6
De lus aan het uiteinde van de leren riem vloog suizend uit Torka's hand. De slapende hond hoorde het wel, maar te laat. De lus viel om zijn kop en trok strak rond zijn nek toen hij geschrokken overeind sprong. Het gewicht en het benauwende gevoel van het onbekende ding brachten de hond in paniek. Hij wilde wegrennen, maar werd abrupt tot stilstand gedwongen en stikte bijna toen Torka het andere eind van de riem aan een benen staak vastmaakte die hij de avond daarvoor diep in de toendragrond had geslagen. De hond bleef met zijn kop omlaag verbijsterd staan en zette zich schrap tegen de trekkende riem. Het dier staarde naar Torka. Langzaam daagde er begrip in zijn blauwe ogen toen die langs het dunne stuk leer naar de hand van de man gingen. Hij begon diep in zijn keel te grommen. Zonder waarschuwing sprong hij opeens met ontblote tanden naar voren en zou dwars door Torka's dikke mouw hebben gebeten, als de jager niet op tijd was weggesprongen. De hond kefte van de pijn toen hij hard op zijn zij viel, omvergehaald door de strak staande lijn.
Lonit keek verschrikt op. Ze waren een heel eind gekomen sinds ze het afdak hadden afgebroken en oostwaarts naar de heuvels in de verte waren getrokken. Ze hadden in de luwte van die heuvels een kuilhut gebouwd, nog een nacht gerust en zich voorbereid op de jacht op de kariboes die met honderdduizenden graasden op de vlakte die zich voor hen uitstrekte. Het meisje zou natuurlijk niet meedoen aan de jacht, haar taak zou zijn om de dieren in stukken te snijden. Daarom was ze eerder dan haar mannen opgestaan, om haar schrapers en vleesmessen: de scherpe werktuigen van steen en been waarmee ze de karkassen van de kariboes tot vlees en huiden zou verwerken, te verzamelen. Ze was de kuilhut uitgekropen en ervoor gaan zitten, met haar gezicht in de zon en de tas van lynxhuid, waarin haar gereedschap zat, op haar schoot. De wilde hond had even naar haar gekeken en daarna zijn kop weer neergelegd om verder te slapen. Het korte, zijdeachtige haar van de lynx had zacht en koud aangevoeld aan haar blote vingers. Ze had het fijne stiksel van de naden bewonderd. Het was nu haar tas, maar hij was van een andere vrouw geweest en de gereedschappen erin ook. Haar eigen tas, die nog ergens in de ingestorte hut van haar familie lag, was gemaakt van de huid van een marmot die in zijn geheel van het dier was afgestroopt, met de poten er nog aan en de kop als overslag. Ze had er vergeefs naar gezocht. Terwijl ze over de lynxhuid streek, had ze aan Enilik moeten denken, de vrouw van Nap met haar heldere ogen, die deze tas had gemaakt. Ze deed haar ogen dicht en hoopte dat Eniliks levensgeest zou begrijpen waarom Lonit haar tas en werktuigen had meegenomen en dat ze een onwaardig meisje zou vergeven dat ze nog in leven was.
Omdat ze zo in gedachten verzonken was, had ze Torka niet uit de kuilhut zien komen en zag ze hem ook niet de geluste riem naar de hond gooien. Hij had niet van tevoren gezegd dat hij het dier vast wilde binden en ze begreep ook niet waarom hij dat wilde doen. Umak kwam naakt uit de hut stormen. 'Wat heb je gedaan?' riep hij toen hij zag wat er aan de hand was. Hij was ontzet toen hij de hond zag rollen en trekken en hem zijn nek bijna zag ontwrichten doordat hij zijn kop omdraaide en razend probeerde om zijn tanden in de riem te krijgen en die los te trekken. Lonits adem stokte. Ze boog haar hoofd en sloeg haar ogen neer. Niet omdat de oude man naakt was, want bij het Volk sliepen families vaak naakt bij elkaar, maar omdat de toon waarop de oude man sprak, het meisje aan het schrikken maakte. Hij had tegen Torka geschreeuwd. Om Torka's beschaming niet te hoeven zien had Lonit haar ogen neergeslagen. Zo sprak een man niet tegen een andere man. Nooit. Alleen vrouwen konden zo worden gekleineerd. Torka verbleekte. Hij begreep niet wat hij had gedaan dat zijn grootvader zo boos was. 'Eén vleugje hondengeur en de kariboes zullen zich als wilgenblaadjes voor een herfststorm verspreiden,' legde hij uit en voegde eraan toe dat hij had gedacht dat Umak de hond wel aan een riem zou willen leggen voordat ze zich gereedmaakten voor de jacht.
