zag hoe op de gezichten van de mannen een geile grijns verscheen en hoe de vrouwen hun hand voor de mond sloegen in een vergeefse poging om hun zenuwachtige gegiechel te onderdrukken. Ninip floot en ging samen met de andere jongens op een kluitje bijeen zitten gniffelen en fluisteren. Iana pakte Lonits hand, trok haar bij Torka weg, mee naar haar eigen vuurkring. 'Plaku niet voor vrouw met baby in buik,' legde ze uit en had verder geen tijd om iets uit te leggen omdat Naknaktup erbij kwam zitten. De oudere vrouw glom van plezier toen ze hun vertelde dat Umak inderdaad een grote en machtige Heer der Geesten was, omdat hij een baby in de buik had gebracht van iemand die dacht dat ze veel te oud was om een kind te krijgen.
Lonit was zo blij, niet zozeer voor Naknaktup maar meer voor Umak, dat ze vergat te vragen waarom ze bij Torka's vuur was weggehaald. Nu zou de oude man echt weer jong zijn, voor het kind dat Naknaktup hem in zijn laatste jaren zou geven. Het kind dat hem kracht zou geven en hem weer een doel in het leven zou geven: niet alleen een spel spelen en pronken en zijn fantastische toverkunst bedrijven, maar het geschenk van het leven doorgeven aan iemand, wiens geest in zijn eigen lendenen was gevormd. Jullie zien! Alle vrouwen zullen Umak willen! Ze zullen de plaku dansen voor mijn man! Deze vrouw zal trots zijn!' Naknaktup straalde.
'Plaku? Wat is dat, de plaku?' vroeg Lonit. 'Het is een dans die wordt uitgevoerd in het grote kamp van de mammoetjagers bij het begin van de Gang der Stormen. Plaku... de dans waarin de vrouw kiest. Het betekent samen genoegen beleven de ene groep met de andere, de vrouw van een man met de man van een andere vrouw,' legde Iana uit.
Lonit knipperde met haar ogen. Het beviel haar niet. 'Wie samen? Wie kiest?'
'Allemaal samen, maar het is de enige keer dat de vrouwen mogen kiezen. Een man. Veel mannen. Iedere man waar ze mee willen slapen. Iedere man behalve hun eigen man. Deze ene keer.' 'Maar niet mijn man!' protesteerde Lonit.
Naknaktup lachte om Lonits uitroep. 'Iedere man, kleintje. Torka... Umak... Galeena... iedereen en allemaal! Hoe meer vrouwen willen een man, hoe trotser zijn vrouw!' Ze klapte blij met haar grote handen die ruw waren van het werk, terwijl ze genoot van haar herinneringen. 'Deze vrouw lang leven, veel dingen zien, veel plaku's dansen. Lang geleden, voordat Galeena hoofdman deze groep worden, Naknaktup hem alle vrouwen zien nemen op grote bijeenkomst!' 'Dat kan niet!'
'Galeena toen jonger,' gaf de matrone toe, met een vertrouwelijke knipoog. 'Heel kleine bijeenkomst die keer. Niet zoveel vrouwen en plaku lang duren. Maar Naknaktup Lonit vertellen dat Galeena een grote, hongerige, omhoogrijzende pik heeft! Daarom ook jagers hem hoofdman deze groep maken. Een man met zo'n grote stijve pik...'
'Mijn eigen Manaak nam ooit drie vrouwen tegelijk,' onderbrak lana, die duidelijk geen lof over Galeena wilde horen. 'Toen Manaak klaar, alle drie vrouwen voldaan en gelukkig. Niet droog en rauw zoals vrouwen wanneer Galeena hen heeft gepakt. Maar dat maakt niet uit. Alle vrouwen willen Galeena. Hij hoofdman. Geen enkele vrouw, behalve Iana, Manaak willen nu hij littekens op zijn gezicht heeft.'
