1

Er bewoog iets in de nacht... iets kolossaals. Iets stils. Iets huiveringwekkends.

De jager bleef doodstil staan en luisterde, gehoorzamend aan een waarschuwend gebons in zijn binnenste dat de adrenaline in zijn aderen opjoeg. Al zijn zintuigen schreeuwden: Gevaar! Hij was een jonge man, mager en gracieus ondanks de vele lagen kleding van huiden en bont. Met zijn sterke, stevig ingepakte armen en benen zette hij zich schrap als een dier op de vlucht, klaar om van het gevaar weg te stormen.

Urenlang al had hij het gevoel dat iets hem genadeloos als de dood achtervolgde. Tot tweemaal toe was hij op zijn schreden teruggekeerd om naar sporen te zoeken, maar opwaaiende sneeuw had zijn pogingen verijdeld en hij had niets gezien... alleen de uitgestrekte, winderige, met sneeuw bedekte, eeuwig bevroren toendra en de eindeloze duisternis van de poolnacht. Toen de wind de wolken droge sneeuw wegblies en onder de blauwe glinstering van het noorderlicht met kracht uiteendreef, had hij een rotspunt gezien die uit de weidse, vlakke toendra omhoogrees als de gebroken neus van een lang geleden gestorven reus.

Zonder om te kijken was hij naar dat nevelige, verre toevluchtsoord toe gerend, wetend dat Alinak en Nap hem zouden volgen. De afgelopen paar dagen hadden zij zich stilzwijgend door hem laten leiden. Het had hem niet verbaasd: hij was immers Torka en in hem vloeide het bloed van vele generaties heersers over de geesten. Het was alom bekend dat zijn jachtinstinct hem nooit in de steek liet. Alinak en Nap zouden begrijpen dat hij zich op de hoge rots in veiligheid had gebracht. Die zou hun in elk geval een gunstige positie verschaffen ten opzichte van wat het ook was dat hen achtervolgde. Hij keek nu om en richtte zijn blik op de verte die mistig was door de dikke wolken opwaaiende sneeuw. Door die sneeuwwolken heen zag hij zijn metgezellen, twee gestalten opdoemend uit de ijskoude mist, over de rotshelling naar hem toe klimmen. Gehuld in dierenhuiden kromden ze zich tegen de wind, steunend op hun speer. Vanaf de kap op hun hoofd stak een gewei naar voren. Zo, half mens, half dier, leken Alinak en Nap op gehoornde spookverschijningen die regelrecht uit een boze droom waren gestapt. Maar dit was geen droom. Dit was de Ijstijd. Er zou nog minstens veertigduizend jaar voorbijgaan eer jagers uit een ander tijdperk dit land Siberië zouden noemen en er hier bossen zouden zijn en nieuwe generaties mensen en dieren. Nu was er alleen een donker en woest landschap waar de wind overheen gierde en waar de wolven huilden als vrouwen die de doden beweenden. Ver naar het oosten, boven de door ijs omgeven hoge bergen die de boomloze vlakte van de toendra omringden, werd de hemel door het eerste ochtendgloren tot een gouden kleur geloogd. Het was een uiterst vage streep licht, maar die zou lang genoeg blijven om ochtend te worden genoemd en om lilagrijze schaduwen te werpen op een gebied dat maandenlang geen zonlicht had gezien. De tijd van de lange duisternis liep ten einde. De tijd van het licht keerde terug na de langste en meest barre winter die Torka ooit had meegemaakt.

