26
Lottie
‘Was het heel erg?’
Zoals ze daar staat, net onder de douche vandaan met haar natte haar uit haar schoongeboende gezicht gekamd, lijkt Sadie wel weer een meisje van tien.
‘O, je draagt...’
‘Ja, verder was er niets schoon. Dat is wel goed, toch?’
Nee, het is niet goed, dat ze daar staat in haar vaders favoriete sweatshirt, met haar lange, blote benen, vel over been. Ze heeft schone kleren zat. Ik kan het weten, want ik doe de was. Maar ik begrijp het wel. Ze wil iets van hem aan. Ze wil hem dichtbij voelen. Waarom ook niet. Maar niet dat sweatshirt... Dat had ik bewaard. Het laatste wat zijn geur droeg...
‘Het is goed,’ zeg ik.
‘Was het heel erg?’ vraagt ze nog eens terwijl ze zich op de bank naast me laat vallen.
Ik doe niet alsof ik niet begrijp wat ze bedoelt.
‘Ja, het was erg.’
‘Veel schade?’
‘Ja.’
‘Dat tapijt?’
‘Ja.’
‘Shit. Ik wed dat het kapitalen heeft gekost.’
Ik knik. En zeg dan: ‘Ook al was het spuuglelijk.’
Ze kijkt me aan en lacht als een boer met kiespijn. Maar het is tenminste iets.
Bijna vierentwintig uur na haar vernielzuchtige aanval voelt Sadie zich eindelijk goed genoeg om uit bed te komen. We zitten naast elkaar op de bank onder het dekbed dat ik uit mijn slaapkamer heb gehaald.
‘Wil je me vertellen wat er gebeurd is?’ vraag ik.
Ze schudt haar hoofd. ‘Ik wil er niet over praten,’ zegt ze.
We blijven zwijgend zitten. Er is een programma op tv over een man die drie weken de tijd heeft gehad om zijn eigen bruiloft te regelen zonder zijn verloofde erbij te betrekken.
‘Hier heb ik mijn hele leven van gedroomd,’ snikt de toekomstige bruid. ‘En nu is het me allemaal uit handen genomen.’
‘Ik ga nooit trouwen,’ zegt Sadie.
Ik wil protesteren, maar dan herinner ik me dat ik ook niet getrouwd ben. Een niet-echtgenote, een niet-weduwe.
‘Dat kan ik je niet kwalijk nemen,’ zeg ik.
Mijn telefoon gaat. Selina’s naam staat op het schermpje.
O shit. Niet nu. Dit kan ik vanavond niet aan.
‘Niet opnemen.’ Sadie heeft ook gezien wie de beller is. ‘Toe, mam.’
Ik laat de voicemail opnemen.
‘Zit de voordeur op het dubbele slot?’ wil Sadie weten.
Ik knik. ‘Is geregeld,’ stel ik haar gerust.
We zijn allebei nerveus. Er gebeuren zoveel rare dingen. Niets voelt zoals het zou moeten zijn.
Selina
Als ik in bed lig, te midden van de ravage van mijn ooit zo prachtige huis, luister ik naar de geluiden van de nacht. Vreemd om te bedenken dat ik de geluiden van mijn honderdtien jaar oude huis geruststellend vond wanneer het kraakte en piepte tot in de vroege ochtend. Nu schrik ik overal van, van elke tik en kreun van de leidingen. Ik voelde me er altijd veilig. Maar alles wat ik in mijn leven ooit als vanzelfsprekend beschouwde blijkt dat niet te zijn – mijn huwelijk, mijn thuis, al mijn spullen. Zelfs de man met wie ik mijn leven deelde bleek heel iemand anders te zijn en stierf met de trouwring van een ander aan zijn vinger.
De gebeurtenissen van de afgelopen dag trekken aan mijn geestesoog voorbij als een van Felix’ films. Greg (met overal slangetjes), zijn vrouw (‘een vriendin... wat fijn,’ zei de verpleegkundige). In elkaar geslagen, gemolesteerd. De wereld staat op zijn kop en toch ga ik op de een of andere manier door, pas ik me aan elke nieuwe onmogelijke realiteit aan. Hoe komen mensen aan die veerkracht?
