4

Torka was slecht gehumeurd toen hij de grot in kwam. Aar, die op de richel lag te slapen, werd wakker toen hij hem zag, keek eens goed, gromde en ging een eind uit zijn buurt. Als het dier niet ergens anders was gaan liggen, had Torka hem een schop gegeven. Hij was moe en hongerig en hij zag met ergernis dat Lonit tijdens zijn afwezigheid alle twee de antilopen in stukken had gesneden. Zijn mondhoeken trokken naar beneden. Egatsop zou de buit nooit zo snel hebben kunnen schoonmaken en ook nooit zo netjes hebben bereid of in porties hebben verdeeld om te drogen. De samenpakkende schaduwen van de naderende nacht weerspiegelden zijn stemming toen hij zag hoe volmaakt het kleine, bijna rookloze kookvuur was dat het meisje had gemaakt. Egatsop had nooit zo n mooi vuur kunnen maken. Nooit, dacht Torka en verachtte Lonit opnieuw omdat ze hem ongunstig over zijn mooie geliefde deed denken.

Hij bleef staan. Het meisje had al eten voor Umak gemaakt. Ze behandelde de oude man altijd vol eerbied. Opnieuw doorstond Egatsop de vergelijking slecht. Opnieuw was dat voor Torka een reden om Lonit te verafschuwen. Hij wist zeker dat ze zo hard werkte om hem minder gunstig over Egatsop te laten denken. Wat een verachtelijk meisje was ze! Hoe kon Umak haar spelletjes verdragen? Torka's blik viel op zijn grootvader. Die zat diep in slaap naast het vuur heerlijk te snurken, met zijn hoofd op zijn knieën en met een half opgegeten antilopebout nog in zijn hand. Het meisje kwam naar de teruggekeerde jager toe. Hij keek haar kwaad aan toen ze hem met neergeslagen ogen een geroosterde bout van zijn eigen buit aanbood. Torka griste die zonder een woord uit haar handen en liep langs haar heen om bij het vuur te hurken. Hij at zonder een woord te zeggen en wilde niet naar haar  kijken toen ze aan de andere kant van de vuurplaats ging zitten en geduldig wachtte of hij soms water of meer vlees wilde. Hij wierp haar een heimelijke blik toe. Ze zou vast wel denken dat hij gefaald had. Hij had niet gedaan wat hij van plan was te doen. Verdedigend snoefde hij met zijn mond vol: 'Torka heeft ontdekt waar de geest woont. Morgen zal Bijna Een Vrouw zien dat de geest uit vlees en bloed en niet uit mist bestaat. Torka heeft strikken gezet. Morgen zal Bijna Een Vrouw de stinkende huid van de geest in deze haardkring schroeien. Morgen zal Umak het bloed drinken en weten dat Torka gelijk had!'

Ze antwoordde niet. Er werd geen antwoord verwacht. Ze voelde de woede in hem en vroeg zich af wat ze had gedaan dat hij zo kwaad was. Ze begreep niet waarom hij zo tot haar sprak. Ze pakte een waterzak en hield hem die voor. Misschien had hij dorst? Een man hoorde niet om water te hoeven vragen. Zijn vrouw hoorde zijn wensen aan te voelen.

Ze keken elkaar aan. Even was Torka zo verbaasd dat hij ophield met kauwen. In het warme licht van het vuurtje was Lonits gezicht even glad, bruin en fijntjes als dat van de jonge ree waarvan hij het vlees zat te eten.

Zijn honger was verdwenen. Een nieuwe honger, die lang had gesluimerd, laaide op en werd weer getemperd door ongelovigheid. Lonit mooi? Umak had gelijk! Er waren inderdaad geesten op deze berg. Ze waren vast in Torka's hoofd doorgedrongen toen hij door de mist naar boven liep. Zelfs nu vraten ze aan zijn geestelijke gezondheid. Wanneer hij met verlangen naar een lelijk, armzalig meisje als Lonit keek, bezoedelde hij de herinnering aan zijn geliefde Egatsop. In plotselinge woede stak hij zijn hand uit en sloeg met de rug ervan de waterzak uit haar handen.

