13
De berg zweeg. De ochtendstond maakte plaats voor een koude, heldere dag die bijna volmaakt was. De dieren van de toendra graasden en jaagden. Er waren geen mammoets te horen en de vreemde rusteloosheid van de voorafgaande nacht leek op een halfvergeten droom. De mensen voelden tegenzin om de grot uit te gaan, zonder dat ze begrepen waarom. Umak zong liederen om de geesten van de hemel en de berg gunstig te stemmen. Een reuzencondor met vleugels als van een gier vloog door de lucht alsof hij door Umaks lied was opgeroepen en een groepje fijngebouwde steppeantilopen waagde het uit de wilgenbosjes te komen en dicht onder de berg te grazen. De angst van de voorafgaande nacht was vergeten en terwijl Torka vol afkeer toekeek, doodden ze het hele groepje antilopen.
Het was bijna donker toen ze bij de grot terugkwamen. Zoals gebruikelijk maakten ze zich op om de hele avond een feestmaal te houden alsof er geen morgen bestond. Volledig verzadigd na hun gulzige maal sliepen ze de hele volgende dag en nacht en bleven nog twee dagen tevreden niets doen.
Gedreven door verveling en door de wens om zich te goed te doen aan het smakelijke vlees van pasgedode lammeren, verlieten ze de richel en volgden een moeilijk te vangen kudde Dall-schapen tot op de beschaduwde hoogten van de smalle kloof waar Umak het rendier en de breedkoppige beer had gedood. De schapen waren snel en behendig. Ze sprongen en dansten even gemakkelijk langs de wanden van de kloof omhoog als de schaduwen van de wolken. Hoewel de nauwe kloof angstaanjagend was voor mannen die gewend waren om op de uitgestrekte open toendra te jagen bleven de jagers, opgewonden door de achtervolging, achter hen aangaan. Galeena leidde hen steeds hoger en de jongens renden heen en weer door het puin dat bros was van de vorst en door de donkere sparrenbosjes. De sneeuwhoenderen en hazen renden weg om dekking te zoeken.
Torka keek naar hen en vroeg zich af of ze nu heel erg dapper of heel erg dom waren. Misschien leidde bij mensen met zo weinig fantasie als het volk van Galeena, domheid wel tot dapperheid. Hij zei tegen Karana dat hij bij hem moest blijven en zijn speren gereed moest houden. De dikke, hoge begroeiing die de grote breedkoppige beer had verborgen, kon nu net zulke gevaren verbergen. Hoewel de jongen wat met zijn been trok, kon hij Torka goed bijhouden. Zijn been was weer sterk en Torka had gemerkt dat hij niet op de plagerijen van de andere jongens inging, al lachten ze hem uit om zijn stijve manier van lopen. Hij toonde zijn moed door overal te gaan waar de andere jongens zich waagden en door nooit te klagen of te verlangen dat er een uitzondering voor hem werd gemaakt. Zijn been zou af en toe vast wel pijn doen, maar hij zei er nooit iets over. Enkel uit de manier waarop hij af en toe zijn mond vertrok, bleek hoeveel inspanning alles hem kostte. Ze gingen verder tot een uitloper van de gletsjer hun de weg versperde. Het was onmogelijk om verder in de kloof door te dringen tenzij ze het ijs opklommen. De schapen schoten omhoog en renden voor hun leven, hun scherpe hoefjes doorkliefden de sneeuw zodat er naar alle kanten stukjes sneeuw wegsprongen. Galeena's goedgemikte speer trof een jonge ooi in de nek. Manaaks wapen bleef steken in de achterpoot van een ram. Verschillende dieren struikelden, kwamen weer overeind en renden verder, de helft van hen met speren in allerlei delen van hun lichaam. Andere schapen vielen, met hun witte vacht rood van de bloedspetters, en hun geblaat werd overstemd door het gehuil van Galeena's jagers. Torka zei tegen Karana dat hij maar een schaap moest gaan doden als hij wilde. De jongen was meteen weg. Torka verroerde zich niet. Hij stond als aan de grond genageld en wist even niet meer waar hij was.