'Een man bindt zijn broeder niet vast!' Umak rilde hevig in de ochtendkou. Een verweerde hand met opgezwollen aderen bewoog naar zijn keel. Hij voelde de nauwe halsband van de hond al om zijn eigen nek. Hij had er spijt van dat hij geschreeuwd had. Er zat wel iets 'n wat Torka zei, en hij had het duidelijk goed bedoeld. Maar door de hond vast te binden had hij het dier en ook Umak zonder eerbied behandeld. 'Tussen broeders moet vertrouwen zijn. Dat is het enige verbond dat ze kunnen sluiten. Anders...' Hij maakte zijn zin niet af en deed een stap naar de hond, wetend dat zijn angst gegrond was.
Toen het dier hem naderbij zag komen, sprong het op. Zijn zwartgemaskerde kop ging omlaag en alle haren op zijn rug gingen recht overeind staan. Hij liet een diep gegrom horen achter in zijn keel, zijn trillende lippen trokken zich terug zodat zijn tanden bloot kwamen. Umak bleef staan. Een diep gevoel van spijt vervulde hem. Hij wist dat hij een vriend kwijt was.
De hond deed een paar stappen naar achteren, sprong toen naar voren en gooide zijn hele gewicht tegen de riem. Tot het uiterste gespannen knapte de lus om de nek van de hond en de staak waar de riem aan vast was gemaakt, brak in tweeën. Even leek het alsof de hond Umak naar de keel vloog. Lonit gaf een gil. Ze sprong op en de werktuigen en tas vielen van haar schoot. Torka rende weg om een van zijn speren te pakken die hij rechtop tegen de hut had gezet. Maar de hond sprong langs de oude man heen, kwam met zijn voorpoten op de grond en rende weg.
Torka wilde al een speer achter hem aan gooien, maar Umak hield hem met een gebiedende schreeuw tegen.
Eerbied voor zijn grootvader hield Torka tegen, maar zijn hand trilde van de frustratie toen hij zei: 'De hond zal de kariboes verdrijven.'
Umaks ogen vernauwden zich. Torka keek hem aan met een blik die ontmoedigender was dan de winterkou. De jonge man keek vol medelijden: medelijden met iemand die oud was en niet meer in staat om beslissingen te nemen die gehoorzaamheid afdwongen. Een verdedigende woede stak in Umak op en deed hem gloeien van eergevoel. Zijn waardigheid weerhield hem ervan zijn kleinzoon eraan te herinneren dat hij dood op de toendra zou liggen en voor altijd naar de lucht zou kijken als Umak niet zo sterk was geweest en beslissingen had kunnen nemen die zijn leven hadden gered. Zijn gezicht vertrok van hooghartige minzaamheid die alleen heel oude mensen kunnen voelen voor de onwetendheid, het ongeduld en de arrogantie van de jeugd.
'Torka heeft in het belang van de groep gehandeld. Torka gelooft dat Broeder Hond niet te vertrouwen is. Maar Torka heeft een dier weggejaagd dat het leven van Umak, van Lonit en, ja, ook van Torka zelf heeft gered. Umak en Broeder Hond hebben vele kilometers samen gelopen. We hebben van dezelfde prooien gegeten en in dezelfde kampen geslapen. Aar is inderdaad de broeder van deze Heer der Geesten. En als hij terugkomt om zijn rechtmatige plaats als lid van de groep weer op te eisen, zal Torka zijn hand niet tegen hem opheffen.'
