2
De roep van de jager verbrak de stilte van de poolmiddag. Het was een schreeuw als een goed geworpen speer, omhooggericht naar de zon zodat hij over de witbesneeuwde toendra schoot als een sneeuwhoen dat uit zijn winternest is opgejaagd. Maar hier, op deze plek, was geen zon. De ochtend was voorbij en meer daglicht zou er niet komen. Er was geen jager. Er was geen speer. Er was geen winterwitte vogel die doodsbang wegvloog. Hier was alleen een oude man die riep in zijn slaap, onder het koepelvormige dak van een kuilhut in de bittere kou en de invallende duisternis van de Aziatische winter. 'Ziet! Zij komen! Het Volk zal niet verhongeren!' Van vreugde schoot de oude man overeind op zijn smalle matras. Die bestond uit een allegaartje van versleten huiden, gespannen boven de veelvuldig verstelde lappendeken van geoliede kariboedarmen die samen met een onderlaag van waterdicht leer de vloer van het hutje vormde. Onder de waterdichte bedekking was de klamme, hard bevroren grond waarin de vloer was uitgehakt, in een drassige modderlaag veranderd. Maar het vocht trok niet door tot in het bed van de oude man en hij voelde ook niet de ijzige kou op zijn magere, bruine lichaam toen de slaapvachten van hem afvielen. Sinds de dood van zijn vrouw sliep hij altijd geheel gekleed. Nu zweette hij van opwinding in zijn tuniek van kariboehuid en zijn vest van zorgvuldig overlangs aan elkaar genaaide vossenstaarten. 'Ja...' zuchtte hij vol van een ontzag dat ontsproot aan louter verlangen. De kariboes kwamen er aan. Ze stormden zijn droom uit, de duisternis van het hutje in, in een overweldigende golf waarvan hij begin noch eind kon zien. Kariboes! Eindelijk begon de voorjaarstrek naar het gebied waar ze kalverden. Weldra zouden de jagers terugkeren met eten voor iedereen!
De oude man kneep zijn zwarte ogen met de zware oogleden half Jicht. Zijn tong kwam tevoorschijn om het denkbeeldige zoete kariboevet van zijn uitgedroogde lippen te likken. Hij leunde met zijn sterke, magere handen op zijn matras. Hij duwde er hard op. Ja! Hij voelde het hoefgetrappel van de naderende kudde diep in de grond denderen. Het was een steeds sterkere, donderende weerkaatsing van leven dat voortraasde naar het kleine dal waarin zijn volk de winter doorbracht. De kariboes kwamen eindelijk tevoorschijn uit de talloze verborgen dalen diep in de omringende bergen, waar ze hun toevlucht hadden gezocht voor de schier eindeloze stormen tijdens de lange duisternis.
Ja, de kariboes kwamen eindelijk! Of toch niet? In plotselinge verwarring hield de oude man zijn hoofd scheef. Hij luisterde en probeerde uit alle macht vast te houden aan zijn droom die langzaam plaatsmaakte voor de werkelijkheid en het visioen van de kariboes wegnam. Het donderend hoefgetrappel vermengde zich met iets anders, een lager geluid... iets wat op de een of andere manier gevaarlijk was, hoewel het heel ver weg was. Toen verdween ook dat en hoorde de oude man alleen nog maar het gerommel van zijn eigen honger. Zijn ingewanden schokten en trokken samen en hij voelde de knagende, meedogenloze pijn van de verhongering. Hij had al weken geen volledige maaltijd gehad en de laatste paar dagen had hij helemaal niet gegeten.
Umaks buik spreekt door zijn mond. De stem van de vrouw was een monotoon gefluister waar minachting in doorklonk. Zijn gezicht gloeide van schaamte terwijl hij zijn blik op de vrouw liet rusten van achter zijn lange loshangende slierten zwart haar, dat nog geen grijs vertoonde. Hij had haar dus weer wakker gemaakt met zijn godslasterlijke geroep over visioenen van kariboes dat niets anders was dan de pathetische verwoording van de wensen van een oude man. Ik wilde dat we Umaks dromen konden eten, dan zouden we allemaal dik worden,' zei ze, terwijl ze hem aankeek met haar grote zwarte ogen die even koud en gevoelloos waren als de poolnacht. Haar woorden vernederden hem. Was hij niet alleen zijn jeugd kwijt maar ook zijn waardigheid? Hij kon moeilijk Egatsop en ook zichzelf beschamen door haar te laten merken dat hij hongerleed omdat zij zijn deel van het nog overgebleven eten opat, zoals haar recht was.
