9

Nu waren ze door liefde verbonden. Ze sliepen onder dezelfde slaapvachten. De dagen vlogen voorbij en volgden elkaar op als gouden vissen die door de mazen van een net sprongen dat hun niet kon vasthouden.

En nog steeds kwam Karana's volk niet.

Met behulp van een kruk die Umak voor hem had gemaakt van het gewei van een kariboe liep de jongen weer alhoewel zijn wond nog steeds pijn deed en hij nogal hinkte. Terwijl hij keek hoe Umak en Torka ver van de berg op de toendra jaagden, bleef hij op zijn uitkijkpost op de richel zitten en wachtte geduldig op zijn volk. In de ravijnen begonnen de bessen te rijpen. De jagers begeleidden Lonit wanneer ze naar eten ging zoeken en bewaakten haar wanneer ze eetbare wortels opgroef. Omdat ze volhield dat ze zo veel mogelijk eten moesten opslaan voor de tijden van honger, gingen ze, om haar haar zin te geven, met haar mee het moerasland in en stonden vol bewondering te kijken als ze met haar bola ganzen en andere watervogels ving. Zelfs toen de eerste rondingen van haar zwangerschap te zien waren, was ze nog even snel, lenig en behendig als een jonge ree.

'Hmmm. Hoe langer Umak naar Enige Vrouw Op Aarde kijkt, hoe minder lelijk ze wordt.'

Lonit is niet lelijk,' zei Torka verdedigend. Hij verbeterde zijn grootvader niet toen hij haar de enige vrouw op aarde noemde. Voor Torka was ze ook echt de enige vrouw. Hij dacht bijna nooit meer aan Egatsop en als hij wel aan haar dacht, was het met droefheid en tederheid. Het verlangen naar haar en de woede over de wijze waarop ze was gestorven waren verdwenen. Ze was dood, hij had haar met zijn eigen handen zo neergelegd dat ze naar de hemel keek. Lonit was nu zijn vrouw. Hij wist dat hij nooit iemand zo zou begeren en nooit zoveel van iemand zou houden als van Lonit.

Jonge vogels vlogen uit. Jonge vossen, wolven en leeuwen leerden jagen. Knaagdieren en dieren die een leger groeven, zagen hoe de meest onvoorzichtige van hun jongen stierven. Grote kuddes bizons en muskusossen, paarden en kamelen, antilopen en jakken trokken langzaam grazend over de steppe aan de voet van de berg naar het oosten. Weldra zouden de eerste trekvogels van het seizoen uit de moerasgebieden in de toendra opstijgen en naar de opkomende zon toe vliegen. Karana keek uit over een wereld die door de eerste vorst van de herfst roodbruin gekleurd was. Waar was zijn volk? Waarom kwamen ze niet? Lonit zat aan de andere kant van de richel in de zon. De jongen hoorde haar zacht zingen terwijl ze naaide. Ze zat nieuwe laarzen voor hen allen te maken. Haar stem klonk geruststellend. De jongen wilde niet worden gerustgesteld.

Hij rimpelde zijn voorhoofd terwijl hij in de verte staarde. Aar was met Umak en Torka naar beneden gegaan. De oude man had in de kloof de sporen van een beer ontdekt. Torka en hij hadden besloten dat ze een valkuil zouden graven aan het begin van de kloof. Zo n groot en mogelijk gevaarlijk dier wilden ze niet in hun jachtgebied hebben en berenvlees was een van de beste soorten vlees als het vers werd gegeten. Het was vet en zoet en zou een feestmaal voor hen zijn. Het vet van het dier zou in Lonits olielamp lang en regelmatig branden. De dikke huid zou voor hen allen warme beenstukken en bovenjakken opleveren.

Maar Karana dacht niet aan de beer die weldra door Umak en Torka zou worden gedood. Hij dacht aan zijn volk. Hij voelde achterin zijn keel een diepe pijn opkomen. Was zijn vader dood? Zou Karana het enige lid van zijn volk zijn dat de vreselijke winter had overleefd? Of had de oude Heer der Geesten gelijk? Had zijn volk hem misschien in de steek gelaten?

