2
Ze aten dagenlang paardenvlees. Langzaam begon de winter weg te trekken. Het was de hele tijd koud en droog geweest en er was weinig sneeuw gevallen, maar nu de tijd van de lange duisternis tegen zijn einde liep, veranderde het weer. De wind draaide en trok van de verre poolzeeën wolken aan die zwaar waren van het vocht. Het bleef maar sneeuwen. Achter een dicht wolkendek dat door storm werd voortgedreven, kwam de kwijnende maan op boven de toendra.
Terwijl Torka en zijn kleine groep van kamp naar kamp trokken, werd het steeds moeilijker om wild te vinden. Laag aan de oostelijke horizon konden ze af en toe tussen de wolken door, boven de vele pieken en gletsjers van de bergketens in de verte, de eerste veelbelovende gloed van het zonlicht zien. Maar de dieren die overwinterden sliepen nog onder de grond, door een dichte sneeuwlaag veilig verborgen voor de stokken van de vrouwen. Wanneer grazers stierven omdat ze niets meer te eten konden vinden, werden ze ook zodra ze vielen door de sneeuw bedekt. Wolven en wilde honden zongen het lied van de honger terwijl ze door het eenzame, winderige landschap trokken op zoek naar eten. De mensen van Torka’s groep begonnen mager te worden en uitgehongerd te raken. Ze sloegen een kamp op in de verstikkende, huilende witte hel. Ze leefden van stukken vet die eigenlijk bedoeld waren als talg voor hun olielampen. Lonit naderde het eind van haar zwangerschap. Ze vroeg zich af of ze melk zou hebben voor haar baby. Hoewel Iana het niet had gezegd, hoorde Lonit aan de klaaglijke geluidjes die haar baby bij het drinken maakte, dat ze niet zoveel melk had als ze eigenlijk zou moeten hebben. Naknaktup wist dat ook. Af en toe zag Lonit hen alle twee steels naar de mannen kijken en vooral naar Torka. Sinds ze van Galeenas berg waren verdreven, hadden ze hem allemaal als hoofdman beschouwd. Umak toverde, Torka nam de beslissingen en Manaak was zijn rechterhand. Ze hadden hun taak even makkelijk op zich genomen als ze hun kleren aantrokken. Alleen werd het nu steeds moeilijker om beslissingen te nemen en het was logisch dat er aan die beslissingen werd getwijfeld. 'Waarom kijken de vrouwen zo naar me?' vroeg Torka aan Lonit. 'Ze wachten tot je Iana en Manaak bevel geeft om hun baby af te staan als eten voor ons allen.' 'Deze man zal nooit zoiets vragen!' 'Galeena zou dat wel hebben gedaan.'
'Torka is Galeena niet! Torka eet niet de kinderen van zijn groep op! De kinderen zijn de toekomst van het Volk! Omwille van hen vechten we om de winterse duisternis te overleven!' Hij had luid en boos gesproken. De kuilhut was klein. Zijn woorden werden door iedereen gehoord. Lonit keek Iana en Naknaktup aan met een uitdrukking van zei-ik-het-niet op haar gezicht. Manaak gromde goedkeurend. Karana keek vragend naar Torka en bedacht hoe Torka zijn leven had gewaagd om hem in de storm te vinden. Hij wist nu beter dan ooit dat Torka anders was dan enige man die hij ooit had gekend. Umak schraapte zijn keel en was trots dat Egatsop zijn kleinzoon verkeerd had beoordeeld. Torka's aangeboren medelijden kwam niet voort uit zwakte, het vormde de basis van zijn steeds groter wordende wijsheid.
'We zullen overleven. Om een nieuw leven te beginnen! Om het gelach van onze kinderen te horen! Daarvoor jagen wij! Daarvoor leven wij! Daarvoor zullen we nu liederen van leven zingen in de winterse duisternis, luide liederen zodat de zon ons misschien hoort in het verre deel van de wereld waar hij nu is en zich haast om terug te komen naar zijn kinderen!'
Ze zongen en vanuit de winterse duisternis gaven de wilde honden antwoord.