Hij kon haar bijna niet zien in het donker. Zij zat met gekruiste benen op de opgestapelde huiden die zij samen met haar man en kinderen als bed gebruikte. Ze had de slaapvachten over haar hoofd getrokken zodat ze als een tent om haar kleine, stevige figuur vielen. Haar man was er niet. Ze zat met haar baby aan de borst. Haar zoontje Kipu sliep vlakbij.
Voor haar, in de met kiezels beklede centrale haardkuil, zakte een steentje weg onder de dikke laag gloeiende as. Oververhit brak de steen en viel in twee helften uiteen. Door de beweging zakte de hoop as van verbrande beenderen en mest in elkaar, zodat er iets van warmte en licht opsteeg. Umak staarde over het licht heen en zag het gezicht van de vrouw in een roodgouden gloed. Ondanks alle onverholen haat in haar blik was haar gezicht dat van een jonge en ontegenzeglijk mooie vrouw: Egatsop, de vrouw van Torka. In de haardkuil barstte nog een steen. Het gaf een knappend geluid dat de drinkende baby aan het schrikken maakte. De baby huilde even slaperig en klaaglijk en ging toen weer met tevreden geluidjes door met drinken.
Egatsop bleef de oude man aanstaren, haar mondhoeken naar beneden getrokken tussen haar kleine neus en spitse kin. Haar zwarte ogen keken hem scherp aan. 'Alle jagers zijn zonder vlees teruggekomen. Allemaal behalve Torka, Alinak en Nap. Als ze niet snel met wild terugkomen, zullen mijn borsten opdrogen. Dan zal dit kleintje net als de anderen... worden overgeleverd aan wolven of wilde honden of...'
'De jagers keren heus terug. Ze brengen heus wild mee. Je borsten zullen niet opdrogen.'
'Heb je dat in je dromen gezien, Heer der Geesten?' 'Ik heb het gezien.' Hij nam haar kwalijk dat ze hem zo sarcastisch aan zijn titel herinnerde. Ooit zei men dat hij, Umak, de grootste jager van allemaal was, dat hij kon spreken met de geest van zijn prooi en de kudden wild op zijn bevel kon laten komen en gaan. Tegenwoordig werd het hem en de rest van de stam helaas steeds duidelijker dat hij nergens iets over te zeggen had. Zeker niet over de tong van de koel kijkende vrouw van zijn kleinzoon. 'Oude mannen zien veel,' zei ze onbeleefd, met een minachtend gesnuif. 'Maar ze zien nooit zo goed als de jongeren. Anders zouden ze wel op pad zijn met de jagers, op zoek naar wild, in plaats van het eten van anderen op te eten omdat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen.
'Ik zal weer op jacht gaan. Mijn been is bijna genezen.
'Bijna is niet voldoende. Torka jaagt voor u. Torka zal altijd voor u jagen. En aan een oude man geven wat zijn vrouw en kinderen toekomt.'
Haar woorden druisten in tegen zijn gevoel van rechtvaardigheid. Hij was vijfenveertig en het oudste lid van de stam. Hij wist dat velen hem stokoud vonden, maar hij voelde zich niet oud. Zelfs een jonge man had kunnen struikelen en zijn knie verrekken bij het achtervolgen en overmeesteren van een steppeantilope, zoals hem in het begin van de winter was overkomen. Omdat hij net weduwnaar was geworden en zelf geen vrouw had die hem kon verzorgen, had hij ermee ingestemd om de rest van de lange duisternis bij Torka door te brengen. Omdat hij voelde dat Egatsop het hem stilzwijgend kwalijk nam dat hij in haar hut verbleef, had hij ervoor gezorgd dat de helft van alles dat Torka hem toebedeelde naar haar en de kinderen ging. Eten, drinken, en vachten. Toen Torka bezwaar maakte, had Umak gewoon gezegd dat hij minder nodig had dan in feite het geval was. En de laatste drie dagen, sinds Torka het kamp had verlaten, was elk beetje eten naar Egatsop gegaan zodat ze genoeg melk zou houden voor de baby. Hij herinnerde haar daar nu aan.