Het bezoek aan het ziekenhuis heeft me emotioneel uitgeput. Toen ik thuiskwam strompelde ik vanuit de auto direct naar boven, en nam alleen nog even de tijd om de wekker te zetten en de deuren te sluiten, ook al is het vrijdagavond en zal Josh ongetwijfeld plannen hebben om uit te gaan. Mijn lichaam hunkert naar slaap, ook al is het nog maar net avond, maar mijn hoofd tolt nog zo dat het niet tot rust kan komen en overal geesten hoort.
Godzijdank is Josh thuis. Ik hoor de lage bas van zijn iPod-speakers zelfs twee kamers verder. Normaal gesproken word ik daar gek van, maar nu doet het me goed. We moeten over alles praten, besef ik, mijn kinderen en ik. We moeten rustig alles bespreken wat er is gebeurd, en hoe het nu verder moet. Josh en Felix moeten het uitpraten – wat Josh meent gezien te hebben, wat volgens Felix de waarheid is. Maar niet nu. Nog niet.
Ik moet nu slapen. Laat me slapen.
Maar het lukt niet. Ik zie overal gevaar. Al kan ik mijn ogen bijna niet meer openhouden, ik hoor voetstappen op de trap en deuren die zachtjes dichtgaan. Angst blijft als glas in mijn keel steken, zodat ik moeizaam slik.
Lottie
Sadie en ik schrikken allebei van de deurbel, ook al weten we dat Jules komt.
Ik probeer alles voor mijn zussen verborgen te houden. Ze snuffelen mijn problemen op als varkens op zoek naar truffels. Varkens en truffels! Die moet ik hun vertellen! Wie zijn nou de varkens? Ze weten van de inbraak en van Sadies vernielzuchtige aanval.
‘Emma wil een groepsgesprek,’ zegt Jules als ze binnenkomt en haar jas met luipaardprint uittrekt en over de leuning van de bank gooit.
Ik schud mijn hoofd. Niet met allemaal. Dat kan ik niet aan.
‘Oké,’ zegt Jules. ‘Ik neem het je niet kwalijk. Ze kan nogal dominant zijn, toch?’
Zij? En dat bedoelt ze niet spottend!
Jules perst zich naast Sadie op de bank en slaat een arm om haar heen. ‘Ik heb gechant,’ zegt ze zelfvoldaan. ‘Om te ontdekken wat de beste oplossing is.’
‘En, hielp het?’ vraag ik met onderdrukte woede. ‘Wat heeft dat daar verdomme te betekenen?’
Ik zie Jules’ vuurrode tas ineens op de stoel waar ze hem heeft laten vallen. Hij zit verdacht vol.
‘Wat zit daarin? Je blijft niet logeren, hoor.’
Ze kijkt me over Sadies hoofd heen aan.
‘Kom op, schat. Je moet dit niet allemaal alleen doen. Ik maak me ongerust over je. Wij allemaal. Er hangt op het ogenblik echt negatieve energie in de buurt. Je bent niet veilig.’
‘Negatieve energie?’ herhaalt Sadie. ‘Doe me een lol!’
We kijken weer tv. De bruid is overstuur omdat ze zojuist de jurk heeft gezien die haar verloofde voor haar heeft uitgezocht.
‘Zoiets zou ik nooit gekozen hebben,’ zegt ze snuffend. ‘Na drie jaar samen lijkt het erop dat hij me helemaal niet kent.’
‘Ik heb zaterdag een date,’ deelt Jules mee.
‘Weer via internet?’ vraag ik. ‘Ik mag hopen dat het iets beters is dan de vorige keer.’
‘Zo erg was hij niet!’
‘Hij kwijlde!’
‘Alleen als hij opgetogen was. Trouwens, deze heb ik niet via internet. Ik heb hem in het echte leven ontmoet. Mijn vriendin Finn heeft me vrijdag na het werk in de kroeg aan hem voorgesteld.’
Ik zie dat mijn zus een beetje rood is geworden.
‘Maar goed, ik wil het niet verpesten door erover te praten. Hij zal wel zo’n sukkel zijn die bij zijn moeder woont en zijn onderbroeken strijkt. Laten we het over jou hebben, en wat er gebeurt. Ik maak me zorgen om je, schat. Wij allemaal. Als je niet wilt dat ik hier blijf, kom dan met Sadie een nachtje bij mij logeren. Dan houden we een slaapfeestje. Net als in Grease.’