Umak had kalm gesproken, maar de woorden waren evenzeer een verwijt geweest als een bevel. 'De hond komt toch niet terug,' antwoordde Torka met gefronste wenkbrauwen. Had hij het goed gehoord? Had Umak het beest werkelijk een naam gegeven, alsof het een mens was? Hoewel hij al meer druk op zijn grootvader had uitgeoefend dan hij volgens de normen van fatsoen en traditie had mogen doen, probeerde hij toch nog een antwoord te krijgen. 'Aar?' Umaks kin ging heerszuchtig omhoog. 'Mijn kleinzoon heeft een naam. Mijn broeder heeft ook een naam.'
'Je broeder is een hónd, grootvader,' bracht Torka hem in herinnering. Hij was diep verontrust. De oude man zag er zo kwetsbaar uit zoals hij daar naakt in de kou stond met zijn dunne, pezige armen over zijn magere borst. Torka herinnerde zich al die keren dat Egatsop hem had gewezen op Umaks tekortkomingen. Het was net of hij haar stem minachtend hoorde fluisteren in de opstekende wind. Umak is oud. Umak is zijn macht kwijt. Umak is niet meer de man die hij vroeger was. Umak is geen Heer der Geesten meer. Umak is niet eens meer heer over zijn eigen geest. Umak is een risico voor het Volk.
Maar nu bestond het Volk niet meer. Torka was alleen op de wereld, met Umak en Lonit. Ze hadden zich allebei ingespannen om zijn leven te redden, maar nu hij beter en weer sterk was, wist hij de waarheid, die Umak wel eens zou kunnen ontkennen. Hun leven was van Torka afhankelijk. Het meisje was nog zo jong en tot nu toe had Torka niet beseft hoe oud Umak eigenlijk was. Misschien had Egatsop wel gelijk gehad. Misschien behoorde Umaks wijsheid, net als de kracht van zijn lichaam wel tot het verleden. Zijn merkwaardige gehechtheid aan de hond leek daar het bewijs van. 'Grootvader, het wordt tijd dat je de hond vergeet,' zei Torka vriendelijk tegen hem. 'Torka wilde hem niet wegjagen, maar nu hij weg is, zegt Torka dat het goed is. Nog nooit hebben honden en mensen samen opgetrokken. Nog nooit hebben zij hun prooi of hun kamp met elkaar gedeeld. Als de hond terugkomt, zal hij ons op de jacht volgen. Hij zal het wild wegjagen.'
Umak schraapte zijn keel, geïrriteerd door de onmiskenbare meewarigheid waarmee zijn kleinzoon sprak. 'Zoals hij de zonne-eter van Lonit heeft weggejaagd en op Torka's speer terecht heeft doen komen?'
Lonit voelde haar gezicht rood worden. De spanning tussen de twee jagers was bijna tastbaar in de lucht die ze inademde. Ze knielde neer en begon haar gevallen gereedschap weer op te rapen. Als Torka eens gezien had hoe de hond zich samen met Umak tegen de vossen had verzet! Als hij eens gezien had hoe het dier aan de voeten van de jager was gaan liggen! Als hij eens gezien had hoe het dier eten uit de hand van een mens had aangepakt! Als ze geen vrouw was, die haar gedachten alleen tegen iemand van haar eigen geslacht mocht uiten, zou ze Torka over dat alles vertellen. Dan zou hij weten dat Umak een groot en machtig Heer der Geesten was en dat de wilde hond door hem was betoverd.
'Torka heeft geen hond nodig om te helpen bij de jacht!' antwoordde Torka verhit op Umaks koele, sarcastische opmerking. 'Hmmm!' antwoordde Umak. 'We zullen wel zien. Kom. Laten we ons klaarmaken voor de jacht. Laten we onze jagersmantels aantrekken. Deze oude man heeft het koud. Deze oude man wil graag kariboes doden. Deze oude man wil graag zien hoeveel Torka onthouden heeft van alles wat Umak hem heeft geleerd.'
Ze doodden een kariboe. En nog een. Toen de tweede koe, trillend en kwijlend, met twee speren in haar buik viel, sloeg de kudde op de vlucht en rende voor hen uit: een krioelende massa van blatende kalveren en snuivende koeien die voor hen uit van horizon tot horizon reikte, zo ver als ze konden zien. 'Geen hond zou zoveel wild kunnen verjagen!' zei Umak. Torka zei niets. Hij wilde niet toegeven dat de oude man gelijk had.