'Ze zijn dichtbij,' zei Torka. Ze werden stil en luisterden. 'Denk je dat Broeder Hond daar is?' vroeg Karana. 'Daar ergens, ja. Als hij nog leeft,' antwoordde Torka. Umak sloot zijn ogen, hief zijn gezicht op en ademde diep in waarbij hij het geluid van de honden in zich opnam en er een antwoord in zocht op zijn onuitgesproken vraag. Zijn geest bleef leeg. Honden klonken allemaal hetzelfde. Hij schraapte zijn keel, vol afkeer van zichzelf. Umak is Heer der Geesten. Als Aar in de buurt was, zou deze oude man het in zijn botten moeten voelen! Maar zijn botten voelden alleen de kou en een pijnlijke stijfheid. Umak is inderdaad oud, dacht hij. Hij opende zijn ogen en keek boos en uitdagend het donker in. 'Deze man heeft niet zoveel honger dat hij zou gaan jagen en zijn broeder op zou eten!' 'Karana ook niet!'
Torka keek de oude man en de jongen streng aan. Manaak had zijn jagersmantel al aangedaan. Iana pakte haar strikken. Torka knikte toen hij hun bedoelingen zag. Hij zei tegen Umak en Karana dat wilde honden een goede prooi waren voor uitgehongerde mannen die aan het welzijn van hun zwangere vrouwen en kinderen moesten denken. 'Als Umak en Karana een geestelijk verbond hebben afgesloten met een hond die zij Aar noemen, moeten zij maar hier blijven en de vrouwen bewaken. Manaak en Torka gaan op jacht en zullen strikken zetten. En als Broeder Hond een plaats heeft gevonden bij de meute die huilt, kan hij beter maar hard wegrennen, want Torka zal niet aarzelen hem te doden.'
Ze trokken naar het oosten onder steeds lager hangende wolken en volgden het lied van de wilde honden. Ze pikten hun spoor op en vatten moed. Ze draafden verder terwijl achter hen de wind opstak. De toendra strekte zich voor hen uit en losse sneeuw werd als dunne mistflarden door de wind weggeblazen. Ze stopten om te rusten en aten ieder een stuk vet terwijl ze goed om zich heen keken waar ze waren zodat ze het kamp terug zouden kunnen vinden. Manaak sloeg op zijn borst om aan te geven dat hij tevreden was over hun vooruitzichten. Hij stond op, schudde zijn speerwerper heen en weer en zei dapper: 'Hierdoor zullen we zeker met vlees thuiskomen!'
Torka had hem wel willen vervloeken vanwege zijn hoogmoedige woorden, maar Manaak was al weggedraafd. Torka volgde. De uren verstreken. De honden leken hen ergens heen te voeren. Zodra ze de plek hadden bereikt waar het lied van de honden vandaan was gekomen, voerde hun spoor weer verder. 'Het is net of ze blijven staan wachten, net of ze ons roepen en een teken achterlaten zodat we hen kunnen volgen,' zei Manaak bedachtzaam.
'Het zijn honden, geen mensen!' 'Maar Umak noemt een van hen broeder.'
Torka vond het niet prettig dat Manaak hem daaraan herinnerde. Hij reageerde er niet op en ging verder tot hij plotseling bleef staan bij het spoor van een bizon. Hij besefte opeens dat Manaak en hij niet de enige jagers waren. De honden zaten hun eigen prooi achterna en het leek erop alsof ze er alles aan deden om de mensen mee te lokken. 'De geesten zijn met ons!' riep Manaak.
'Misschien wel,' zei Torka, die wenste dat Manaak niet zo vrijuit zou praten over dingen die nog niet waren gebeurd. Manaak proefde de kritiek in Torka's stem. Zijn ongeduldige aard werd getart door Torka's aangeboren voorzichtigheid. 'Kijk, bij je voeten, overal bizonsporen! Kijk hoe ze met hun hoornen en hoeven de sneeuw hebben doorploegd en met hun neus hebben gegraven om bij het korte gras te komen dat eronder zit! Een grote kudde! Niet meer dan twee dagen vóór ons! Kom! We zullen nu teruggaan en het aan de anderen vertellen. De belofte van veel vlees zal ons de energie geven die we nodig hebben om ons kamp naar de weidegrond van de bizon te verplaatsen. Weldra zullen we jagen! De bizons zullen verbaasd zijn over de kracht van onze speerwerpers! We zullen hun warme bloed drinken en een feestmaal aanrichten van hun vlees, terwijl we lachen om onze honger, onder de kille blik van de kwijnende maan!'
Torka was zo ontsteld door Manaaks brutale, ondoordachte gesnoef dat hij niets kon uitbrengen. Diep in hem draaide de angst als een school vissen rond. Hij voelde zich misselijk worden toen hij besefte dat Manaak zojuist hetzelfde taboe had geschonden als Nap op de dag dat de Donderspreker hun leven was binnengekomen en hun wereld had verwoest. Manaak had de naam van zijn prooi durven zeggen nog voor hij hem echt had gezien. En erger nog, hij had de bedoeling uitgesproken om de geest van de kwijnende maan uit te lachen.
