11
Karana was al uren onderweg en al die tijd had het gestaag gesneeuwd, zodat zijn spoor bedekt was. De wind was bitterkoud en op de berg had zich een laagje ijzel gevormd.
Galeena verklaarde dat het onbegonnen werk was om te gaan zoeken en zijn jagers waren het daarmee eens. Hoewel Umak zichtbaar van streek was, moest hij na één blik op de bergwand toegeven dat de hoofdman gelijk had. Toch besloot Torka om Karana achterna te gaan.
Hij kleedde zich aan en liet zich toen, net als Karana, aan de hijsstrop omlaag zakken die aan touwen van gedraaid leer vastzat. Dat was voor een volwassen man moeilijker en gevaarlijker, maar Torka maakte zich zoveel zorgen om Karana dat hij niet aan zijn eigen veiligheid dacht.
Hij liep naar het oosten en zocht urenlang, ervan overtuigd dat Karana zijn mensen zou zoeken waar Galeena ze beweerde te hebben gezien. Karana zou naar de bergen in de verte trekken en over het woeste onbekende terrein zijn weg zoeken naar de plek die de Gang der Stormen werd genoemd. Waar de Grote Geest rondwaarde, die de levens van mensen vernietigde en niets overliet van kleine, kwetsbare jongetjes die het waagden om alleen op pad te gaan omdat ze dachten dat ze door hun vrienden in de steek waren gelaten.
Hij riep Karana's naam over de uitgestrekte vlakte. De wind blies zijn stem in zijn gezicht terug met bijtende stukjes harde, korrelige sneeuw, die het zicht zo verminderden dat hij even zijn gevoel voor richting kwijtraakte.
Toen de duisternis inviel over het kolkende, gierende, door de wind opgezwiepte wit, dacht hij opeens aan Lonit en zijn ongeboren kind. Als hij zou sterven, zouden ze aan Galeena zijn overgeleverd, met alleen een zwakke oude man om hen te beschermen. Torka voelde zich machteloos. Omwille van hen moest hij weer de berg op gaan, maar wanneer hij Karana nu in de steek liet, leverde hij hem uit aan een zekere dood.
Hij was ontroostbaar toen hij uiteindelijk aan de terugtocht begon Toen hij bij de voet van de berg kwam, stond Manaak daar op hem te wachten.
'Morgen,' zei de jager met het gehavende gezicht. 'Deze man zal morgen met jou meegaan. Misschien zullen twee meer vinden dan één.'
Torka voelde een zwakke maar reële hoop. 'Morgen,' stemde hij in en wist dat hij in Manaak een vriend had gevonden. In het donker beklommen ze samen de bergwand. Ze hielden zich beiden vast aan de leren touwen van de hijsstrop en ondersteunden elkaar. Manaak had as over de wand gegooid om hem wat minder glad te maken. Het hielp wel wat, al scheelde het een paar keer niet veel of de twee klimmers waren gevallen. Alleen dankzij de touwen van de hijsstrop die van bovenaf in bedwang werden gehouden door Umak, verloren ze hun evenwicht niet helemaal en hadden ze redelijk houvast aan de bergwand. Toen ze eindelijk de richel opklauterden, overlaadden de jagers van Galeena hen met opmerkingen over hun indrukwekkende beklimming... en de waanzin ervan. 'Het is niet goed dat een jager de dood riskeert voor een kind,' schimpte Galeena. 'Die Kleine Manke is zijn geest aan de storm gaan toevertrouwen. Hij is mager, maar hij zal vlees opleveren voor wolven en leeuwen. Hij was van het begin af aan nergens anders goed voor, denkt deze man. Torka moet hem nu vergeten.' Torka trok zijn kraag naar achteren en schudde de sneeuw van zijn schouders. Toen keek hij Galeena vermoeid aan. De hoofdman voelde zich blijkbaar flinker dan ooit sinds hij na de plaku was wakker geworden met een paar vrouwen in zijn armen en een lusteloze Ai bij zijn vuurkring. Hij was een harde, arrogante man die geen medelijden kende; maar met uitzondering van Manaak waren zijn jagers hem trouw, niet ondanks maar juist vanwege deze eigenschappen. Met Galeena als hoofdman konden ze zo makkelijk en lui leven als hun omgeving toeliet en op de berg waar hij hen naar toe had gebracht was het leven inderdaad gemakkelijk. Torka bekeek hen vol minachting, zich maar al te bewust van het
feit dat niemand van hen zou aarzelen om een speer door zijn hart steken wanneer Galeena dat vroeg. Dus al had hij de hoofdman graag willen neerslaan omdat hij zo hardvochtig over Karana had gesproken, zei hij zachtjes: 'Bij Torka's volk vindt men het niet goed om de doden in de steek te laten voordat ze dood zijn. De Kleine Manke is vele manen lang alleen op de toendra in leven gebleven. Zijn moed heeft hem naar deze berg en naar deze grot gebracht. Hij leeft nog. In de nieuwe warme kleren die Lonit voor hem heeft gemaakt zal hij zich als een vos oprollen tegen de wind, met zijn rug naar de storm. Hij zal zeker overleven. Torka zal hem zeker vinden. Torka zal geen enkele man van Galeena vragen om gevaar te lopen.'