Hij had daar nooit aan willen denken. Supnah zou hem nooit hebben verlaten. Nooit! Maar nu herinnerde hij zich de gekwelde blik op het gezicht van zijn vader toen de tovenaar Navahk met hem had gesproken. En hij herinnerde zich hoe de tovenaar naar hem had geglimlacht. Het was een glimlach geweest vol geheimen, donkere geheimen als de larven van insecten diep in de buik van een gewonde ijsgors die hij eens op de toendra had gevonden. Het vogeltje had er goed uitgezien. Hij had gedacht dat het alleen maar verdoofd was en rilde van de kou. Maar toen hij het van de sneeuw had opgetild was het vogeltje met een laatste rilling doodgegaan terwijl de wormen die van de beschadigde borst hadden gegeten over zijn handen kronkelden.

De herinnering was zo onaangenaam dat Karana zijn ogen sloot en zijn hoofd schudde terwijl hij probeerde het uit zijn gedachten te zetten. Hij hoopte dat Navahk dood was en dat zijn buik door de wormen was leeggegeten. Hij begreep niet hoe zijn vader het advies kon opvolgen van zo'n tovenaar. Misschien omdat ze broers waren? Misschien omdat lang geleden Karana's moeder Supnah had geadoreerd, maar Navahk had ontlopen, zodat Supnah het gevoel had dat hij dat goed moest maken?

Misschien zou Karana nooit de antwoorden op deze vragen weten. Supnah, Navahk en zijn volk waren ver weg. Karana was alleen onder vreemdelingen en het viel hem steeds moeilijker om vijandig tegen hen te doen. Het was hem nu duidelijk dat de oude geestenbezweerder hem geen kwaad wilde doen. Toch nam hij het de oude man kwalijk dat die weigerde te geloven dat Karana's volk terug zou komen.

Hij deed zijn ogen open. Hij keek om zich heen, naar het goed bevoorrade, ordelijke kamp en moest toegeven dat het leven hier bij Umak, Torka, Lonit en de wilde hond goed was, zo goed dat hij soms echt hoopte dat zijn verwanten hem niet zouden komen halen.

Maar ze zouden wel komen. Hij wist dat ze zouden komen. Als hij dat niet zou wensen zou hij een ontrouwe zoon zijn. Hij klemde zijn tanden op elkaar en kneep zijn mond samen. Karana zou op zijn verwanten wachten. Ze zouden nu vast spoedig komen.

De hond waarschuwde hem voor het gevaar. Ze waren bezig geweest de valkuil te graven en sparretjes om te hakken die ze tot staken sneden. Hopelijk zou de beer zo vallen dat ze hem doorboorden. Om zeker te zijn van de dood van hun prooi, hadden ze overal in de kloof pas gedode marmotten gelegd waar ze dodelijke botsplinters in hadden gestoken De botsplinters hadden ze vernuftig zacht gemaakt en dubbelgebogen. Ze waren aan beide kanten scherp en zouden door het maagzuur van de beer recht worden getrokken en dodelijke staafjes worden die door de ingewanden van het dier zouden steken. Verzwakt door de pijn en de inwendige bloedingen zou zo'n beer kunnen worden opgespoord en door twee mannen gedood. Het zou gevaarlijk zijn, maar als de beer uit de buurt van de valkuil bleef, zouden ze hem op geen enkele andere manier zonder veel gevaar voor henzelf kunnen vellen. Torka en Umak hielden geen van beiden van een dergelijke manier van jagen, maar ze wisten dat zelfs met een groot aantal jagers geen prooi gevaarlijker of onvoorspelbaarder was dan een beer, met uitzondering misschien van een mammoet.

Hun voornaamste probleem was nog geweest om Aar ervan te weerhouden er met hun marmotten vandoor te gaan. Ze bleven stenen naar de hond gooien om te voorkomen dat hij het dodelijke lokaas weggriste. Beledigd en verward door hun gedrag was de hond weer op weg naar de richel gegaan. Zo kwam het dat Aar op de beer stuitte en de jagers waarschuwde dat ze dreigden te worden aangevallen. Een ogenblik bleef de grote beer doodstil staan in de bosjes aan het begin van de kloof. Hij stond op vier poten en had een schofthoogte van meer dan zes voet. Wanneer hij rechtop stond om zijn prooi te zoeken, was hij meer dan twee keer zo hoog. Hij had een gedrongen snuit en een brede onderkaak. Zijn grote, harige lichaam schudde van het vet en zijn kleine gele ogen keken de jagers strak aan. Hij schudde zijn enorme kop en kwijlde met een roze bek waarin tanden te zien waren die meer geschikt waren om vlees te scheuren dan om bessen te pletten.