De gletsjer... die was er niet altijd geweest, dat wist hij zeker. Hij keek naar de hoge, vuile massa ijs die de weg versperde. Er lagen een paar afgebroken sparren half onder een hoop keiharde brokken sneeuw waar de jongens en jagers van Galeena's band overheen klauterden om hun prooi te halen. Die bomen hadden de laatste keer dat Torka ze had gezien nog overeind gestaan. Ze hadden het bosje gevormd waarin Umak het rendier had gedood. Terwijl hij zo naar de sneeuw en het ijs keek waaronder de bomen bijna helemaal schuilgingen, besefte hij dat hij niet naar een gletsjer keek, maar naar het opgehoopte puin dat van de onderkant van de ijskap was neergestort sinds hij de anderen naar de berg had gevoerd. Manaak kwam naar hem toe met een ram over zijn schouders. Hij vroeg zich af waarom Torka niet deelnam aan de jacht. Toen Torka vertelde wat er in hem omging, haalde Manaak zijn schouders op en zei dat het overal hetzelfde was. 'Oude mannen in verre kampen zeggen dat ijsgeesten sterk worden. IJsgeesten uit hemel vallen. Ze bedekken de aarde. Ze blijven op de bergen. Niet smelten. Deze ijsmassa zal in donkere tijd van winter groeien. In zo'n beschaduwde kloof zal zelfs in de zomer niet al het ijs smelten. De volgende donkere tijd zal het opnieuw aangroeien. Het zal de kloof vullen en zo hoog worden dat het aan de grote ijskap vast komt te zitten. De volgende tijd van het licht zal het de kloof uitkruipen en alles vermorzelen. Deze man heeft ver gezworven en veel wildpaden gevolgd. In de verre bergen verdwijnen hele passen onder ijs dat voortbeweegt. Op veel plekken moet wild een nieuwe manier vinden om de bergen over te steken naar het gebied waar het gras goed is.' Torka begreep eindelijk waarom zijn volk vergeefs had gewacht tot de kariboes langs de gebruikelijke trekroute kwamen. 'Waar komen de kudden vandaan, Manaak? Ben je daar geweest, in de richting van de opgaande zon?'
'Daar mag niemand komen. De kudden komen uit de opkomende zon door de Gang van Stormen, van voorbij de rand van de wereld waar niemand heen kan gaan.'
'Ik vraag me af...' Torka's overpeinzingen werden afgebroken voordat ze goed en wel waren begonnen.
Een afschuwelijk hoog, bloedstollend gekrijs weerklonk door de kloof. Het werd gevolgd door de pijnkreten van een jongen en het geschreeuw en gevloek van mannen.
De sabeltandtijger met het formaat van een leeuw had zitten eten van het karkas van een kameel die hij een paar nachten daarvoor had gedood. Het dier was oud en had een ruggengraat die gedeeltelijk stijf was en een jichtige heup. Zijn poten waren kort, waardoor hij een hyena-achtige lichaamsbouw had, alsof de lichamen van twee geheel verschillende dieren per ongeluk waren samengevoegd Deze kat was geen snel roofdier van de open toendra maar was gebouwd om te springen. Zijn hersenen waren klein. Zijn humeur was slecht. Op zijn oude dag was hij een gemeen en onberekenbaar roofdier geworden. Toen Ninip en de andere jongens hem per ongeluk opjoegen, sprong hij snel tegen de sneeuwmassa op om zich uit de voeten te maken, maar zijn heup deed zoveel pijn dat hij niet omhoog kon springen. Hij zwiepte zijn korte, lynxachtige staart heen en weer, draaide zich om en spuugde. Hij haalde uit en blies naar de jongens, waarbij hij twee als sabels uitziende hoektanden liet zien.