Lonit was wanhopig, maar ze zag de bedroefdheid op Iana's gezicht en wilde haar troosten. 'Bij het volk van deze vrouw is een man met littekens een man waar anderen jaloers op zijn. Manaak is sterk en heeft een knap gezicht. Zijn littekens betekenen dat Iana gelukkig is omdat ze haar man niet met anderen hoeft te delen. Lonit wil Torka niet delen!'
Ze zag er zo bezorgd uit dat Naknaktup haar armen uitstak en haar moederlijk omhelsde. 'Luister naar deze vrouw, kleintje. Manaak heeft littekens omdat Galeena het mes in hem heeft gezet. Manaaks littekens zeggen dat hij anders is... dat hij een man is die zal sterven als hij Galeena nog eens uitdaagt.'
Iana legde vriendelijk en vol meeleven een hand op Lonits arm. 'Je zult je man toch moeten delen, Lonit.' Haar stem was even zacht en bedroefd als haar ogen. 'De plaku is een dans van ons volk. Jij en Torka horen nu bij ons. Als Torka door een van onze vrouwen wordt gekozen en haar weigert, zal hij niet een man zijn om te benijden. Onze jagers zullen boos zijn. Ze zullen Torka vasthouden terwijl Galeena zijn gezicht kerft of hem misschien wel hier wegjaagt. Dan zal Lonit Galeena's vrouw worden. Dan zal Galeena Lonit schoppen tot Torka's baby doodgaat. Dan zal Lonit bij zijn vuur wonen en zijn slaapvachten delen met Ai en Weelup tot Galeena genoeg van haar krijgt. Dan zal Galeena Lonit achter Torka aansturen, om alleen met de wind mee te gaan, als voedsel voor de dieren.'
De mannen van de groep maakten een groot vuur in het midden van de grot. Het was een rokerige, rommelige brandstapel waarop alle botten en etensresten van de afgelopen dagen waren gegooid. Ze sleepten hun slaapvachten ernaartoe en gingen eromheen zitten, waarbij ze een brede strook grond openlieten tussen hen en het vuur. Hier zouden de vrouwen dansen. De jagers maakten obscene grappen over de danseressen en sloten weddenschappen af over wiens mannelijkheid zou worden beproefd en door wie. Toen Torka geen aanstalten maakte om zich bij hen te voegen, riepen ze hem. Ze klopten op de plek waar ze wilden dat hij ging zitten en herinnerden hem eraan dat hij nu een van hen was. Geen enkele man kon blijven toekijken bij een plaku, en geen enkele man die enige pit in zich had, zou dat willen.
Daar moesten ze allemaal om lachen. Een van hen zei dat Torka misschien een ander slag man was? Een andere antwoordde dat ze niet eens wisten of hij wel een man was, omdat hij zich nog niet had Verenigd met een van hun vrouwen, al was hij dan een goede jager en leek zijn eigen vrouw voldoende bewijs te leveren dat zijn pik goed werkte.
Torka voelde dat hij rood werd van woede en schaamte. Hij was zich bewust van Lonit die zo zorgelijk samen met Iana en Naknaktup helemaal aan de andere kant van de grot zat. Hij kon haar niet aankijken. Hij wilde iets zeggen, wilde Galeenas jagers vertellen dat het bij het volk van Torka niet gebruikelijk was dat een man met de vrouwen van een andere man paarde om zijn mannelijkheid te bewijzen, maar hij wist dat ze de waarheid hadden gesproken toen ze zeiden dat hij nu een van hun was. Het Volk was dood en verdwenen. En Umaks wijze woorden bleken elke dag meer waarde te hebben: in nieuwe tijden moeten mensen zich nieuwe gewoonten eigen maken.
