2.
Terwijl om hen heen de wind steeds sterker werd, hurkten ze in de sneeuw en verslonden twee van de vossen rauw. Al etend vilden ze de karkassen met hun stenen dolken en zogen het zoete, warme, levenschenkende bloed uit het vezelige vlees.
Ze kregen langzaam weer wat energie in hun verhongerde, uitgeputte lichamen. Samen maakten ze een kuilhut die hen tegen de opstekende storm zou beschermen. Umak brak de bovenkant van de bevroren grond met behulp van een stenen bijl en een wig. Hij veegde de sneeuw weg met de zijkant van zijn bijl en hakte de stukgeslagen bovengrond in kleine, onregelmatige plaggen. Die legde Lonit ergens anders op een stapel om ze later te kunnen gebruiken. Met het puntige rechte deel van een kariboegewei schraapten de oude man en het meisje om beurten de holle cirkel uit, tot ongeveer twee meter doorsnee en dertig centimeter diep. Wanneer de hut af was, zouden Umak, Torka en Lonit er languit in kunnen liggen en zou er nog voldoende ruimte over zijn voor hun voorraden. Zodra de hut op temperatuur was door hun lichaamswarmte en hun kookvuur zou de uitgediepte vloer een goede bescherming bieden tegen de wind en de kou.
Toen de cirkel was uitgegraven en gladgemaakt, haalden ze de slee uit elkaar en legden Torka, die nog steeds bewusteloos was, op de sneeuw neer, op een bizonhuid die ze vervolgens om hem heen sloegen. Met de mammoetribben van de glijders en de grote geweien waar de slee mee was gemaakt, bouwden ze snel het koepelvormige geraamte van hun tent. Ze versterkten het door alle verbindingen met leren riemen te omwikkelen en ze staken de uiteinden zo diep mogelijk in de bevroren grond. Daarna droegen ze de geoliede vloerhuid, de enige die ze uit het verwoeste kamp hadden kunnen redden, naar binnen. Hij was op verschillende plaatsen kapot maar Lonit zou hem later wel repareren. De wanden van bont en huiden werden vastgezet en in lagen over het geraamte getrokken, waarna ze aan de onderkant en bovenkant met riemen werden verstevigd. Als laatste werden de plaggen tegen de onderkant gestapeld, niet alleen om de muren van onderen te verzwaren maar ook als extra isolatie.
Toen dit klaar was, brachten ze Torka binnen en legden hem voorzichtig neer, dichtbij de plek waar ze hun vuur zouden maken. Hij lag doodstil. Umak voelde op zijn slaap naar zijn hartslag. Torka had nog steeds koorts maar zijn hartslag was krachtig en gelijkmatig. De oude man glimlachte. Torka zou leven, daar was hij zeker van. Hij durfde dat niet tegen het meisje te zeggen om te voorkomen dat hij boze geesten zou oproepen die zijn overtuiging zouden logenstraffen, maar hij zei dat het met Torka wat beter leek te gaan en hoorde haar opgelucht ademhalen.
Ze sleepten hun voorraden naar binnen, en ook een van de vossen die inmiddels stijf bevroren was. Later, als hij in de hut wat ontdooid was, zouden ze hem villen en in stukken snijden. De rest van de dode dieren, zes in totaal, sloegen ze op in een kleine, haastig gegraven put dicht bij de hut. Met een huid eroverheen gespannen zou de put als diepvries dienen. Zelfs in zomerkampen kon vlees in zulke voorraadputten onbeperkt koel worden gehouden omdat de grond onder het dunne bovenlaagje altijd bevroren bleef. Umak ging zitten terwijl Lonit de huid die als deur diende van binnenuit dichtdeed. Het was donker in de hut. Buiten nam de wind wat af en veranderde van richting. Bijna onmiddellijk werd de lucht veel kouder. Uit ervaring wist de oude man dat de storm die nu zou losbreken zo gemeen koud zou zijn dat alleen de sterkste wezens konden overleven.
Wij zullen overleven, dacht de oude man. Hij begon zich wat te ontspannen en dacht aan de hond. Hij wou dat hij hem de hut in had kunnen lokken. De hond had voedsel aangenomen maar was teruggedeinsd toen Umak hem gebaard had in de hut te komen. Nu lag hij buiten, dicht tegen de muren van huid die hij als windkering gebruikte terwijl hij zich verdedigend om de restanten van de vos krulde. Met een buik vol eten om hem te warmen zou zijn dikke wintervacht voldoende bescherming bieden tegen de kou. Hij zal het ook overleven, dacht de oude man.