Zijn twee geweidragende metgezellen kwamen bij hem staan. Ze waren net als Torka door vele lagen kleding tegen het weer beschermd. Hun onderkleding was van het allersoepelste leer van kariboekalveren. Een broek van hondenvacht beschermde hun benen tegen de ijzige kou van de poolwind. Daaronder hadden ze kousen van geitenleer dat door hun vrouwen net zo lang was gekauwd tot het zacht was als fluweel. Over hun broek zaten harige beenstukken van bizonvel met veters vastgebonden boven met bont gevoerde kniehoge laarzen die waren voorzien van een driedubbele zool ter bescherming tegen de kou. Ze droegen allebei een tuniek van kariboehuid en daaroverheen, met de vacht naar binnen gekeerd, een jas van de huid van datzelfde rendierachtige dier. Geen huid was warmer dan die van een in de winter gedode kariboe. Hoewel kariboevacht vrij kortharig was vergeleken met de vacht van de harige muskusos of van de enorme bizon met zijn wollige schoften, was elke kariboehaar een met lucht gevulde, isolerende cilinder die de warmte van een man vasthield en beschermde tegen de dodelijke poolkou. Zo kon een jager voor onbepaalde tijd buiten blijven op de door de wind geteisterde toendra zonder de kou te voelen.

Maar al leden deze mannen geen kou, toch waren ze al drie dagen niet meer in het winterkamp van hun volk geweest. De warmte van hun kleding kon hen niet vrijwaren voor vermoeidheid en honger of het nemen van verkeerde beslissingen.

In het vroege ochtendlicht stonden ze bij elkaar. Torka kreeg een droge keel van angst toen hij de geweimantels van zijn metgezellen zag. Het was heiligschennis de jagersmantel om te slaan voordat de prooi in zicht was. Zijn eigen mantel zat nog op zijn bepakking gebonden, stijf opgerold, het gewei rechtop, als skeletachtige vleugels die vanaf zijn rug naar achteren staken.

Een zwaar gebrul verscheurde opeens de gure, winderige ochtend. Torka bleef doodstil staan. Geen spier vertrok, maar zijn zintuigen schreeuwden het weer uit: Gevaar! Net als de twee mannen naast hem draaide hij zich om. Ze luisterden, tuurden in de verte en probeerden het geluid te lokaliseren. In de verre, met sneeuw bedekte bergen hielden de wolven zich stil. Torka vroeg zich af of ook zij begrepen dat wat zij hadden gehoord meer was dan het vaak voorkomende geluid van lawines die vanaf de hoog oprijzende gletsjers op de toendra neerstorten.

Het was het geluid geweest van iets lévends, iets wat in de verte voorbijtrok onder de rots waarop de drie jagers zich bevonden. Door de opdwarrelende sneeuw en de grote afstand was het niet te zien, maar het was zo groot dat de voetstappen ervan trillingen veroorzaakten in de permafrost en de aarde deden beven. De geur bereikte hen. Ze snoven hem op en probeerden hem te definiëren zoals alleen zij die bekwaam zijn in het doden de geur van leven kunnen herkennen in de snijdende kou van de poolwind. Ze bespeurden heel vaag de warmte en ademhaling van een levend wezen. De wind voerde de geur aan, tartte hen ermee en blies hem weer weg voordat ze hem konden thuisbrengen.

