7

Het leven was goed. Als ze al gevolgd werden door geesten uit het achtergelaten winterkamp die in de wind woorden van dood en verlating fluisterden, hadden Torka, Umak en Lonit het te druk om naar hen te luisteren. Het meisje zorgde voor het nieuwe kamp terwijl de mannen jaagden. De hond rende altijd voor de mannen uit en joeg het wild naar hun wachtende speren alsof hem dat geleerd was. Ze brachten veel vlees mee, genoeg voor de tijd van het licht die nu begon en zelfs nog voor wanneer de tijd van de gevreesde lange duisternis zou terugkeren. Het meisje prepareerde een heleboel huiden, voldoende om voor hen allemaal nieuwe kleren te maken. Al spoedig hoefden ze niet meer te jagen. Maar de kariboes trokken nog steeds langs, ze kwamen in zulke grote aantallen uit het oosten dat het leek of de kudden niet uit afzonderlijke dieren bestonden maar één bewegend geheel vormden waar geen eind aan kwam.

En toen waren ze verdwenen.

Torka staarde voor zich uit naar de lege, stille wereld. Hij stond op een heuveltje in de toendra. Beneden hem tekenden de sporen van de voorbijtrekkende kariboes zich donker af op de nog bevroren grond. De kariboes waren naar de heuvels in het westen getrokken. 'Ze komen weer terug,' zei Umak. De oude man was naast zijn kleinzoon komen staan. De hond stond naast hem, maar niet al te dichtbij en ver buiten het bereik van Torka. Umak zoog de ochtendlucht diep in en ademde enthousiast weer uit. De afgelopen paar dagen van rust, goed eten en succesvolle jacht hadden ervoor gezorgd dat hij zich weer jong voelde. 'Dit is een goed kamp. Wanneer de kariboes naar het oosten komen, zullen wij hen hier opwachten. Ze zullen ons vlees leveren voor de tijd van de lange duisternis.

'Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe?' wilde Torka weten.

Umak schraapte zijn keel. 'Dat weet waarschijnlijk niemand. De kariboes trekken in deze wereld heen en weer. Ze gaan naar geheime plekken waar alleen kariboes kunnen komen.' 'Ik vraag me af...' Torka wendde zijn blik naar het oosten, naar de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte waarover de kariboes waren gekomen. Aan de horizon schitterde een brede, met sneeuw bedekte berg, nevelig vanwege de grote afstand tot de plek waar Torka stond. Voorbij de berg liep de toendra door tot in de oneindigheid. Torka keek er bedachtzaam naar. 'Ergens van achter die bergen zijn de kariboes gekomen om te grazen, te kalveren en van de toendra te eten in de dagen van zon. Maar wanneer de tijd van de lange duisternis nadert, gaan de kariboes altijd weer terug naar het oosten. Waar gaan ze heen? En waarom gaan ze daarheen? Wat eten ze wanneer ze in de tijd van de kwijnende maan verdwenen zijn? Als jagers mee konden gaan, als de mens op kariboes kon jagen in de winterse duisternis...' Umak schraapte weer zijn keel en onderbrak Torka: 'Dat mag niemand! De zon roept de kariboes. Zij volgen naar een geheime plek in de lucht, boven de bergen, recht naar de opkomende zon!' 'Werkelijk?'

'Werkelijk,' bevestigde Umak, want wat de vaderen van zijn vader sinds mensenheugenis hadden verteld was heilig. Daar kon niet aan worden getornd.

Onder een zwerm trekvogels op doortocht zocht Lonit naar stenen om een bola te maken. Haar hoofd deed pijn en haar borsten waren gevoelig toen ze zich bukte om de stenen te bekijken die rond een groot rotsblok vol korstmos lagen. Op de zuidkant van het rotsblok, waar geen korstmos groeide, was de steen zo glad dat hij wel gepolijst leek. Dat zou het meisje anders wel zijn opgevallen, want iets bijzonders zag ze altijd meteen, maar ze voelde zich niet zo goed en dacht alleen aan haar eigen onwaardigheid. Kijk nu eens naar dit vrouwspersoon! dacht ze bij zichzelf, met vertrokken mond. Een paar dagen vlees snijden en Lonit is even stijf en krakkemikkig als een oude vrouw! Zo heeft ze zich nog nooit gevoeld. Lonit brengt schande over de mannen die haar het kamp met hen laten delen. Zelfs de hond is belangrijker dan Lonit!