Dit dier lag meestal op de loer en stortte zich op een domme prooi die aan het grazen was en toevallig te dicht bij de plek kwam waar hij lag te wachten om toe te slaan. Hij sloeg nu ook inderdaad toe en stortte zich op de jongens. Die schreeuwden en stampten en bedreigden het dier met de paar speren die ze niet achter de vluchtende schapen aan hadden gegooid. Het dier sprong met al zijn kracht en was een vormeloze massa lang, bruinig bont. Zijn onderkaak leek los te zitten en vloog naar achteren tegen zijn keel aan. Zijn bek was wijd opengesperd zodat de hoektanden, die half zo lang waren als de onderarm van een man, naar voren staken. Hij had het op Ninip gemunt, maar die stapte nog net op tijd opzij en trok de jongen die het dichtst bij hem stond voor de tijger. Toen het dier de jongen trof, gingen de hoektanden recht door zijn borstkas. De jongen viel met een klap neer, met het dier bovenop hem. Een van de uiteinden van de tanden van het dier sloeg kapot tegen een rots onder de doorboorde rug van de jongen. De kat brulde van de pijn door de verbrijzelde zenuw, haalde zijn tanden uit de jongen en beet zijn slachtoffer telkens weer, terwijl hij aan het middel van de jongen krabde en scheurde tot zijn poten en lichaam rood waren en stonken van de opengereten ingewanden van zijn slachtoffer. De jongen was niet dood. Hij kon geen geluid uitbrengen, maar zijn handen schokten naast hem en zijn benen bewogen krampachtig heen en weer. De kat at hem levend.
Karana wierp zijn speer. Alle andere jongens waren weggerend en de mannen van Galeena stonden toe te kijken. Waarom ze geen poging deden om de gevallen jongen te hulp te komen, was niet duidelijk. In zijn opwinding had Karana een speer misgegooid, maar hij had er nog één, zijn beste speer, die Torka voor hem had gemaakt. Zijn hand kromde zich om de schacht en hij woog de speer jachtjes in zijn hand. Uit zijn ooghoek zag hij Ninip kwaad naar hem kijken.
Karana kwam langzaam dichterbij. Hij hield de arm met de speer gebogen, terwijl hij het wapen zorgvuldig in balans bracht en zich opmaakte om te gooien. Hij was zich ervan bewust dat Torka en Manaak naar hem toe kwamen rennen met hun speren in de aanslag. Torka hield zijn knuppel van walvisbeen in zijn linkerhand. Karana haalde diep adem en mikte vastbesloten. Hij wilde de dodende speer gooien. Dan zouden alle mannen hem Tijgerdoder noemen in plaats van Kleine Manke. Torka zou trots zijn. En Ninip zou hem nooit meer kunnen bespotten.
Terwijl hij naar Karana keek, begreep Ninip wat hij van plan was. Hij werd opeens woedend. Hoe durfde de Kleine Manke de aanvallende kat te trotseren alsof hij de dapperste jongen ter wereld was? Hij zou nooit de spot van zijn metgezellen of de minachting van zijn vader overleven als hij uit angst voor de grote kat bleef staan terwijl de kleine Karana pogingen deed om het dier te doden. Galeena verachtte hem nog steeds omdat hij gestruikeld was voor een aanvallende os. Ninip zou nooit zijn achting winnen als Karana dit dier doodde.
Met een plotselinge energie die sterker was dan zijn angst, rende Ninip naar Karana en griste de speer uit zijn hand, net toen die wilde gooien. Karana verloor zijn evenwicht door de harde por in zijn zij en viel terwijl Ninip een luide triomfantelijke kreet liet horen. De speer was licht en lang, heel anders dan de zwaardere speren met dikke schachten die de jagers van zijn eigen groep maakten. Hij zocht de juiste positie om de dodende speer te werpen, maar zijn beweging had de aandacht van het dier getrokken. De tijger bewoog zo snel en plotseling dat Ninip niets kon doen. Met één sprong zat het dier bovenop hem en gooide hem om. Hij viel op zijn zij met de speer nog in zijn hand. Hij had zich instinctief als een foetus opgerold zodat hij zijn vitale delen beschermde tegen de verscheurende klauwen en priemende tanden van de tijger. Zijn dikke winterkleren waren zijn enige bescherming tegen het roofdier. Hij schreeuwde naar zijn vader dat hij de tijger moest doden voordat die hem in stukken scheurde.