De volgende dag kwam. De storm nam toe tot een vliegende sneeuwstorm die de wereld tot in zijn voegen deed trillen. Hoewel Manaak zei dat hij bereid was om ondanks het weer met Torka mee te gaan wanneer hij weer ging zoeken, hoefde Torka alleen maar naar het bedroefde gezicht van Lonit en Iana te kijken om te weten dat hij er deze dag niet op uit zou kunnen trekken. Omdat hij het gevoel had dat hij toch iets moest doen, stak hij een vuurbaken aan en ging er op zijn hurken naast zitten.
Ninip kwam langs slenteren. 'Kleine Manke is dood! Zelfs de beesten die aan zijn botten knagen, zouden in deze storm Torka's vuur niet kunnen zien!'
Torka haalde naar hem uit, waarbij hij hem miste, maar wel verjoeg. De jongen lachte uitdagend. Torka negeerde hem en bleef zijn vuur opstoken en het tegen de wind beschermen, tegen beter weten in hopend dat Karana op de een of andere manier toch nog leefde, dat hij het vuurbaken wél kon zien en wist dat er op de berg mensen waren die verlangden naar zijn terugkeer. De uren verstreken. De storm woedde voort. Umak sprak een eindeloze litanie uit waarin hij de windgeesten en het weer smeekte om dat deel van de wereld te verlaten zodat een klein jongetje de weg naar huis weer zou weten te vinden. Maar de geesten die op de nacht van de jacht op de muskusossen zijn bevelen hadden gehoorzaamd, luisterden nu niet naar hem.
De storm werd erger. Torka bleef zijn vuurtje opstoken toen het donker werd, en het eentonige geluid van Umaks liederen hield laan. Doodmoe en uitgeput door de energie die het kostte om te blijven hopen, staarde hij over de door storm verscheurde wereld en dacht aan de verhalen die Galeena had verteld, over andere volken over vreemde landen, over de Gang der Stormen en over enorme voortstromende kuddes wild die over de wereld trokken. Die aan het eind van de zomer verdwenen, om aan het eind van de tijd van de lange duisternis weer terug te komen uit de eeuwige nacht. Waar gingen ze naar toe in de tijd dat de duisternis hen opslokte' Waarom trokken ze weg? Welke kracht bracht hen ertoe om de toendra te verlaten zelfs nog voordat de eerste lichte vorst de grassen broos maakte en de wilgen goud kleurde? Schonken de geesten hun een of ander geheim dat voor de mens verborgen werd gehouden? Trokken ze naar een verre, schemerige vlakte voorbij die angstaanjagende plek die Galeena de Gang der Stormen noemde? Verborg de zon zich daar om dat verre, onbekende land te verwarmen en zijn kostbare, levenschenkende licht over de kudden te laten schijnen, terwijl Torka's wereld koud en donker was te midden van de stormen in de tijd van de lange duisternis?