Zelfs als ze die niet plezierig vinden en afkeurden, voegde hij er voor zichzelf aan toe, terwijl hij zich met tegenzin aansloot bij de kring. Hij ging naast Manaak zitten en heel even werd hij afgeleid door Karana die hem vanuit de schaduw net buiten de kring jagers bestraffend aankeek. Toen was de jongen verdwenen - waarschijnlijk om bij zijn eigen vuurkring te gaan zitten mokken - en gaf Galeena Umak opdracht om zich bij de anderen te voegen. 'Hmm!' zei de oude man alleen terwijl hij naar voren kwam in zijn mantel van berenvel en zijn zacht tikkende kettingen van klauwen en poten. De afgelopen dagen had hij de laatste veren van de condor aan de mouwnaden van zijn tuniek gezet. Als hij zijn armen omhoog deed, was het net of hij vleugels had. Het was net of hij helemaal geen man was, maar een vreemde, buitenaardse combinatie van een beer en een vogel. Hij hield zijn armen even in de lucht en wachtte op de uitroepen van ontzag van degenen die zijn voorstelling zagen. Die uitroepen kwamen er ook, vooral van de vrouwen. Tevreden vouwde hij zijn benen onder zich, kruiste zijn armen over zijn borst en staarde onverstoorbaar in de vlammen. Maar alleen een steen had de hele plaku onverstoorbaar kunnen blijven zitten. Als inleiding op de dans draaiden de vrouwen om de mannen heen met flessen met de olieachtige, dikke, stinkende drank die Torka de afgelopen paar weken had weten te vermijden. Het was een walgelijk mengsel van bloed, gegiste bessen, sappen, mossen, paddenstoelen en wilgenbast die tot moes was gestampt en daarna door de vrouwen was gekauwd tot de bast volledig vloeibaar was geworden en zich met hun speeksel had vermengd. Nu had hij geen andere keus dan te drinken, en veel te drinken. Anders zou het een belediging zijn voor de mensen van Galeena's groep, die erg veel waarde aan het drankje hechtten. Hij kokhalsde twee keer, maar slaagde erin een mondvol naar binnen te werken. De mannen knikten. De toekijkende vrouwen giechelden en gingen verder.
Hij begreep al gauw waarom ze het dronken. Het ging niet om de smaak, want die was zelfs nog viezer dan hij had gedacht. Hij wist binnen een minuut waarom Galeena en zijn volk zo vaak traag en apathisch waren. Na één slok van het drankje van hun vrouwen kreeg hij het al warm en voelde hij zich versuft. Zijn schouders tintelden en zijn voetzolen waren akelig gevoelig. Hij bewoog met zijn tenen. Het was een fantastisch gevoel. Zijn ogen zagen licht en vormen opeens anders dan ooit tevoren. De grot, het vuur, de mannen eromheen, de vrouwen die langzaam voortbewogen met hun flessen drank, alles leek even mooi als bij de eerste zonsopgang aan het eind van de tijd van de lange duisternis. Hij voelde zich op de een of andere manier groter en sterker, maar toch even licht als het kleine jongetje dat lekker op zijn moeders rug zat terwijl ze over de toendra liep in de lang vervlogen dagen van zijn prille jeugd. Maar hij was geen kind. Hij was een man die tussen de andere mannen zat en keek hoe de vrouwen langzaam al hun kleren uittrokken. Hij keek hoe zij langzaam hun lichaam insmeerden met vet en hun borsten, buik en de zachte, donzige binnenkant van hun dijen inwreven met geurige alsembladeren. Hij keek hoe ze elkaar langzaam bij de hand pakten en met hun gezicht van de mannen afgewend om het vuur begonnen te lopen, opzij stappend, hun voeten niet van de grond tillend, maar langzaam over de grond schuivend. Hij keek hoe ze hun armen omhoogstaken en langzaam begonnen te zingen; hij keek hoe hun stappen steeds groter werden zodat het licht van het vuur tussen hun dijen door kon schijnen voordat ze ze weer tegen elkaar schoven. Langzaam.
Alles bewoog, draaide rond en klopte net iets sneller dan zijn hart. Toen begon zijn hart te bonzen en werden de bewegingen van de danseressen sneller terwijl ze zich omdraaiden. Het vuur was nu achter hen en in de mannen die naar hen keken. Hun lichamen glinsterden. Ze toonden hun borsten, hun buik en de zachte, geoliede drie hoekjes bont die de zachte, vochtige plekjes verborgen die niet zo makkelijk konden worden getoond. Ze hielden hun heupen scheef en rolden ze langzaam op en neer waarbij ze een glimp lieten zien van dingen die bijna nooit te zien waren.