Seconden verstreken. Eindeloos. Ademloos. De jagers wachtten, maar het geluid herhaalde zich niet. Het water liep Nap en Alinak 'n de mond. Hun maag was hol en deed pijn van de honger. In tegenstelling tot Torka voelden zij geen dreiging in de wind en zagen zij geen gevaar in het ochtendgloren. Vermoeidheid had hun instinct afgezwakt. Zij zagen in gedachten wat zij zo dolgraag wilden zien: kariboe. Ze verlangden ernaar grote kudden koeien en kalveren in de verte over de toendra te zien komen, op doortrek uit de bergen, met daarachter de stieren in aparte groepen, op weg naar de gebieden in het oosten waar de kalveren werden geworpen. De kudden hadden er allang moeten zijn. Boven het winterkamp dat hun volk had ingericht als bescherming tegen de genadeloze stormen in de tijd van de lange duisternis, was de afnemende maan opgekomen en weer ondergegaan. Hun volk bestond uit een kleine stam. Met minder dan veertig mensen hadden zij samen kuilhutten gegraven in de bevroren toendra en bizonhuiden als dak over een raamwerk van mammoetribben gespannen. Met een verborgen voorraad voor de komende donkere maanden hadden zij zich daar gevestigd om de terugkeer van de tijd van het licht af te wachten. Zoals altijd hadden zij hun kamp opgeslagen langs een bekende trekroute van kariboes, ervan overtuigd dat de kudden zouden terugkeren om hen van eten te voorzien voordat de honger voelbaar werd. Maar de kariboe was niet teruggekeerd. De winter was strenger geweest dan zelfs de oudste leden van de stam zich konden herinneren. Het had even gedooid. Daarna was het weer koud geworden en waren de stormen vanuit het noorden als roofzuchtige wolven over hen heen geraasd. Ondanks het slechte weer waren de jagers er elke dag op uitgetrokken om wild te zoeken, maar telkens waren ze met lege handen teruggekeerd. Al snel raakten hun voorraden uitgeput. Vrouwen staarden met doffe blik naar de lege valstrikken terwijl hun borstvoeding opdroogde en hun baby's onophoudelijk huilden. De sneeuwhoenderhekken die de kinderen eerder dat jaar met de schenkelbeenderen van pas gedode steppeantilopen hadden gemaakt, konden de laagvliegende winterwitte vogels niet meer misleiden en verstrikken. Om de kariboe terug te laten komen had Teenak, de jongste vrouw van het stamhoofd, haar pasgeboren baby als offer aan de geesten te vondeling gelegd. De hemelgoden hadden uit medelijden niet alleen de ziel maar ook het lichaam van de arme baby weggenomen. De baby zou van de wolken leven totdat Teenak hem in betere tijden opnieuw zou kunnen baren. Twee andere vrouwen hadden Teenaks voorbeeld gevolgd. Maar de kariboe was niet teruggekeerd.

Daarom waren de jagers van de stam erop uitgestuurd om de kudden te zoeken. Ze trokken nu al drie dagen vanuit het kamp alle kanten op, wanhopig zoekend naar wild. Allemaal hoopten ze als eerste de lang verwachte kudden te zien waar het hele leven van de stam nu om draaide. Geen vlees was lekkerder, geen huiden waren warmer of soepeler en geen geweien of beenderen buigzamer. Geen pees was sterker of taaier, geen vet brandde langer in de ovale gaten van de stenen die als lamp dienden. De kariboe was het dagelijks brood voor de nomaden van de toendra's in het poolgebied. Zonder de kariboe konden zij niet overleven.

Alinak en Nap tuurden in het sterker wordende licht van de besneeuwde ochtend en probeerden allebei te zien waarom Torka zo plotseling was blijven stilstaan. Er bewoog daar écht iets in de mist. Het móésten wel kariboes zijn! Toen Torka opeens naar de rotspunt was gerend, hadden beide mannen in hun optimisme gedacht dat de kudden eindelijk in zicht waren. Ze waren hem gevolgd en hadden zonder hun pas te vertragen de jachtmantel omgegooid, ervan overtuigd dat Torka hen naar hoger terrein bracht om hun een goed overzicht op de prooi te geven.

Naps gehandschoende hand sloot zich stevig om de benen schacht van zijn speer. Boven zijn hoge, ronde jukbeenderen knepen zijn zwarte ogen zich al samen van plezier. Hij zag zich al naar huis lopen, gebogen onder de last van vers vlees, zijn buik voor het eerst sinds maanden gevuld en zijn bloed gonzend. Alinak had hetzelfde visioen als zijn broer. Hij kon de scherpe, dampende stank van kariboemest bijna ruiken. Hij voelde al bijna de korrelige en smeuïge mest tussen zijn handschoenen en zag zich de mest al over zijn kleren smeren om de geur van zijn prooi aan te nemen, zodat hij vanaf de zijkant de kudde binnen kon dringen om met Iorka en Nap naast zich zijn prooi gemakkelijk te doden. De broers knikten naar elkaar ten teken dat ze elkaars onuitgesproken gedachten begrepen. Het vermogen van jagers uit de poolstreek om zonder geluid te communiceren was een zesde zintuig, zoals bij alle roofdieren die overleefden door hun vermogen om in groepen te jagen. Spreken zou de prooi attent maken op hun aanwezigheid en bovendien mochten de anderen onder geen beding worden afgeleid wanneer het wild werd beslopen.

