5
De vrouwen gingen naar beneden en begonnen met het verwerken van het vlees. Umak voegde zich bij hen in zijn mantel van berenvel. Hij stapte even hooghartig tussen de geslachte beesten door als een grote reiger die door een moeras loopt.
'Hmmm, Net zoals de Heer der Geesten al zei, een goede dag om te jagen.' Hij zou hen niet laten vergeten dat hij hun geluk had voorspeld. Hij stond er onaangedaan bij terwijl de jagers alle beesten die ze gedood hadden vilden. Zijn gezicht verried niets van zijn innerlijke beroering over het lichtzinnige slachten van de hele kudde. Het was nu eenmaal gebeurd. Als de levensgeesten van het wild beledigd waren, zou niets dat meer veranderen. Vannacht zou hij rook maken en lofliederen zingen voor de levensgeesten van de muskusossen. Misschien zou dat hen tevreden stellen. Anders zouden ze het gauw genoeg merken. In elk geval zouden zijn liederen, rookwolken en rituele dansen indruk maken op de groep van Galeena, vooral op de vrouwen. En dat zou een goede zaak zijn, voor Umak tenminste.
Tot Lonits verbazing deden de jagers van Galeena meer dan alleen hun dieren villen. Ze zag dat de mannen van elk dier de keel doorsneden, de tong uitsneden en die vervolgens ter plekke gehurkt opaten.
Lonit zag hoe Torka de tong van de stier die hij had gedood uitsneed en naar Umak bracht.
'Voor de Heer der Geesten die met zijn toverij zoveel vlees heeft gegeven.'
De oude man gromde, duidelijk vergenoegd door Torka's eerbetoon. Terwijl Galeena's mensen naar hem staarden, omdat ze waarschijnlijk niet gewend waren dat jongeren ouderen iets anders gaven dan bevelen om met de wind mee te gaan, aanvaardde Umak Torka's geschenk alsof hij er niet aan twijfelde dat hij er recht op had Hij hield de tong hoog om dank te brengen aan de geesten, hij zong een luid en langdurig loflied op het dier waarvan hij het vlees tot zich zou nemen. Nadat hij een klein stukje van de tong had afgesneden en opzij had gelegd - vast en zeker om mee te nemen voor Karana - sneed hij de tong met zijn vilmes doormidden en bood Torka een stuk aan.
Ze zag hoe ze beiden wachtten en rondkeken of ze haar tussen de vrouwen zagen, voordat ze samen in stilte gingen zitten eten. Ze was opgelucht dat ze haar niet hadden gezien en niet hadden geroepen. Ze was expres achteraan in de groep kijkende vrouwen gaan staan en had zich gebukt en zo klein mogelijk gemaakt zodat ze niet zou opvallen. Uit de manier waarop de vrouwen achteraf bleven staan, begreep ze dat ze er niet op rekenden iets van dit deel van de buit te krijgen. Net als bij haar eigen volk waren de lekkerste stukjes bestemd voor de jagers.
Als Torka en Umak Lonit hadden gevraagd om hun feestmaal te delen, zou dat alleen vijandige gevoelens bij Galeena en zijn mannen hebben opgeroepen. En Torka had al voldoende vijandschap bij Galeena opgewekt.
Dat zag Lonit aan de kleine, roofzuchtige oogjes van de hoofdman. Hij keek naar Torka alsof hij een dier was waarop hij graag zou jagen. Lonit werd ongerust wanneer ze naar hem keek. Hij zat op de achterbout van de dode stier die Torka had geveld alsof het zijn buit was en niet die van Torka. Ze mocht hem nog minder dan toen ze hem voor het eerst zag. Toen was ze bang van hem geweest. Nu was ze doodsbang.
De wind was afgenomen. Het was een warme lome wind die de bloedlucht van de dode en stervende muskusossen niets verminderde. Verzadigd van het vlees van de tongen begonnen de jagers restjes naar de jongens te werpen. De jongens sprongen naar voren en vochten fel om elk stukje terwijl de jagers hun aandacht op andere heerlijkheden richtten. Lonit zag hoe ze met hun duimen de oogballen uit de koppen van de muskusossen duwden en gulzig het smakelijke zwarte vocht begonnen op te zuigen. Het water liep Lonit in de mond en ze dacht aan de tijd toen ze met Torka en Umak over de toendra trok. Die hadden er edelmoedig op aangedrongen dat zij samen met hen van die heerlijkheden at. Die tijd was voorgoed voorbij. Ze zuchtte weemoedig en was blij toen ze geroepen werd om met de andere vrouwen met het eigenlijk werk te beginnen.