Ze snauwde tegen hem dat het zijn plicht was om zijn eten af te staan. Ze was hem niet dankbaar en voelde alleen maar afkeer voor hem. 'Je had je geest allang aan de wind moeten toevertrouwen, oude man. Torka is veel te aardig voor je geweest. Het is een zwak van hem. Maar de hoofdman heeft gezegd dat als Torka en de anderen niet snel terugkeren, wij gedwongen zullen zijn om ons kamp op te breken en zonder hen verder te trekken op zoek naar wild. Dat is beter dan hier blijven en verhongeren. Maar als Torka niet naast je loopt, hoe kun je ons dan bijhouden, oude man? Deze vrouw zal je niet helpen.'
Weer rommelde zijn maag. Hij dacht aan zijn droom vol wild. Was dat het visioen geweest van een Heer der Geesten? Of was het alleen maar de hoopvolle gedachte geweest van een oude man die niet meer zelf kon jagen? De winter was zo lang geweest en zo koud...
Misschien waren de passen waar de kariboes door trokken nog steeds ontoegankelijk door de sneeuw. Misschien zouden de kudden dit jaar helemaal niet komen. En wat was er met Torka? Waarom was hij nog niet terug? Hij, Alinak en Nap waren als eerste groep jagers uit het kamp vertrokken. Ze hadden al terug moeten zijn... als ze tenminste nog terugkwamen.
Voor het eerst van zijn leven voelde Umak het gewicht der jaren. Al zijn kinderen waren dood en de laatste van zijn vrouwen ook. Alleen Torka herinnerde hem er nog aan dat ze ooit hadden bestaan. Torka, de kleine Kipu en de baby. Wat hield de oude man van de kinderen! Bijna evenveel als hij van Torka hield. Hij wist dat hij te veel om zijn kleinzoon was gaan geven. De jaren die zij samen hadden doorgebracht hadden een band geschapen die hem nu de keel dichtsnoerde wanneer hij bedacht hoe zijn leven zou zijn als Torka niet terug zou keren. Egatsop zou een andere man nemen. Ze zou Umak uit haar hut wegsturen en hij zou alleen zijn, zonder onderdak. En wie zou er in deze tijden van honger voor zorgen dat een oude man die niet meer zelf kon jagen, te eten kreeg? De kleine Kipu zou dat wel doen, maar de jongen was pas vijf. Egatsop zou hem verbieden medelijden te hebben met iemand die nutteloos was. Ze was een wijze vrouw die hem duidelijk zou maken dat alleen de sterken overleven. Ouderen, zwakken en kinderen die geen nuttige stamleden beloofden te worden, hadden geen recht op een plaats in de stam.
Wanhoop trok als een kille wind door de ziel van de oude man. Hij was niet oud! Hij was niet zwak! Het duurde lang voordat zijn been beter was, maar het zou zeker beter worden! Zijn knie was alleen maar verrekt. Hij kon alweer rondstrompelen. Binnenkort zou zijn been weer even sterk zijn als tevoren. Binnenkort. 'Binnenkort gaan we hier weg.' Egatsop praatte zacht. Ze wilde Kipu niet wakker maken en de baby niet storen die nu, nog af en toe zuigend, aan haar borst sliep. 'Als Torka terugkomt, zal hij voor je zorgen, Heer der Geesten. Hij zal mijlenlang aan je zijde lopen en zichzelf uitputten omwille van jou. Hij zal ervoor zorgen dat Umak het eten krijgt dat zijn vrouw en kinderen zouden moeten krijgen. Iemand die het niet waard is om te leven, zal blijven leven. Torka zal daarvoor zorgen. Dan zullen we allemaal van honger omkomen omdat hij weldra te zwak zal zijn om te jagen.' Hij schaamde zich. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij wist dat ze de waarheid sprak en dat andere leden van de stam Torka's goedheid als een teken van zwakte zouden beschouwen. Haar stem klonk weer, nauwelijks hoorbaar, een zacht gefluister, jet tegen de oude man maar tegen de slapende baby. 'Je zuigt mijn kracht uit me, kleintje. Er is niet veel melk meer voor je. Als de jagers niet terugkeren met wild, zal de stam verder trekken. Maar wees niet bang. Slaap. Droom. Op deze plek waar jij alleen zult achterblijven, zullen de geesten je honger verlichten. Droom daar maar van. En weet dat in betere tijden deze vrouw jou weer zal baren.' Buiten de kuilhut, ver weg in de koude duisternis van de winterse poolmiddag, blafte een wilde hond en Egatsop luisterde gespannen. 'Hij is er dus nog. Gisteren kwam hij dichtbij. Dichtbij genoeg om in de strikken te lopen die wij vrouwen voor hem hebben gezet. Maar hij is verstandig en oplettend. Er is beter lokaas voor nodig dan wij hebben om hem zijn voorzichtigheid te laten varen in de hoop dat hij zijn honger kan stillen.'