Het was de honger, tezamen met de uitputting, die Nap het woord in de mond legde. Hij merkte pas dat hij sprak toen de wind zijn stem terugblies en in zijn gezicht sloeg.

'Kariboe...'

Meteen begreep hij zijn enorme overtreding. Hij slikte een verstikte angstkreet in, alsof hij het woord nog terug kon nemen. Maar het was al te laat. Het woord was ontsnapt en werd meegevoerd met de wind.

Torka en Alinak waren geschokt. Nap had een van de oudste taboes van de poolstreek geschonden. Ze wisten allemaal dat een ding dat bij de naam werd genoemd tot leven werd gewekt. En levensgeesten hadden een eigen wil. Als zij zonder de juiste ceremonie en zonder eerbiedige gezangen werden opgeroepen, werden zij onteerd en zouden zij degenen die hen te schande hadden gemaakt proberen te straffen. Wanneer het wild betrof, zou dat misschien helemaal niet tevoorschijn komen en zo de overtreders met de hongerdood straffen. Of misschien veranderde het wel in boze geesten, half levend en half spook... met klauwen en scherpe tanden, onzichtbaar en boosaardig... groot genoeg om op mensen te jagen en hen op te eten... langzaam op te eten.

Nap voelde zich misselijk. Hij zag hoe Alinaks brede gezicht hem afkeurend aankeek vanuit de schaduw van zijn hoofdtooi met het gewei erop. Torka's kap was gemaakt van de pels van een wolf. De staart van het beest was langs de rand van de kap genaaid en zat als een bontrand om Torka's gezicht dat in het schaarse ochtendlicht niet meer was dan een donkere vlek. Maar ook zonder dat Nap de krachtige, gelijkmatige gelaatstrekken zag, wist hij dat Torka's donkere wenkbrauwen nu tot een zwarte massa waren samengetrokken boven zijn maar al te expressieve ogen. Hij zag voor zich hoe de goedgevormde mond de witte tanden ontblootte, toen Torka een sissend geluid uitbracht dat vernietigender was dan welk verwijt ook.

Torka hoefde Nap niet te vertellen dat hij iets onvergeeflijks had gedaan. Zijn fout zou hun alle drie het leven kunnen kosten. En als ze het geluk hadden toch veilig terug te keren naar het winterkamp van hun stam, zou de reputatie van Nap als jager voor altijd bezoedeld zijn. Maar toen Torka's eerste woede voorbij was, kon hij Nap toch niet veroordelen voor zijn blunder. Ze waren allemaal uitgeput, ze hadden allemaal honger en waren de hongerdood gevaarlijk dicht nabij. Men zei dat verhongering visioenen aanwakkerde. Men zei ook dat honger mensen roekeloos maakte. Ieder van hen had het smachtende woord eruit kunnen flappen en zo per ongeluk het aloude taboe kunnen schenden. Maar als Nap inderdaad een boze geest had opgewekt, zou dat toch niet het wezen zijn dat Torka naderbij voelde sluipen. Dat fantoom achtervolgde hen al uren. En wat het ook was, Torka wist nu meer dan ooit dat het geen kudde kariboes was.

De drie jagers bleven roerloos staan. Alle drie zagen ze schrikbeelden voor zich, luisterden ze naar het geluid van het gevaar en dachten ze dat de dood hen naderde in de door de wind voortgedreven mist.

Torka hield in zijn ene hand zijn vilmes en in zijn andere zijn werpspeer gereed. Diep in zijn keel kon hij de gal al proeven als hij dacht aan de woorden van de oude Umak, zijn grootvader die hem had grootgebracht en hem had leren jagen nadat zijn ouders waren gedood: er is een licht dat brandt achter je ogen wanneer de dood nabij is, een licht dat rondwaart en op de loer ligt tot de jager zijn definitieve fout maakt. De jager moet recht in dit licht kijken. Alleen wanneer hij de dood dapper tegemoet treedt, kan zijn geest de dood overwinnen.

