8

Het was bijna donker toen Galeena aankondigde dat alles wat er uit het slachtkamp moest gehaald worden, aanwezig was. Hoewel iedereen wist dat er nog karkassen waren waar niet al het vlees vanaf was gesneden, protesteerde niemand. Ze hadden de beste stukken eraf gehaald. De rest zou moeten achterblijven. Iedereen was doodmoe en het onweer dat die ochtend was afgewend kwam nu weer opzetten.

Ze sliepen toen het noodweer het hevigst was. Tegen de ochtend was de regen veranderd in ijzel. Torka stond op om het windscherm vast te maken dat hij de avond daarvoor had opgezet om zijn gezinnetje droog en warm te houden. Hij keek naar de slapende gestalten van Lonit en Karana en werd gekweld door een ongerustheid die hij al sinds de vorige dag voelde.

Vanwege de duisternis hadden ze ervan moeten afzien om nog naar de slachtplaats te gaan en het weer zou het nu helemaal gevaarlijk maken om af te dalen. Maar ze hadden zoveel vlees achtergelaten! Ze hadden zoveel muskusossen gedood dat ze het vlees nooit hadden kunnen verwerken, zelfs als het weer wel goed was gebleven. Onbewaakte karkassen op de plek waar de dieren waren gedood, dicht bij de berg, zouden roofdieren aantrekken. Als de roofdieren daar bleven, zouden ze een gevaar vormen voor iedereen die de richel verliet om te jagen, te vissen of wortels en bessen te zoeken. Hij had dat tegen Galeena gezegd, maar de hoofdman had zijn schouders opgehaald en gezegd dat ze voorzichtig zouden zijn en de roofdieren zouden doden als ze een probleem vormden. Toch bleef Torka bezorgd. Hij wilde er met Umak over praten, maar de oude man had de nacht bij het vuur van de matrones doorgebracht. Met gefronst voorhoofd zat hij in kleermakerszit voor de kring stenen en hij naaide de mouwen van een tuniek die Lonit voor hem had gemaakt. Zijn schoot lag vol met, zo te zien, de vleugelveren die hij had  bewaard van de reuzencondor die ze lang geleden hadden gedood. Torka had geen idee wat Umak ermee deed. De matrones bleven als vliegen om hem heen draaien. Hij wuifde hen weg en was zo druk aan het werk dat hij niet hoorde dat zijn kleinzoon hem riep.

Galeena kwam naar Torka toe. 'Goed dat wij in dit droog kamp kumme, hè?' Hij maakte een kort gebaar met zijn hoofd naar het slechte weer. 'Torka nog zorgen over achterlaten vlees? Galeena zegt ophouden. Als beesten kumme eten van Galeena's buit, dan goed voor hen. En voor ons. Dikke beesten langzaam. Geen gevaar voor mensen. Torka te veel zorgen maken.'