Maar hij voelde zich beter nu zijn bloed bruiste van de jacht, en hij was zelfs blij dat Umak beter was geweest dan hijzelf. Ondanks zijn stijve been had de oude man de jacht geleid alsof niet Torka maar hijzelf in de bloei van zijn leven was. Torka had Umak niet de eer gegund voor het doden van de kariboes. Maar de oude man had de dieren neergelegd en hij wist het. De vijf speren die waren geworpen hadden allemaal hun doel geraakt. Slechts één van die wapens was van Torka.
Umak had een steelse blik in zijn ogen en een zure grijns van verborgen superioriteit op zijn gezicht toen hij zijn wapens oppakte en bleef staan terwijl Torka die van hem pakte.
Ze keken elkaar even aan. Zoals zo vaak, was het alsof hun levensgeest versmolt. Ze kenden elkaars gedachten. Deze oude man is niet zo oud dat hij bij zijn kleinzoon achterblijft bij het jagen. Torka knikte, bestraft.
Deze man heeft verkeerd geoordeeld over iemand die nog steeds een grote witte beer zou kunnen neerleggen, als hij dat zou willen. Umaks grijns verbreedde zich en hij liet zijn sterke, door de tijd aangetaste tanden zien. Hij knielde, trok een van zijn handschoenen uit en stak een blote hand in de wond van de dode koe die door Torka's speer was getroffen. 'Dit was een dodelijke wond,' gaf hij toe. Torka glimlachte. Hij wist dat de woorden van zijn grootvader bedoeld waren als verzoening na de ruzie die ze hadden gehad. Hij knielde naast de oude man, trok ook een handschoen uit en stak zijn hand in de wond die Umaks speer had veroorzaakt. 'Torka en Umak vormen een goed team,' zie hij. 'Samen hebben we deze koe twee keer gedood!'
Ze doodden verder niets meer die dag. Ze zongen het lied dat de jagers van de groep al generaties lang hadden gezongen om de geest van het gedode wild te danken. Ze probeerden niet te denken aan degenen die niet meer met hen zouden jagen, maar er wel waren, fluisterend in de wind en naar hen kijkend vanuit de lucht. Maar de doden konden niet eten en Umak en Torka hadden allebei razende honger. Ze staken de ogen van de kariboes uit en zogen het bitterzoete, zwarte sap eruit. Ze staken door de bovenbuik van de gedode dieren, trokken de harten eruit, aten die plechtig en voelden hoe de levensgeest van de kariboes hun warmte, kracht en hernieuwde vastberadenheid gaf. Ze glimlachten naar elkaar. Het was te lang geleden dat ze kariboevlees hadden gegeten. Het was het allerbeste vlees.
De koeien die ze hadden gedood waren vrij kleine, malse jaarlingen, zonder kalveren die zouden omkomen bij gebrek aan hun melk. De jagers konden ze gemakkelijk optillen en sjouwden ermee terug naar het kamp waar Lonit op hen wachtte. Ze bracht hun de traditionele groet van de vrouw die zij, als man, zogenaamd niet zagen. Ze lieten hun gaven voor haar neervallen, ontdeden zich toen van hun jagersmantel met het gewei erop en hurkten voor het vuur dat zij had aangelegd in een kommetje van stenen en plaggen. Nu begon ze de verplichte lofzang. Gewoontegetrouw hoorde de man hier niet op te reageren, maar hoewel zij niets zeiden, stond hun gezicht verbaasd. Het ritme van Lonits lied was volmaakt. Haar stem was zo lieflijk en zacht dat het was of ze de koude, vlakke adem van de altijd aanwezige wind deed afnemen. Het dansje met zijwaartse passen dat langzaam, met rituele eenvoud werd gedaan, voerde het meisje in een sierlijke lijn om het wild heen. Toen ze voor hen stil bleef staan, liet Umak luid zijn goedkeuring blijken en hoewel Torka geen commentaar gaf, straalde Lonit van plezier, niet alleen omdat ze blij was met het wild, maar omdat haar loflied gunstig was ontvangen door haar mannen. Haar mannen. Het idee maakte haar duizelig van geluk. Ze ging aan de slag en sleepte de karkassen naar een plek benedenwinds en op enige afstand van de hut, om te voorkomen dat roofdieren op de geur van het vlees af zouden komen en in plaats daarvan de mensen zouden vinden. Met haar scherpe vleesmes sneed ze de buik van de kariboes open en sneed het orgaanvlees eruit. Dat bracht ze naar de jagers, de levers en nieren in haar handen dragend. Nog warm van het leven dampten ze in de koude lucht, en de geur van hun vette, donkere