Het licht dat brandt. Torka voelde het nu. Het schroeide de achterkant van zijn ogen en vervormde zijn zicht. De wereld werd in lichtelaaie gezet door dit licht dat schel en even wit en gevaarlijk was als de grote witte beer uit het noorden, en Torka dacht: wat er ook is, het heeft nu de wind mee. Het zal ons kunnen ruiken. En als het een beer is, zal hij na maandenlang op zijn eigen vet te hebben geteerd, gek zijn van de honger. Hij zal ons achtervolgen, zelfs tot deze hoogte. Hij zal komen.

Rusteloosheid trok door hem heen en verhitte zijn bloed. Ondanks de kou rook hij de scherpe lucht van zijn gespannenheid. Hij wilde dat zijn grootvader nu bij hem was. Alinak en Nap waren allebei ervaren jagers in de kracht van hun leven, maar met de oude Umak naast zich had Torka altijd het gevoel dat hij de moed en de wijsheid van twee mannen bezat. Maar Umak had bij de jacht op een steppeantilope eerder in het seizoen zijn been verwond. Nu verbleef hij in de beschutting van het winterkamp, in de kuilhut van Torka, met Egatsop, Torka’s vrouw, hun pasgeboren kind en Kipu, hun zoontje. Kipu! De jongen werd elke dag bleker en zwakker. En hier stond de dappere jager Torka met droge mond en vol angst voor een onzichtbare prooi waarvan het vlees zijn zoon zou kunnen voeden en zijn volk van de hongerdood redden. Zijn gezicht vertrok van afkeer van zichzelf. Wat voor man was hij? Waarom stond hij hier zwijgend terwijl hij liederen zou moeten zingen om de onbekende prooi te lokken?

Maar als de prooi een boze geest was? Of nog erger, als het een beer was? Hij had gezien wat de grote witte beer kon aanrichten. Toen Torka klein was had hij gezien hoe zijn vader door die grote poten werd opengereten en in stukken gescheurd. Hij had zijn vader zien sterven terwijl vele anderen werden verscheurd, totdat de grote lompe plunderaar met de stompe snuit eindelijk was verdreven. Later was het dier dood aangetroffen, bezweken aan de verwondingen die het in het kamp had opgelopen. De overlevenden van de stam hadden de beer opgegeten, maar hij had tien speren vernield en drie jagers en een vrouw, de moeder van Torka, met zich meegenomen naar het rijk der geesten.

De herinnering wakkerde zijn woede aan en gaf hem een vastbeslotenheid die zijn angst verjoeg. Umak had zich tegen die beer verzet. Umak had door zijn moed de dodende speer weten te richten. Zelfs de grote witte beer was niet zo dapper geweest als Umak. En ik ben Torka, de zoon van Umaks zoon. Ik kan dapper zijn. Ook ik ben gek van honger na maanden op mijn eigen vet te hebben geteerd. De wind kwam in vlagen en nam in kracht af nu de ochtend de toendra opeiste en de verschrikkingen van het duister verjoeg. Torka's zwarte ogen tuurden door de neerdwarrelende sneeuw, zoekend naar een beer die er niet was. Nap en Alinak tuurden gespannen in de verte, in de veronderstelling dat er boze geesten zouden opdoemen en op hen af zouden komen om hen van het leven te beroven. Maar tot hun grote opluchting was er alleen de bekende lege toendra die zich voor hen uitstrekte, met in de verte de bergen en aan de horizon het bevroren juweel van een ondiep meertje dat fonkelde in het koele ochtendlicht. Het meer lag aan de voet van een hoge, opdringende morene en was ongetwijfeld ontstaan door de recente dooi en de daaropvolgende vorst. Een enorme wal van losse keien en rotspuin rees op aan de voet van de gletsjer. En in de modder aan de rand van het meer, als een donkere vlek op het ijs, lag een kadaver met een onmiskenbare kleur. Rood. Donkerrood, de kleur van bloed dat opwelt uit een wond. Vol ongeloof haalden de jagers als één man opgelucht adem. De voorzichtigheid en de verschrikkingen van de nacht waren vergeten. De honger maakte zich van hun zintuigen meester. Ze beseften dat ze eindelijk genoeg eten hadden gevonden om zich vol te proppen tot ze verzadigd waren en dan nog meer dan genoeg mee konden meenemen voor hun uitgehongerde volk. Torka lachte opgelucht. Zijn instinct had hem nu dus toch een keer in de steek gelaten! Wat was hij dom geweest! Het enige wat hem in het donker had achtervolgd was het beest van zijn eigen angst geweest! Het licht dat achter zijn ogen had gebrand was alleen de kleur van die angst geweest!