Sadie kreunt dramatisch. ‘Wat ben jij triest,’ zegt ze.
Ik probeer het even voor me te zien. Wij, weg uit deze flat met al die herinneringen en het dichtgespijkerde raam en de kapotte kleren van Simon. Me laten vertroetelen door Jules. Zelf geen beslissingen hoeven nemen. Het is verleidelijk, ik zweer het.
Maar ik ben achtendertig.
Ik ben vijf maanden zwanger.
Mijn dochter heeft grenzen en regelmaat nodig.
Ik moet een manier vinden om het zelf te klaren.
Ik schud mijn hoofd.
‘Dan niet,’ zegt Jules berustend.
Selina
Het geluid wekt me uit een levendige droom waarin ik achter Simon aan rende, maar hij bleef steeds voor me uit lopen, steeds verder, en hij werd almaar kleiner. Greg was ook in die droom aanwezig, hij liet een bloedspoor achter dat leek op de verf op de muren in de woonkamer.
Ik ben onmiddellijk klaarwakker. Al vanaf de eerste keer dat de politie belde – ‘Mevrouw Busfield, we staan bij u voor de deur. Kunt u ons binnenlaten?’ – is slapen niet langer een warm, troostrijk bad waarin ik me onderdompel, maar iets verraderlijks waaruit ik abrupt in doodsangst ontwaak.
Het geluid kwam van beneden en wordt gevolgd door een diepe stilte. Maar het is zo’n stilte waarin je verwacht dat er nog iets gebeurt.
Ik stap uit bed en doe voorzichtig mijn deur open. Ik sluip over de overloop naar de kamer van Josh en duw met kloppend hart zachtjes zijn deur open.
Godzijdank!
Zijn bed is leeg. Dus hij is beneden. Wat ben ik toch schrikachtig geworden!
‘Josh,’ roep ik, terwijl ik mijn ochtendjas uit mijn kamer haal en de trap afloop. ‘Wat doe je? Heb je al gegeten?’
De benedenverdieping is in duisternis gehuld. Wachtend. In afwachting.
Onder aan de trap blijf ik aarzelend staan. Er is iets raars aan de hand. Er klopt iets niet.
Geen lichtje. Dat is het. Geen rood knipperlichtje dat aangeeft dat het alarm aanstaat. Maar ik heb het wel aangezet. Dat weet ik zeker.
Maar mijn overtuiging neemt af. Heb ik het echt gedaan? Weet ik dat heel zeker?
Ik doe het licht in de hal aan en schrik opnieuw van mijn ontwrichte huis – door de open deur zie ik een glimp van de muren in de woonkamer, die zo agressief beklad zijn.
Wat een geweld. Wat een haat. Waar kwam het vandaan?
Ik loop door, op zoek naar Josh.
Ik ben nu bij de deur van Simons studeerkamer. Maar er is iets veranderd. Ik tuur in het donker naar binnen. Als ik het licht aandoe, baadt de ruimte ineens in veel te veel licht en ik knipper met mijn ogen.
Op het bureau is niets veranderd. De papieren van het hof voor erfrecht liggen er nog net zo. O god, laat me daar niet aan denken. De aanblik van zijn zwarte schapenvachtpantoffels die nog onder het bureau staan vliegt me onverwacht naar de keel. Wat vond hij het vreselijk om een man van middelbare leeftijd te zijn die thuis op pantoffels liep. Maar ja, iedereen wil zich thuis lekker op zijn gemak voelen...
Mijn ogen dwalen door de kamer. De deur van de kast achterin staat op een kier en ik zie dat de kluis wijd openstaat.
Er is hier iemand, in mijn huis. Alsof het gedoe met Sadie al niet erg genoeg was! Maar misschien is zij het wel weer, om af te maken wat ze begonnen was.
Maar de kluis? Wat zou ze met de kluis willen?
Grappig dat je twee dingen kunt weten die tegenstrijdig zijn, maar die elkaar toch niet uitsluiten.
