4
Gedurende de rest van de lange nacht draafde Umak kilometers lang voort met de bewusteloze Torka op zijn rug en de wilde hond naast zich, op weg naar huis. De dageraad was nog niet aan de horizon verschenen toen hij misselijk van moeheid stilhield en zich dwong om diep de duisternis in te ademen, alsof het voedsel was dat hem kracht zou geven.
Dat deed het niet. Hij stond voorovergebogen, met het dode gewicht van Torka op zijn schouders, terwijl in de verte de wolven huilden en diep in hem de stem van de uitputting raad gaf: oude man, het is te ver. Het is nog maar een paar kilometer, maar je knie doet pijn en je lichaam laat je in de steek. Je haalt het nooit... niet met Torka op je rug.
Was het waar of lokte het eigenbelang? Hij wist het niet. Hij wist alleen dat hij zijn kleinzoon niet achter zou laten zolang er ook maar een sprankje leven in hen beiden over was.
Hij voelde dat de wilde hond schattend naar hem keek en dacht aan de kritiek van Egatsop, Torka's vrouw. Zwakheid. Ja. Zo zou zij het hebben genoemd. Hij wist dat hij zo snel mogelijk naar het kamp van zijn volk terug moest. Hij wist dat hij Torka eigenlijk achter moest laten. Daar zou Torka zelf ook op aandringen als hij kon. 'Hmmm,' zei de oude man, terwijl hij luisterde naar de wolven. 'Wat de Donderspreker niet kon doden, zal Umak niet als vlees voor de beesten achterlaten.'
Slechts met de uiterste inspanning slaagde hij erin verder te gaan, maar hij ging. Hij tilde zijn kleinzoon op, sprak hardop tegen de hond, de wolven en de woeste leegte van de eindeloze toendra die voor hem lag. 'Deze man is Umak. Hij is Heer der Geesten. Hij zal met de wind rennen en de wind zal hem sneller doen gaan. Umak zal weldra thuis zijn. Hij zal zijn volk waarschuwen. Samen zullen zij zich verdedigen tegen de grote mammoet. Ze zullen zich tegoed doen aan zijn vlees en zijn geest wegzenden.'
£n omdat hij een Heer der Geesten was, leek het hem alsof er inderdaad een wind opstak die hem sneller deed gaan en zijn benen de kracht gaf om te blijven bewegen, buigen, optillen, neerkomen. In gedachten vloog hij door de nacht, met Torka gewichtloos op zijn rug en de wilde hond die naast hem door de lucht sprong.
Zoals dat waarschijnlijk bij alle ware verschrikkingen gebeurt, overviel het hen in de nacht, in stilte, vanuit die zwarte put waarin de angst schuilt en waaruit alle gruwelen die het daglicht schuwen tevoorschijn kruipen. Het kwam heimelijk, tegen de wind in, zodat de geur in het begin naar achteren waaide en verdween. Alleen het geluid van voetstappen die neerkwamen op de schrale huid van de eeuwig bevroren grond verraadde dat het eraan kwam. In Torka's kuilhut bewoog de kleine Kipu in zijn slaap. Het was de diepe slaap die tegen het einde van de nacht komt, waarin de hartslag afneemt, het bloed wegtrekt en de geest leeg en zonder dromen is. Over de warme stof van die donkere, droomloze slaap rimpelde een vaag en onbestemd gevoel van gevaar, als een windvlaag over het zwarte oppervlak van een donkere put tijdens een nacht zonder maan: onzichtbaar maar de diepten van het water subtiel beroerend. Er was niets tastbaars om bang van te zijn, alleen de duisternis, alleen de stilte, alleen de bekende, zurige geur van leven in de kuilhut en het zachte, ongelijkmatige kraken van leer dat af en toe over de botten schuurde wanneer windvlagen om de hut heen gierden en tegen de buitenwand beukten. De jongen zuchtte en verschoof wat onder zijn slaapvachten. Hij sliep nog vast maar niet meer rustig en hij kreunde zacht.
Egatsop hoorde hem. Met de slapende baby tegen haar borst lag ze halfwakker te luisteren. Ze rook een flauwe geur van geplette sparrentakken en geronnen bloed en werd zich daardoor vaag bewust van iets enorm groots en zwaars. De leren wanden van de kleine, taps toelopende kuilhut schuurden zacht tegen het bijeengebonden benen geraamte dat het bouwsel overeind hield. Het is alleen maar de wind, besloot ze. De wind komt van de bergen in de verte waar de sparrenbossen zijn. Maar waarom de geur van bloed?