'Zie je het?' vroeg Alinak zacht, alsof hij zijn ogen niet durfde geloven en bang was voor een ontkennend antwoord. 'Ik zie het!' bevestigde Torka en gaf een naam aan wat voor hen lag en duidelijk dood was, bevroren in het ijs, klaar om verorberd te worden. 'Mammoet!'

Nap huiverde, maar Torka stak zijn hand uit en gaf hem een vriendschappelijke por tegen zijn schouder die hem duidelijk maakte dat alles goed zou komen. Nap had een taboe geschonden, maar het zag ernaar uit dat de geesten het door de vingers zouden zien.

Ze lieten de rots achter zich en renden verder naar het meer, dankbaar voor het ochtendlicht, de verschrikkingen van de nacht vergeten. Ze zegenden de geest die de mammoet had misleid en hem tijdens de afgelopen dooi naar het meer had gestuurd waar hij in de modder was blijven steken. Ze wisten dat hij door zijn gewicht vast was komen te zitten en dat zijn dood het gevolg was van verhongering of was ingetreden tijdens de ijzige stormen die het meer na de dooi weer hadden doen opvriezen.

Al rennend zongen ze dankliederen voor de geesten. Het vlees van de wollige mammoet was niet hun lievelingsmaal: het was bitter en smaakte naar de lage dennenstruikjes die de mammoet graag at. Maar uitgehongerde mannen waren niet kieskeurig en vroegen zich ook niet af waarom de mammoet zijn favoriete omgeving, de heuvels aan de voet van de bergen, had verlaten. Wat de mammoet ook naar ^e toendra had gelokt, het had hem regelrecht op hun pad gebracht. Alleen daaraan dachten ze. Ze zeiden spreuken om de ziel van het grote beest tot rust te brengen, dat nu met zijn vlees hun leven en dat van hun stamgenoten gered zou worden. Buiten adem kwamen ze aan bij het meer en bleven voor het kadaver van de mammoet staan. Het dier lag op zijn zij, met twee poten helemaal onder het ijs en het grootste deel van zijn grote kop erin vastgevroren. Het was een enorme koe. Vreemd genoeg hadden er geen roofdieren aan gezeten. Dat had hun argwaan moeten wekken, maar ze stonden er niet bij stil. De honger had hun voorzichtigheid opzij gezet.

De kou was wat minder geworden nu de wind was gaan liggen, hoewel de temperatuur ver onder het vriespunt was in de schaduw van de hoge morene met de massieve gletsjermuur erachter. Het lange haar van de mammoet was tot verwrongen ijspegels bevroren boven de al even stijve huid. Het zou de jagers al hun energie kosten om door het haar en de huid heen te hakken naar het bevroren vlees eronder. Maar dat deerde hen niet.