Torka was zich opeens pijnlijk bewust van de huilende wind. De wind beukte in zijn rug. Hij huiverde, niet van de wind die zo koud was, maar van een grotere kou, terwijl een afschuwelijk bang voorgevoel hem overweldigde.
'Kom,' zei hij. 'Ik ruik storm in deze wind. We zijn al lang genoeg buiten het kamp.'
De wind blies duizenden kilometers ver over het open, boomloze land en deed de sneeuw opwaaien tot aarde en hemel niet meer van elkaar te onderscheiden waren. Umak stond met zijn gezicht in de wind en voelde grote opluchting.
'Ze komen! Eindelijk komen de jagers weer naar ons terug!' Manaak dook op uit de witte wereld, zo enthousiast over zijn nieuws dat hij de oude man omhelsde. 'Bizons, Heer der Geesten! De honden hebben ons ernaartoe geleid! Een grote kudde! We zullen wachten tot deze storm voorbij is en in de winterse duisternis heerlijk over vlees dromen! We zullen ons kamp verplaatsen en dan zullen we jagen! O, wat zullen we jagen!'
Hij duwde de oude man voor zich uit de hut in. Terwijl hij de sneeuw van zich afschudde maakte hij hen allen deelgenoot van zijn vreugde en gooide hij Iana de enige haas toe die in zijn strikken was gekomen.
'Het is niet veel vlees!' zei hij, 'maar we zullen er allemaal van eten en de beenderen koken boven het beetje vet dat we nog voor onze kookstenen hebben. Weldra zullen we dikke biefstukken eten en zullen onze handen glinsteren van het bloed en de olie. Vertel het hun, Torka! Vertel hun over het spoor van de bizon, en over de omvang van de kudde die...' Hij hield langzaam op met praten. Hij tuurde de donkere hut in en keek van de een naar de ander. 'Waar is Torka? Hij liep voor me toen ik stopte om deze haas op te pakken. Hij had allang terug moeten zijn.'
Buiten sloeg de wind zo hard tegen de hutkom dat het hele bouwsel schudde. Lonit uitte een kreet van wanhoop en liep naar buiten, de storm in, met Umak en Karana achter haar aan. Wanhopig riep ze Torka, maar de wind voerde haar stem mee en blies hem over de toendra, de andere kant op. Torka zou haar nooit horen. En als hij haar hoorde, zou hij nooit de weg naar het kamp terug kunnen vinden in de gierende, woeste witheid van de sneeuwstorm. Nooit.
'In zo'n storm... hoe lang kan een man het daarin alleen uithouden, zonder eten of beschutting?'
Geheel ontdaan door Manaaks vraag liet Lonit zich door Umak terugleiden naar de beschutting van het hutje, weg uit ijskoude wind die pijn deed aan de longen.
Stemmen.
Vanuit de ziedende leegte, vanuit de kokende witheid van de storm, hoorde Torka mensen praten. De scherpe keelklanken van hun bevelen brachten hem weer bij bewustzijn. Hij keek omhoog vanaf de bodem van het ravijn waarin hij was gevallen en zag mensen over de rand lopen.
Een. Twee. Hij telde een tiental mannen, met kappen op en gekleed in donkere, ruige bizonvachten, met speren in hun hand en hun rug gekromd tegen de wind. Toen verdwenen ze in de voortwaaiende sneeuw. Er was niets meer behalve het geluid van de wind en niets bewoog in het ziedende wit. Niets.
Behalve de man op de bodem van het ravijn. Verdwaasd schudde Torka zijn hoofd terwijl hij bij zichzelf zei dat de mensen niet echt waren geweest, dat ze niet echt konden zijn geweest. Het waren spoken geweest die vaag langs de rand van zijn bewustzijn waren getrokken. Dromen. Niets anders dan dromen. Zijn hoofd bonsde van de vragen. Hoe kwam het dat hij hier roerloos op de bodem van deze diepe, onregelmatige spleet in het aardoppervlak lag? Waar was Manaak?