Met mijn verstand weet ik voor een deel dat het niet klopt dat de deur van de kluis openstaat en dat het alarm uitgeschakeld is, maar een ander deel gelooft ondanks alles toch nog dat het feit dat ik in Barnes woon en elke week de boodschappen bij Ocado bestel en een kind in een ontwikkelingsland heb geadopteerd, me beschermt tegen grote rampen, en dat er niets akeligs is gebeurd – dat het geluid dat ik hoorde gewoon door Josh veroorzaakt werd en dat er een volstrekt logische verklaring voor alles is.
Zo is het altijd gegaan – de twee Selina’s die het in me uitvechten. De verstandige Selina die plannen en lijstjes maakte en het ene plan na het andere bedacht, waarbij het ene steeds het volgende overlapte, zodat ze nooit het risico liep dat er iets misging; en die andere Selina die diep vanbinnen wist dat het allemaal een schijnvertoning was.
Terug in de hal haal ik diep adem. ‘En nu de Pran-ademhaling,’ zegt de Duitse yogajuf in mijn gedachten. Dit is mijn huis. Ik heb in mijn eigen huis alles onder controle. Er gebeurt hier niets wat ik niet wil.
Ik loop naar de enige deur die ik nog niet heb opengedaan. De keuken. Er klonk een bons. Maar er is niets aan de hand. Het is Josh. Het is Sadie. Het is oké.
Ik draai de dimmer een klein stukje lager, om niet al te erg te hoeven schrikken van de ravage die ik daar zal aantreffen. De ruimte wordt door gedempt licht beschenen. Met knipperende ogen bekijk ik de rotzooi. Wat is dat? Iets op de vloer, een donkere gestalte op de Chinese zwarte leitegels. Nee... Ik draai de lichtknop nu op volle sterkte zodat de kamer in wit licht baadt.
O, mijn god!
Lottie
Nadat Jules is vertrokken, blijven Sadie en ik tv-kijken, maar als ik luid gesnik hoor draai ik me om en zie tot mijn schrik tranen over het gezicht van mijn dochter lopen.
‘Sadie?’
‘Ik trek het niet, mam.’
Haar stem is gezwollen door wat het ook is wat ze niet trekt, en ik ga dichter bij haar zitten zodat ik mijn armen om haar heen kan slaan. De ribben onder haar sweatshirt voelen scherp als messen. Wat is mijn dochter mager geworden!
‘Wat is er, Sadie? Wat is er aan de hand?’
Deze keer ga ik het niet verpesten. Ik zal haar niet onder druk zetten.
‘Ik ben zo verdomd stom geweest, mam.’
Mijn eigen ogen vullen zich met tranen uit medeleven, maar ik dwing mezelf te wachten tot ze verdergaat.
‘Weet je nog toen je stiekem mijn chat met Gabi op Facebook las?’
‘Ik las niet... Laat maar. Ga door.’
‘Die jongen op de wc met die cocaïne was... O god, ik ben zo’n ongelooflijke idioot geweest!’
‘Wat was hij, Sadie? Kom op, je voelt je vast beter als je het verteld hebt.’
Ik ben er niet van overtuigd dat dat waar is.
Sadie slaat haar hand voor haar mond en draait haar hoofd weg. Ze bijt op haar lip voordat ze luidruchtig snuft en diep ademhaalt. ‘Dat was Felix! Die jongen was Felix!’
‘Felix!’
Van verbazing knalt het woord mijn mond uit en ik draai me om om Sadie recht aan te kunnen kijken. Van afschuw en ongeloof kan ik even niets uitbrengen.
‘Maar hij is...’
‘Oud?’ oppert ze.
‘Je broer!’ zeg ik. ‘Hij heeft je drugs gegeven!’
‘Het was maar één lijntje – ik durfde geen nee te zeggen. Ik vond er niks aan, het brandde.’
‘En je hebt met hem gezoend?’
Sadie kijkt me heel even aan, met zoveel ontzetting in haar groene ogen dat het pijn doet om te zien. Dan komt er een gedachte bij me op, een afschuwelijke gedachte. Ik schud mijn hoofd.
‘O Sadie, nee. Zeg alsjeblieft dat je niet met hem...’
Met een heftige beweging maakt ze zich los uit mijn greep en begraaft haar gezicht in het kussen aan de andere kant van de bank.
‘Ik weet dat het fout was, maar hij was zo... Ik hield van hem! O god, ik ben zo’n stommeling!’