Ze bleef zichzelf stilzwijgend beschuldigen, des te meer toen ze geen stenen van de juiste vorm en afmetingen kon vinden. Hoe kon ze nu een goede bola maken zonder de juiste stenen? Ze had de vier leren riemen waar de stenen aan vast moesten worden gemaakt al klaar: elke riem bestond uit drie repen pees die zorgvuldig tot een riem van een meter lengte waren gevlochten. De riemen waren aan één uiteinde bij elkaar gebonden en met nog een riempje vastgebonden. Wanneer de losse uiteinden van de vier vlechten met stenen waren verzwaard — met twee condorveren aan het samengebonden uiteinde om de bola in de lucht te stabiliseren en te richten - zou Lonit een volmaakt wapen hebben om de landvogels en watervogels waar de lucht vol van was, te vangen. Weldra zouden de vogels hun nest maken in de talloze plassen en meren die na de dooi in het voorjaar op de toendra zouden schitteren. Zelfs nu waren de minder diepe meren al gedeeltelijk ijsvrij en zetten zich overal kleine, op spreeuwen lijkende vogels neer om in de dunne ijslaag op de toendra te pikken naar stukjes jonge planten en naar resten van grassen van vorig jaar. Weldra zouden ze een nest bouwen, samen met de talloze andere gevleugelde luchtnomaden. Er zouden eieren zijn om te rapen en leeg te zuigen.

Maar nu trok er een doffe, hardnekkige kramp door Lonits buik, waardoor zelfs de gedachte aan zulke heerlijkheden, waar ze zo lang naar had uitgekeken, haar niet vrolijker kon maken. Behalve haar hoofdpijn en haar zere borsten was ook de kramp een teken van haar onwaardigheid. In haar handschoenen waren haar ruwe werkhanden vochtig. Ze voelde zich zo vreemd. Ze vroeg zich af of ze soms doodging. Dat idee hield haar zo bezig dat ze verschrikt opsprong toen Umak opeens achter haar stond. 'Bijna Een Vrouw is ver bij het kamp vandaan en alleen. Dat is niet goed. Er is altijd gevaar wanneer men alleen gaat. Waar zoekt Lonit naar?'

Ze stond voor hem. Zijn verwijt maakte haar beschaamd. Ze durfde hem niet aan te kijken. Ze wist hij gelijk had. Ze voelde zich zo ongelukkig, dat ze er geen moment aan twijfelde dat ze niet goed genoeg was om hem aan te kijken. Om te voorkomen dat hij beledigd zou zijn door haar zwijgen gaf ze hem antwoord. 'Lonit wilde een bola maken. Lonit is uit het kamp gegaan om stenen te zoeken.' 'Er hangt veel vlees aan de droogrekken. Er ligt veel vlees in de bergplaatsen. Lonit hoeft geen bola te maken. Lonit ziet er moe uit. Kom. Bijna Een Vrouw zal nooit echt een vrouw worden als ze niet ophoudt met werken en zichzelf rust gunt. Als ze in haar eentje ver bij het kamp vandaan gaat, zullen de vleeseters haar besluipen en zullen haar mannen zich in gevaar moeten begeven om haar te redden.'