En waar was Karana nu? Volgde hij de kudden naar het oosten op zoek naar zijn volk? Zou hij de vader vinden wiens liefde zoveel voor hem betekende dat hij niet wilde toegeven dat de man hem in de steek had gelaten? Keek hij zelfs nu nog achterom naar de berg, vol haat jegens Torka omdat die hem ten overstaan van Galeena's mensen te schande had gemaakt? Of was hij dood, in de buik van een beest, zoals Galeena beweerde? Lag hij misschien ergens bevroren en alleen, een kleine, eenzame gestalte die voor altijd naar de hemel zou kijken?
De gedachte was ondraaglijk. Torka's gezicht was bleek van vermoeidheid toen hij opkeek, opgeschrikt door Galeena. De hoofdman was naast hem komen staan. Hij keek omlaag en schudde zijn hoofd.
'Torka moet de magere vergeten. Dit vuur, het is verspilling van brandstof. Kleine Manke heeft zijn weg gekozen. Het was duidelijk welke weg hij moest kiezen. Galeena zegt dat hij een dappere keuze heeft gemaakt door van geen man medelijden te vragen en van geen vrouw tranen te willen zien. Nu hij dood is, moet Torka toegeven dat het goed is.'
Torka's ogen waren even koud als de storm. 'Wanneer Torka met zijn eigen twee handen de botten van Karana zo heeft gelegd dat ze naar de hemel kijken, dan en niet eerder zal Torka toegeven dat Karana dood is. En zelfs dan zal Torka iemand die een zoon voor hem was niet vergeten. En nooit zal Torka zeggen dat de dood van een kind goed is.'
De hele nacht ging de storm tekeer, en terwijl haar man sliep, hield Lonit het vuurbaken brandende. Toen hij wakker werd, droeg ze er zorg voor niets te zeggen dat hem pijn zou kunnen doen. Ze bracht hem eten en trok haar slaapvachten naast hem zodat ze samen met hem kon waken. Even voor het ochtend werd, viel ze in een diepe, onrustige slaap. Ze droomde over wilde honden die een witte wereld inrenden. Land, bergen en lucht, alles was als beenderen zo wit. Ze werd met een schok wakker. Torka was weg. Net als Karana die al eerder was verdwenen, was hij in stilte vertrokken. Zijn zwaarste, uit vele lagen bestaande winterkleding was verdwenen en hij had genoeg eten uit hun voorraad gepakt om hem tijdens een lange tocht in leven te houden.
'Hij is al lang weg,' zei Iana die naar haar toe kwam om haar te troosten.
'Waarom heb je me niet wakker gemaakt? Waarom is niemand achter hem aan gegaan!'
'Te veel sneeuw. Te veel wind,' legde Manaak uit, duidelijk verontrust. 'Als hij deze man had gezegd dat hij ging, zou Manaak met hem mee zijn gegaan. Samen hadden we misschien...' 'Naar de Manke toe kunnen gaan in het dodenrijk!' onderbrak Galeena. Hij kwam dicht bij Lonit staan die voor haar vuurkring stond. Hij legde een zware hand op haar schouder en glimlachte naar haar; zijn glimlach was een gemene grijns. 'Vergeet Torka. Niemand van deze groep zal die man achternagaan in deze storm. Torka niet terugkomen. Lonit niet zorgen maken. Galeena altijd voor vrouwen zorgen.' Zijn hand kromde zich om haar schouder. Ze draaide zich weg en deinsde achteruit. 'Torka komt wél terug!' 'Sneeuw heeft zijn sporen bedekt,' meldde Ninip, langzaam en wraakzuchtig pratend en grinnikend om Lonits verdriet. 'Niemand zou hem in deze storm kunnen vinden! Niemand zou gevaar willen lopen voor een jager die zo dom is dat hij voor een manke zijn leven op het spel zet.'
'Karana is geen manke!' Als hij binnen haar bereik was geweest had Lonit hem geslagen. 'En Torka is niet dom! Zou jouw vader je niet zoeken als je verdwaald was in een storm?'
Bij die vraag bloosde de jongen en vertrok zijn brede, vuile gezicht De leden van zijn groep lachten terwijl Galeena antwoordde: 'Voor Jongen Die Op Gezicht Valt Voor Ossen zou deze man in geen enkel soort weer gevaar willen lopen!'