Werken zou de bitterzoete herinneringen verdrijven. Er moesten schedels worden stukgeslagen en poten van rompen worden gesneden. Er moesten hersenen worden uitgelepeld en zorgvuldig worden bewaard voor het looien van huiden. Er moesten pezen van het vlees worden gescheiden en worden bewaard. Er moest vuur worden gemaakt. Er moest vlees worden gerookt en geroosterd. Er moesten beenderen worden gekraakt en er moest merg worden gesmolten. De jagers waren al op de net buitgemaakte huiden aan het plassen. Als de huiden geheel doordrenkt waren, zouden ze in stijve bundels worden samengebonden en bij het vuur warm worden gehouden. Over een dag of twee zouden de huiden zacht genoeg zijn om te worden bewerkt en zou het lange haar van de muskusossen makkelijk uit de knoop kunnen worden gekamd. Dan zouden de vrouwen ze uitspreiden, het laatste vlees eraf schrapen en ze op droogrekken spannen, waarmee het lange zware proces om de ruwe huid tot soepele kledingstukken te verwerken, begon. Lonit pakte haar stenen vilmes en begon met drie andere vrouwen de vette romp van een grote stier in lange, bloederige stukken te snijden. Ondertussen at ze flink van het vlees. Het was warm en zoet. Toch smaakte het vreemd genoeg ook bitter, want terwijl ze at, gingen haar gedachten naar de jacht waarbij de grote stier was geveld. De gedachte aan de zinloze slachtpartij van de muskusossen maakte haar van streek. In gedachten zag ze telkens de zielige kalfjes die om hun moeder blaatten en de dappere stieren die zich liever in hun zij hadden laten steken dan dat ze hun oude en zwakke dieren en hun wankele jongen in de steek lieten.
De smaak van het vlees stond haar opeens tegen. Lonit slikte en probeerde aan iets anders te denken. Naast haar werkte de droef kijkende vrouw Iana in stilte. Tegenover haar aten, werkten, lachten en praatten de andere twee vrouwen die zich hadden voorgesteld als Oklahnoo en Naknaktup. Ze dreven de spot met de muskusossen omdat ze zo dom waren. Lonit merkte dat ze het hun kwalijk nam dat ze zo spraken en dacht na over de gewoonten van haar eigen Volk. Ze vroeg zich af waarom mensen - die zo veel wijzer waren en zich zo veel gemakkelijker aanpasten dan dieren - bijna nooit zo zelfopofferend en zorgzaam voor hun soortgenoten waren als de dappere domme ossen die vandaag waren gestorven. Ze zei wat er in haar omging, maar had er onmiddellijk spijt van. 'Bah!' snauwde Naknaktup, de jongste van de twee matrones verwijtend. 'Muskusossen niet dapper! Muskusossen dom! Als ze wegrennen, zij nu niet allemaal dood!'
Oldahnoo snoof instemmend. Ze was twee keer zo dik als Naknaktup en een paar jaar ouder. Uit hun gelaatstrekken en stemgeluid viel op te maken dat ze zusters waren. Ze nam Lonit op alsof ze twijfelde aan haar denkvermogen. 'Goed dat muskusossen niet denken als mensen! Als ossen wegrennen, als zij jongen en zieken achterlaten, wij maar een beetje vlees krijgen. Maar omdat ossen dom, omdat zij blijven bij oude en zwakken, wij allemaal doden! Torka's vrouw zeggen dat niet goed is?'
De vrouw had haar een vraag gesteld. Lonit moest wel antwoorden. 'Het is niet goed! Er zijn geen koeien of stieren over om nieuwe kalveren te maken. De kudde is voor altijd verdwenen. Nooit zullen de jagers meer eten van het vlees van de kudde en de levensgeesten ervan dank brengen!'
Oldahnoo haalde haar schouders op. 'Wat hindert datte? Wij nu eten! Dit is niet enige kudde muskusossen op aarde! Wij meer vinden. Wij veel doden. Altijd!' 'Ei-jaa!' voegde Naknaktup eraan toe.