De grote kop ging omlaag, de ogen knipperden niet en hij gaf geen geluid. Hij viel zonder waarschuwing aan, maar Aars plotselinge, bliksemsnelle tegenaanval leidde hem af. Verward door het waanzinnige geblaf van de hond en de felle manier waarop hij naar hem uitviel, om hem heen draaide en beet, bleef de beer staan. Hij draaide zich eerst naar de ene en toen naar de andere kant terwijl hij probeerde de dappere hond te slaan. Doordat hij bewoog had Torka tijd om te mikken en een speer te gooien. Die drong diep in de schouder van de beer, waar hij in het vet bleef trillen zonder schade aan te richten, maar wel pijn veroorzaakte. De beer gromde nu, kwam overeind en schudde heen en weer. Terwijl de speer nog steeds uit zijn schouder stak, ging hij weer op vier poten staan en rende recht op Umak af.

De oude man vertrok geen spier. Met zijn speer in de ene hand en zijn dolk in de andere dook hij ineen en wachtte. De beer vulde zijn gezichtsveld als een vage massa bruin. Achter Umak brulde Torka naar zijn grootvader dat hij moest maken dat hij wegkwam, maar dat deed Umak niet. Zijn levenslange kennis en ervaring als jager prikkelden zijn zintuigen. Ogen, oren, reuk, smaak en de zenuwen in zijn vingertoppen werkten allemaal op volle kracht toen Umak, Heer der Geesten, ze op één doel richtte. Hij was nu heer over zijn eigen geest en had zijn lichaam en emoties volledig in bedwang. Het licht dat achter de ogen brandt als de dood nabij is, brandde nu witheet uit zijn ogen. Hij hield stand tot hij de adem van de beer kon ruiken en een poot met enorme klauwen naar hem sloeg om zijn hoofd eraf te slaan.

Op dat moment werden zijn lichaam en geest verteerd in het intense vuur van pure gerichtheid en volslagen gebrek aan angst. De man en het dier keken elkaar aan toen Umak zich naar voren stortte om zijn dolk diep in de beer en zijn speer dwars door het linkeroog tot in de hersenen te steken. Het dier rolde als een golf van bruine vacht over de man heen. Toen hij viel klemde hij Umak vast in een dodelijke omhelzing.

Torka's hart klopte in zijn keel. Hij had zijn messcherpe knuppel van walvisbeen in zijn hand. De tijd leek gelijk met zijn hartslag te kloppen... snel, veel te snel. Hij was buiten adem, niet in staat te reageren op wat hij zojuist had gezien. Toen barstte hij los en riep zijn grootvader bij de naam. Terwijl Aar zich met scherpe, verscheurende tanden op de gevallen beer wierp, begon ook Torka er met zijn wapen op los te hakken en snijden. Hij wist dat hij snikte. Het kon hem niet schelen. De grote beer lag daar dood, met Umaks speer in zijn schedel en Umaks dolk diep in zijn borstkas, en het enige wat Torka van zijn grootvader zag, waren zijn benen die onder de enorme hoop vernield bont en het bloedend karkas lagen. Toen bewoog het ene been, gevolgd door het andere. Van onder de hoop klonk een zwakke en boze stem. 'Torka kan deze grote beer later wel villen! Umak is dan misschien wel een Heer der Geesten, maar dit dode dier zal niet opstaan en weglopen! Haal deze oude man eronderuit!'

Het was weer nacht op de toendra. En in die duisternis vol sterren deed de kleine groep zich te goed aan het vlees van de grote breedkoppige beer. Umak was er niet ongedeerd vanaf gekomen. De beer had hem bijna gescalpeerd, maar de wond viel nog wel mee. Hij zat er trots bij toen Lonit de wond hechtte. Hij dacht aan zijn falen bij de aanval door de wolven en glimlachte terwijl hij dacht: deze wond is goed. Hij heeft deze oude man zijn trots teruggegeven. Ze deelden hun eten met Aar. Karana zat dicht bij Umak terwijl Lonit het vuur opstookte. Voor de tweede keer sinds hij bij hen op de richel was komen wonen, zei de jongen iets. 'Karana is blij dat oude man leeft.'