Ze deed haar ogen open, staarde in het donker en snuffelde als een klein dier dat in zijn hol verscholen zit en bang is dat iets groots en hongerigs het van bovenaf zal besluipen. Maar ze hoorde niemand buiten bewegen. Als er een roofdier in het kamp op de loer lag, zouden de jagers het wel hebben gesignaleerd en er al met speren en messen achteraan zitten, met veel geschreeuw om de vrouwen en kinderen te waarschuwen dat ze binnen moesten blijven tot alles weer veilig was. Maar de jagers sliepen blijkbaar onverstoord verder, ieder in hun eigen tent.
Egatsop lag daar met haar pasgeboren dochtertje en haar zoontje. Ze voelde zich kwetsbaar en eenzaam, en verlangde naar de warmte en steun van haar man. Torka! Ze had hem nog nooit zo erg gemist. Waarom was hij niet teruggekomen? Als hij niet snel in het kamp terugkwam, zou Egatsop een andere man moeten accepteren. De hoofdman zou daar op staan. Een vrouw kon niet alleen leven. Ze kreeg een brok in haar keel. Er waren andere mannen die haar begeerden, maar ze wilde daar nog niet aan denken. Niet zolang er een kans was dat Torka nog leefde.
Ze lag doodstil. Er was inderdaad iets buiten. Maar wat? Ze besloot niet bang te zijn. Ze zei tegen zichzelf dat het alleen maar haar eigen angst was die rondwaarde door de nacht.
Even betreurde ze het dat ze Umak had aangespoord om weg te gaan. Als hij er was geweest, zou hij naar buiten zijn gegaan om te kijken. Maar hij was weg en dat speet haar eigenlijk niet. Ze had nooit goed begrepen waarom, maar de oude man had haar altijd het gevoel gegeven dat ze het niet waard was om Torka's vrouw en de moeder van Umaks kleinkinderen te zijn. Ze vroeg zich af of hij al dood was. Ze hoopte van wel, en bedacht toen dat de geesten van de doden altijd om een kamp hingen tot er een pasgeboren kind naar hen was genoemd zodat ze de wereld van de levenden weer konden betreden. Misschien was ze alleen maar wakker geworden van de geest van de oude Umak die aan de wanden van het hutje trok en probeerde naar binnen te komen.
Egatsop trok haar baby dicht tegen zich aan. Voor het eerst was ze blij dat het kind geen jongetje was. Nu de oude man zijn levensgeest had laten gaan, had een mannelijk kind volgens oud gebruik naar Umak moeten worden genoemd zodat de oude man weer in het lichaam van de baby zou kunnen leven. Egatsop fronste vol afkeer haar wenkbrauwen toen ze aan die mogelijkheid dacht: dat de oude Umak nieuw leven zou zuigen uit de borsten van degene die hem had weggestuurd om te sterven.
Alsof de slapende baby haar gedachten voelde, zocht ze naar haar borsten, vond een tepel en pakte die stevig vast, driftig zuigend met haar warme, harde mondje.
Egatsop huiverde. Had de oude man al bezit genomen van het lichaam van de baby? Umak was in zijn tijd een Heer der Geesten geweest, en een goede ook. Misschien zou hij door een list weer op aarde terug weten te komen. Egatsop herinnerde zich hoe graag hij wilde blijven leven, hoe hij had geweigerd zijn leeftijd of de ernst van zijn verwonding te erkennen, en hoe zij hem beschaamd had moeten maken voordat hij zijn geest aan de wind had willen toevertrouwen. Maar zou een man zo naar het leven hunkeren dat hij bereid was zijn mannelijke geest te vernederen door als vrouw verder te leven? Zelfs Umak zou dat niet doen.