De vragen leidden meteen tot een antwoord. Hij herinnerde zich dat Manaak was blijven staan om een haas die in een van zijn strikken zat te doden en vast te binden. Het had heel hard gesneeuwd. Ze hadden langs de steile helling gelopen van een van de vele kegelvormige heuveltjes die als blaren op het overigens vlakke land zaten. Ze hadden de heuveltjes als markering gebruikt om de weg naar het kamp terug te vinden, maar in de voortjagende sneeuw waren de heuvels moeilijk te vinden, al waren ze tussen de tien en enkele tientallen meters hoog. Manaak had de hoop uitgesproken dat ze de weg terug zouden kunnen vinden, en Torka had geantwoord dat ze die zeker zouden vinden als ze tenminste niet wachtten tot de storm erger werd. Toen Torka vooruitliep, had Manaak dus waarschijnlijk gedacht dat hij zonder hem verder ging. De wind had om hen heen gegierd en geen van beiden hadden ze gehoord hoe het heuveltje van binnen uit instortte. Torka had alleen geweten dat hij het ene ogenblik stevige, met sneeuw bedekte grond onder de voeten had en dat hij het volgende moment viel toen de grond zonder waarschuwing openspleet. Hij kon niet weten dat de heuvel geen heuvel was en dat het brede, vlakke, rond lopende terrein waar ze overheen liepen een oud meer was dat met slik was gevuld. Duizenden jaren lang was het water dat ooit onder de poolhemel had geschitterd, verdicht tot een brij van nat sediment dat door erosie van de bergen in de verte was afgespoeld. Omgeven door eeuwig bevroren grond was het overtollige water bevroren tot harde ijskorrels die langzaam boven het aardoppervlak uitrezen. Afgezien van het feit dat ze in een gebied lagen dat verder vlak was, zagen ze er precies zo uit als andere heuvels, maar warme zomers tastten de samenstelling van hun bevroren binnenkant aan en koude winters veranderden die verder tot er door druk en uitzetting barsten en luchtbellen in kwamen. Torka's gewicht was voldoende geweest om een van deze barsten verder te doen scheuren. De kloof die hierdoor in de zijkant van de heuvel ontstond, was onder hem opengespleten zodat hij in de nu open liggende luchtbel eronder was gevallen.
Het was zo snel en zo plotseling gegaan, dat hij geen tijd had om te reageren en met zijn hoofd tegen de zijkant van het ravijn was geslagen. Hij had er geen idee van hoe lang hij bewusteloos was geweest, maar de storm was tot een monsterlijke kracht toegenomen. Het ravijn was een natuurlijke schuilplaats. Hij wist dat hij niet hoefde te proberen naar het kamp terug te gaan tot de wind afnam en de sneeuw minder werd. Terwijl hij zijn jas uittrok en die als een dak over de nauwe spleet spande om de storm buiten te sluiten en zijn lichaamswarmte vast te houden, hoopte hij maar dat Manaak de weg naar het kamp had teruggevonden of ergens anders had weten te schuilen. Hij zat daar in zijn dikke kleren en stopte zijn gehandschoende handen onder zijn armen. Hij wou maar dat er een haas in zijn strikken had gezeten, zoals in die van Manaak. Kwijlend probeerde hij niet aan eten te denken. In plaats daarvan dacht hij aan olielampen en gloeiende vuren van plaggen en probeerde zo warm te worden.
Hij kreeg weer een doffe pijn in zijn hoofd. Hij deed zijn ogen dicht en sliep totdat, uit de gierende witheid van de storm, de Vernietiger zijn dromen binnenkwam. Hij zag hem duidelijk, een bewegende berg die in de opwaaiende sneeuw bijna onzichtbaar was en meedogenloos op het kamp van Torka’s volk afliep.
Torka schrok wakker. Net als op die verschrikkelijke ochtend lang geleden schreeuwden al zijn zintuigen: gevaar! Hij luisterde. Had hij het getrompetter van de grote mammoet gehoord? Nee. Alleen Je wind gierde, huilde en zuchtte met een geluid waarbij iedereen aan demonen zou gaan denken. Maar die demon was ver weg. Hij kon hem maar beter vergeten en gaan slapen zodat hij al zijn energie kon gebruiken om zijn kostbare lichaamswarmte vast te houden. Boven de smalle spleet van het ravijn werd de lucht kouder terwijl het steeds harder ging waaien. De storm zou uren duren. Niets zou in die storm bewegen. Niets.
Heel even dacht hij aan de beelden van de spookachtige mannen die hem hadden doen ontwaken. Er schoot iets door zijn hoofd wat Karana lang geleden had gezegd, iets waar Karana bang voor was geweest.
De Spookbende.