zoetheid was bedwelmend. Terwijl Torka zijn deel aanpakte en begon te eten, gaf Umak haar tot haar verbazing edelmoedig een deel van zijn heerlijkheden. Van het vlees waar hij recht op had sneed hij druipende repen af en stond erop dat het meisje die ter plekke opat. Dat deed ze en ze werd opnieuw verrast toen ze de lange slierten darmen naar de jagers bracht. Ook die deelde Umak met haar. Hij sneed grote stukken voor haar af die waren gevuld met een heerlijke puddingachtige massa van uiterst voedzame korstmossen en mossen, zacht van de scherpe, zurig bijtende spijsverteringssappen. Sinds haar jeugd, toen haar moeder dat soort lekkere hapjes met haar deelde, had Lonit niet meer van de meest gewilde delen van groot wild geproefd. Ze had gegeten wat overbleef, afval van mergbeenderen waarvan de beste stukken al door anderen waren opgegeten, stukjes vlees die zo taai waren dat ze alleen maar door de minsten werden gegeten en verder 'vrouwenvlees' dat ze voor zichzelf had weten te vangen: vogels, knaagdieren, vis en larven wanneer die er waren: allemaal vlees dat niet geschikt werd geacht voor mannen, behalve in de tijd van de lange duisternis waarin de kwijnende maan opkwam en het Volk zonder te morren at wat het kon krijgen.
Toen hun honger was gestild, stonden Torka en Umak op en legden de laatste hand aan het villen van de kariboe, terwijl het meisje vol bewondering voor hun kundigheid toekeek. Het villen van groot wild was mannenwerk. Geen vrouw zou er zelfs maar aan denken dat te doen, uit angst dat ze de geest van het gestorven dier zou beledigen. Toch merkte Lonit dat ze nieuwsgierig toekeek en op de snelle zekere bewegingen van de handen van de jagers lette toen ze met prachtige stenen messen de huid van het vlees afsneden. Toen dat was gedaan, gingen de mannen weer bij het vuur zitten. Ze namen nog een paar hapjes van de overgebleven stukken lever, nier en darm. Al spoedig zaten ze te knikkebollen. Nu begon Lonit het vlees in stukken te snijden. Eerst spreidde ze de huiden met het bont naar beneden uit en legde er zware stenen op. Ze zorgde ervoor dat ze de huiden niet uitrekte. Huiden die werden uitgerekt als ze nog nat waren, zouden gauw hard en onhandelbaar worden. Het meisje keek naar de stukken bloederige, slordig afgeschraapte huid. Ze droogden al wat op in de ijskoude wind. Morgen zou ze er nog meer vlees van afschrapen. Het zou een paar dagen duren voordat ze verder konden worden bewerkt. Als ze de huiden droog genoeg vond, zou ze met de rauwe huiden om haar heen, met de vleeskant tegen haar lichaam aan, gaan slapen. Haar lichaamswarmte zou de huiden oliën, iets wat alleen gebeurde door langdurig contact met het menselijk lichaam. De dag daarna zouden ze weer worden geschraapt en strak worden gespannen in de koude wind. Na nog een paar keer schrapen en spannen zou Lonit uiteindelijk huiden hebben die zacht genoeg waren om er nieuwe (deren voor de mannen van te maken. Die zou ze zorgvuldig naaien en de naden zo aan elkaar zetten dat zelfs de koudste wind er niet doorheen zou komen. Op stormachtige dagen, wanneer de jagers de bittere kou van de tijd van de lange duisternis ingingen, zouden ze weten dat Lonit in elk geval in bepaalde opzichten iets waard was. Misschien zou Torka dan naar haar glimlachen. Misschien zou hij dan ontdekken dat zij toch enige waarde had. Daarover dacht ze terwijl ze alle kariboes voor zich zag die Torka en Umak de komende dagen naar haar toe zouden brengen zodat zij ze in stukken kon snijden. Ze zou voor hen beiden nieuwe kleren maken! Ze zag hoe de huiden in de zon gespannen waren en glimlachte terwijl ze het vlees van de kariboes afsneed. Ze had pijn in haar rug en haar handen, maar het kon haar niet schelen. Het vlees was voor Torka en Umak. Ze was er trots op dat ze hun vrouw was en dat ze het vlees voor hen mocht bereiden. Ze bleef maar doorwerken en al spoedig hingen er dunne rode reepjes spiervlees over rekken van beenderen te drogen. Zonder toe te geven aan haar vermoeidheid richtte ze haar aandacht op de volgende taak en begon op de gewrichten te slaan om ze open te breken en het merg eruit te halen.