Ze huilt nu echt, met gierende snikken. Er verspreidt zich een vochtplek op het kussen.
Mijn gedachten schieten alle kanten op en mijn hoofd zit vol beelden die ik niet wil zien. Intussen schudt de bank door de snikken van mijn dochter.
‘Wat heeft hij gedaan? Wat moest je doen?’
‘Hij heeft me nergens toe gedwongen. Ik wilde het zelf. Ik dacht...’ En weer snikt ze het uit.
‘Ik ga nu onmiddellijk Selina bellen,’ zeg ik.
Ze reageert direct.
‘Nee, dat kan niet! Niet doen! Het is over. Uit. Beloof me dat je niets zult zeggen.’
‘Maar ze moet toch...’
‘Beloof het me!’
Sadies gezicht is een en al angst. Wat kan ik anders doen dan het haar beloven?
‘Ik zal haar vanavond niet bellen. Maar morgen praten we hier verder over en dan besluit ik wat ik doe.’
Selina
Ik zie vanaf hier dat Walter dood is.
Zijn wollige grijze poten met witte sokjes zijn stijf, en zijn roze tong hangt een stukje naar buiten.
Ach, Walter toch.
Niet te geloven dat het vijftien jaar geleden is dat ik onder druk van mijn gezin zwichtte voor een hond. Simon en Felix hadden het hardst hun best gedaan om mijn bezwaren weg te wuiven. De rommel... De verplichting... En wat doen we als we op vakantie zijn... Drie keer raden wie hem elke dag zal moeten uitlaten... Nu vraag ik me af of Simon gedreven werd door schuldgevoel, dat hij wilde dat er iemand bij me in huis was als hij in Dubai was, bij haar.
We gingen met zijn allen naar de hondenfokker om hem te halen, een hoopje hond met een grijs-witte vacht dat alle kanten op groeide, net als het haar van Josh toen hij klein was. Witte plukjes op zijn oren.
De kinderen maakten achterin ruzie over wie hem mocht vasthouden. Bij Felix, in het midden, liepen de tranen over zijn gezicht. Hij hield het trillende hoopje hond in zijn armen alsof hij bang was dat hij hem zou breken en terwijl hij naar het snoetje keek zei hij: ‘Ik ga van jou nog meer houden dan van mijn mama.’
Een hele familiegeschiedenis rond een kleine hond.
En ik? Ik was natuurlijk verkocht vanaf het moment dat hij mij met zijn grote zwarte ogen en zijn kopje schuin aankeek, met zijn ene oortje rechtop alsof hij me uitdaagde niet van hem te houden. Ik weet nog dat ik op de bank sliep toen we probeerden hem eraan te laten wennen dat hij ’s nachts beneden moest blijven, en probeerde me af te sluiten voor zijn gejammer toen ik uiteindelijk weer naar onze slaapkamer terugging. Er waren ochtenden waarop ik Josh opgekruld in Walters mand aantrof naast de slapende hond, en lange schoolvakanties waarin een van de kinderen een boek over hondentraining uit de bibliotheek haalde en gewapend met een pak hondenkoekjes probeerde de onverzettelijke Walter ertoe te bewegen op commando op zijn zij te gaan liggen.
Arme Walter.
Ik weet nog hoe graag Simon wilde dat we nog een pup namen, hoe hij me daar de laatste maanden voor zijn dood over aan mijn hoofd zeurde. Ook weer iets om zijn geweten te sussen, denk ik. Aangezien Josh nog maar een jaar naar school hoefde, zal Simon zich zorgen hebben gemaakt dat ik in mijn eentje in dat enorme huis zou zitten.
Was hij dan al die tijd van plan geweest bij me weg te gaan? Die gedachte komt ineens bij me op. Hij had zijn besluit genomen, hij plaveide de weg voor zijn vertrek. Die raadselachtige rekening moet hij erop na hebben gehouden om zich uit zijn huwelijk vrij te kopen.
Die gedachte bezorgt me een lichte maagpijn. Al die keren dat hij naast me zat op de bank, met zijn arm losjes achter me, zijn vingers die afwezig mijn schouders streelden, al die keren dat hij op ons bed lag terwijl ik me in het bad uitstrekte, de deur tussen ons open terwijl we verhalen uitwisselden over onze respectieve dagen; al die momenten waarin intimiteit om ons heen lag als een zijden koord dat ons losjes samenbond; al die tijd is hij van plan geweest om bij me weg te gaan, dacht hij aan het geld dat hem een andere toekomst zou bezorgen. Van alles wat hij heeft geflikt, is die illusie van intimiteit het moeilijkst te verkroppen voor me.