De baby maakte zachte, slaperige huilgeluidjes van ontevredenheid bij het drinken. Egatsop had niet tegen de oude man gelogen toen ze tegen hem had gezegd dat ze bang was dat haar borsten op zouden drogen. Dat gebeurde al. Als Torka en de anderen de volgende dag niet tegen de avond terug zouden zijn, zou ze dit kind te vondeling leggen voordat het haar zou beroven van de kracht die zij nodig had om zichzelf en haar zoon in leven te houden. Ze bleef stil liggen en bedacht hoe ze het zou doen. Zonder ceremonie. Aangezien het kind geen naam heeft gekregen, heeft het ook geen ziel. Het leeft niet. Het is niet belangrijk wat ermee gebeurt. Deze vrouw zal het ver buiten het kamp brengen. Deze vrouw zal de mond en de neusgaten van het kind met sneeuw dichtstoppen zodat de levenden niet zullen worden verstoord door geschreeuw van de doden wanneer het kind naakt in de kou wordt achtergelaten. Zo zou ze het het liefst willen doen; maar ze wist dat ze omwille van haar zoon en de uitgehongerde leden van haar stam niet zo verkwistend zou kunnen zijn. Deze baby zou als lokaas voor de wilde honden dienen zolang het kind nog genoeg kracht had om te huilen en hen naar de vallen te lokken.
De geur van sparrenhout en bloed was opeens heel sterk en de grond trok en bewoog als het vlees van een reus die door een mug wordt gestoken. Egatsop kwam verschrikt en bang overeind. De beweging hield op en begon toen weer met harde, abrupte schokken. Voetstappen.
Kipu was wakker. Hij kwam overeind en wreef de slaap uit zijn ogen. 'W-wat is er?' Zijn stem beefde, maar hij probeerde mannelijk te klinken: neutraal en onverschillig, alsof hij het niet uit angst en nieuwsgierigheid vroeg maar als een trage gedachte die bij hem opkwam, net als een jager die beleefd vraagt wat voor wild zijn vriend heeft waargenomen terwijl hij zelf al zoveel wild heeft gevangen als hij die winter kan eten.
Egatsops ogen waren wijd opengesperd van angst. Het jongetje zag zijn moeders angst en reageerde erop. Hij vloog overeind: vijf jaar oud en de beschermer van zijn vaders vrouw. De geur van gekneusde dennentakken was overweldigend. Kipu hief zijn hoofd op. Zijn neusvleugels bewogen. Hij snoof de geur op en probeerde hem te definiëren zoals Umak hem dat had geleerd: Laat de geur tot diep in je geheugen doordringen, tot die plaats waar een man beelden verzamelt.
Maar Kipu was geen man. Hij was een kleine jongen. De plaats in hem waar beelden werden verzameld was een reservoir dat nog lang niet vol was. Hij was nog nooit in de bergen geweest. Hij had nog nooit een bos of zelfs maar een boom gezien. Egatsop wel. Zij wist nu dat haar angst gegrond was geweest. De stank die ze nu rook, was niet zozeer de stank van sparren als van een dier dat die sparren at: een dier dat bijna alleen maar sparren at, zodat zijn vlees, huid, haar en adem allemaal naar die sappige boom stonken, zelfs wanneer hij ver buiten de bossen kwam en de toendra op trok. 'mammoet!'
De hoofdman schreeuwde. Een waarschuwing die tegelijkertijd klonk met het getrompetter van het beest zelf dat door de lucht schalde.
Achter de wanden van de kleine kuilhut was het kamp plotseling vol geschreeuw. Het verwarde roepen van mannen, de verschrikte kreten van vrouwen en het gegil van bange kinderen zeiden Egatsop genoeg.
Donderspreker... Wereldschudder... Hij Die De Wolken Doorklieft En Mensenlevens Vernietigt... de hele litanie van de gevreesde namen ging door haar geest en ze herinnerde zich de oude, angstaanjagende verhalen. Ze snoof de stank op van de adem van de mammoet en van bebloed haar en huid en wist, met een misselijkmakende zekerheid dat het bloed dat ze rook van Torka was. De Vernietiger had haar man gedood.
Het beest ging nu als een uitzinnige tekeer en stormde dwars door het kamp heen en weer. Ze voelde de grond dreunen. Ze had visioenen van de afschuwelijke taferelen waar ze in haar jeugd over had horen vertellen en sprong op, haar dochtertje tegen haar borst geklemd. Ze vergat dat de baby geen ziel had, voor haar was het nu een echt kind. Het was nu maar al te echt.