Umak trok zijn slaapvachten om zijn magere schouders. Hij huiverde. Hij wist wat ze zou gaan zeggen.
Ze wiegde de slapende baby, die zachte, huilerige geluidjes maakte. 'Hij zou wel op jou afkomen. Jazeker. Nu je nog sterk genoeg bent om te huilen. Hij zou wel op jou afkomen. Een flinke hond zou ons volk dagenlang eten kunnen geven als hij goed werd verdeeld en klaargemaakt. De mensen zouden lofliederen voor je zingen. Je dood zou de stam helpen. Deze vrouw zou trots zijn.' Vrouw, je zult de nakomelingen van deze man niet aan de wilde honden voeren!'
Het kind is van Torka, niet van jou, oude man!' 'Torka zal het niet toestaan!'
Torka is er niet. En zelfs als hij er wel was, zou hij weten wat deze vrouw weet: Hij heeft het kamp verlaten voordat deze pasgeborene oud genoeg was om een naam te krijgen. Zonder naam heeft het kind geen levensgeest. Het ziet er alleen levend uit. Als de stam verder trekt op zoek naar nieuwe jachtgebieden, zal deze vrouw al haar bracht nodig hebben om haar deel van de bepakking te dragen. Egatsop zal niet de enige vrouw zijn die haar baby afstaat aan de geesten. Kijk me niet zo aan, oude man. Je weet dat ik wijze woorden spreek. Egatsop kan alleen meer baby's krijgen als ze sterk is. Wees blij dat ik niet zo gevoelloos ben als de vrouw van de hoofdman. Ze zei dat de geesten zowel de ziel als het lichaam van dat kleintje hadden meegenomen, maar dat is niet waar. Teenak nam zelf het lichaam van haar nieuwgeborene. Haar gezin eet er al dagen van.'
Umak liet zijn hoofd hangen. Hij die in zijn jeugd een grote witte beer had overbluft en verslagen en die op zijn oude dag een steppeantilope had ingehaald en met zijn blote handen gedood, kon Egatsops woorden niet verdragen. Wat mankeerde hem? Waarom voelde hij zo'n afkeer van de vrouw en was hij zo kwaad op haar? Ze was toch heel praktisch? Torka werd er door alle mannen van de stam om benijd dat hij haar had veroverd. Ze had gelijk in alles wat ze net had gezegd. Ze had gelijk en ze was eerlijk en praktisch. En sterk. Ja. Sterk van lichaam en geest. Terwijl hij oud en zwak was en minder geschikt om te leven dan de zielloze zuigeling die ze aan haar borst had.
Ze zag zijn bezorgdheid en glimlachte. Haar tanden waren klein, scherp en regelmatig, maar haar woorden deden het meest pijn. 'Ga nu, oude man. Geef je geest over aan de winterse duisternis voordat Torka terugkomt en je tegenhoudt. Ga. Ga en deze vrouw zweert dat ze dit kleintje zal zogen zolang ze melk in haar borsten heeft. Blijf en deze vrouw zweert dat hetgeen ze in haar armen houdt, geofferd zal worden als lokaas voor de wilde honden. Ga. Maak een eind aan je schande. En aan die van mij. En aan die van Torka.'