Alsof de wilde hond de gedachten van de oude man kon lezen, tilde hij zijn kop op en huilde vol minachting tegen de opstekende storm.
Lonit zat heel stil te luisteren en huiverde van een plotseling gevoel van eenzaamheid. Zij, Umak en Torka waren de enigen die over waren van het Volk. De betekenis daarvan drong nu pas goed tot haar door. Ze voelde geen blijdschap in haar hart en geen schuld; ze voelde alleen een verschrikkelijke, overweldigende wanhoop. Buiten in het donker heersten de storm en de wilde dieren over een wereld die zich oneindig ver uitstrekte. Zij waren alleen in die wereld: een meisje, een oude man en een gewonde jager. Onder de wijde, woeste poolhemel hief de wilde hond een klaaglied aan tegen de eindeloze nacht.
'Wat roept je Broeder Hond tegen de wind, Heer der Geesten? vroeg ze de oude man, terwijl ze haar best deed om niet bang te klinken en hoopte dat hij haar niet zou slaan omdat ze hem een vraag durfde te stellen.
Hij luisterde naar de hond. Hij hoorde hoe de stem van het meisje beefde en wist wat dat betekende. Ook hij voelde de eenzaamheid en het eerste knagen van de angst, maar hij was Umak, Heer der Geesten en hij kon zich daar niet mee bezighouden. 'Dat we leven,' antwoordde hij, grimmig en vastbesloten. 'En dat we zullen blijven leven.'
De wind beukte tegen de kleine tent, maar die bleef stevig staan ook al waaide er sneeuw naar binnen door de naden die Lonit, omdat ze te uitgeput was, niet had dichtgemaakt. In de duisternis, terwijl de wind het huilen van de hond overstemde, voelde Umak hoe de temperatuur gevaarlijk daalde. Geschrokken stond hij op. Hij kon niet rechtop in de hut staan, al kon hij er languit liggen.
'Opstaan!' schreeuwde hij tegen het verschrikte meisje. Hij gaf haar opdracht zich uit te kleden zodat ze naakt onder alle slaapvachten konden gaan liggen. De gezamenlijke warmte van hun naakte lichamen zou hen in de ergste storm warm kunnen houden. Rillend deed Lonit wat hij zei, terwijl Umak eerst zichzelf uitkleedde en zich toen over Torka boog en met enige moeite de meeste gescheurde en bebloede kleren van zijn kleinzoon uittrok. 'Kom!' zei hij toen tegen het meisje en liet haar aan de rechterkant van Torka liggen terwijl hij zich aan zijn linkerkant uitstrekte. Onder hen lag de bizonhuid, waarvan het leer naar beneden was gekeerd zodat de dikke, ruwe vacht een kussen vormde voor hun lichaam. Ze rilden zich warm onder de opgestapelde slaapvachten. Lange tijd lagen ze te luisterden naar de storm, terwijl Torka zonder iets te merken tussen hen in sliep. Na een poosje trilde alleen de hut nog in de wind, en in de duisternis hoorde Lonit de oude man met kalme zekerheid spreken. 'Zie je? We leven! We zullen echt overleven.'
Maar hoe lang? vroeg het meisje zich af. Ze wist niet zeker of Umak tegen haar had gesproken of tegen de storm. Het maakte niet uit. Ze voelde dat hij in slaap viel en wist dat zij ook in slaap zou vallen. In de zachte, warme vergetelheid van de volledige uitputting, met haar tengere lichaam naakt tegen Torka aan, deed ze haar ogen dicht en huiverde nogmaals, maar niet van de kou, terwijl ze dacht: In de hele wereld is er nu geen enkele vrouw voor Torka. Alleen Lonit is er. Ik ben zijn vrouw. Hij zal mijn man zijn. Te zijner tijd. Ja. Dat zal gebeuren. Hij zal vergeten dat ik lelijk ben. Ik zal mezelf zo verdienstelijk maken dat hij het wel zal moeten vergeten. Een heerlijk gevoel van geluk overweldigde haar bijna. Ze drukte zich nog meer tegen hem aan. Ze voelde de warmte van zijn koortsachtige vlees zich vermengen met haar eigen warmte, met haar polsslag die sneller ging door iets wat niet alleen de bevlieging van een kind was. Ze was geen kind... na vandaag niet meer, nooit meer. Een handje ging omhoog en bleef op Torka's schouder rusten. 'Lonit is Torka's vrouw,' fluisterde ze nauwelijks hoorbaar en slaperig, terwijl ze zich voelde wegzakken in haar dromen. Maar opeens was ze klaarwakker. Ze staarde voor zich uit. Elke spier in haar lichaam gespannen. Umak sliep verder. Torka ademde regelmatig. Buiten had de storm echter een demonische kracht bereikt. Het had iets onnatuurlijks, iets dreigends. Lonit ging rechtop zitten. Opgezwiepte sneeuw vloog door de openingen in de naden naar binnen. Terwijl ze ernaar staarde, waaierden de sneeuwvlagen uit, draaiden rond in de lucht en namen de vorm aan van geesten en demonen terwijl ze om haar heen zwiepten en aan haar blote huid trokken.