Zonder aarzelen sprongen ze op het lichaam van de kolos en begonnen met hun speren in de vacht te porren en te kerven. Daarna pakten ze hun vilmessen om de huid open te snijden. Terwijl ze stukjes bevroren vlees naar boven haalden en het bloed eruit zogen, nam door de vermoeidheid hun opwinding al gauw af. Zwijgend beseften ze dat het vlees van de mammoet keihard zou blijven tenzij het weer ging dooien. Ze hadden beter gereedschap nodig wilden ze er voldoende vlees vanaf kunnen snijden om mee te nemen naar hun volk. Ze zouden terug moeten naar het winterkamp om hulp te halen en een van hen achter moeten laten om de roofdieren bij het dode dier vandaan te houden. Terwijl ze gehurkt op het lichaam van de mammoet zaten en probeerden te besluiten wie moest blijven en wie moest gaan, viel er een schaduw over hen heen. Ze besteedden er eerst geen aandacht aan. Ze zaten al in de schaduw van de morene en wat er over hen heen viel, leek alleen een nog diepere schaduw. Torka kreeg als eerste het gevoel dat ze werden bespied. Hij keek op en zag de dood in de ogen.

De mammoetstier had een schofthoogte van ruim zes meter. Hij had enorme poten en meer dan een halve ton ivoor in zijn naar voren krullende slagtanden die bijna even lang waren als het dier hoog was. De uiteinden waren verkleurd omdat de stier er tijdens het vele grazen het tere vlees van de toendra even diep mee had opengereten als tijdens menig gevecht in de paartijd het vlees van zijn eigen soort.

Torka stond op. Dit was wat hij door de nacht had voelen rondwaren. Zijn instinct had hem niet in de steek gelaten. Hij had nooit gedacht dat een levend wezen zo groot en bedreigend zou kunnen zijn. Het was een geestesverschijning die was opgestaan uit de verhalen die de oude mannen vertelden wanneer ze in de donkere winter rond het warme vuur in het Mannenhuis zaten: verhalen over monsters om de jonge jagers angst aan te jagen, het gevaar duidelijk te maken en te laten zien wat voor gevolgen het had wanneer een taboe werd geschonden. Vergeleken met het beest dat boven op de morene naar Torka stond te kijken was de grote witte beer uit zijn herinneringen even nietig als een half verhongerde poolhaas. Vergeleken hierbij leek de meest kwaadaardige van de boze geesten minder bedreigend dan een door de winter verzwakt sneeuwhoen dat in een strik met zijn vleugels klapperde.

Instinctief wist Torka dat de stier het mannetje was van de weggezonken koe wiens lichaam hij en de anderen stuk zaten te snijden en wiens vlees zij hadden gegeten om zich te voeden. De stier had de roofdieren van het lichaam weggehouden totdat hij was afgedwaald, om vervolgens in het spoor van de jagers weer bij zijn vrouwtje terug te keren.

De grote kop van de mammoet was omlaag gericht en zwaaide heen en weer. Nu zagen Alinak en Nap hem. Ze voelden de zachte, gelijkmatige adem van het dier en doken sprakeloos en vol ongeloof in elkaar. Toen ging de mammoet ongelooflijk genoeg op zijn achterpoten staan en sloeg met zijn voorpoten door de lucht. Zijn grote romp kwam omhoog en de lange bek met de slappe lippen ging open terwijl hij trompetterend uiting gaf aan zijn woede. Torka zou nooit weten wanneer het dier precies aanviel. Hij wist alleen dat het opeens op hem afkwam en dat hij en Alinak en Nap naar de speren grepen die zij terzijde hadden gelegd. Ze sprongen bij de koe vandaan en glibberden en klauterden als gekken langs de evroren oever van het meer om zich in veiligheid te brengen. Maar ze konden geen kant op. Torka hoorde Alinak schreeuwen. Door het verstikte gerochel dat volgde beseften Alinaks metgezellen wat een afschuwelijke dood hij stierf, maar noch Torka noch Nap keek om. Ze konden Alinak nu niet helpen.