'Hmmm! Deze oude man is niet zo makkelijk te doden!' antwoordde Umak. 'En Umak is blij dat de jongen besloten heeft zijn mond voor meer te gebruiken dan om te eten en te mokken!' Hij gaf het kind een tikje tegen de zijkant van zijn hoofd. Hij deed het zachtjes. De jongen glimlachte terwijl hij toekeek hoe Umak het snoer van berenklauwen omdeed die Lonit voor hem had gemaakt. De oude man had zijn wond ingesmeerd met een papje van gemalen wilg en urine. De heilzame olie van de wilg verzachtte de pijn van zijn gehechte scalp. De ammonia in de urine zou de ontsteking tegengaan. Hoewel hij moe was en pijn had, had Umak zich nooit sterker of jonger gevoeld, noch had hij ooit zo'n gevoel van tevredenheid gehad. Op zijn oude dag had hij een beer getrotseerd en gedood die zelfs nog groter was dan de grote witte beer die hij in zijn jeugd had geveld. 'Dit is niet de eerste beer die Umak heeft gedood,' zei hij tegen de jongen. 'Nee. Lang geleden, toen deze oude man een jongen was, niet ouder dan Karana, zeiden de geesten van de beer tot hun jongen: "Word sterk. Word verstandig. Word oplettend. Umak wordt langzaamaan volwassen en hij heeft al die eigenschappen!'" Toen vertelde hij zijn verhaal. In de oplaaiende, rossige gloed van het knisperende vuur zaten ze dicht bijeen in de duisternis van de grot, betoverd door zijn woorden. De Umak van vroeger was uit de duisternis opgestaan en leefde opnieuw in het licht van Lonits vuur, ging op jacht, trok over de woeste toendra en leefde weer als jongeman in de betovering van de nacht totdat de oude man, verzwakt door bloedverlies en uitgeput door de gebeurtenissen van die dag, in de wegstervende gloed van de flikkerende schaduwen in slaap viel. Karana keek vol bewondering naar hem, zuchtte, legde zijn hoofd op de  knie van de oude man en gleed tevreden weg in zijn eigen avontuurlijke dromen die door Umaks verhalen waren gevoed. Aar sliep naast de jongen en Lonit sliep op haar zij op haar nieuwe matras van luiaardbont.

Torka keek vol liefde naar haar. Zijn blik gleed naar de oude man en de jongen. Hij herinnerde zich al de nachten in zijn eigen jeugd dat hij dicht bij zijn grootvader had geslapen, met zijn hoofd op Umaks knie, gevoed door Umaks wijsheid en kracht. Het leek zo lang geleden en toch kon hij het zich allemaal zonder moeite herinneren... maar al te goed.

Droefheid vervulde hem en verdrong de zachte, warme mildheid die hij had gevoeld. In het duister, bleek van het bloedverlies, zag Umak er breekbaar en oud uit. De jongeman die door de betoverende vertellingen van de Heer der Geesten tot leven was gewekt, behoorde onherroepelijk tot het verleden.

Torka voelde zich opeens onrustig. Hij stond op en ging op de rand van hun arendsnest staan. Hij kon de gedachte niet van zich afzetten dat als de hond hen niet had gewaarschuwd, Umak en hij de ontmoeting met de beer waarschijnlijk niet hadden overleefd. De wind streek langs hem heen. Het werd al wat herfstig en koud. Voorbij de berg was de wereld een uitgestrekte, vormeloze, donkere deken. Sterren die als koude, witte sintels op de gladde zwarte huid van de nacht trilden, gaven aan waar de aarde ophield en de hemel begon.

Waar was het volk van Karana? Waren ze nu ergens daar, ver op de toendra, en staarden ze naar de berg, verbaasd over de gloed van het vuur hoog tegen de oostelijke bergwand?