Kipu was de speren aan het pakken die de oude Umak had achtergelaten, speren die nutteloos zouden zijn in de handen van een kind. Egatsop gaf hem een schop. Hij viel plat op zijn buik en ze bukte en tilde hem met één hand op aan zijn arm. 'We moeten vluchten. Als we in deze hut blijven zal het ons platwalsen.' Het.
'Ik zal deze mammoet doden!' Het kind noemde brutaal de naam van de prooi die hij op het oog had en vocht tegen zijn moeder die hem naar buiten schoof, door het stuk leer dat als deur diende de nacht in die al ten einde liep. Kipu was woedend op zijn moeder en draaide zich na een paar passen naar haar toe om haar te vertellen dat hij nu haar enige beschermer was en dat hij zijn wapens moest pakken. Ze stond daar nog steeds voorovergebogen en hield met één hand de deurflap van huid open toen ze opkeek, naar iets achter Kipu. Ze keek zo vreemd en hij begreep niet waarom ze zijn naam zo schreeuwde... zo schel en half verstikt, haar mooie gezicht helemaal vertrokken.
Zij was het laatste wat hij zag en hij zag haar niet eens erg goed in de blauwige duisternis van de pooldageraad. Een fractie van een moment werd alles heel helder toen iets hem van achteren en van bovenaf trof. Kipu had niet eens de tijd om zich af te vragen waardoor hij werd gedood.
Maar Egatsop wist het. Het stond even stil terwijl het haar zoontje onder een enorme poot verpletterde en kwam toen op haar af. Ze had weg kunnen rennen, want ze was een kleine, soepele vrouw. Ze had als een danser op een jachtfeest weg kunnen duiken door de zielloze baby naar het monster te gooien om het af te leiden. Maar ze deed het niet, ze kon het niet. Op dat laatste ogenblik, toen Torka’s vrouw de Dood in de ogen keek, probeerde ze zo ver mogelijk uit zijn baan te blijven. Ze krulde haar lichaam beschermend om haar baby heen in een vergeefse poging om het leven van het kind te redden ten koste van haar eigen leven.
De wereld was blauw. Alles, de sneeuw, de lucht, zelfs de wind en het geluid van dood en verwoesting in de verte... alles leek even blauw. En Torka viel door al dat blauw, kilometers diep, als iemand die in een ijsspleet valt en pijlsnel in een bodemloos ravijn van blauw ijs naar beneden stort, terwijl een metgezel hulpeloos van bovenaf roept... steeds zachter... en zachter... tot er niets anders meer te horen is dan het eigen bange hijgen en angstige snikken onder het vallen... terwijl het lichaam tegen scherpe en steeds dichter bij elkaar staande ijsmuren slaat totdat... 'Torka!'
Umaks stem. Ver weg, boven aan de spleet, boven het blauw, dat op de een of andere manier uiteenweek. De oude man riep omlaag, waardoor hij als door toverkracht Torka's val naar de vergetelheid tegenhield en hem weer omhoogtrok naar de pijn en de werkelijkheid.
Hij lag op zijn zij in de sneeuw en had pijn. Het leek niet mogelijk dat hij zoveel pijn kon hebben. De val naar de dood in de blauwe afgrond leek beter dan zoveel pijn. Hij zonk er even in terug, maar Umak, die naast hem in de sneeuw zat, hees hem omhoog, hield hem stevig vast en schudde hard aan hem.
'Torka! We moeten verder. Maar de knie van deze oude man gehoorzaamt niet meer aan zijn gezag als Heer der Geesten. Zijn knie heeft het opgegeven. Hij is gevallen. Umak kan je niet verder dragen.'
'Dragen?' Het woord was niet zozeer een vraag als een protest. Hij was Torka. Niemand droeg Torka. Zelfs Umak niet. Tenzij... Bij dit vage vermoeden viel hij weer in de afgrond, alleen geen blauwe afgrond vol ijs, maar een die helder verlicht was, vol herinneringen die hem een stekende pijn bezorgden en alle apathie wegnamen. Met hulp van Umak kwam hij overeind, half bewusteloos van de pijn, en kracht puttend uit die pijn, maakte hij zichzelf wijs dat de pijn er niet was en geloofde het bijna zelf. Hij leunde tegen Umak, tegen dat oude, harde lichaam waarin een hart klopte dat even krachtig was als de onveranderlijke, keiharde laag waar de toendra op rustte. Alleen al de aanwezigheid van die oude man gaf hem altijd troost en nieuwe kracht. Daar maakte hij nu gebruik van, terwijl de morgenstond zich vermengde met de glinsterende vegen noorderlicht, er de kleur van wegnam en de hele wereld deed baden in het warme, goudkleurige ochtendlicht.