Ze renden dicht bij elkaar. Nap snikte en bracht angstig uit: 'Blijf ver bij me vandaan, Torka. Het is mijn boze geest. Hij komt voor mij. Loop omhoog! Ren naar de rots! Ik zal hem wel weglokken!' 'We blijven bij elkaar!' antwoordde Torka, al wist hij dat Naps advies verstandig was. Als ze ver van elkaar vandaan renden kon het beest hen niet allebei tegelijk te pakken krijgen. Maar als ze allebei kriskras naar de rots renden, zouden ze het dier misschien verwarren en zich zo allebei in veiligheid kunnen brengen. Het was de grootste mammoet die Torka ooit had gezien, maar op de een of andere manier wist hij dat het inderdaad een mammoet was en geen boze geest. En mammoets konden niet klimmen. Die overtuiging gaf hem de kracht om nog harder te lopen en zijn pas te versnellen tot grote stappen die de aarde verzwolgen en hem zeker op tijd bij de rots hadden gebracht, ware het niet dat Nap opeens de andere kant was opgerend, weer terug naar het meer, regelrecht op de mammoet af. 'Nee!' riep Torka. 'Kom mee! We zijn er bijna!' Maar Nap was gestopt. Hij bleef doodstil staan en keek achterom over de open toendra naar de mammoet die nu in een wat langzamer tempo op hen af draafde, maar toch steeds dichterbij kwam. Hij was stil blijven staan nadat hij Alinak omver had gelopen. Hij had zich omgedraaid en Alinaks lichaam binnen het stijve omhulsel van kleren tot een bloederige massa vertrapt. Alinaks bloed zat op zijn slurf en slagtanden en op zijn enorme voeten en tenen. Hij hield zijn kop omlaag en onder de twee hoge bollingen van zijn schedel sloegen zijn harige oren als vleugels telkens snel naar voren. Hij zag Nap, knikte en snoof terwijl hij van draf overging in galop en recht op hem afkwam.

Torka stond als aan de grond genageld. 'Lopen, Nap. Lopen! Nu!' Het was ongelooflijk, maar Nap liep niet weg. Hij bleef voor de aanvallende mammoet staan en hief zijn speer pas op het laatst omhoog. Misschien verdween op het laatste moment, toen hij de smerige adem en de scherpe geur van het beest rook, het bijgeloof en wist hij dat het geen boze geest was die op hem af kwam stormen, maar een wezen van vlees en bloed, even sterfelijk als hij. Toen schreeuwde hij en begon hij weg te rennen. Maar het was te laat. De mammoet greep hem met zijn slurf. Zijn wapen viel, nutteloos verstrikt in het dikke warrige rode haar van het beest. Hij werd op de grond geworpen en vertrapt. Zijn ingewanden spatten door zijn mond naar buiten toen elk botje in zijn lichaam werd gebroken en elke vezel in hem tot een zachte brij werd gestampt. Verstijfd van afschuw over hetgeen hij zojuist had gezien bleef Torka staan, beduusd door het oorverdovende lawaai van de mammoet die triomfantelijk trompetterde na de overwinning op degenen die het lichaam van zijn wijfje hadden bezoedeld. Het was alsof het gebrul door de huid van de wereld drong. De aarde beefde. In Torka raakte het geluid een nooit eerder beroerde kern van zinderende woede die langzaam in hem opwelde totdat die witheet achter zijn ogen brandde.

De mammoet staarde hem aan. Zijn ogen waren wijd opengesperd van haat voor de mens. Zijn grote slurf ging omhoog. Zijn enorme lichaam zwaaide heen en weer. Eén zware voorpoot ging omhoog en kwam weer neer, telkens opnieuw op de aarde stampend tot heel de wereld leek te beven.

Maar Torka beefde niet. De verschrikking had hem zijn angst doen vergeten. De woede sterkte zijn zenuwen. Hij wachtte, wetend dat hij nu niet meer kon ontsnappen. De rotspunt was te ver. De dood was te nabij. Het licht brandde helder achter zijn ogen. Hij dacht aan Umak en herinnerde zich de woorden van de oude man: de jager moet recht in dit licht kijken. Alleen wanneer hij de dood dapper tegemoet treedt, kan zijn geest die dood overwinnen. Torka trad de dood dapper tegemoet. Met zijn lichaam gespannen en zijn wapen gereed wachtte hij hem op. En toen de mammoet uiteindelijk aanviel, draaide Torka zich niet om. Hij rende schreeuwend op hem af.