Met droge mond keek Torka toe, vol verlangen, betoverd, zich er niet van bewust dat hij met de andere mannen was gaan klappen op een steeds krachtiger en sneller ritme. Hij was Lonit vergeten. Hij was Karana vergeten. Hij was alles en iedereen behalve de danseressen, vergeten.
Hun bewegingen bepaalden de maat waarop werd geklapt. Ze glimlachten onder het dansen: geen brede glimlach waarbij hun tanden te zien waren, maar kleine, gespannen grimassen van plezier. De korte herfstdag die zo lang had geleken, was eindelijk voorbij. De lange schaduwen van de nacht vulden de grot. De vrouwen van Galeenas groep dansten de plaku en hadden voor de duur van een korte nacht zeggenschap over hun mannen en waren zich dat bewust.
De dans ging verder en iedere vrouw ging langzamer bewegen wanneer ze langs een man kwam die haar aanstond, haar knieën gebogen, haar benen uit elkaar, haar heupen draaiend, haar armen omhoog, haar schouders schokkend zodat haar borsten trilden en haar ronde, zachte tepels hard en donker werden. De duisternis viel in. Het vuur had de meeste beenderen en etensresten verteerd en ging nu zachter branden. Het ronddraaien hield op. Ai danste voor Torka en voedde een ander vuur. Haar rug was naar hem toe gekeerd. Ze hield haar armen omhoog en haar kleine, mollige handen in elkaar geslagen. Met haar korte, sterke benen wijd uiteen en haar knieën gebogen, wiegde ze haar heupen heen en weer, waarbij ze haar gewicht van haar hiel naar haar tenen verplaatste en haar verbazingwekkend slanke enkels en soepele taille heen en weer bewoog, terwijl ze zich uitrekte en haar ribbenkast kromde als een goed gevoede leeuwin die aan een boom krabt. Ze begon het geluid van het vuur te beantwoorden met zachte, hongerige mauwgeluidjes.
Overal in de kring waren de jagers overeind gekomen. Ze wierpen hun kleren van zich af. Torka was geen uitzondering.
De dans ging verder. Er was even een heel pijnlijk moment toen een van de jongere jagers op zijn knieën viel en kreunde van schaamte en frustratie. Hij was al klaargekomen en zou geen nut meer hebben voor een vrouw die hem had willen kiezen. Torka voelde even medelijden met hem. Het zou lang duren voordat zijn vrouw of zijn medejagers hem dit moment zouden laten vergeten. De vrouwen draaiden zich allemaal tegelijk om. Torka keek Ai aan en zag een gezicht dat even woest en hartstochtelijk was als een poolstorm en ondanks de passie even koud, even hard en evenzeer alleen op zichzelf gericht. Op dat moment wist Torka dat Ai Galeena had uitgedaagd om een plaku te houden zodat zij, terwijl de hoofdman door andere vrouwen werd afgeleid, van Torka kon eisen wat hij en Galeena haar allebei niet hadden willen geven. Ze was een brutale, egoïstische, konkelende vrouw die verantwoordelijk was voor de schande van de jonge jager en voor de uren van angst die haar dreigementen Lonit hadden bezorgd. Hij voelde niets dan verachting voor haar, maar de verachting nam zijn lust niet weg. Die werd er juist sterker door.
Overal in de kring kozen de vrouwen van Galeena's groep partners. Torka zag of hoorde niets van hun woeste paren. Ai glimlachte zelfgenoegzaam naar hem, liet zich zien en raakte zichzelf aan zoals alleen een man een vrouw hoort aan te raken. Haar ogen richtten zich op de grootte en dikte van het omhoogstaande deel van zijn lichaam waar ze al zo lang naar verlangde en dat ze nu zo had opgewonden.
