7

Hij keek hoe de zon opkwam. Hij keek hoe de hemelgeesten een enorme ronde regenboog voor de zon maakten. Het was een geweldige regenboog die de hele lucht vulde. Karana glimlachte. De wolken trokken weer samen. Langzaam verdween de ronde regenboog en de lucht begon warm te worden. Karana wist dat het zou gaan regenen. Hij wou dat Broeder Hond was gebleven om die ochtend met hem te delen, want toen de eerste regendruppels begonnen te vallen, was het mooier dan alle ochtenden die er ooit tevoren waren geweest. Deze regendruppels waren bijzonder want Karana wist dat hij ze had gemaakt.

Zijn been deed weer pijn, maar niet zo erg dat hij aan zijn toverkunst twijfelde. Het been voelde zelfs zo veel beter aan, dat hij opstond, zijn kruk van kariboegewei pakte en die van de richel afgooide.

Hij keek hoe de kruk viel. Van nu af aan zou de enige staf die hij droeg de speer zijn die Torka voor hem had gemaakt. Weldra zou hij weer jagen. Weldra zou zijn volk terugkomen. Als Umak weigerde om de toverkunst te bedrijven die Galeenas volk zou verdrijven, zou Karana dat binnenkort zelf wel doen. Hij zou elke dans en elk gebaar van Umak bekijken, elke nuance van elk gezang onthouden en de kennis van de oude man in zich opnemen tot hij ook een Heer der Geesten was. Hij zou Galeenas volk veranderen in lemmingen en hen bevelen om achter hun vuile hoofdman aan over de rand te springen. Aar zou dan weer terugkomen, daar was hij van overtuigd. En als zijn volk terugkwam, zou hij hen met Broeder Hond aan zijn zijde begroeten. Umak zou in zijn berenvacht naar voren stappen met zijn snoer van wolvenpoten en berenklauwen om en de kop van de grote beer op zijn hoofd. Hij zou een hand op Karana's schouder leggen. Samen zouden ze voor Navahk, de tovenaar  staan en Umak zou zeggen: 'Ziet Karana, Jongen Die Regen Brengt. Ziet Karana, die in de schaduw van deze Heer der Geesten sterke toverkracht bezit.' En Navahk zou niet glimlachen, want met Umak en Karana erbij zou zijn eigen macht heel klein zijn. De gedachte was opwindend, maar duurde maar een ogenblik, grote, zwarte wolkenpartijen trokken langs de horizon naar het noordoosten en het bliksemde vlakbij. De donder deed de wereld schudden en tastte het zelfvertrouwen van de jongen aan. Diep beneden was er het gewoel van de jagers, de jongens en de vrouwen. Karana tuurde in de verte en zag Umak met zijn armen naar de lucht zwaaien. Galeena zag erop toe dat het vlees haastig in huiden werd gepakt. Het slachtkamp werd verlaten. De mensen maakten aanstalten om naar de beschutting van de grot terug te gaan. Als het onweer in volle hevigheid boven hen losbarstte, zou het een moeilijke en gevaarlijke tocht zijn.

Karana voelde zijn maag samentrekken toen hij naar Torka keek. Hij liep naast Lonit en droeg het grootste gedeelte van haar last samen met zijn eigen last. Als Lonit maar niet struikelde en zichzelf en haar baby verwondde wanneer ze de bergwand opklom naar de richel. Met elke druppel regen werd de kans op zo'n ongeluk groter, want het pad zou glad en verraderlijk zijn.

Karana werd opeens koud van angst. Hij had deze regen veroorzaakt. Het regende nog niet zo hard maar het zou nog wel harder gaan regenen. Hij had het laten gebeuren. Hij had gewild dat de mensen van Galeena de woede van de hemelgeesten aan de verspillende manier van jagen van hun hoofdman zouden wijten. Maar nu hij erover nadacht hadden ze geen moment geaarzeld toen ze de hele kudde muskusossen velden. Ze zouden Galeena waarschijnlijk helemaal niet de schuld geven. Ze zouden hun nieuwe Heer der Geesten de schuld geven. Ze zouden zeggen dat Umak het onweer liet had kunnen tegenhouden en zo had getoond dat zijn tovenarij die van een oude, zwakke man was.

Karana voelde zich misselijk. Hij zou het onweer moeten verdrijven. Maar hoe? Hij wist absoluut niet wat hij had gezegd om de regengeesten te laten neerdalen. Hij had alleen nagedaan wat hij zich herinnerde van Umaks liederen. Die liederen waren zonder woorden. Het waren alleen flarden geluid die je niet begreep als je zelf geen Heer der Geesten was.