Nog een dag en een nacht bleef de storm gieren en blazen en sneeuw op de wereld spugen. Net als in Lonits droom werden land, bergen en lucht allemaal wit en deel van een ijskoud, gehavend en mistig landschap waarin niemand die in leven wilde blijven zich zou hebben gewaagd.
En toen, schijnbaar van het ene moment op het andere, was de storm voorbij en klaarde de lucht op. De toendra lag er wit en stil bij, begraven onder het bevroren puin van de storm. Er scheen een koude zon die alle warmte verloren had, zoals Umak al zijn jeugd leek te hebben verloren.
De ooit zo trotse Heer der Geesten stond op de richel, in zijn mantel van berenvacht, met de kop van het beest op zijn eigen hoofd... maar de berenvacht was slechts een dunne laag en de kop was slechts een schedel en in zijn eigen lichaam voelde hij zich weer een oude man. Bijna een week was de storm tekeergegaan en de hele tijd was Umak op zijn beurt tekeergegaan tegen de storm. Waarom hadden de hemelgeesten hem genegeerd? Hij had zoveel werk gemaakt van zijn magische ceremoniën. Het zou het volk van Galeena niet hebben verbaasd als hij de storm in was gevlogen als een soort wonderbaarlijke beervogel die heel goed in staat was om de kracht uit het hart van de storm te rukken, Karana en Torka met zijn klauwen op te pakken en met hen beiden weer veilig naar de berg terug te komen.
Hij was betoverd door zijn eigen toverspreuken. Toen de jongen net weg was en Umak zijn plaats op de richel had ingenomen en zijn beveerde armen had uitgespreid, had hij bijna geloofd dat hij echt kon vliegen!
Pas toen Torka de bergwand was afgedaald, had hij de waarheid onder ogen moeten zien. Hij had willen gaan, zijn kleinzoon onverschrokken willen voorgaan naar beneden om Karana te zoeken. Hij was verstard blijven staan, een oude man in een mantel van berenvacht met een stijf been en een dodelijke angst voor de ijzige bergwand die hij, zoals hij wist, nooit zou kunnen bedwingen. Dus had hij zijn benen gebogen, niet als een beer maar als een kameel, en zijn lichaam in de vacht van de grote breedkoppige beer gewikkeld. Hij had zich er dagenlang in verstopt en een pose aangenomen die, zo wist hij, inderdaad een pose was. Hij was blij met de berenvacht, die maakte dat hij groot leek terwijl hij zich in werkelijkheid heel klein voelde.
Geleidelijk aan begonnen de leden van de groep aan hem te twijfelen. Oklahnoo keek hem scheef aan. Haar zuster, die vriendelijker was - of misschien alleen haar man en het kind dat ze droeg in bescherming nam - bleef hem eten brengen.
'Umak is heus wel Heer der Geesten,' verzekerde ze hem. 'Umaks toverkunst is heus wel sterk. Hij werkt deze keer alleen langzaam. Deze vrouw zeggen jij hard zingen.
Hij was dankbaar dat ze hem moed insprak. Het verminderde enigszins de pijn van de schimpscheuten die hij andere vrouwen hoorde maken. Ze zorgden ervoor dat ze niet te hard praatten, voor het geval ze zich vergisten: maar gepraat werd er. Diep in hem, waar een begin van zelfvertrouwen was geweest, nam het gevoel van leegte toe en ontstond er een gevoel van schuld.
Waarom had Karana de grot verlaten? Omdat een oude man zo met zichzelf ingenomen was geweest dat hij niet meer om dat ene kleine jongetje gaf?
Umak huiverde en werd bijna overweldigd door wroeging. Waar was Torka? Hij had zijn leven op het spel gezet door te gaan zoeken omdat de macht van een Heer der Geesten Karana niet thuis had kunnen brengen. Nu was de storm die Torka had getrotseerd voorbij. Waarom was hij dan nog niet terug?
'Alsjeblieft, Heer der Geesten, je moet niet ophouden met zingen!' Hij keek omlaag en zag Lonit.