Hij nam geen wapens mee. Hij nam geen eten mee. Hij ging naar buiten met alleen de kleren die hij aan had en de laarzen die hij niet had uitgetrokken toen hij op bed was gaan liggen. Hij sloeg de zware bizonhuid om die hij al jaren als reismantel gebruikte. Hij droeg hem niet als bescherming tegen de kou. Het was iets om zijn schande te bedekken.
Buiten de kuilhut, in het bleekblauwe noorderlicht, keek hij uit over een landschap dat even woest, hard en mooi was als de vrouw van Torka.
Torka. Hij hoopte maar dat hij nog in leven was, ergens daarginds met Alinak en Nap, misschien zelfs op weg terug naar het winterkamp met wild voor allemaal. Maar niet voor Umak. Hij zou niet meer eten. Hij liep door het kamp, langs de andere kuilhutten waarin zijn volk beschutting zocht tegen de opstekende ijskoude wind. Er was niemand buiten. Hij kon de stemmen horen. De geluiden van het leven. Maar hij had dat alles achter zich gelaten. De toekomst lag hier, bij deze gezinnetjes, bij Egatsop en haar kinderen, en bij Torka als die nog leefde. Hij, Umak, was het verleden, j-lij aanvaardde het definitieve van die waarheid en vroeg zich af waarom het hem zo'n moeite kostte. Hij had altijd gedacht dat het makkelijk zou zijn. Hij was ervan uitgegaan dat hij, wanneer hij niet tijdens de jacht zou sneuvelen, op een dag wakker zou worden en zou weten dat hij oud was. Dat daarna zijn geest bevrijding zou zoeken en dat hij rustig aan die laatste tocht zou beginnen, zoals zo velen dat voor hem hadden gedaan.
Maar hij voelde geen rust terwijl hij verder liep, vechtend tegen de wetenschap dat hij niet wilde sterven. Was dit wat de anderen hadden gevoeld? Woede? Teleurstelling? Een afschuwelijk gevoel van verraad? De geest van een jonge man gevangen in het lichaam van een oude man, krabde in hem, verzette zich, probeerde zijn stem over te nemen en te schreeuwen: ik heb mijn leven lang met jullie geleefd, liefgehad, gejaagd en geweend. Ik ben jullie Heer der Geesten geweest. Ik heb de grote witte beer verslagen en jullie jonge mannen leren jagen zoals alleen ik, Umak, kon jagen. In tijden van honger heb ik mijn eten met jullie gedeeld. Is er nu werkelijk geen eten meer voor mij? Moet ik worden weggeworpen als een oud bot? Kunnen jullie niet begrijpen dat ik in het diepst van mijn hart snak naar het leven?
Voor hem doemde de gestalte van een vrouw op uit de laatste kuilhut van het kamp. Het was Lonit. Hij herkende haar onmiddellijk, ondanks haar dikke kleren. Want al was ze niet veel meer dan een kind, ze was toch al groter dan welke andere vrouw van de stam ook en even sterk en slungelig als een veulen van de wilde paarden die 's zomers op de toendra liepen.
Ze was uit de hut van haar familie gekomen om een van de klapperende riemen vast te maken die het dak van huiden strak over de kromme mammoetribben spanden. Toen ze Umak zag, bleef ze staan, zich instinctief bewust van zijn bedoelingen. lerwijl de wind om hen heen gierde, voelde de oude man haar ogen oP hem rusten, die ongewone ogen die even zachtbruin en diepliggend waren als de ogen van een antilope, bijna zonder de langgerekte plooi van ooglidweefsel die bij de vrouwen en meisjes van de stam als een teken van schoonheid gold. Hij wist dat de huid rond een van die vreemde ogen bont en blauw was van het laatste pak slaag van haar vader. Het was een wonder dat het meisje groot was geworden. Sinds de dood van haar moeder werd ze door iedereen in het gezin mishandeld. Waarschijnlijk had het iets te maken met haar vreemde uiterlijk. Heel wat mensen zeiden dat haar vader Kiuk zo'n lelijk meisje nooit had moeten laten leven. Maar Kiuk was een goede jager, een waardevol lid van de stam en hij moest zelf maar weten wat hij deed met zijn vrouwen. Toch had Umak altijd medelijden met het meisje. Ze was een sterk, stevig kind dat nooit klaagde en dat om voor hem onbegrijpelijke redenen altijd heel lief was voor heel jonge kinderen en heel oude mensen. Even was hij ervan overtuigd dat zij hem zou aanspreken, hem zou afleiden van zijn doel. Als ze dat deed, zou ze zijn besluit tenietdoen en zijn laatste uiting van waardigheid in de war sturen, zodat hij zich altijd zou moeten schamen. Maar het meisje stond bewegingloos in de wind en het moment verstreek. Umak liep zwijgend langs haar en begon aan zijn laatste tocht. De dood wachtte hem. Hij zou die nu zoeken. Voor het welzijn van allen.