Niet zo lang geleden hadden we nog ruziegemaakt over de pup. ‘Walter loopt op zijn laatste pootjes,’ zei Simon. ‘Die heeft niet lang meer. Een pup zal afleiding geven. Dan heb je gezelschap.’
‘Dat is niet het soort gezelschap dat ik wil!’ snauwde ik. ‘Ik wil normaal, volwassen, menselijk gezelschap. Een fulltime echtgenoot, bijvoorbeeld.’
Toen was hij boos, nukkig. In de verdediging.
‘Je weet dat mijn werk daar is. Daar hebben we het al duizend keer over gehad.’
En ik denderde door. ‘Ja, maar dat blijft niet altijd zo. Je bent drieënvijftig. Binnenkort stop je met werken. Dan hebben we tijd om te gaan reizen, om de wereld te zien. Met een nieuwe hond kan dat niet.’
Ik probeer deze herinnering op te roepen om Simons gezicht, zijn uitdrukking, weer voor me te zien. Hoe keek hij? In het nauw gedreven? Bezorgd? Angstig?
De waarheid is dat ik geen idee heb. We waren de fase dat we met aandacht naar elkaar keken allang voorbij.
Ik laat me op mijn knieën zakken naast mijn arme, verstijfde hond, streel zijn kop en stel me heel even voor dat ik hem weer tot leven kan brengen door simpelweg genoeg van hem te houden. Stommeling! Wanneer was liefde ooit genoeg?
Op Walters zijkant zit een kale plek waar vorig jaar een goedaardige knobbel operatief is verwijderd, waarna de vacht nooit meer is aangegroeid. Ik weet nog dat ik met hem thuiskwam, hij was amper bijgekomen, en dat ik hem op de bank legde en hem urenlang op schoot hield, tot Josh thuiskwam die niet wist wat hij schokkender moest vinden: de toestand van Walter of het feit dat ik hem op de bank had gelegd.
Hij was zo’n vast onderdeel van ons gezinsleven.
Was er maar iemand bij me. Josh. Ineens denk ik weer aan het alarm dat uitgeschakeld is, en de kluis die openstond. Er ligt weliswaar niets in die kluis, alleen...
Waar is Josh eigenlijk? Hij zou hier moeten zijn.
Ik ben zo moe. Zo vreselijk moe.
Ik leg mijn hoofd op Walters stramme lijf en huil tranen met tuiten om alles wat ik kwijt ben.
Lottie
Later pas, als Sadie al naar bed is en ik alle sloten honderd keer heb gecontroleerd – (daar zit ik nou net op te wachten, een dwangneurose die zich nu ineens openbaart) – bedenk ik dat ik het berichtje van Selina nog moet afluisteren. Ik zet mijn tanden op elkaar, omdat ik weet dat haar stem me aan Felix zal doen denken en aan wat hij heeft gedaan. Ik word meteen kotsmisselijk als ik het beeld voor me zie – mijn dochter in een wc-hokje, glanzend haar vlak boven giftig poeder; mijn dochter in bed met... Nee, dat is een stap te ver. Daar wil ik niet aan denken, ik sluit me ervoor af. Er vormt zich een kluwen van haat tegen Felix in me. Ik weet dat ik er iets mee moet doen, maar niet vanavond. Ik heb het mijn dochter beloofd.
Als ik Selina’s boodschap afluister verwacht ik half een opsomming te horen van alles wat Sadie heeft vernield. Dat is typisch iets voor haar. Een spreadsheet met links waarop ik kan zien hoeveel het kost om alles te vervangen.
Haar stem is harder dan anders en ze klinkt buiten adem.
‘Ik zit in de auto, ik bel handsfree,’ zegt ze. Natuurlijk belt ze handsfree. ‘Ik kom net van het ziekenhuis.’
Ziekenhuis?