Torka keek naar Galeena en zei wat hij ervan vond. 'Galeena heeft goed gegeten van Torka's buit. Galeena wordt dik. Maar op jacht is Galeena niet langzaam. Hij is een gevaar voor de beesten die zouden willen eten van het vlees dat hij heeft verspild.' De hoofdman dacht na over Torka's woorden. Er zat iets goeds en iets slechts in. Complimenten en beledigingen waren gemengd als zongerijpte bessen die door ranzig vet waren gestampt om de stank te maskeren. Nog nooit had iemand zo tegen hem gesproken als Torka... alleen Manaak... en Manaak had daarvoor geboet. Hij bedacht hoe Torka hem te schande had gemaakt door het leven van Ninip, zijn zoon te redden. Opnieuw zwoor hij: Torka zal boeten. Grijnzend sloeg hij Torka vertrouwelijk op de rug. 'Torka altijd denken zijn manier beter?' zei hij, met een zoetsappige vriendelijkheid die naar onoprechtheid riekte. Onder de zoetsappigheid zaten scherpe stekels die elk moment konden prikken. Torka trok een wenkbrauw op. 'Het is soms moeilijk om nieuwe gewoonten te accepteren. Vindt Galeena dat ook niet?' Galeena was zich ervan bewust dat een paar van zijn jagers, zijn vrouwen en zijn zoon naar hem keken. Hij was zich er ook van bewust dat Torka de hatelijkheid in zijn vraag heel fijntjes naar hem had teruggespeeld. Hij trapte er niet in. Snuivend en heel beslist zei hij dat hij geen enkele moeite had nieuwe gewoonten te accepteren, als ze tenminste het overwegen waard waren. Daarna liep hij op zijn gemak naar de rand van de uitstekende rotspunt. Hij stond net ver genoeg naar achteren om uit de regen te olijven. Hij tilde zijn tuniek op, maakte de pezen riem los die zijn slobberige broek om zijn middel bijeenhield en haalde een enorme blauw geaderde penis tevoorschijn. Hij begon te plassen. 'Kijk alle' maal! Galeena pist op nieuwe manier! Torka's manier! Niet in grot Over rand van richel!' Zoals hij al had verwacht, blies de wind zijn urine temidden van wolken stoom naar hem terug. Hij lachte en draaide zich om naar de grot. 'Allemaal kijken wat gebeurt als Galeena pist op Torka's manier! Torka dodelijke speer geworpen op jacht! Torka redden leven van waardeloze jongen! Maar Torka beter leren niet op zichzelf te pissen voordat hij Galeena vertelt nieuwe gewoonten te accepteren!'

De jagers brulden van het lachen. De vrouwen schaterden het uit. Umak keek onthutst toe. En de jonge Ninip werd vuurrood van schaamte.

Torka wist dat hij de belediging maar beter kon negeren, maar het werd hem te machtig. 'Inderdaad. Maar Galeena moet weten dat Torka’s volk een gezegde kent: Een man die in de wind pist, houdt zijn hersenen in zijn hand.'

Even was Galeena sprakeloos. 'Torka's volk is dood,' bracht hij Torka toen venijnig in herinnering. In zijn stem klonk een nauwelijks verholen waarschuwing door.

'Niet het hele volk,' antwoordde Torka, terwijl hij zijn tegenstander opnam en zich afvroeg of hij ooit iets anders zou worden dan een tegenstander.

Die nacht dansten ze. Na een dag van huiden spannen, vlees op droogrekken hangen en meters kostbare pezen prepareren, hadden ze zin om die overvloed te vieren. Ze dansten en de vuren dansten met hen mee. Enorme verkwistende vuren die waren gemaakt van de laatste zorgvuldig gedroogde plaggen, botten en stukjes mos van Lonit. Toen ze protesteerde en zei dat als het weer niet beter werd, ze nog moeite zouden hebben om genoeg materiaal te vinden om in de tijd van de lange duisternis vuren te kunnen maken, legde Naknaktup haar het zwijgen op. Oklahnoo herinnerde haar eraan dat het nog pas herfst was. Iana zei dat de winter ver weg was. En Ai, de jongste vrouw van Galeena, verzekerde haar dat ze genoeg tijd zouden hebben om aanmaakgras en ander materiaal voor toekomstige vuren te verzamelen. Morgen. Of de volgende dag. Of misschien de dag daarna.

Intussen lieten ze de vuren hoog branden. De rook bleef in de grot hangen en  blakerde het rotsige plafond. Ogen traanden en neusgaten prikten, maar Galeena's mensen schenen het niet te merken. Ze klapten in hun handen. Ze stampten met hun voeten. Ze prezen de geesten dat ze hen naar dit hoge, veilige kamp hadden gebracht. Ze prezen de muskusossen dat ze zo dom waren geweest om zich allemaal door Galeena's jagers te laten doden. Ze prezen elkaar om alles en niets. Ze vormden een rij en toen een kring. De kring werd kleiner en weer groter. De dansers zongen. Ze vormden weer een rij en bewogen als een zigzaggende rivier, heen en weer om hun vuren. 'Kum! Torka's mensen! Galeena zeggen jullie ook dansen!' Het was Ai. Ze was klein en mollig, en haar brede, ronde gezicht glom in het licht van het vuur. Haar gezicht was vet en besmeerd met roet van het vuur. Haar neus was opgezet van de klappen die ze van Galeena had gekregen, maar met haar schouderlange zwarte haar was haar gezicht toch mooi. Heel mooi.