De droef kijkende vrouw keek op van haar werk en zei dat ze ook door moesten gaan met werken. 'Veel vlees te snijden. Zon zal niet langzamer door lucht lopen terwijl vrouwen praten.' Oldahnoo glimlachte en liet daarbij versleten tanden zien die eruitzagen als vlekkerige, bemoste stenen die te lang op de bodem van een meertje met stilstaand water hadden gelegen. Haar vilmes was een grote, afgeronde, ruw gebroken steen die als een noot in de dop in haar handpalm lag. Waar het mes langs haar handpalm uitstak, was het zo scherp als een scheermes. Met die scherpe rand sneed ze het vlees van de schouder van de os. Ze vertelde met smaak hoe ze warm bloed uit de nek van een nog levend kalf had weten te zuigen. De jagers hadden zijn keel doorgesneden en zijn tong uitgesneden, maar niet zijn slagader geraakt. Hij had nog geleefd toen Oklahnoo zich op hem had gestort. Ze grinnikte luid toen ze het geluid nadeed dat het dier had gemaakt toen ze haar gezicht in zijn kapot scheurde keel begroef. Ze deed met haar armen voor hoe hij haar had geschopt.
Lonit voelde zich opeens misselijk. De zusters waren dezelfde twee die naakt op Umak af waren gekomen om hem vlees te brengen en wat hij verder maar van hen wilde. Hij had het vlees genomen maar verder niets, hoewel hij hen belangstellend had bekeken. Lonit begreep niet goed waarom. Zij vond hen weerzinwekkend. Net als alle vrouwen van Galeena's groep waren ze vuil. Hun haar zag eruit alsof het nog nooit het zachte trekken van een kam had gevoeld. Het vet van een heel leven zat op de verwarde slierten. Terwijl ze zich over hun werk bogen, scholden ze haar nog eens uit vanwege haar bezorgdheid om het lot van de muskusossen. Lonit antwoordde niet. Ze wist dat ze haar gevoelens net zo min zouden begrijpen als zij die van hen. Beseften ze niet dat hun eigen leven ooit in gevaar zou kunnen komen, dat ze ooit zouden kunnen sterven als er niet iemand bereid was om voor hen gevaar te lopen? Dachten ze dat ze zelf niet getroffen konden worden door verwonding, ziekte of ouderdom? Zouden ze zo lachen als zij werden weggestuurd om met de wind mee te gaan, omdat ze geen eten meer konden vinden en niet meer konden vechten om de restjes die werden overgelaten door degenen die jonger en sterker waren?
Lonits liet haar blik nog eens over de slachterij glijden. Elke muskusos werd door drie of vier vrouwen in stukken gesneden. De mannen en jongens hingen wat rond om bij te komen van het vergaren van zoveel vlees. Het was niet de eerste keer dat het Lonit opviel dat dit een groep was zonder kinderen, baby's of oude mensen. Ze hoefde niet te vragen waarom. De jongeren, de ouderen en de zieken konden altijd worden opgeofferd in tijden van nood. En dit waren tijden van nood... in elk geval was dat zo geweest tot Galeena zijn volk door alle moeilijkheden heen had geloodst en naar een veilig kamp op de berg van Torka had gebracht.
Haar ogen bleven op haar man rusten. Wat was ze trots op hem! En op Umak, die naast Torka hurkte en met het merglepeltje dat ze voor hem had gemaakt, merg uit een gebroken poot schraapte. Hij leek niet op een man, maar op een grote beer. Het was bijna grappig om naar hem te kijken, om het fijne merglepeltje te zien verdwijnen.
Het menselijke gezicht dat onder de kop van het dier was verborgen. Het kostte moeite te bedenken dat de sterke, slimme Heer der Geesten een oude man was die niet veel manen geleden vrijwillig met de wind was meegegaan zodat het Volk niet omwille van hem zou lijden het was een verbijsterende gedachte. Umak had het overleefd. Het Volk was omgekomen. En Lonit en Torka waren alleen nog in leven dankzij de wijsheid, bezorgdheid en onschatbare kracht van een oude man die men niet meer waard had gevonden om te leven. In storm en kou en ondanks de aanvallen van wilde dieren waren ze bij elkaar gebleven en hadden ze elkaar verdedigd tot ze uiteindelijk veiligheid hadden gevonden in een nieuwe groep. Weldra zou Lonit Torka's kind baren. En dankzij een oude man zou het Volk herboren worden.
Eén enkel leven was wel belangrijk. Je leven in de waagschaal stellen om een ander te redden was niet dwaas.