Ze schaamde zich nog dieper. Ze had zo haar best gedaan om Umak en Torka niet te laten zien hoe zwak ze was. Ze was er zo trots op geweest dat ze het werk van een vrouw voor hen deed, dat ze hen kon laten zien dat ze het vlees goed wist te bereiden, huiden kon prepareren, kleren kon maken en goed voor het kamp kon zorgen. Ze hadden hun waardering laten blijken, stilzwijgend zoals mannen dat doen, door wat te grommen en te knikken en zonder commentaar te accepteren wat ze voor hen deed. Goedkeuring was het grootste compliment waar een vrouw op mocht hopen. Als een man het eten dat zij had toebereid at, of een kledingstuk of sieraad droeg dat zij voor hem had gemaakt, bonsde het hart van de vrouw van trots. En Lonits hart had gebonsd... tot ze moe was geworden. Tot haar hoofd pijn was gaan doen. Tot haar borsten opeens waren opgezwollen en pijn waren gaan doen. Toen herinnerde ze het zich weer. Ze besefte dat Umak en Torka haar slechts duldden en haar inspanningen voor hen accepteerden omdat ze geen keus hadden. Ze was de enige vrouw die er was om het vrouwenwerk te doen. Wanneer Umak naar haar keek, betreurde hij vast en zeker in stilte dat alle mooie vrouwen die in zijn lange leven zijn slaapvachten hadden gedeeld, waren gestorven. Nu was er alleen nog een lelijk, onwaardig meisje over om hem op zijn oude dag te vleien. Als hij werkelijk geloofde dat er op een dag uit haar een nieuwe stam zou worden geboren, moest zijn mannelijkheid wel ineenschrompelen bij de gedachte met zo'n zwak en onbeduidend wezen te moeten paren. Dat zou hij ongetwijfeld aan Torka overlaten. En als het aan Torka lag, zou het nieuwe leven gewoon uit Lonit ontspringen zoals insecten uit de huid van de toendra kwamen: als bij toverslag, vanzelf, zoals vis uit het smeltende ijs komt dat in een stromende rivier wordt meegevoerd.

Zelfs dan zou ze vast niet veel waard zijn, dacht Lonit. Als ze oud was, zouden de kinderen die ze had gebaard zich schamen haar moeder te noemen. Ze zou wegtrekken, de winterse duisternis in, en hen achterlaten om hun eigen leven te leiden, in de hoop dat ze haar gauw zouden vergeten.

Maar voorlopig leefde ze, en toen ze op zoek was gegaan naar stenen had ze nagedacht over wat ze voor haar mannen moest doen. Ze had aan de toekomst en aan het verleden gedacht. Ze had zich herinnerd hoe de groep de laatste nachten van de wegkwijnende maan had geleefd. Ja. De mannen hadden veel vlees naar dit nieuwe kamp gebracht. En Lonit had het bereid en veilig opgeborgen voor de komende magere tijden. Maar kon er ooit voldoende vlees in een kamp zijn? Zouden ze, wanneer er weer tijden van honger aanbraken, niet blij zijn met het vettige, roze vlees van de grote ganzen en zwanen die voor de sterker wordende voorjaarszon uitvlogen en aan het eind van de zomer met de wegstervende zon weer verdwenen? Het was 'vrouwenvlees', maar wanneer het langdurig was gerookt boven vuren van gedroogde kariboemest en toendraplaggen, zou het haar mannen in leven kunnen houden wanneer het laatste 'mannenvlees' van de kariboes op was.

Zo dacht Lonit toen ze achter Umak aan terugliep naar het kamp. Hij had tegen haar gezegd dat ze moest rusten en dat zou ze ook doen, maar door de kramp in haar buik zou ze toch niet kunnen slapen.

De nacht zou maandenlang niet meer volledig duister zijn. Toch was het donker toen Umak en Torka voor een vuurtje van beenderen en mest zaten. Ze praatten zachtjes en genoten van een briesje dat voor het eerst in lange tijd - ze konden het zich bijna niet meer herinneren - niet winters aanvoelde.

Er was geen maan. Tegen een loodgrijze hemel steeg een uil op: een bleke vlek tegen de nacht, want zijn witte winterkleed was nog niet helemaal veranderd in het zomerse bruin. Torka keek op. Hij volgde de bleke streep van de vlucht van de uil totdat die verdween. Overal om hen heen was de nacht vol van geluiden van het ontluikende voorjaar, van water dat in duizenden stroompjes voortkabbelde en van onder smeltende sneeuwvelden neerdruppelde in luchtholten die de ontwakende aarde daaronder isoleerden. Tegenover hem, aan de andere kant van het vuur, kauwde Umak op een lange reep kariboevlees. Hij hield het stuk vlees in één hand terwijl hij het vlak bij zijn mond afsneed met een scherp vuurstenen mes dat hij in zijn andere hand hield. Terwijl Torka naar hem keek, sneed Umak met zijn stenen dolk even gemakkelijk door het vlees alsof hij door warm vet gleed. Umak gromde tevreden. Met de hap vlees in zijn mond merkte hij op dat Lonit het vlees goed had bereid. Torka knikte met tegenzin. Het meisje had de repen vlees heel dun en dwars op de draad gesneden. Ze waren in de wind vlug gedroogd en even mals alsof ze met stenen waren gebeukt. Ze bleek het kamp beter te verzorgen dan Egatsop ooit had gedaan. Ze werkte hard en volbracht nauwgezet elke taak waar ze zich met haar vaardige handen aan wijdde. Hoewel ze niet had geklaagd, had Torka de vermoeidheid op haar gezicht gezien toen Umak haar kort daarvoor naar het kamp had teruggebracht en erop had gestaan dat ze zou rusten. Hij had gemerkt dat ze de afgelopen paar dagen steeds vermoeider raakte. Hij maakte zich daar nu zorgen over en bedacht dat, ook al had hij een hekel aan het meisje, Umak en hij misschien wel bepaalde stamtradities moesten herzien. Er was mannenwerk en vrouwenwerk, maar nu waren er op de hele wereld nog maar twee mannen en nog maar één vrouw. Nee. Zelfs dat niet. Bijna Een Vrouw was dan misschien wel zowat even lang als Umak en verrassend sterk voor haar leeftijd, maar ze was nog maar een meisje. Ze mochten haar niet te veel laten doen.