Het regende nu harder, met grote, koude druppels. Hij strekte zijn armen uit en liet de druppels in zijn handpalmen vallen. Voor het eerst besefte Karana hoe dom hij was geweest om zulke krachten durven gebruiken. Als Umak de schuld kreeg van het onweer zou hij naar voren stappen en ten overstaan van iedereen bekennen dat het zijn schuld was, wat de gevolgen ook zouden zijn. Het vooruit zicht was angstaanjagend. In een opwelling sloeg hij zijn armen ten hemel en liet de regen die hij in zijn handen had vastgehouden los.

'Ga terug naar de hemel! Zeg tegen de hemelgeesten dat Karana jullie per ongeluk heeft opgeroepen! Zeg hun dat het Karana spijt!' Op dat moment schoot een bliksemschicht langs de berg naar beneden. Hij schoot zo rakelings langs de richel dat Karana hem kon ruiken en zijn kracht overal in de lucht voelde tintelen. Toen de donder er bijna onmiddellijk op volgde, sprong hij overeind. Zijn hoofd was zo vol van het geluid dat hij niet de schelle, knarsende, haast menselijke schreeuw hoorde die uit de ijskap kwam. Hij was er volledig van overtuigd dat de hemelgeesten waren gekomen om de brutale jongen te straffen die de magische liederen van Umak had durven stelen om Heer der Geesten te worden. Hij was nergens heer over. Hij was alleen Karana, een jongetje dat nooit meer achteloos met de macht van de geesten zou omgaan. Terwijl hij op de richel stond, draaide opeens de wind. De grote wolkenpartijen gingen de andere kant op. De regen hield op. En Karana wist dat hij de regen had laten ophouden.

Ze kwamen de richel op, blij dat Umak het onweer had weggestuurd. Ze waren vol van de geweldige spreuken waarmee hij de hemel had aangeroepen en de mooie dans die hij ter ere van de jagers had uitgevoerd. Karana stond er zwijgend bij terwijl ze hun vlees, huiden en horens zonder verder ceremonie neergooiden. Niemand, behalve de storm had zijn ontmoeting met de hemelgeesten gezien. Dat was maar het beste ook. Hij had Umak nog nooit zo gelukkig zien kijken. De oude man gedroeg zich als iemand van half zijn leeftijd en koesterde zich in de bewonderende belangstelling van de matrones. De twee zusters vochten met elkaar om zijn gunsten. Karana moest toegeven dat ze er sinds hun bad niet zo slecht uitzagen. Hij was blij voor Umak en was niet van plan om tegen iemand vertellen dat hijzelf verantwoordelijk was voor het komen en gaan van wolken en regen.

Hij was heel moe. Hij had het gevoel alsof de bliksemschicht een deel van zijn geest had weggezogen. Hij doezelde wat naast Lonits vuur terwijl de mannen en jongens nog een paar keer op en neer naar de slachtplaats gingen. Hij hoorde de jongen die de anderen Ninip noemden een scherpe opmerking maken over zijn nutteloosheid. Torka reageerde erop terwijl Karana net deed of hij het niet hoorde. Weldra zou zijn been weer sterk en buigzaam zijn. Hij zou Ninip laten zien wie er nutteloos was: Jongen Die Regen Brengt of Jongen Die Op Gezicht Valt Voor Stier!

Terwijl hij steeds slaperiger werd, hoorde Karana de vrouwen zeggen dat het toch zo slim van Galeena was om dit hoge, droge kamp te ontdekken. Hij hoorde hen zeggen dat als hun hoofdman niet zo vindingrijk was geweest, ze net zo'n kamp zouden hebben als ze altijd hadden gehad, op de open toendra, overgeleverd aan elke storm. Dankzij Galeena konden ze hier beschut zitten en zonder zich aan de elementen te storen, hun huiden bewerken en vlees klaarmaken. Karana mompelde wat in zichzelf, maar was te moe om hen eraan te herinneren dat hij deze grot had gevonden en dat Galeena zonder Torka's vuur nooit op het idee zou zijn gekomen om zijn volk naar de berg te brengen. Galeena was een man met weinig fantasie, die alleen dapper was wanneer hij gesteund werd door gewapende jagers.

Karana draaide zich om en deed zijn ogen dicht. Hij droomde al bijna: Aar liep naast hem. Hij was met Torka op jacht in de schaduw van een grote beer die Umak was, terwijl Lonit vlak achter hen aanliep met een baby op haar rug en haar bola in de hand. Het was een mooie droom. Karana genoot ervan en wist dat het mooiste ervan was dat Galeena en zijn volk er niet in voorkwamen.