‘Lottie, het lijkt erop dat Simon betrokken was bij...’ Op dat moment hoor ik gekraak en ik kan haar niet verstaan. Dan ineens is ze weer terug. ‘Ik denk echt dat hij vermoord is.’
Selina
Na twaalven komt Josh eindelijk thuis. Ik zit op de grond in de televisiekamer, naast Walter, die ik in zijn mand heb gelegd. De gordijnen zijn open en in het zachte grijze licht lijkt het net alsof hij onder zijn geruite dekentje ligt te slapen.
Josh staat in de hal en kijkt naar binnen.
Wat vreemd!
Hij draagt een zwarte wollen jas van Simon waar een laag gruis en stof op zit, en naast hem staat de grote zwarte koffer die meestal in de garage staat, compleet met handvat en wieltjes.
‘Wat ben je...?’ beginnen we allebei tegelijk.
We glimlachen gegeneerd.
Josh loopt de kamer in. Hij ziet er doodmoe uit, met kringen onder zijn bruine ogen.
‘Waarom zit jij...?’ vraagt hij, en hij blijft staan als hij dichter bij Walter komt. ‘O god, hij is toch niet...?’
Ik heb een brok in mijn keel en ik knik, ik durf niets te zeggen uit angst dat ik me, als ik mijn mond eenmaal opendoe, niet meer kan inhouden. Dat als ik eenmaal begin te huilen, ik niet meer kan ophouden.
Josh duikt naast me op de grond neer en streelt Walters oren. Een enkele traan rolt over de zachte ronding van zijn wang.
‘Hij was oud, lieverd,’ zeg ik nu.
Josh knikt, maar ik weet wat hij denkt. Het gaat niet om hoe oud Walter was en wie hij was, maar over het eindige van alles. Walter is al zolang Josh zich kan heugen bij ons. Zijn dood betekent op een bepaalde manier, buiten alles wat er onlangs is gebeurd, ook het einde van Josh’ kinderjaren. Ik stel me een volwassen Josh voor, die zijn eigen kinderen vertelt (wat zal hij een geweldige vader zijn, die zoon van me) over zijn eerste huisdier, en ik schrik van de pijn die door me heen gaat bij het idee dat mijn zoon een eigen gezinsleven zal leiden met zijn eigen kinderen, waarin ik, als ik geluk heb, ook een kleine rol speel.
Nu Josh zo dicht bij me is heb ik beter zicht op het grijze stof op zijn jas, of liever op Simons jas. Van deze afstand zie ik dat het geen gruis of zand is, maar dat het meer iets weg heeft van...
‘Josh, waar ben je geweest?’ Mijn stem klinkt nu scherp van bezorgdheid.
Hij zal toch niet...
Hij kan toch niet...
Mijn zoon buigt zich naar voren en drukt zijn gezicht in Walters wollige vacht. Dan kijkt hij me aan. ‘Ik had die whisky niet moeten drinken,’ zegt hij.
O nee!
‘Nadat jij naar bed was gegaan, heb ik in de keuken Sadies kunstwerk zitten bewonderen, en ik dacht dat het geen kwaad kon om een beetje whisky te drinken. Een klein glaasje maar,’ vervolgt Josh.
‘Josh!’ onderbreek ik hem vermanend.
‘Ja, ja, ik weet het,’ zegt hij. ‘Maar het is hier de laatste tijd nogal stressvol geweest.’
Dat kun je wel zeggen.
‘Toen ik naar mijn kamer liep, bedacht ik dat ik even in paps studeerkamer wilde zitten.’
‘Waarom?’
Josh haalt zijn schouders op en kijkt beschaamd. ‘Ik weet niet. Soms wil ik dat.’
Natuurlijk wil hij dat. Hij is zijn vader kwijt. Wat vergeet je dat snel! Als ik naar Josh kijk, dit kind in een mannenlichaam, heb ik soms het gevoel dat er iets in me breekt. Op de een of andere manier had ik in gedachten een volwassene van hem gemaakt, mijn taak zat erop, mijn invloed was op zijn hoogst nog minimaal, maar nu zie ik dat hij nog maar voor een deel volwassen is. Ineens denk ik aan dat tere plekje dat mijn kinderen in de eerste weken van hun leven op hun hoofd hadden, en hoe bang ik was toen Felix geboren was dat iets aan hem nog niet af was, waardoor hij kwetsbaar bleef. Elke dag betastte ik dat verontrustende plekje en bad ik dat die botjes haast maakten om snel aan elkaar te groeien, zodat er geen gevaar meer was.