Umak keek onder het eten naar Torka. Zoals zo vaak het geval was, wist hij wat zijn kleinzoon dacht. De oude man zei bedachtzaam: 'In een nieuw leven moeten mensen nieuwe gewoonten leren.' Hij nam een mondvol vlees, sneed het af en spuugde het toen krachtig uit. Het belandde onaangekondigd op de neus van de hond die in het schijnsel van het vuur lag te dommelen. Onmiddellijk klaarwakker hapte Aar het op en slokte het heel naar binnen. Umak grinnikte. 'Nieuwe tijden brengen nieuwe verwantschappen. Als deze oude man de broeder van een hond kan worden, kan Torka ook wel een vrouw helpen bij haar werk.'

'Lonit is geen vrouw. Ze is een kind. Ze hoeft niet zo hard te werken. Wij zijn met zijn tweeën. Ze werkt zo hard alsof ze een hele stam te eten moet geven. Ze doet te veel. Ze kookt te veel. Ze doet geloof ik erg haar best om de herinnering aan de vrouwen in de groep te laten verbleken. Dat is niet goed.'

Umak keek Torka aandachtig aan. Hij had zichzelf in zijn kleinzoon opnieuw geboren zien worden. Ze leken in zoveel opzichten op elkaar. Toch had Torka van het begin af aan een eigenschap gehad die zeIfs Umaks wijze, waakzame ogen niet hadden kunnen definiëren. Toen Torka eindelijk volwassen was, had hij nog steeds diezelfde eigenschap... diep in hem, verborgen, een inwendige kracht die steeds verder toenam... ongezien, onvermoed, als een stroom in een grote rivier, verborgen door het ijs in de winter maar toch steeds aanwezig. Op een dag zou die stroom bovenkomen. Op een dag zou ze het ijs dat haar gevangen hield doorbreken. Op een dag zou ze losbreken en het landschap veranderen. Op een dag, maar nu nog niet. Nu droeg zijn geest nog al te zeer de littekens van een gehavend leven. Ze maakten hem blind voor alles behalve het verleden. Hij kon niet eens de verdienste zien van een jong meisje dat zo haar best deed om hem te behagen.

Umak zuchtte. Hij dacht na over de vele kilometers die hij met het meisje had afgelegd. Zijn oogleden zakten en hij staarde in het vuur terwijl hij de herinneringen liet opvlammen op de cadans van het licht dat tussen zijn wimpers door in zijn ogen danste, veelkleurig alsof het door een kristal werd gezien.

'Hmmm,' zei de oude man die zich helemaal niet oud maar jong en warm voelde, nu zijn buik vol vlees en zijn lichaam voor het eerst in vele maanden goed uitgerust was. 'Bijna Een Vrouw is nu eenmaal zo. Ze is sterk. Ze is dapper. Ze is geen kind. Het is niet haar bedoeling dat de herinnering aan de vrouwen van de stam verbleekt. Ze doet haar best om ons een plezier te doen, omdat ze zich schaamt dat ze niet méér op hen lijkt.'

Torka schraapte zijn keel precies zoals Umak dat altijd deed en gaf zijn grootvader te kennen dat hij het verkeerd zag.