Torka glimlachte onwillekeurig naar haar toen ze zijn hand pakte. 'Kum!' drong ze aan en trok hem mee om naast haar met de ronddraaiende dansers mee te doen.

Hij aarzelde maar even en keek alleen of Lonit meekwam. Lonit wilde zijn andere hand pakken, maar de kring sloot zich weer. De rij viel uiteen. Terwijl hij zich afvroeg waarom ze zo ongelukkig keek, werd hij omgeven door een menigte dansers die allemaal op hun eigen ritme dansten en allemaal hun eigen lied zongen.

Iemand pakte haar hand en trok haar bijna ondersteboven. Lonit hapte naar adem en merkte geschrokken dat ze in Galeena's armen lag. Hij danste terwijl hij haar zo stevig vasthield dat ze nauwelijks adem kon halen. Ze had niet beseft dat hij zo sterk was. Hij had zijn rechterhand om haar middel geslagen en hield die hoog op haar rug zodat hij haar pijn deed, en dwong haar met hem mee te dansen terwijl zijn andere hand haar aanraakte zoals geen enkele andere man, behalve haar vader, haar ooit had aangeraakt. Hij greep tussen de veters van haar tuniek door en deed haar met opzet pijn. Ze probeerde zich los te maken, maar hij draaide haar pols om. Weer hapte ze naar adem. Hij keek haar gemeen aan, met ogen die in het gedempte licht van het vuur op die van een wolf leken. Om hen heen bewogen de dansers en gingen volledig op in hun dansen. Het puntje van Galeena's tong stak tussen de spleet tussen zijn door. Het was een obsceen en duidelijk symbool. Ze was blij met het licht van het vuur, want nu kon hij niet zien hoe ze bloosde. Hij leunde tegen haar aan en fluisterde een obsceen voorstel. Hij zei haar dat ze beter goed kon bedenken wie de hoofdman van deze groep was als ze wilde dat haar kind bleef leven wanneer het zich uit haar lichaam naar buiten werkte. Toen liet hij haar zo plotseling los dat ze van hem wegschoot en bijna viel. Toen ze haar evenwicht had hervonden was hij nergens te bekennen. Ze zocht naar Torka, maar overal om haar heen waren dansers die haar meesleepten. Het was zo warm in de grot dat ze nauwelijks adem kon halen. Door het licht van het vuur leek alles onwezenlijk. Ze dacht dat ze Umak met de matrones zag dansen... of was het de grote breedkoppige beer? Ze zag de jongens heen en weer springen in een groteske parodie van de volwassenen. Verward vroeg ze zich af of ze zich de laatste paar momenten had verbeeld. Had Galeena haar werkelijk bedreigd? Waarom zou hij dat doen?

De beweging van de dansers voerde haar mee. Tot haar immense opluchting zag ze haar eigen vuurkring. Karana zat er ernstig voor. Ze wrong zich bijna struikelend tussen de dansers door en ging weer op haar luiaardvacht zitten. Buiten adem en duizelig schudde ze haar hoofd heen en weer om bij te komen. Toen Karana vroeg of alles goed was, zei ze dat het prima ging.

Maar toen ze zag hoe Ai naar Torka keek, wist ze het niet meer zo zeker.

De nacht ging langzaam voorbij als een boze droom. Voor Lonit was het enige plezierige dat Torka niet bij Ai bleef. Na een paar tellen liet hij de vrouw van de hoofdman alleen en ging naast Lonit bij het vuur zitten. Ai keek hem boos na en Galeena ook. Toen Lonit aan Torka vroeg waarmee hij hen zo had beledigd, zuchtte hij geërgerd, sloeg zijn slaapvachten om zich heen en hield haar dicht tegen zich aan. 'Met niets en met alles,' antwoordde hij duister en wilde er toen niets meer over zeggen.