Maar Josh praat weer verder. Ik moet me concentreren.
‘Toen dacht ik aan al die shit die er gebeurd is, en ik kreeg het idiote idee dat het kwam doordat pap niet... je weet wel... niet op de juiste plaats was.’
Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Op de juiste plaats?’
‘Je weet wel, dat hij geen vrede heeft.’
Josh wordt nu toch niet ineens spiritueel?
‘Dus toen bedacht ik dat ik iets met zijn as moest doen.’
Josh zegt het alsof het allemaal heel logisch is en ik knik. Dan dringt het plotseling tot me door wat hij zegt...
‘De as van je vader? Heb je de as van je vader uitgestrooid zonder dat met iemand te overleggen?’
Hij kijkt me schaapachtig aan. ‘Sorry,’ zegt hij.
Hij vertelt dat hij de kluis heeft geopend, hij wist nog dat de nieuwe combinatie de datum van onze trouwdag was. Hij heeft de doos eruit gehaald, en de koffer uit de garage gehaald toen hij besefte hoe zwaar die doos was. Hij had ook zijn vaders jas uit de gangkast gepakt.
‘En toen ging ik weg,’ zegt hij.
‘Waarheen?’
Naar de rivier, luidt het antwoord. Mijn zoon is ’s avonds laat met de as van zijn overleden vader in een rolkoffer helemaal naar Putney Bridge gelopen.
Het moet niet gekker worden.
Ik zie het zo voor me, hoe hij nog warm van de whisky (was er ook sprake van een joint? Het zou me niet verbazen. Ik ben een vreselijk onoplettende moeder geweest, die alleen aan zichzelf dacht), de plastic urn uit de doos haalde.
‘Het was verdomme een plastic bloempot,’ zegt Josh, ineens kwaad. ‘Geen wonder dat pap het daar vreselijk vond.’
Terwijl hij midden op de brug stond gooide hij het grootste deel van de as eruit en keek toe hoe die in het water viel, zich afvragend waar die heen zou gaan. Een windvlaag blies een paar deeltjes naar hem terug die als roos op zijn jas bleven liggen. Hij droeg nu letterlijk zijn vader op zijn schouders.
Mijn boosheid om wat hij heeft gedaan neemt af. Op de een of andere manier lijkt deze persoonlijke afscheidsceremonie niet verkeerd.
‘Heb je er iets bij gezegd?’ wil ik weten.
God mag weten waarom dat me belangrijk lijkt. Wat zeg je in vredesnaam bij zoiets? En toch...
Josh kijkt beschaamd. ‘Ik weet niet. Ik geloof het wel,’ zegt hij.
Hij wil het er duidelijk niet over hebben, maar ik vraag door. Ineens lijkt het me vreselijk belangrijk dat Simon een soort afscheidsrede heeft gehad, ook al was hij een overspelige klootzak.
Josh kijkt me aan en knikt.
‘Ik heb gezegd dat hij er een puinhoop van gemaakt heeft, maar dat hij geen slecht mens was. Dat hij mijn vader was en dat ik van hem hield en hem mis.’
Josh staart als gefixeerd naar Walters mand, kennelijk vond hij het vreselijk moeilijk om dit te moeten toegeven. We staren allebei in gespannen stilte naar de dode hond onder de deken.
De snik komt uit het niets, hij lijkt uit hem losgescheurd te worden als iets waar hij niets over te zeggen heeft. En ineens is hij weer die brutale, vrolijke, lieve kleuter van vroeger, maar dan wel een die naar whisky ruikt. Wat lijkt het onmogelijk lang geleden, de vijftien jaar die liggen tussen wie ik nu ben en de vrouw die ik toen was. De vrouw die een kus gaf op zijn mollige handje als hij was gevallen en voor wie ik ’s nachts op mijn knieën zijn kamer in kroop om hem niet wakker te maken. Zo lang geleden, maar als ik naar mijn intens verdrietige zoon kijk, lijkt het gisteren.
Ik loop met mijn armen gespreid naar hem toe en ineens omhelzen we elkaar alsof de wereld elk moment kan vergaan.