De oude man keek vanaf de andere kant van het vuur naar zijn kleinzoon. 'Umak is al oud. Umak heeft veel gezien. En Umak zal je dit vertellen over Bijna Een Vrouw: zelfs de lelijkste knop die lange tijd onder het ijs van de winterse duisternis heeft gewacht, groeit in het warme licht van de zomerzon snel uit tot een bloem, zwelt op,

gaat open en hunkert om het leven te ontvangen.'

Het was duidelijk wat hij bedoelde. Torka wilde er niet van horen.

Lonit is geen vrouw!' hield hij vol.

Umak zuchtte bijna dromerig, wierp het laatste stuk vlees naar de hond, trok toen zijn mantel van bizonvacht hoger om zijn schouders. 'Nu is Lonit een meisje,' gaf hij toe. Zijn stem klonk zacht, bedachtzaam en vol droefheid. 'Weldra zal ze een vrouw zijn... de enige vrouw...' Hij vouwde zijn armen om zijn gebogen knieën en liet zijn hoofd erop rusten. Hij had opeens slaap. Hij geeuwde. Hij sloot zijn ogen en luisterde naar de wind en naar het geluid van de aarde die zich opende voor de lente. 'Weldra...' zei hij nog eens terwijl hij langzaam in slaap viel. Onmiddellijk kwamen de dromen, over verre landen, over geweldige jachtpartijen, over vrouwen die van hem hadden gehouden en naast hem liepen onder de woeste poolhemel van zijn jeugd. Het meisje speelde geen rol in zijn dromen, want die gingen over het verleden. Lonit was een ongeopende bloem die op de komst van de zon wachtte en in de laatste dagen van de winterse duisternis haar eigen dromen droomde.

Torka zat alleen bij het vuur. In de verte huilden de wolven. Zijn gedachten keerden zich naar binnen, naar de vrouw die hij had verloren, zijn baby en zijn lieve zoontje dat hij nooit meer terug zou zien. Hij sloot zijn ogen. In het wegstervende licht van het vuur zag alleen de wilde hond zijn tranen.

Hij werd wakker van het gegrom van de hond. Er gingen slechts enkele seconden voorbij vanaf het moment dat Torka zijn ogen opendeed tot het moment van de aanval. Het leek wel een heel leven. Een felle waakzaamheid trok door zijn aderen. Hij was meteen klaarwakker. Hij voelde dat er naar hem werd gekeken. Het was alsof hij een dier was dat in een val gevangen zat met overal om hem heen jagers die klaarstonden om hem in stukken te scheuren. Umak sliep verder, nog steeds in zijn mantel van bizonhuid gewikkeld. Een van de wolven sprong over hem heen, zonder hem als prooi te zien, en ging recht op Torka af. Te laat besefte Torka dat hij te ver bij de hut vandaan was om zijn speren te grijpen. Hij had zichzelf wel kunnen vervloeken dat hij zo dom en zorgeloos was geweest, maar zelfs daar had hij geen tijd voor.

De grote wolf vormde een vage vlek tegen de donkere hemel toen de hond opsprong om hem te onderscheppen. Torka was al overeind, klaar om de aanval van het beest met opgeheven armen tegen te houden, maar tot zijn verbazing viel de wolf voor zijn voeten op de grond. De hond zat boven op de wolf. Vol ongeloof zag Torka hoe hun lichamen zich schenen te vermengen tot een schimmige massa bont en poten terwijl hun beider gegrauw eindigde in een verward gepiep van pijn toen de flitsende tanden en graaiende bek de keel van de wolf doorbeten.

De roedel kwam nu dichterbij... hun kop omlaag, kwijlend en met zware kaken. Het waren er vier en een groot mannetjesdier had de leiding. Torka dook op zijn wapens af. Zijn speren stonden naast die van Umak rechtop tegen de kuilhut. Torka greep er twee en de rest viel met veel lawaai op de grond terwijl hij zich snel omdraaide om helemaal alleen de wolven te trotseren.

'Umak!' Hij riep de oude man bij zijn naam, maar zijn grootvader sliep verder, zich niet bewust van het gevaar. Torka had geen tijd om hem wakker te schudden. 'Kom!' riep hij tegen de wolven, uit ervaring wetend dat enig vertoon van bravoure meestal voldoende was om dat soort dieren weg te jagen.