Maak dat je weg komt! Ga je huiden prepareren en je vrouwenwerk doen! Blijf bij me uit de buurt!' snauwde hij haar vol woede en haat toe. Het speet hem dat hij haar niet had geraakt. 'Torka kan je niet uitstaan!'

Ze deed wat haar werd gezegd. Verstomd door de woede en afkeer die hij toonde, ging ze ver bij hem vandaan en kroop weg in het donker, helemaal achter in de grot waar hij haar nauwelijks kon zien. De tranen prikten in haar ogen. Ze knipperde, maar de tranen vielen toch en ze was blij dat het donker was.

Hij keek niet naar haar. Hij wilde niet aan haar denken. Hij richtte al zijn aandacht op de bout en viel erop aan tot hij er op de dikste stukken na alles vanaf had gegeten. Langzaam werd hij zich bewust van de lucht van een marterachtig dier en besefte hij dat hij de stank van het dier had meegenomen. De lucht zat in zijn kleren Hij rook voorzichtig aan de rug van zijn hand en vloekte toen. Het zat ook aan zijn huid en in zijn lange, loshangende haar. Vol afkeer wierp hij de bout in het vuur en kwam overeind, trok zijn kleren uit en wierp ze in de schaduw. Lonit zou wel weten wat ze ermee moest doen zodra de geur tot haar doordrong. Hij boog zich, pakte as van de rand van het vuur en schuurde zijn huid ermee. Hij wreef zich ermee in tot hij van top tot teen grijs was en de warme, absorberende laag as de stank van de marterachtige wegnam en maskeerde met een scherpe rooklucht.

Lonit rook noch zag de stinkende kleren die her en der verspreid voor haar lagen. Ze zag alleen de man die naakt in het licht van het vuur stond. De vlammen rookten. De bout die hij in het vuur had gegooid deed de vlammen onrustig opflakkeren. Ze werden gevoed door het vet en het vlees en gaven een warm schemerlicht dat vreemde schaduwen op de wanden van de grot wierp. En in dit licht zag ze zijn mannelijkheid en de littekens van vele jachtpartijen. Ze zag hoe breed zijn rug en schouders, hoe smal zijn heupen en zijn middel en hoe sterk zijn dijen en bovenarmen waren. Ze kon haar ogen niet afwenden en kon nauwelijks ademhalen toen ze hem naar de verste wand zag gaan waar ze de waterzakken bij de ingang van de grot had gezet. Hij pakte twee van de waterzakken en ging ermee naar de uiterste rand van de richel. Daar, in de koude avondwind, goot hij de zakken over zich leeg. Ze hoorde hem naar adem snakken en diep in haar lendenen begon het te gloeien. Vage, duistere herinneringen laaiden opeens in haar op. Ze zag haar vader, voelde hem op haar tekeer gaan, haar vervloekend omdat ze niet 'verhit' raakte. Ze had niet begrepen wat hij van haar wilde. Nu ze in het trillende licht van de vlammen Torka had gezien, begreep ze het en besefte ze voor het eerst dat een vrouw net zo verhit kan raken als een man, maar niet voor onverschillig welke man.