'Waar is Umak?'
De kleine Kipu werd wakker en zocht naar zijn overgrootvader. De oude man had beloofd hem goed te leren botjes werpen. Dat was een spel dat volwassen mannen speelden met stokjes die waren gemaakt van restjes beenderen die de vrouwen niet meer konden gebruiken. In de hele stam was er geen man die zo goed was in het botjes werpen als Umak.
Het jongetje fronste zijn wenkbrauwen. Hij miste zijn vader. Torka was nu al zo lang op jacht. Kipu ging rechtop zitten en wreef in zijn ogen. Zijn moeder had een vreemde uitdrukking op haar gezicht. Nietszeggend. Zo gelijkmatig als een veelgebruikte kooksteen. En even glad als een steen waarvan alle reliëf was verdwenen doordat er jarenlang beenderen op waren fijngewreven en versplinterd. Kookstenen waren mooi om te zien. Glanzend. Ze leken sterk, alsof ze altijd zouden meegaan, maar als je er te hard op sloeg of ze te dicht bij het vuur hield, braken ze. Daar dacht Kipu aan toen hij naar zijn moeder keek.
'Wanneer komt Torka terug?' 'Gauw,' antwoordde ze met overtuiging.
Kipu fronste zijn wenkbrauwen nog meer. Ze klonk alleen zo zeker omdat ze het niet was. Hij wist zo langzamerhand dat ze zich zo gedroeg als ze bang was. Zijn donkere ogen keken aandachtig de al even donkere hut rond. Er was niet eens meer genoeg vet voor de holle stenen die als lamp dienden. Hij wou maar dat de winter voorbij was! Wat verlangde hij naar de zomer! 'Umak heeft beloofd dat hij me zal leren hoe ik een steppeantilope moet vangen,' vertrouwde hij zijn moeder toe. 'Hij heeft gezegd dat wanneer de tijd van de lange duisternis voorbij is, Kipu oud genoeg zal zijn om als een man te leren jagen.'
'Umak is weggegaan om zijn geest aan de wind toe te vertrouwen.' Kipu hield zijn hoofd schuin. 'Wanneer komt hij terug?' 'Hij komt niet terug.'
Het kind staarde voor zich uit. Hij was vijf, maar hij was opgegroeid te midden van de nomaden van de toendra. Ver van de hut huilde een wilde hond en Kipu luisterde. Hij begreep wat zijn overgrootvader was gaan doen en waarom. De tranen prikten in zijn ogen. Hij was dol op zijn overgrootvader. Hij zou hem meer missen dan met woorden te zeggen was. Maar hij zou niet om hem huilen. Hij was de zoon van Torka en een nakomeling van Umak. Hij zou nog liever zijn hand in de haardkuil stoppen dan huilen. Egatsop keek naar hem en wachtte op de tranen, een teken van zwakheid. Ze was opgelucht toen het kind zonder te huilen strak voor zich uit bleef zitten staren en niets zei. Ze wist hoe moeilijk dat ogenblik voor hem was. Tegen haar borst bewoog de baby en hoewel Umak het nooit zou hebben geloofd, vocht ze tegen de bijna overweldigende gevoelens van tederheid voor het kind. Als ze deze baby zou moeten afstaan, mocht ze er niet te veel gevoelens voor gaan koesteren. Anders zou de smart haar verzwakken zodat ze niet alle aandacht aan Kipu en Torka zou kunnen besteden. Torka! Ze riep van verlangen zijn naam bijna hardop. Waar was haar man? Waarom was hij nog niet bij haar terug?