De bewolkte lucht zorgde voor een zacht grijzig licht. Torka kon de wolven duidelijk zien toen ze voorzichtig, stap voor stap dichterbij kwamen. Waarom zochten de wolven het gevaar? Hadden ze niet ook van de trekkende kariboes gegeten? Ze zagen er niet vermagerd uit. Hun pels was dik en hun flanken waren glad. Hun ogen glansden toen ze Torka recht in de ogen keken en opeens begreep hij het. Ze hielden van de smaak van de mens. Die vonden ze lekkerder dan minder vijandige prooien. Kilometers verderop, naar het westen toe, in het verlaten kamp waar Torka's volk weerloos tegen de vraatzuchtige roofdieren naar de hemel lag te kijken, hadden ze hun buik er al mee volgegeten.

Torka werd woedend bij de gedachte. Hij slingerde een van zijn speren naar hen toe. De speer kwam een paar centimeter naast het doel terecht. Hij wierp de andere, net toen het kleinste dier uit de roedel op hem afsprong. Midden in zijn sprong verrast vloog de wolf recht in de speer en viel kronkelend en gillend van de pijn op de grond. Het geluid weergalmde door de nacht. Umak schrok wakker. Hij knipperde met zijn ogen en het tafereel voor hem werd langzaam duidelijker. Eén wolf lag dood op de grond. Een andere lag stuiptrekkend aan Torka's voeten. De overige twee kwamen grauwend op Broeder Hond af. Hij knipperde weer met zijn ogen. Droomde hij soms? Het duurde een paar seconden voordat hij begreep wat hij zag en nog een paar voordat zijn geest aan zijn lichaam had duidelijk gemaakt wat het moest doen. Tegen die tijd was Lonit uit de kuilhut gekomen.

Slechts gekleed in haar ondertuniek, met haar vleesmes in de hand, aarzelde ze niet. Ze gaf een schreeuw die niet onderdeed voor die van de stervende wolf en rende dapper op de indringers af, hen even zwaar belagend als zij haar mannen belaagden. Torka greep naar de speer die doel had gemist, zwaaide hem door de lucht en schreeuwde net zo doordringend als Lonit.

De kleinste van de twee wolven kromp ineen. Hij wist dat er geen enkel voordeel meer viel te behalen. Hij draaide zich snel om en ging ervandoor. Maar de leider van de roedel, het grote mannetjesdier, deed iets onverwachts. Hij draaide zich ook om, niet om te vluchten, maar om op het onverschrokken meisje met het mes af te springen.

Lonit verloor haar evenwicht en viel neer met de wolf boven op haar, zijn tanden diep in haar onderarm. Het mes vloog uit haar hand.

Umak vloog overeind, met zijn speer in de hand, terwijl Torka zijn wapen wegwierp en op de wolf afsprong. Hij vloog het beest aan, trok aan zijn nek en voelde hem onder zijn handen worstelen en draaien. Toen werd de wolf slap. Umak had met al zijn kracht zijn speer omlaag gestoten. De speer ging door de huid van de wolf heen, tussen zijn ribben door en recht zijn hart in. Hij was op slag dood.