Wat had de jongen erover gezegd? Ze komen in de tijd van het licht, om de vrouwen en de jongens te stelen en daarna te verdwijnen alsof ze er nooit zijn geweest, waarbij ze enkel brandende kampen en de lichamen van de doden en de stervenden achterlaten als bewijs van hun bestaan.
Hij zei bij zichzelf dat hij net zo bang was als Karana en zich ook allerlei dingen in zijn hoofd haalde. Dit was niet de tijd van het licht. Dit was de ergste winterstorm die hij sinds vele manen had meegemaakt. Niets zou op de been zijn in zo'n storm. Niets. Alleen spoken. Alleen geesten.
'Nee!' vermaande hij zichzelf hardop en hoewel de wind hem overstemde, gaf het uiten van een menselijk geluid al troost. Hij dwong zich aan andere dingen te denken. Eindelijk sliep hij wat, met één hand om het handvat van zijn knuppel en de andere op de enige speer die niet door zijn val was gebroken.
In het kamp werd Naknaktup wakker. De storm was wat afgenomen. Haar mensen sliepen - een diepe, zorgelijke slaap - maar Naknaktup maakte zich geen zorgen. De storm zou ophouden. Torka zou terugkomen. Als Umak dat geloofde, wist Naknaktup zeker dat het zou gebeuren. Ze had volledig vertrouwen in de Heer der Geesten. Hij die oud was, had de geest van nieuw leven gebracht in iemand die oud genoeg was om te vermoeden dat ze geen kinderen meer kon krijgen. Umak kon waarlijk wonderen verrichten. En het gewicht van het wonder dat hij in haar schoot had gelegd drukte nu tegen haar ingewanden. Ze kwam overeind en zuchtte omdat ze nodig haar behoefte moest doen. Ze trok een van haar slaapvachten om haar schouders en ging naar buiten. De wind was sterk afgenomen, maar het sneeuwde nog steeds en het was bitter koud. Naknaktup was blij dat haar baby pas zou worden geboren wanneer de tijd van het licht weer was aangebroken. Ze glimlachte terwijl ze door de sneeuw waadde en droomde van warmere dagen en de zoete geur van haar baby, hoe het zou zijn om die te knuffelen en de borst te geven en...
Ze stopte. Er bewogen schaduwen door de sneeuw. Donkere, harige schaduwen, alsof bizons op hun achterpoten liepen en vermomd als mensen een prooi beslopen. Ze telde de schaduwen. Een... twee... veel. En ze droegen hun wapens allemaal zo dat Naknaktup onmiddellijk gevaar voelde.
Ze kwamen uit de wind en grijnsden naar de verschrikte vrouw die daar stond, met haar grijzende haar wapperend in de wind. De beelden van licht en warmte en drinkende baby's verdwenen en Naknaktup slaagde erin een onduidelijke waarschuwing te schreeuwen op het moment dat een speer haar borst raakte en recht in haar hart ging.
In de kuilhut schrokken de anderen ogenblikkelijk wakker van haar doodskreet. Omdat ze dachten dat een roofdier haar had aangevallen grepen Umak en Manaak hun speer, blij dat ze die vanwege het weer binnen hadden neergezet en niet buiten, zoals ze meestal deden. Ze riepen tegen Karana dat hij binnen moest blijven. Iana klemde haar baby tegen zich aan en Lonit wenste dat ze haar bola nog had zodat ze zou kunnen helpen.
Omdat Manaak jonger en sneller was, duwde hij Umak opzij om als eerste de kuilhut uit te gaan.
'Umak is Heer der Geesten! Manaak is jager! Laat hem voorgaan!' 'Hmmm! Naknaktup is Umaks vrouw!'
Manaak wilde niet toegeven. Hij wilde als eerste naar buiten zodat hij als eerste de wolf, beer, leeuw of mammoet kon trotseren. Mammoet! Wat hoopte hij dat het inderdaad het grote spookdier was. Zijn lust om te doden was sterker dan zijn gezonde verstand en verdrong het stemmetje diep in hem dat riep: als het Grote Geest is, zullen we allemaal sterven.