Lonits baby bewoog in haar buik om als haar gedachten te bevestigen. Haar vrije hand ging naar haar buik. Het kind daarin was nog heel klein, maar het bruiste van leven en spartelde in haar als een visje in een beschut meertje. Meestal maakte het bewegen van het ongeboren kind haar blij, maar nu stemde het haar somber. Deze baby zou worden geboren in de tijd van de lange duisternis. Dat had Umak haar verteld. Maar kon hij haar garanderen dat een kind dat bij de kwijnende maan zou worden geboren, van de mensen van Galeena's volk zou mogen blijven leven? Zouden de matrones, Oklahnoo en Naknaktup haar uitlachen zoals ze nu de muskusossen uitlachten, wanneer ze gedwongen werd om haar baby aan de stormgeesten prijs te geven? En zou Torka dat goedvinden?
Lonit voelde zich opeens ziek. Verward stond ze op en zonder moeite te doen om haar haastige vertrek te verklaren ging ze in haar eentje ergens anders staan, ver van de plek waar gedood was. Ze keerde haar gezicht naar de wind. Die was te warm om haar verlichting te geven. Ze was bleek van misselijkheid en haar ogen stonden vol tranen toen de droef kijkende vrouw achter haar aan kwam en naast haar kwam staan.
De vrouw keek haar aan. Ze had een grauw gezicht dat mooi zou zijn geweest als het niet vol roet en vuil had gezeten. Ze droeg een vlekkerige, gescheurde jurk die als een trommelvel over de enorm zwelling van een ver gevorderde zwangerschap gespannen stond Toen ze sprak klonk haar stem zacht en vol medeleven. 'Torka's vrouw baby in buik hebben?' Lonit knikte.
De vrouw met de verdrietige ogen glimlachte en knikte. 'Iana dacht al. Eerste keer baby, deze?' 'Eerste keer baby.'
Weer knikte ze. 'Het is goed. Eerste keer baby best. Moeilijk baren, maar best. Iana zal helpen. Lonit niet bang zijn. Iana eerder baby's hebben. Twee baby's. En veel meer helpen baren.' Lonit fronste haar wenkbrauwen. Veel baby's? En niet één van hen nog in leven en stevig vastgebonden op de rug van de moeder? Keek Iana zo bedroefd door de dood van haar kinderen? Er waren een heleboel doodgegaan toen de Vernietiger in Galeenas kamp tekeer was gegaan, maar misschien waren Iana's kinderen wel het slachtoffer geworden van de lange, koude nachten van de kwijnende maan, die de vrouwen van haar stam maar al te vaak ertoe hadden gebracht om hun pasgeborenen te vondeling te leggen of achter te laten. Ze huiverde. Ze wilde er niet aan denken. 'Lonit niet bedroefd zijn,' zei Iana terwijl ze met een bebloede hand op de geslachte kudde van muskusossen wees. 'Niet bedroefd om hen. Beter allemaal dood. Beter dood dan bedroefd om verloren kalveren... om verloren moeders... om verloren vaders. Iana zegt beter allemaal dood dan een paar herinneren.'
Lonit fronste haar wenkbrauwen en schudde haar hoofd. Ze begreep dat Iana het helemaal niet over muskusossen had. 'Nee. Het is niet beter om te sterven. Het is nooit beter om te sterven. En deze vrouw zal haar kinderen nooit achterlaten!'
Ook al was haar gezicht donker van het roet en het vuil, toch verbleekte Iana zichtbaar. Haar ogen werden groot en even staarde ze Lonit aan alsof ze niet zeker wist of ze haar goed had verstaan. Toen boog ze haar hoofd, zuchtte en fluisterde: 'Niet zo spreken. Galeena zeggen, Lonit doen. Is gewoonte groep.'
'Lonit is Torka's vrouw. Galeena heeft zijn kamp in de grot van Torka. Galeena eet het vlees van Torka. Torka spreekt. Lonit gehoorzaamt. Aan Torka. Niet aan Galeena.'
Iana schudde langzaam, bijna weemoedig haar hoofd. 'Torka heel sterke man. Maar Galeena leider van dit volk. Lonit luisteren wat Iana nu zegt. Lonit goed onthouden: Torka moet doen wat Galeena zegt, anders jagers van Galeena, zij Torka doden. Dan Lonit bedroefd. Dan Lonit zeggen: "Beter dood dan herinneren! '