'Je moet nu ophouden! Kom bij het vuur!'
Ze schrok van Torka's stem. Ze keek op en zag dat hij wakker was. Hij zat met gekruiste benen naast de snurkende Umak. Tot haar verbazing was het donker geworden. Felle patronen van goudkleurig, blauw en groen noorderlicht schoten door de nacht. Ze rook de lucht van geroosterd vlees. Haar maag knorde. Ze besefte opeens dat ze weer honger had.
Torka wenkte haar. Zijn gezicht was uitdrukkingsloos toen ze naar hem toe liep en een benen vleespen van hem aanpakte waaraan lange repen kariboetong waren geroosterd. In de zachte gloed van het vuur, met het veelkleurige schijnsel van het noorderlicht achter hem, was Torka zo overweldigend knap dat Lonit niet kon bewegen. Haar hand bleef midden in de lucht steken. Ze trilde zichtbaar. 'Pak aan! Eet! Bijna Een Vrouw heeft het werk van een vrouw gedaan... het werk van wel tien vrouwen! Weet zij niet wanneer het tijd is om op te houden? Weet zij niet wanneer het tijd is om te rusten?' Hij klopte geïrriteerd op de grond naast hem. 'Hier. Kom naast Torka op de huiden zitten. Kom je warmen bij het vuur. Rust. Eet!'
De uitnodiging was zo overweldigend dat haar knieën het bijna begaven. Ze ging zitten. Ze aten in stilte onder de dansende kleuren van de nacht, terwijl de wind om hen heen fluisterde en vonken uit het vuur opsprongen als sterren die naar de hemel probeerden te klimmen. Het meisje keek ernaar terwijl ze langzaam at, niets proefde en alleen maar dacht aan de nabijheid van de man die naast haar zat. Ze was zich zo van hem bewust dat elke zenuw in haar huid open leek te liggen, terwijl ze op een woord van hem wachtte en door hem aangeraakt wilde worden. Maar hij zat daar in stilte, zonder te bewegen, en staarde in het donker, geheel in gedachten verzonken. Zijn gezicht stond strak. Zelfs de warmte van het vuur kon de bedroefdheid niet wegnemen die Lonit in zijn ogen zag. Na enige tijd raakte het meisje ook van droefheid vervuld want ze wist dat hij zich niet van haar bewust was, al had hij haar gevraagd om naast hem te komen zitten. Zijn hart was bij zijn vrouw, bij zijn kinderen, bij alles wat hij had verloren en nooit meer vast zou kunnen houden.
In de loop van de nacht stak de wind op en daalde de temperatuur. Ze gingen de kuilhut in om beschutting te zoeken tegen de kou. Tegen de ochtend werd Lonit wakker van het gehuil van een wilde hond. In het donker lag ze wakker en vroeg zich af of het Broeder Hond was, terwijl ze luisterde naar het gehuil en naar de zachte gelijkmatige ademhaling van Torka. In zijn slaapvachten gerold lag hij diep in slaap naast haar. Pas na enige tijd besefte ze dat ze het vertrouwde gesnurk van de oude man niet hoorde. Ze kwam overeind en tuurde gespannen in de duisternis tot ze iets kon zien. Umak was verdwenen.