Hij kwam hijgend de kuilhut uit, bereid om de Grote Geest te trotseren, maar was er totaal niet op voorbereid om vijandige, roofzuchtige vreemdelingen van zijn eigen soort het hoofd te bieden. Een fataal ogenblik lang staarde hij hen aan, met de speer in zijn hand. Het was zijn laatste ogenblik. Twee speren raakten hem. De een ging dwars door zijn nek. De ander kwam in zijn buik terecht, ging met de nefrieten punt met weerhaken door het onderste deel van zijn rug en sneed zijn ruggengraat door. Verbijsterd stikte hij in zijn eigen bloed toen zijn benen het begaven en hij neerviel in de sneeuw. Het laatste wat hij hoorde was Umak die zijn naam riep, toen de oude man achter hem aan de kuilhut uit kwam stormen. Umak zag de klap die hem velde niet aankomen. Hij kwam uit de hut en sprong op zijn aanvaller af. Hij had Manaak zien vallen en had gezien wat hem had geveld. Hij was wel oud en niet meer zo sterk als hij in zijn jeugd was geweest, maar op dat moment besefte hij dat zijn vrouw dood was en zijn ongeboren kind ook. Zijn woede maakte hem jong. Zijn woede maakte hem sterk. Maar jeugd en kracht moesten het afleggen tegen de schaduw die achter hem naast de kuilhut stond. De man sloeg de schacht van zijn speer omlaag zodat Umak languit neerviel.
Torka werd niet van een geluid wakker, maar van de stilte. De wind was gaan liggen. Omdat hij zo snel mogelijk naar het kamp terug wilde, schudde hij de sneeuw van zijn jas, trok die aan, pakte zijn enige goede speer en klom het ravijn uit, met zijn knuppel aan zijn riem.
In het ijle, voorbijgaande daglicht was de wereld wit... het land en de lucht waren sneeuwwit, wolkenwit. Hij kneep zijn ogen dicht tegen het felle licht. Het zou snel minder worden. Als hij de weg naar het kamp voor het donker terug wilde vinden, zou hij voort moeten maken.
Waar de dikte van de sneeuw dat toeliet, rende hij met grote sprongen. Zijn spieren werden langzaam soepeler doordat ze warm werden van het bewegen. Door zijn ervaring kostte het hem weinig moeite om de juiste richting te vinden. Nu en dan bleef hij even staan en zag hij herkenningspunten die alleen de meest ervaren spoorzoeker zou hebben gezien. Onder de dikke laag sneeuw zag alles er anders uit. Maar hij was Torka. Het bloed van vele generaties heersers over de geesten stroomde door zijn aderen en Umak had hem veel geleerd.
Hij ging verder en keek niet om. Weldra verscheen er een donkere, onregelmatige rookvlek aan de horizon die de exacte plaats van het kamp aangaf. Ze hadden dus een vuurbaken gemaakt om hem de weg terug te laten vinden. Hij was blij. Het zou de tocht vergemakkelijken, hoewel hij zich afvroeg wat ze hadden gevonden om te verbranden dat zoveel rook gaf. Hij ging sneller lopen terwijl hij dacht aan de warmte van de kuilhut. Hij hoopte dat Manaak hem daar zou begroeten en verlangde naar de zachte armen van zijn vrouw.
Lonit! Hij riep haar naam bijna hardop toen hij aan haar glimlach dacht en aan de kuiltjes in haar wangen.
Toen hij de top van een lage, glooiende helling bereikte, werd zijn aandacht opeens door iets anders getrokken en was de dag niet meer zo zonnig. Zonder zijn snelheid te verminderen keek hij om. De honden hadden hun tong uit hun bek hangen en zaten blijkbaar al een tijdje achter hem aan.
Zijn instinct zei hem dat hij moest blijven rennen. Zijn verstand dwong hem stil te staan en zich tegen hen te verdedigen. Zo boven op de heuvel had hij het voordeel dat hij hoog stond. Hij zou nooit harder kunnen rennen dan zij. Maar hij zou er wel een paar kunnen doden en nadat hij de rest op de vlucht had gejaagd, zijn buit mee naar het kamp kunnen nemen. De honden zouden niet veel vlees opleveren; ze waren veel te mager. Zijn kleine groep was echter bijna uitgehongerd en zou blij zijn met alles wat hij meenam. En als hij zijn prooi eerst vilde en de blauwe ogen opat voordat hij bij de kuilhut was, zouden ze nooit weten dat ze het vlees van Broeder Hond zaten te eten.