'De geesten van de berg, van de wind en van de storm, ze zullen je woorden horen. Ze hebben altijd naar Umak geluisterd!' Het vertrouwen van het meisje ontroerde hem, maar kon hem toch niet zijn zelfvertrouwen teruggeven. Hij voelde zich oud en stijf. 'Deze Heer der Geesten is moe,' bekende hij Lonit. Lonit ging naast hem zitten. 'Torka is vast moe. Karana ook.' Ze zuchtte en legde als een kind haar hoofd tegen zijn arm. Ze zaten daar samen zonder iets te zeggen en keken in de verte, hun gezicht verlicht maar niet verwarmd door de late, koude herfstzon. Lonit praatte zachtjes over het verleden; over de lange, zware weg die ze samen hadden afgelegd sinds de Vernietiger in hun leven was gekomen en weer was weggegaan; hoe een oude man die met de wind was meegegaan Torka en een bang meisje naar een nieuw leven had geleid; hoe hij haar de wil om te leven had gegeven; hoe hij zich teweer had gesteld tegen vossen, wolven en stormen; en hoe de geesten altijd naar hem hadden geluisterd.
'Ze zullen ook nu luisteren,' fluisterde ze met tranen in haar ogen terwijl ze naar hem opkeek. 'Omwille van Torka, omwille van Karana en omwille van Lonit moeten ze wel luisteren. Als Torka niet terugkomt, zal Galeena deze vrouw meenemen naar zijn vuurkring. Hij zal haar schoppen tot Torka's baby sterft. Dan zal Torka echt dood zijn. Voor altijd. En Galeena zal dan blij zijn.' Hij was zo ontzet door wat ze zei, dat hij even niets kon zeggen. Toen stamelde hij: 'Waarom zou Galeena Torka's baby doden? Er is nu geen hongersnood.' 'Ai heeft gezegd dat hij dat altijd doet.'
'Hmmm! Niet zolang Umak Heer der Geesten is!' Hij stond op, verschoof het gewicht van de berenvacht wat op zijn magere lijf en begon weer te zingen. Zijn stem kraakte en trilde, en was niet veel harder dan de zachte, nauwelijks hoorbare echo's die af en toe uit het hart van de berg kwamen, maar wel krachtiger dan hij urenlang was geweest.
Lonit bracht hem eten. Hij at niet. Ze bracht hem water. Daar nam hij kleine slokjes van om zijn keel te bevochtigen zodat die hem niet in de steek zou laten.
Tegen de schemering vielen er stenen van hoog op de berg naar beneden. Vanaf zijn plek op de richel zag Umak met rode ogen van vermoeidheid hoe de stenen in de afgrond links van de uitstekende rotspunt vielen. Er zat ijs bij en grote stukken verkleurde sneeuw met allerlei puin erin dat waarschijnlijk onder de ijskap vandaan kwam. Het was een van de vele aardverschuivingen die hij had meegemaakt vanaf het moment dat ze op de berg waren komen wonen. Toch was het net of deze aardverschuiving anders was. Er was zo véél sneeuw. Zo véél puin. Misschien kwam het gewoon door het afnemende licht. Hij wist het niet en het kon hem ook
niet schelen. Hij had nu belangrijkere dingen aan zijn hoofd. De geesten schenen toch gehoor te geven aan zijn smeekbeden. Zijn hart jubelde, want Torka kwam naar de berg toe lopen en Karana liep naast hem.
Uitgeput door alle beproevingen sliepen Torka en Karana een dag en een nacht. De jongen rolde zich op in de holte van Torka's arm, dicht bij Lonits vuur. Op de tweede dag, in de duisternis voor zonsopgang, werd Karana wakker en keek naar Lonit die voorbereidselen trof voor de eerste maaltijd van de dag.
'Hij kwam me halen...' fluisterde hij verwonderd. 'Hij zei dat hij de sporen van wilde honden was gevolgd tot ver in de storm. Hij zette zijn leven op het spel... voor één klein jongetje.' Ze schudde haar hoofd en toen ze sprak, klonk er een vriendelijk en teder verwijt in haar stem: 'Natuurlijk! Wat dacht je dan? Hij is Torka! Torka zou nooit een van de zijnen in de steek laten!'