'Aajie-ie!' riep de oude man, terwijl hij de speerpunt met woest geweld terugtrok. Het bloed spoot uit de wond. In het donker leek het zwart, bijna even zwart als Umaks gedachten. Hij had langzaam gereageerd op het gevaar, te langzaam, en hij wist het. Zijn jeugdige geest had geschreeuwd dat hij moest opschieten, maar zijn lichaam had hem verraderlijk in de steek gelaten. Het had bewogen alsof het van steen was. Omdat hij er niet in was geslaagd in de aanval te gaan, was het meisje onder de wolf terechtgekomen. Torka was zo ver weg geweest dat hij niet meer had kunnen doen dan hij had gedaan. Umak was misselijk van schaamte. Zijn schreeuw was geen overwinningskreet geweest, maar een uitroep van zelfverachting. Ongeduldig kwam Torka overeind en rolde het lichaam van de wolf opzij. Hij voelde zich koud worden van angst toen hij het eveneens slappe, bebloede lichaam van het meisje eronder zag liggen. Eén arm lag over haar gezicht. Het leer van haar mouw was op wel tien plaatsen doorboord en gescheurd en verzadigd van het bloed. Torka knielde naast haar neer. Hij durfde haar niet aan te raken en nauwelijks adem te halen. Ze zat onder het bloed. Haar bloed of dat van Je wolf? Hij wist het niet. Hij vroeg zich af of ze dood was. Verwarde gevoelens zoemden door zijn hoofd als stekende insecten op de zomerse toendra. Zijn hart was als ijs toen hij besefte hoezeer hij haar zou missen. Niet omdat ze hard werkte, niet omdat ze zich altijd verder probeerde te ontwikkelen in de talloze vaardigheden die tot de vrouwelijke wijsheid behoorden. Zelfs niet omdat ze de enige vrouw ter wereld was. Gewoon omdat ze Lonit was. Het besef was verbijsterend. Ja, ze was lelijk, met haar grote ronde antilopeogen en de rare kuiltjes die ze onder haar jukbeenderen kreeg wanneer ze glimlachte. Ja, ze was te groot voor een meisje en te tenger, maar ze was even dapper als de meest trotse jager en even geduldig als welke vrouw van de stam ooit had kunnen zijn. Tot op dit moment had Torka niet beseft hoeveel hij om haar was gaan geven. En hij wilde niet om haar geven. Hij zou niet toelaten dat hij om haar ging geven. Zijn herinneringen aan Egatsop zouden het niet toelaten.

'Lonit?' Umak zei de naam van het meisje zacht en aarzelend, half bevreesd dat haar levensgeest haar lichaam had verlaten. In zijn buik veranderde het schaamtegevoel in misselijkheid. Als de wolf Lonit had gedood zou dat Umaks schuld zijn. Maar het meisje was niet dood. Ze was alleen verdoofd en gewond... en bang. Langzaam bewoog haar gewonde arm. Haar oogleden bewogen. Ze keek door bebloede wimpers naar Torka en als vanzelf sloeg ze haar armen om zijn nek en drukte ze haar gezicht in het warme kuiltje van zijn nek toen ze overeind kwam. Hij leefde nog! Ze was er zeker van geweest dat de wolven hem hadden verslonden. Ze klemde zich aan hem vast en herinnerde zich toen dat de wolven ook Umak hadden bedreigd. Ze keek over Torka's schouder en zag dat de oude man dicht bij hen stond, met de hond naast hem. De opluchting overweldigde haar. Ze glimlachte flauwtjes. Zijn de wolven weg? En zijn wij nog steeds bij elkaar... allemaal... Umak en Torka, Broeder Hond en Lonit... vormen we nog steeds een groep?'

Nog steeds,' bevestigde Umak, terwijl hij zich afvroeg of het meisje had gezien hoe hij tekort was geschoten.

Ze had het niet gezien. Ze had alleen oog voor Torka die zachtjes haar armen van zijn nek losmaakte. Ze zat heel stil terwijl hij voorzichtig de gescheurde laagjes van haar bebloede mouw terugsloeg. Ze hield haar arm zo stil mogelijk. Ze vertrok bijna geen spier toen hij haar wonden onderzocht. Hij fronste zijn voorhoofd toen hij zag hoe de wolf de zachte huid aan de binnenkant van haar arm had beschadigd.

'Dit moet worden gehecht,' zei hij tegen haar, onder de indruk van de manier waarop ze in stilte de pijn verdroeg. 'Bijna Een Vrouw is dapper.' Hij erkende het hardop, zich nauwelijks bewust van wat hij zei. Het was niet goed dat een vrouw zo dapper was. Egatsop had als een gewonde wolf gebruld toen haar kinderen werden geboren. Het geluid van een jammerende vrouw maakte dat haar man zich sterk voelde. Probeerde dit lelijke meisje met haar ronde ogen hem soms te ontmannen?

Zich niet bewust van zijn gedachten sloeg haar hart even over van vreugde. Uit zijn mond was de opmerking een compliment dat mooier was dan het leven ooit was geweest. Ze sprak haar gevoelens tegen hem uit. 'Met Torka naast haar is Lonit nergens bang van!' Ze zag er zo jong en kwetsbaar uit en ze was zo vol vertrouwen dat hij zich om moest draaien. Hij begreep haar niet. Hij wilde haar niet begrijpen. Een vreselijke verlatenheid maakte zich van hem meester. Hij dacht aan de wolven, aan de enorme condor en aan de mammoet die de stam had vernietigd. Hij dacht aan alle hongerige roofdieren die op de toendra loerden en aan de uitgestrekte eenzame vlakte om hen heen. Hij hoorde het zachte gefluister van de nachtelijke wind. Die sprak hem van de duizenden manieren waarop een mens kan sterven en hoe kort het leven van een jong meisje en een oude man zou zijn zonder een jonge, sterke jager om hen te beschermen.