Aars zwartgemaskerde kop was duidelijk herkenbaar tussen zijn neefjes met grijs haar en bruine ogen. Hij was heel mager, zijn ribben waren te zien en hij had littekens op zijn neus en boven op zijn schouders, maar hij was nu duidelijk in de kracht van zijn leven. Hij was de op een na grootste hond van de groep en hij had brede, kwijlende kaken en een wilde, halfdolle blik in zijn ogen. '"Broeder" Hond... we komen elkaar dus weer tegen. Deze man ziet dat je bent teruggekeerd naar je soort, zoals hij altijd al dacht.' Aar hield zijn kop omlaag, strekte zijn nek en legde zijn oren naar achteren. Schuin vóór hem gromde het grootste mannetje. Hij deed twee stappen naar voren en bleef doodstil staan terwijl zijn haren op zijn schouders en zijn rug overeind gingen staan. Torka bleef bewegingloos staan en zorgde dat de hond niets van angst in zijn houding voelde. 'Kom,' zei hij uitnodigend. 'Jij bent het grootst. Jij zult het meeste vlees opleveren.' De kop van de hond bewoog iets, alsof het dier probeerde te begrijpen wat de man zei. Aar ging pal naast hem staan. De spanning trok door zijn spieren terwijl hij zijn best deed om niet naar voren te rennen.
'Ach, Broeder Hond, Umak zou het niet prettig vinden je zo te zien en te weten welk lot je wacht. Kom, probeer Torka maar op te eten, dan zal Torka ervoor zorgen dat je nooit meer honger hebt.' De honger gaf de honden moed. Ze gingen dicht achter hun leider staan. Het grote mannetje leidde de aanval en keffend en huilend kwamen ze zonder te aarzelen op Torka af. Ze kwamen de helling op stormen en hij sloeg links en rechts met zijn knuppel. Maar net toen zijn wapen van opzij tegen de kaak van de grote hond sloeg, zag hij tot zijn verbazing dat de leider nog een vijand had. Aar had hem bij de keel. Als de knuppel de hond niet had gedood, deden de messcherpe tanden van Broeder Hond dat wel. De grote grijze hond viel opzij. Andere honden drongen over hem heen en werden door Torka's knuppel geveld. Hij hoefde zijn speer niet eens te gebruiken. Met Aar naast zich die zijn eigen soort aanviel om Broeder Mens te verdedigen kon Torka de meest agressieve honden van de meute de kop inslaan. De rest ging jankend op de vlucht. Op eentje na... een ruwharig wijfje met een dikke buik, die zich niet in het strijdgewoel had gestort, staarde van onder aan de helling naar Torka en de hond. Ze was even verward door Aars gedrag als Torka erdoor was overweldigd. Voor het eerst sinds Umak had volgehouden dat Aar zijn geestelijke broeder was, besefte Torka dat de oude man gelijk had gehad. Verbluft knielde hij neer. De hond stond dichtbij, maar hield enige afstand en staarde hem met een bebloede kop aan. Voorzichtig stak Torka met een verzoenend gebaar zijn hand uit.
'Broeder Hond...' erkende hij en hoewel hij niet begreep hoe het mogelijk was, wist hij dat de hond op de een of andere manier meer was dan een dier. In een vreemde en verwarrende symbiose had de hond ervoor gekozen om trouw aan de mens te zijn. 'We zijn nooit vrienden geweest, jij en ik,' zei Torka, 'maar vanaf dit moment zullen we waarlijk broeders zijn.'
Torka wilde de gedode honden klaarmaken om mee te nemen naar het kamp, maar toen hij daarmee begon zag hij de sporen. Ze waren in de onderste laag harde sneeuw bevroren en de wind had de zachte poedersneeuw eraf geblazen. Torka staarde ernaar terwijl hij eraan voelde en zag dat ze allemaal anders waren. Veel mensen.
Aar snuffelde belangstellend aan de voetafdrukken en het wijfje snuffelde er ook aan. Torka werd koud van de angst: de gewapende mannen in bontvellen die midden in de storm langs de rand van het ravijn waren getrokken waren geen verzinsels geweest. Ze waren echt geweest. Karana's woorden schoten door hem heen terwijl zijn ogen zich richtten op het vuurbaken in de verte dat helemaal geen vuurbaken was.
De Spookbende... ze komen in de tijd van licht om de vrouwen en jongens te stelen en dan te verdwijnen... waarbij ze alleen brandende kampen en de lichamen van doden en stervenden achterlaten als bewijs dat ze bestaan.
Met Aar naast zich en het wijfje op veilige afstand rende Torka verder. Tegen de tijd dat hij er was, was de kuilhut een hoop verkoold stinkend afval. Koud en verstijfd van angst bleef hij staan terwijl de herinnering aan een ander kamp hem door zijn ziel sneed. De dood... de dood... overal. Een stem in hem schreeuwde: nee! Niet nog eens! Nee!