'Luister!' beval Umak, en iets in de stem van de oude man drong door tot Torka's murw geslagen brein en haalde hem uit zijn door pijn veroorzaakte lethargie.
Hij luisterde naar de stilte van de poolochtend, naar de onnatuurlijke afwezigheid van wind, zijn eigen onregelmatige hartslag, de gelijkmatige ademhaling van de oude man en de ongelijkmatige oppervlakkige ademhaling van hemzelf. Het was stil... te stil... alsof in de hele wereld en onder de wijde hemel enkel hij en Umak nog leefden.
"We zijn te laat,' zei de oude man. Zijn toonloze stem verraadde niets van zijn angst. Hij was van zo ver gekomen. Door zich volledig uit te putten had hij de grens bereikt die ieder ander zou hebben erkend als de uiterste grens van volharding. Maar hij, Umak, had zichzelf gedwongen die grens te overschrijden. Met Torka op zijn rug was hij door blijven gaan... weer jong, weer sterk, onoverwinnelijk... tot zelfs de hijgende hond hem ongelovig had aangekeken terwijl hij zich inspande om hem bij te houden. Nu lag de hond in de sneeuw, niet ver weg, op een flauwe helling van de toendra die boven het kleine dal lag waar Umaks stam zijn winterkamp had opgeslagen. Op die helling dreef Umaks knie nu de spot met zijn kracht. Hij was dan misschien een Heer der Geesten, maar knieschijven waren dingen zonder ziel en die van hem bezweken zonder waarschuwing. Hij was hard gevallen terwijl hij probeerde om Torka vast te houden maar daar niet in slaagde en verbluft en buiten adem in de sneeuw kwam te liggen. Het trompetteren van de mammoet had hem weer bij zijn positieven gebracht. Maar hij hoorde geen verward geschreeuw van zijn volk en hij wist dat hij te laat was om hen te waarschuwen. Hij hinkte de heuvel op en wat hij zag maakte dat hij op zijn knieën viel. Verdwenen was Umak, Heer der Geesten en jager op groot wild. Hij werd weer een oude man: oud en ongewapend, niet meer onoverwinnelijk maar machteloos. Hij boog zijn hoofd en terwijl het onheil van zijn volk hem overweldigde, wenste hij dat zijn geest zou worden meegesleurd met die van de gestorvenen. Maar Umak had al geleerd dat de Dood niets wilde weten van één magere oude man of van de gewonde jager die ijlend in de sneeuw lag te kreunen.
Hij ging naar Torka, knielde neer en tilde zijn kleinzoon op. Hij probeerde hem te troosten en putte kracht uit het feit dat de jonge man hem nodig had. Hij was te laat gekomen om zijn volk te waarschuwen voor het gevaar, maar de komende tijd zouden ze toch de vaardigheden van hun Heer der Geesten nodig hebben. Die gedachte gaf hem weer enig gevoel van eigenwaarde. Hij sprak tegen Torka en zei hem dat ze verder moesten gaan. De stilte duurde voort en Umak luisterde, wetend dat de mammoet verder was getrokken. Weldra, wanneer de schok van zijn doortocht als een grote, afschuwelijke golf over het volk heen was gespoeld, zouden de overlevenden van de verwoesting gaan huilen en jammeren. Omwille van Torka zou Umak proberen niet al te zichtbaar te genieten wanneer hij Egatsop zou bewijzen hoezeer ze zijn waarde had onderschat.
Maar de minuten vergleden. De stilte werd niet verbroken. De stilte werd nog intenser, bijna tastbaar. En opeens drong de waarheid tot Umak en ook tot Torka door.
De Vernietiger was gekomen en weer verdwenen. En in de hele wereld, onder de wijde, meedogenloze hemel, waren alleen Torka en Umak nog in leven. Zij alleen hoorden het lied van de wind die weer opstak, zij alleen luisterden naar de troosteloze klacht van een eenzame wolf die naar hen huilde vanaf de rand van het dal ver beneden hen.