Haar adem stokte. Ze kende de gezichten van deze geesten. Het waren de leden van haar stam, maar ze waren veranderd. Ze hadden geen vorm, geen substantie. Ze waren elementen van de storm en de sneeuw, even grijs en klam als mist terwijl ze zich verdichtten tot een doorzichtige pilaar. De pilaar nam de vorm aan van een vrouw, maar deze leek niet op een vrouw die ooit had geleefd. Haar vlees bestond uit ijskristallen en was gebroken en gescheurd. Uit honderden wonden bloedde de mist. Vanuit een bevroren, verwoest gelaat dat ooit mooi was geweest, richtten ogen die even koud en hardvochtig waren als de poolnacht, zich op Lonit en uit een skeletachtige mond kwam één klagend woord: 'Torka...' Lonit staarde. Ze wist dat de geest Torka's vrouw Egatsop was die de levensgeest van haar man kwam opeisen. 'Nee!' riep Lonit, terwijl ze zich over Torka heen wierp en de door sneeuw gedragen handen van de Dood over haar rug voelde krabben. 'Hij leeft! Je mag hem niet hebben! Hij is nu mijn man!'
De wind werd nog sterker en brulde in Lonits oren. De kou was zo bitter dat hij in haar neusgaten beet en haar longen vulde tot ze niet meer kon ademen. Ze voelde messcherpe speren van ijs - Egatsops vingers - door haar lichaam boren om de man die onder haar lag te pakken te krijgen. Ze voelde Torka bewegen toen hij opeens de namen van zijn overleden vrouw en kinderen riep. Een verschrikkelijk gevoel van angst golfde door haar heen. Wat was ze dwaas geweest om te denken dat Torka haar ooit zou willen hebben, zelfs al was ze de laatste vrouw op aarde. Hier was de vrouw van wie hij hield, teruggekomen uit de dood, om hem op te eisen. Maar ze kon hem niet laten sterven... niet Torka, niet degene van wie ze meer hield dan van zichzelf.
Ze stond op en draaide zich om naar de geest. 'Neem mij! Kom! Leef weer in mijn lichaam als je bij hem wil zijn!' Het was net of het spook naar haar lachte en zelfs in haar meest verschrikkelijke nachtmerries had Lonit nooit iets afschuwelijkers gezien dan Egatsops geest. Snikkend en bijna flauwvallend van angst wierp Lonit zich weer over Torka's lichaam. Opeens hoorde ze, boven de storm van de dood uit, het gegrauw van de hond en even snel als ze waren gekomen, verdwenen de geestverschijningen. Ze draaide zich om en zag dat Umak was opgestaan. Hij deed wat hij kon om de naden dicht te maken en vroeg haar om hem te helpen. Hij had geen geesten gezien. Hij had geen stemmen gehoord. Het was een droom geweest, verzekerde hij haar.
In de duisternis vond ze tussen haar spullen haar draad van pezen en met trillende handen slaagde ze erin om de draad in haar naald te krijgen en de naden zo goed mogelijk dicht te naaien. Tegen de tijd dat ze dat had gedaan, was de wind gaan liggen. Ze hielp Umak om de sneeuw uit de hut te scheppen en kroop toen weer onder de slaapvachten om te gaan slapen.
Maar ze sliep niet. Naast de hut gromde de wilde hond en hoewel Umak stellig beweerde dat het niet zo was, waarden er de hele nacht boze geesten rond.