Ze was zo moe geweest van haar harde werk dat ze alleen haar bebloede tuniek had uitgetrokken en toen onder haar slaapvachten was gekropen. Ze trok de tuniek niet aan. Ze wikkelde zich in een van haar slaapvachten, trok haar laarzen aan en liep op haar tenen de kuilhut uit om bij het eerste blauwe ochtendlicht in de wind te gaan staan.
Ze zag Umak meteen. Zijn silhouet stak af tegen het ochtendgloren. Hij hield zijn hoofd achterover. Zijn haar wapperde in de wind. Met zijn armen omhoog riep hij naar de opkomende zon. Maar niet met een menselijk geluid. Hij huilde met het geluid van een wilde hond.
En terwijl Lonit luisterde, gaf Broeder Hond vanuit de heuvels in de verte antwoord en klonken de stem van de man en van het dier tezamen.
De volgende dag, toen Torka en Umak weer op jacht gingen, stond de hond op hen te wachten. Hij stond op een heuveltje in de toendra, met zijn dikke vacht zacht golvend in de wind. Hij keek naar de grazende kariboes. De wind waaide tegen de hond in en voerde zijn geur mee. De kariboes roken hem niet en vingen ook niet de geur van mensen op. Want toen de jagers naar de kudde toe liepen, smeerden ze verse kariboemest op hun jagersmantel en maskeerden zo hun eigen geur.
De hond keek hoe de jagers zich vooroverbogen en vermomd als kariboes, in hun jagersmantels met gewei, de langzame, onregelmatige gang van grazend wild nadeden. Het was bijna niet te zien dat het mannen waren. Maar de hond wist het; hij had al zoveel kilometers met Umak afgelegd dat het beeld van de man hem was ingeprent. Het gehuil van de oude man had hem uit de eenzame verte waarheen hij was gevlucht naar het kamp teruggelokt. Hij had een sterk groepsinstinct. Hoewel zijn haren overeind gingen staan als hij aan Torka dacht, was Umak werkelijk zijn broeder geworden. Ze hoorden bij dezelfde meute. En de hond, die van nature een sociaal dier was, had geen zin om alleen te jagen en te leven. Aar was geboren om te jagen en had geen aanwijzingen nodig om te weten hoe hij de meute zo goed mogelijk kon helpen bij het vangen van de prooi. Tot verbazing van Torka en Umak liep de hond op een drafje de heuvel af, ging steeds harder lopen en stormde door de voortbewegende kudde waarbij hij de kariboes alle kanten opjoeg tot de hele kudde op hol sloeg. Agressief blaffend zocht de hond telkens een prooi uit die hij van de kudde wegjoeg, en door naar de stampende hoeven te happen joeg hij diverse koeien en kalveren recht op de wachtende speren van Umak en Torka af. Nadat hij het in het nauw gedreven wild kreupel had gemaakt ging de hond achteruit en bleef kijken hoe de mannen de prooi doodden. Zo gaf hij aan dat zij de leiders van de groep waren.
Umak was opgetogen. 'Broeder Hond jaagt het wild op,' zei hij.
Torka herinnerend aan zijn eerdere uitspraken. 'Maar hij jaagt het niet weg. Hij jaagt het juist naar de jagers toe!' Torka keek strak naar de hijgende, bebloede snuit van de hond en probeerde te begrijpen wat hij net had gezien. Een hond kon niet even intelligent jagen als een mens, maar Aar had dat zojuist wel gedaan, meer dan dat. De hond had Umak en Torka in staat gesteld twee keer zoveel wild te vangen met slechts de helft van hun gebruikelijke inspanning. Torka fronste zijn wenkbrauwen en zag in dat Umak waarlijk heer was over de geest van het dier. Hij knikte. Hij wilde het graag geloven omwille van de oude man, maar hij was toch nog niet overtuigd. Hoe hij er ook over nadacht, het was niet natuurlijk dat een hond bij de mensen bleef. Op de een of andere manier gaf het hem een onrustig gevoel. Maar het dier had die dag zeker zijn portie eten verdiend. Dat kon Torka niet ontkennen.