Hoog boven de kloof verscheen de reuzencondor die ze vaak voor de zon door de lucht zagen cirkelen en die nu op de jachtgeluiden afkwam. De schaduw van de vogel leidde de kat af, net lang genoeg voor Ninip om zijn vader en de andere jagers bewegingloos te zien staan. Niet een van hen deed ook maar een poging om zijn speer op te tillen. Ze waren van plan om te blijven staan kijken hoe hij stierf. Hij wist niet precies wanneer Torka's speer het dier raakte. Die van Manaak volgde. Het dier leek recht omhoog te springen, zich om te draaien en achteruit te deinzen met een diep, afschuwelijk raspend geluid dat katachtigen maken wanneer ze in het nauw worden gedreven en woedend zijn.
Ninip bewoog niet. Hij wist niet of zijn armen en benen nog aan zijn lichaam zaten en zelfs niet of hij nog leefde. Langzaam kwam Torka in zijn gezichtsveld en ging tussen hem en de tijger staan. Ninip zag alles troebel door het bloed... zijn eigen bloed of dat van de kat, hij wist het niet. Torka maakte zachte, boze mauwgeluiden tegen het dier, om het uit te dagen en te lokken. Hij hield zijn vreemde, messcherpe knots van walvisbeen stevig vast. Ninip voelde zich zwak en verward. Waarom bracht Torka zichzelf in gevaar voor iemand die nooit iets gedaan had om zijn bezorgdheid te verdienen?
Terwijl Ninip keek, dook Torka in elkaar. Hij greep het smalle, door pezen omwonden uiteinde van zijn wapen met twee handen vast. Hij bleef de kat uitdagen totdat het dier zich met een woedend gekrijs op hem stortte. Torka sprong geweldig lenig en sierlijk opzij en draaide daarbij in het rond. De lange, scherpe rand van zijn wapen sneed de uitgestoken klauwen van de kat af. Het dier kwam neer voordat het besefte dat het geen poten meer had. De stompen konden zijn gewicht niet dragen. Krijsend en totaal verrast sloeg hij over de kop terwijl Torka op hem afsprong en hem met drie harde klappen van zijn knuppel de schedel insloeg.
Net als de jongen die hij had opengereten stierf de sabeltandtijger langzaam.
Als Galeena zijn zin had gekregen, hadden ze Ninip achtergelaten om naast het verminkte lichaam van de opengereten jongen te sterven. De hoofdman was openlijk kwaad dat Torka de sabeltandtijger had gedood.
Weer waagt Torka zijn leven om een nutteloze te redden! Dacht Torka dat de anderen dat ook zouden doen? Nee. Een groep heeft mannen nodig, jagers, geen onhandige jongens!' De andere jagers betuigden hun instemming. Ze waren allemaal kwaad om Torka’s vertoon van dapperheid dat hun een maatstaf had getoond waarnaar zij zelf niet gemeten wilden worden. Torka keek Galeena ongelovig aan. 'Ninip is je zoon.' 'Bah! Wat is een zoon? Deze man heeft al veel zonen gehad. Zal weer zonen krijgen.'
Torka kon zoveel hardheid moeilijk begrijpen. 'De geesten zijn edelmoedig geweest voor Galeena. De kat heeft een tand gebroken toen hij de andere jongen aanviel. Daardoor had hij waarschijnlijk pijn en heeft hij Ninip niet doorboord. Ninip is gehavend en gekneusd, maar met enige zorg zal hij gauw genoeg genezen zijn.' 'Jij hebt hem gered, jij geneest hem! Galeena erkent die onhandige niet als de zijne!'