Als een silhouet tegen het dovende vuur van de dag reinigde Torka zijn lichaam en schudde hij zijn haar uit. Hij kwam de grot weer in, pakte een van zijn slaapvachten en ging weer bij het vuur zitten, Met de donkere, harige bizonvacht om zich heen begon hij zich warm te rillen. Hij was moe en merkte niet dat het meisje naar hem keek merkte niet dat ook zij huiverde, maar niet van de kou. De tijd verstreek. Torka begon te knikkebollen en viel in slaap. Looit kon zijn diepe, gelijkmatige ademhaling horen. Ze hoorde het gesnurk van de oude man. In de schaduwen bij de ingang van de grot knaagde Aar op een bot. Ze luisterde naar het schuren van de tanden van de hond en naar het geluid van de laatste resten vet die uit de bout in het vuur druppelden en sputterden. Het vuur was nu minder heet. Het moment om 'verhit te raken' was voorbij. Voor het eerst werd ze zich bewust van de lucht van Torka's vuile kleren. Ze begreep dat ze die voor hem moest schoonmaken en luchten. Zo stilletjes mogelijk sleepte ze ze naar het vuur, ze op een armslengte afstand houdend. Ze pakte as en wreef elke centimeter en naad van de kleren daar mee in. Toen ze dat had gedaan, nam ze ze mee naar buiten waar het nu snel donker werd. Ze spreidde ze op de richel uit en legde er zware stenen op. De wind en de zon zouden de kleren reinigen. Op den duur zou de stank minder worden, maar hij zou nooit helemaal verdwijnen. In de bijna volslagen duisternis haalde ze haar hand over de zijdezachte vossenstaarten waarmee de tuniek die ze voor Torka had gemaakt was afgebiesd. Hoeveel uur had het haar gekost om die tuniek te maken? Hoeveel tijd zou het haar weer kosten om zoveel eersteklas vossenhuiden te verzamelen? Ze zuchtte. Torka zou een nieuw stel kleren moeten hebben. Hoewel ze moe was, beurde de gedachte daaraan haar op. Hij had haar gezegd dat ze haar huiden moest prepareren. Dat zou ze doen! Misschien zou hij niet meer zo kwaad op haar zijn als ze zijn kleren snel zou kunnen vervangen door nog betere! Haar gewonde arm heelde snel. Ze had de draagband niet meer nodig en kon haar hand weer zonder pijn gebruiken, hoewel de gehechte huid nog vaak jeukte. Ze zuchtte nog eens. Torka zou nooit met plezier naar haar kijken, maar misschien zou hij nog wel blij zijn met haar handvaardigheid. Zonder acht te slaan op haar vermoeidheid begon ze aan de taak. Het echte werk zou morgen beginnen. Nu moesten de huiden een laatste bewerking ondergaan. Ze zou vannacht naakt slapen met de huiden strak om zich heen. De huiden zouden olie van haar huid opnemen en een souplesse krijgen die ze niet meer hadden gehad

sinds de dieren die in hen hadden geleefd waren gedood. Zo stil mogelijk ging ze naar de plek waar de huiden waren uitgespreid en stond daar terwijl ze zich uitkleedde. Laag voor laag vielen haar kleren tot ze naakt en rillend in het beetje warmte en het afnemende licht van het dovende vuur stond.

In de haardkring zakte het zwartgeblakerde bot van de bout omlaag en brak in tweeën. Het merg kwam eruit en droop op de kolen. De damp siste. Torka werd wakker van het geluid. Hij keek op en zag iemand die hij nog nooit had gezien.

Ze stond in de overgang van licht naar donker. Het zachte, afnemende licht van het vuur liet iedere welving van haar lichaam goed uitkomen. Torka staarde er betoverd, verhit en verward naar. De gestalte die naakt voor hem stond, kon niet Lonit zijn. Maar toch konden de ogen die naar hem staarden van niemand anders zijn. Ze staarden hem aan als de ogen van een bange antilope... ronde, donkere poelen waarin het licht van het vuur weerkaatste. Maar niet alleen haar ogen maakten dat hij bleef kijken. Haar lichaam deed dat ook.

Bijna Een Vrouw was een vrouw. En voor het eerst sinds Torka het kamp van de dood achter zich had gelaten, werd de herinnering aan Egatsop verdrongen. Ze was dood. Lonit leefde. En het was leven dat nu in hem bewoog. Het bande de herinnering uit. Het bande vergelijkingen uit. Het bande alle verlangen uit, tot er nog maar één verlangen overbleef. Hij voelde begeerte toen zijn ogen over de contouren van een lichaam gleden dat niet langer dat van een halfopgegroeide puber was. Lonits huid was even zacht als die van een jonge ree en haar figuur was weelderig en rond. Dit was de bloem waarvan Umak had gesproken. Lange tijd had ze gesluimerd, maar nu was ze vol leven en belofte.