Langzaam, bedrukt door zijn gedachten kwam Torka overeind. Hij had wel gezien dat Umak niet snel kon reageren op de aanvallende wolven. Als de hond niet waarschuwend had gegromd zouden de wolven zich nu te goed doen aan hun vlees. Met intense spijt en droefheid moest Torka toegeven dat Umak inderdaad oud was. De dagen waarin hij op de geweldige kracht en wijsheid van zijn grootvader kon rekenen waren voorbij. Umak had hem een bijna fatale denkfout laten maken toen ze een slachtkamp opsloegen dat twee mannen onmogelijk zouden kunnen verdedigen. Het was een fout die hun het leven had kunnen kosten. Tot nu toe hadden ze geluk had, maar Torka besefte nu dat ze hun gewoonten zouden moeten veranderen om te kunnen overleven. Ze zouden zich niet meer zoals weleer in onbeschermde kampen kunnen handhaven terwijl het vlees en de huiden werden bewerkt en de mannen en jongens jaagden tot er bijna geen wild meer over was en de groep uiteindelijk wel verder moest trekken, achter de kudden aan, op zoek naar nieuwe jachtvelden.

Maar hoe moesten ze anders leven? De vraag brandde in zijn hart. Hij was een man van het Volk. Hoe kon hij nu alleen gaan jagen met enkel een oude man en een meisje aan zijn zijde? Hij stond met zijn gezicht naar het oosten, naar het licht van de ochtendstond. En toen hij het glinsterende silhouet van de berg in de verte zag, wist hij opeens wat hij moest doen. Net als de kudden die weer naar het oosten gingen telkens wanneer de tijd van de lange duisternis aanbrak, moest hij zijn kleine groep recht naar de opkomende zon leiden. Ze zouden naar de bergen in de verte gaan en daar een kamp opslaan, met hoge stenen muren in hun rug om hen te beschermen tegen onverwachte aanvallen door vleeseters. Ze zouden op de uitgestrekte toendra jagen zoals het Volk altijd had gedaan. Maar ze zouden rusten waar het Volk nog nooit had gerust. Hij staarde recht voor zich uit en putte nieuwe kracht uit het beeld van de hoog oprijzende berg. 'Lonit is klaar.'

De stem van het meisje leidde zijn aandacht af. Hij richtte zijn blik omlaag en zag dat Umak zijn medicijntas uit de kuilhut had gehaald. De oude man knielde naast Lonit neer en maakte aanstalten om de wond te hechten. Ze zat heel stil. Heel recht. Heel dapper.

Lonit is niet bang,' zei ze.

Torka wendde zijn blik af en keek weer naar het ochtendgloren, recht in de opkomende zon, terwijl hij het meisje weer haatte en wenste dat ze dood was en dat Egatsop daar in haar plaats zat. De berg kreeg een gouden gloed en de toendra strekte zich oneindig ver uit, trillend in de koude adem van de immer aanwezige wind. Ergens, kilometers verderop, rommelde de donder vanuit de nu wolkeloze hemel. Torka luisterde. Hij wist dat het niet de donder was. Het was het getrompetter van een mammoet in de verte. Hij sloot zijn ogen. Herinneringen aan de Vernietiger schoten door zijn hoofd. Om hem heen was de wereld stil, op het zacht fluisterende geluid van de wind na. De mammoet brulde niet meer, maar Torka dacht aan Nap en Alinak, aan Egatsop en aan de kleine Kipu en aan allen die nu dood naar de hemel lagen te kijken. Hij deed zijn ogen open. De wind blies om hem heen en sprak hem opnieuw van de duizenden manieren waarop een mens kan sterven. De wilde hond zat naar hem te kijken. Hun blikken kruisten elkaar. Toen wendde Torka zijn ogen af, omdat hij niet wilde dat een dier zag wat hij niet aan Umak of Lonit wilde laten zien. Torka was bang.