Ze sliepen samen tot de nacht bijna voorbij was. Lonit werd wakker en lag stil in Torka's armen. Ze dacht aan de afgelopen nacht en vroeg zich af of ze door haar angst voor Galeena zijn woorden verkeerd had begrepen. Ze zag geen enkele reden waarom de man haar had willen bedreigen en nog minder reden waarom hij haar zou begeren,  Ze hoorde hoe hij zich bevredigde met een van zijn vrouwen. Waarschijnlijk de mooie, dacht ze en herinnerde zich hoe de vrouw naar Torka had gekeken. Omdat ze zich verder niets wilde herinneren en niets meer van het hijgerige, woeste paren wilde horen, duwde ze haar hoofd tegen Torka's arm. Onder hun slaapvachten kroop ze dicht tegen hem aan en ze wenste dat Galeena en zijn groep nooit waren gekomen.

Ver achter de berg klonk het gehuil van een wilde hond in de morgenstond. Lonit vroeg zich af of het Aar was en hoopte dat het dier een betere groep had gevonden dan de groep die hem had weggejaagd. Ze nam haar herinneringen aan Broeder Hond met zich mee in haar dromen en lag vast te slapen toen Karana opstond, zijn speer pakte en de grot uitliep om in het licht van de opkomende zon te gaan staan.

Hij stond daar alleen. Hij luisterde naar Aar en naar de ijskap die bewoog en verschoof op de hoogten boven de grot. Hij had het geluid duizenden keren gehoord, maar nu, op deze koude, heldere ochtend, was het net of hij het voor de eerste keer hoorde. Het klonk zo duidelijk dat hij zijn hoofd scheef hield en zijn ogen dichtdeed en de stem zacht tegen hem liet fluisteren, niet vanuit de diepe, onbekende ravijnen van de berg, maar vanuit zijn eigen ziel. Ga. Ga nu. Jongen Die Regen Brengt is niet meer welkom op de Machtige Berg.

Hij schrok bijna even erg van de stem in zijn binnenste als van de druk van Umaks hand.

Karana staat vroeg op om de zon te groeten,' zei de oude man. De jongen staarde hem aan met het gevoel dat zijn woorden, al klonken ze vriendelijk, toch een verwijt inhielden. Het was het voorrecht van de Heer der Geesten om de zon te mogen begroeten. Maar terwijl ze zo samen naar de opkomende zon stonden te kijken, was het toch de jongen die het meest getroffen werd door de kracht van de zon. Karana's ogen, hart en ziel werden verschroeid. Umak voelde zich verward door de vreemde uitdrukking en de grote ogen van het kind toen Karana's stem uit zijn mond rolde, een ademtocht eerder dan de vrees die in zijn onthulling doorklonk. De berg zegt dat we hier weg moeten gaan. We moeten naar het oosten gaan, de zon tegemoet. Luister! Broeder Hond roept in wind en herhaalt wat de berg heeft gezegd. Hij waarschuwt ons. moeten hier weggaan, anders zullen we hier altijd blijven!' 'Karana moet ophouden zo te praten! Omdat Umak geweigerd heeft zijn toverkracht te gebruiken om Galeena's volk te doen verdwijnen, wil Karana nu dat we inpakken, weggaan en het beste kamp dat we ooit hebben gehad aan hen overlaten!' 'Het is een slecht kamp!'

'Hmmm! Het heeft het leven van een kleine jongen gered! Het heeft Umak, Lonit en Torka veiligheid geboden! Karana zal de geesten van deze plek boos maken door zijn ondankbare gepraat!' 'Het zijn juist de geesten van deze plek die door Karana's mond praten!'

Umak stond perplex. 'Umak is de Heer der Geesten! Karana is een kleine jongen!'

Karana hapte naar adem. Umak was heel boos. De jongen knikte. Hij wilde hem niet van streek brengen. Hij besloot niets meer te zeggen. Umak had waarschijnlijk gelijk. Het was hoogmoedig van hem om te denken dat de geesten hem iets zouden willen zeggen. Als ze wilden waarschuwen zouden ze Umak wel waarschuwen.