Torka staarde in het donker nadat Lonit was neergeknield, zich in de dichtstbijzijnde huid had gewikkeld, was gaan liggen en haar ogen had gesloten. Nu werd hij kwaad. Waarom had ze zichzelf getoond als ze niet van plan was geweest om naar hem toe te komen om bevredigd te worden? Hoe durfde ze hem nu de rug toe te keren en zich als een kind in haar vachten te rollen nadat ze brutaal had laten zien dat ze allesbehalve een kind was? Bij het Volk had een man het recht om iedere beschikbare vrouw voor zijn seksuele behoeften te gebruiken zolang haar eigen man daar geen bezwaar maakte. Lonit was de laatste vrouw in de wereld die Torka zou hebben uitgekozen om hem genot te geven, maar sinds de Vernietiger zo moordlustig tekeer was gegaan, was ze de enige vrouw ter wereld. Ze was van hem. En van Umak.

Torka keek naar zijn grootvader. Voorzover hij wist had de oude man geen toenaderingspogingen tot het meisje ondernomen, maar hij had er geen geheim van gemaakt dat hij die mogelijkheid wel overwoog. Nu zat Umak in diepe slaap naast het vuur. Torka wist dat hij niet eerder dan bij het ochtendgloren in beweging zou komen, tenzij hij wakker werd gemaakt.

Zijn blik ging weer naar het meisje. Ze lag zonder te bewegen op haar zij in de schaduw. Hij vermoedde dat ze alleen maar deed alsof ze sliep. Nu ze de begeerte in hem had opgewekt wees ze hem af. Een grauw welde op in zijn keel. Hij merkte niet dat de hond hem hoorde en opkeek. Het was zo lang geleden sinds hij zich als man had bevredigd. Het vuur dat Lonit in hem had ontstoken zou niet doven. Ze had niet het recht om zich van hem af te keren. Het was haar plicht om aan zijn verlangen te voldoen. Hij ging naar haar toe en trok de vachten van haar af. Hij ging naast haar liggen en trok zijn eigen slaapvacht over hen beiden heen om de kou van de voortschrijdende nacht te bestrijden. Ruw trok hij haar naar zich toe. Ruw tastten zijn handen over de vrouw van wie hij pas sinds deze nacht het bestaan kende.

Lonit gaf Torka alles wat hij wilde, alles wat ze zelf te bieden had, niet alleen tot zijn, maar ook tot haar eigen genoegen. Nu was zij eindelijk echt zijn vrouw. Nu vond hij haar eindelijk nuttig. Nu deed hij eindelijk iets met haar dat hem werkelijk genoegen gaf. Ze ging er gretig op in, raakte hem aan, beminde hem, opende zich voor zijn zoekende mond en handen, en kromde zich om hem te ontvangen toen hij in haar kwam. Haar lichaam was niet meer van haar. Het vormde één geheel met het zijne. Ze bewoog samen met hem, even woest, even intens.

Torka was verbluft door haar reactie. Nooit had Egatsop, in alle jaren die ze samen hadden doorgebracht, zijn liefde beantwoord zoals Lonit dat nu deed. Nooit! Zelfs hierin deed ze de herinnering aan zijn mooie beminde verbleken. Zoals ze in het donker met hem verenigd was en samen met hem bewoog, was Lonit mooi op een ma nier die hij nooit had vermoed. Hij was van plan geweest haar te gebruiken en snel en opzettelijk kwetsend bevrediging te zoeken maar haar onverwachte hartstocht had hem zo opgewonden als hij nooit voor mogelijk had gehouden. Hij vergat alles behalve dat moment, liet hun samenzijn voortduren en genoot ervan terwijl hij zich terugtrok en weer in haar drong in een ingehouden extase die uiteindelijk werd doorbroken toen het meisje het uitschreeuwde en hij met een laatste stoot die haar deed snikken klaarkwam. In het donker keerde Aar hen de rug toe en schoof een beetje dichter naar de afnemende warmte van het vuur. Umak sliep ongestoord verder. Verbijsterd lagen Torka en Lonit te trillen van uitputting, hun lichamen nog samen, nog bewegend en de laatste trillingen van genot zoekend tot de slaap hen eindelijk overmande. Ze waren zich van niets meer bewust tot de eerste smartelijke schreeuw van het dier de nacht uiteenreet.