Kleine druppeltjes speeksel kwamen in haar mondhoeken. Ze likte ze weg terwijl ze naar voren kwam om haar dreigement aan Lonit in vervulling te laten gaan.
Hij haatte haar, maar begeerde haar toch en zou haar zelfs hebben genomen als hij niet had geweten dat hij met een weigering Galeena zou beledigen en riskeerde om uit de groep te worden gestoten. Hij maakte zich geen zorgen om zijn eigen welzijn, maar wel om dat van Lonit, Umak en zijn ongeboren kind. Nu de tijd van de lange duisternis snel naderbij kwam, hadden ze de bescherming van de groep nodig... evenzeer als hij nu Ai nodig had, maar dan wel zoals hij en niet zoals zij het wilde.
Hij bedwong de neiging om haar doormidden te scheuren en zich te bevredigen op haar levenloze lichaam zodat zij geen voldoening zou vinden in zijn bevrediging of Lonits vernedering.
Lonit.
Haar naam was in zijn hart terwijl hij Ai optilde en haar stevig onder haar armen greep zodat hij haar expres pijn deed. Hij voelde hoe ze verstijfde en zich uit zijn greep probeerde los te rukken toen ze besefte dat ze niet meer de leiding had.
Hij liet haar langzaam zakken, terwijl hij, denkend aan de wilde paarden op de steppe, snuffelde en beet en haar toen neerlegde en zo wild in haar drong dat hij wist dat hij haar pijn had gedaan. Zijn lid was groter en harder dan het ooit was geweest. Te groot voor haar, maar niet voor Lonit. Het besef gaf hem geweldige voldoening. Hij stootte hard, hoorde haar schreeuwen van pijn en wist dat Galeena's legendarische lid zwaar overschat werd. Hij kwam klaar, even heftig als hij in haar was gedrongen. Als een bronstige wolf bleef hij in haar en hield haar vast, terwijl ze probeerde zich los te trekken.
Ai, vrouw van Galeena, is dit wat je wilde?' Hij fluisterde de woorden tegen haar keel, net onder haar oor en nam haar nog eens met opzettelijke achteloosheid.
Hij bleef op haar liggen en liet zijn gewicht op haar rusten, terwijl hij met opzet geen aandacht schonk aan haar kleine handjes die tegen zijn schouders duwden. Ze zei hijgend zijn naam en smeekte hem van houding te veranderen.
Dat deed hij, niet om haar los te laten, maar alleen om nog harder op haar te drukken. Hij deed vervolgens net of hij sliep en hield haar met zijn gewicht omlaag, terwijl hij luisterde hoe de andere jagers langzaam terugliepen naar hun eigen vuurkring of tevreden bleven liggen hijgen. Hij deed net of hij snurkte en blies in haar oor terwijl hij haar voelde wurmen en hijgen om zich van hem te bevrijden. Hij hield haar daar vast tot hij door slaperigheid minder hardvochtig werd. Zij huilde zachtjes toen ze zich uiteindelijk uit zijn bijna verstikkende greep wist te bevrijden en naar Galeena's vuurkring terugsloop.
Torka vouwde zijn arm onder zijn hoofd en gaf toe aan de slaap, glimlachend omdat hij zeker wist dat Ai nooit meer met hem zou willen slapen.
Hij sliep onrustig. Hij droomde verward over het verleden: over Egatsop, mooi en levend; over de kleine Kipu die schreeuwde van kinderlijk plezier toen Torka hem hoog in de lucht gooide, hem ving en weer omhooggooide; over de Grote Geest, die de wereld overschaduwde, deed beven en vernietigde; over Ai die naakt danste midden van de brokstukken van zijn leven en zichzelf brutaal aanbood terwijl Galeena boos en met moordzuchtige gedachten naar hem keek en Lonit een kind aan haar borst hield en zacht huilde.
Lonit.