Hij snelde naar voren in de hoop dat de lijken die hij zag zouden opstaan en hem zouden uitlachen, als in een obscene grap. Manaak was aan grote speerwonden gestorven, maar de wapens waren uit zijn lijk getrokken en hij lag in een bevroren poel van zijn eigen bloed. Naknaktup lag languit op haar rug waar ze was neergevallen. Ze was afschuwelijk verminkt en het ongeboren kind was uit haar buik gescheurd en zo gelegd dat het kon drinken van wonden waar ooit borsten hadden gezeten.
Als Torka eten in zijn maag had gehad zou hij hebben overgegeven. Hij steunde op zijn speer en zocht naar Umak, Lonit en Karana. Hij hoopte half dat hij hen niet zou kunnen vinden en raakte buiten zichzelf van blinde, ongerichte woede toen hij hen inderdaad niet vond. Hij riep hen en Iana. De wind blies zijn woorden terug vanuit de eindeloze, lege, verlate duisternis.
Het zachte gejank van Aar bracht hem naar Umaks lichaam. De oude man lag half onder het puin van de kuilhut, zo geblakerd dat hij nauwelijks te herkennen was, totdat er vanuit de hoop as en verbrande huiden en botten een zacht maar onmiskenbaar geluid tot Torka doordrong. 'Hmmm... mmm...'
Als een wilde haalde Torka het puin van de hut weg. Toen hij eindelijk naar zijn stervende grootvader keek, boog hij zijn hoofd en huilde als een kind totdat een geblakerde, magere vinger naar zijn tranen wees.
'Tranen zijn het bloed van de geest. Laat je geest niet bloeden. De geest geeft kracht. Torka zal die kracht nodig hebben... om Lonit, Karana en Manaaks vrouw te vinden...' 'Leven ze nog?'
'Deze oude man... kon niets doen. Ze hebben ze mee naar het oosten genomen... in de laatste uren van de storm...' Een diep gerochel verstikte hem. Zijn hand greep Torka's arm vast alsof hij zich dwong de pijn te doorstaan. 'Torka... moet... nu gaan...' Zachtjes, alsof hij een gewond kind vasthield, nam Torka zijn grootvader in zijn armen. Hij hield hem tegen zich aan alsof hij door de kracht van zijn liefde de dood weg kon houden. 'We zullen samen gaan, net zoals Umak eens Torka uit de wind heeft gebracht en een nieuw leven heeft gegeven, zo zal ook Torka Umak dragen tot hij weer beter is en sterk.'
'Hmmmm! Dat zou niet... goed zijn.' Zijn longen waren door het vuur verschroeid. Verbrand weefsel maakte dat elk woord vreselijke pijn deed. Maar hij was Umak. Hij overwon de geesten van zijn pijn en hoewel elke zin hem moeite kostte, glimlachte hij terwijl hij sprak want hij wist dat hij zelfs nu, aan het eind van zijn leven, waarlijk Heer der Geesten was. Schor fluisterde hij tegen Torka over het verleden en over de toekomst die nu bij hem berustte. 'Het Volk... blijft voor altijd... in jou voortleven. Voor altijd...'
Aar ging liggen en stopte zijn snuit onder de hand van de oude man terwijl het wijfje, dat de mens nog steeds niet vertrouwde, aan de rand van het verwoeste kamp ging liggen.
'Mijn broeder, de tijd is weer gekomen dat deze man met de wind mee moet gaan. Maar deze keer zal Broeder Hond me niet weerhouden...'
De wind stak op. De duisternis werd dieper. Ver weg, in de verre bergen naar het oosten, klonk er in de wind een luid gebrul, een getrompetter. Torka luisterde naar het duidelijk herkenbare geluid van een mammoet. Donderspreker? Wereldschudder? De Vernietiger? Of de Dood zelf, dacht hij, vol haat jegens het beest dat door zijn plunderingen hem hier had gebracht, tot dit afschuwelijke moment van diepe wanhoop.
'Luister. Hij gaat ons voor... in de richting van de opgaande zon!'
Blijdschap klonk op in Umaks stem. Zijn lichaam kwam omhoog in Torka's armen en zakte toen naar achteren.
'Vader van mijn vader?' Torka durfde het niet te vragen.
Aar gaf het antwoord. Met zijn kop omhoog huilde Broeder Hond een klaaglied voor de geest van een oude man die eindelijk met de wind meeging.