Of was het zoals Torka vanaf het begin af aan had gevreesd? Waren ze alleen op de wereld? Hij was nu gelukkig, met Umak en Lonit en de jongen in dit vreemde, hoge kamp boven het land dat rijk was aan wild. Maar zonder versterking van anderen zouden ze gedoemd zijn om hun leven hier alleen te slijten, met altijd het gevaar van de naderende dood. Umak was een heel goede jager, maar hij was een oude man die niet altijd zou kunnen jagen. Hoe lang zouden Lonit en het kind dat op komst was kunnen overleven als Torka gewond of gedood werd, met alleen een wilde hond en een gewonde jongen om hen te beschermen tegen de gevaren die hen elke dag van hun leven zouden bedreigen?

Niet lang, dacht hij.

En terwijl Umak, Karana en Lonit de diepe, vredige slaap van de gelukzaligen sliepen, zat Torka met zijn slaapvacht om zich heen tegen de bergwand op de overhangende rots. Hij zocht naar vuren in de verte, naar tekenen van menselijke aanwezigheid en sliep toen de slaap van iemand die zware zorgen heeft. Hij droomde over wolven en brullende muren van water, over bevroren, uitgestrekte toendra's en over een mammoet met ogen zo rood als bloed en schoften zo hoog als een berg. Hij zag zichzelf als condor, met zijn gevederde armen uitgespreid op de wind. En toen, als in een droom van lang geleden, werd hij een bliksemschicht, een zilveren speer die omlaag schoot naar de mammoet, recht naar de dood, terwijl de donder de lucht verscheurde en hij het vlees van de Vernietiger binnendrong en doorstootte tot in zijn hart. Hij werd met een schok wakker.

De donder was echt geweest. Hij hoorde het nu en zag het weerlicht aan de horizon flitsen. Hij staarde ernaar en vroeg zich even af of hij tegelijk met die donder niet ook nog iets anders had gehoord, een hoger, scheller geluid, het krijsende getrompetter van een mammoet.

Hij luisterde. Hij hoorde alleen het geluid van de storm in de verte. Ergens, hoog boven de grot, verschoof er iets in de ijskap. Torka besteedde er geen aandacht aan. Hij deed zijn ogen dicht. Het was bijna ochtend. Hij sliep weer en deze keer zonder dromen.

Toen de zon boven de bergen in het oosten opkwam, het licht over de massa besneeuwde pieken in de verte gleed en van verre door zijn oogleden heendrong, kwam Torka, met de rug van zijn hand zijn ogen beschermend, van donkere diepten en was ervan overtuigd dat hij droomde. Er stond geen wind. De stilte was zo volledig dat die pijn deed aan zijn oren, en de kleur van de ochtendstond was zo intens dat zijn ogen ervan gingen tranen. De uitgestrekte vlakte was overgoten met trillend, goudkleurig licht. En in dat licht bewoog iets, in een lange drom achter elkaar als een school vissen die onder het oppervlak van een zonovergoten meer zwemmen. En in de stilte begon geluid te klinken.

In de grot sliepen Umak, Karana en Lonit diep in de laatste schaduwen van de nacht. De hond kwam overeind en ging naast Torka staan. Met zijn staart tussen zijn  poten, zijn oren plat en zijn kop naar voren gestoken, stond Aar op de rand van de rotspunt en keek naar de toendra. Nu was Torka er helemaal zeker van dat hij droomde. De hond kwam nooit met opzet naast hem staan. Ze gingen samen op jacht vanwege Umak en deelden dezelfde grot, ook vanwege Umak, en nu ook vanwege Karana, maar Torka en Aar vertrouwden elkaar niet. Aar was niet vergeten dat Torka hem eens had vastgebonden en Torka hield zichzelf steeds voor dat Aar toch een wild dier was.

Nu gromde het dier en keek zo gespannen naar het visioen dat opdoemde in de zee van ochtendlicht, dat hij niet merkte dat Torka ging staan.

De man en de hond keken samen uit over de wereld. Langzaam werd het licht minder fel. Langzaam werd het geluid herkenbaar. Torka keek vol ongeloof. Hij deed zijn ogen dicht en keek opnieuw. Het visioen was er nog steeds. Het was echt. Hij droomde niet. Vanuit het noordelijke deel van de uitgestrekte, glooiende toendra kwamen langzaam maar zeker mensen naar de berg toe lopen.