In zijn slaap stak hij zijn hand naar haar uit. Ze was er niet. Zijn dromen veranderden en werden verontruste herinneringen aan zijn paring met de vrouw van Galeena en aan de manier waarop hij Karana terecht had moeten wijzen. De vrouw had hij met plezier vernederd, maar het kind niet. Dat dappere, trouwe, koppige jochie was meer voor hem gaan betekenen dan hij ooit voor mogelijk had gehouden.
De droom verdween. Hij deed zijn ogen open. Hij staarde het duister in. Het was verkeerd van Karana geweest om zo onbeleefd tegen de hoofdman te spreken. Galeena had zeer zeker het recht gehad om het kind uit de grot te verbannen als straf voor zulk gedrag. Als dat was gebeurd, had dat zeker tot een confrontatie tussen Torka en de hoofdman geleid. Torka zou net zo min Karana in gevaar laten komen als toelaten dat Lonit of Umak enig kwaad overkwam. Omwille van hen verdroeg hij Galeena's afstotelijke manieren. Omwille van hen had hij de konkelende Ai niet de rug toegekeerd. En het was voor Karana's bestwil geweest dat hij hem zo de huid had vol gescholden. Hij zou niet anders hebben gedaan wanneer de jongen zijn eigen zoon was geweest.
Het was een onthullende gedachte. In Kipu had hij een zoon verloren. In Karana had hij er weer een teruggekregen. Als Lonit een jongen kreeg, zou die niet meer voor hem kunnen betekenen dan Karana. Ze zouden net broers zijn en Torka zou hen beiden zijn zonen noemen. Dat wist de jongen toch wel!
Maar hoe kon hij dat weten als Torka het hem niet had verteld? Hij hoefde alleen maar aan de gekwetste, boze uitdrukking op Karana's gezichtje te denken en aan de wanhoop in Lonits ogen voordat de plaku begon, om te weten dat zij geen van beiden begrepen wat hem bewoog of wat hij voor hen voelde. Het was niet de gewoonte van het Volk om zulke gedachten tegen anderen te uiten.
In nieuwe tijden moeten mensen zich nieuwe gewoonten eigen maken.
Umak had gelijk. Torka zou nu naar hen toegaan. Hij zou Lonit tegen zich aantrekken en haar verzekeren dat Ai niets voor hem bete kende. Helemaal niets. Hij zou Karana aankijken, hem recht in de ogen kijken zodat de jongen er niet aan zou twijfelen dat hij oprecht sprak, en hem zoon noemen.
In de afnemende duisternis kwam Torka overeind en stapte voorzichtig over de slapende lichamen van degenen die gisteren de plaku hadden gedanst. Zoals te verwachten was, had Galeena de meeste vrouwen om zich heen. Iedere vrouw van de groep kreeg meer aanzien wanneer ze met de hoofdman paarde. Hij was niet naar zijn eigen vuurkring teruggegaan. Daar sliep Ai, alleen, terwijl haar man op zijn rug lag met om hem heen allemaal slapende vrouwen met hun armen en benen door elkaar, als een hoop wormen. Hij walgde van de aanblik die zij boden. Wanneer de tijd van de lange duisternis voorbij is, wanneer Lonit sterk is na de geboorte van ons kind, zal Torka deze plek verlaten als Galeena dan niet is veranderd. Er zijn nog andere volken. Ze zullen in elk geval beter zijn dan dit.
Hij liep langs een harige berg die, zoals hij wist, Umak was. Twee naakte vrouwen lagen dicht tegen hem aangekropen, onder zijn 'vleugels'. De kop van de grote beer leek naar hem te glimlachen toen hij erlangs liep. Torka glimlachte ook en bedacht dat de oude man echt een Heer der Geesten was; hij was heer over zijn eigen geest en had die op zijn oude dag laten werken als die van een jonge man.
Zijn glimlach verdween toen hij bij zijn eigen vuurkring kwam. In de beschutting van het windscherm zag hij Lonit liggen slapen, maar Karana was er niet. En ook niet Karana's slaapvachten, zijn kleren en de speer die Torka voor hem had gemaakt.