15

Selina

Zeven keer naar links, drie keer naar rechts. Klik, klik, klik. Wel verdomme!

Ik weet dat het klopt. Het moet kloppen.

‘Ik weet die verdomde combinatie toch!’ Ik ben me ervan bewust dat ik in de telefoon schreeuw tegen Hettie, maar ik kan er niet mee ophouden. Het helpt niet dat ik op mijn knieën voor de kluis zit, die aan de vloer vastgeklonken zit in een kast achter in Simons studeerkamer, en dat ik bijna zit te snikken. ‘Waarom gaat dat kreng dan niet open?’

‘Weet je zeker dat het drie keer naar réchts is?’

O jee, Hettie klinkt geërgerd. We hangen al een eeuwigheid aan de telefoon terwijl ik alle combinaties heb geprobeerd die ik kon bedenken, en zelfs in mijn dronken roes weet ik dat haar geduld bijna op raakt.

‘Natuurlijk is het naar rechts, verdomme.’ Ik moet niet tegen haar snauwen. ‘Al maak je me nu wel aan het twijfelen. Misschien was het 7745, en niet 7735...’

‘Jezus!’ valt Hettie uit. ‘Waarom moest je dat ding daar in vredesnaam eigenlijk in opsluiten?’

‘Het was vlak na de begrafenis,’ zeg ik gekwetst. ‘Ik kon niet helder denken.’

‘Nou, je denkt nog steeds niet helder. Als je de combinatie toen wist, moet je het nu ook weten. Je moet gewoon niet zo je best doen om het je te herinneren, dan schiet het je wel weer te binnen.’

Ze heeft gelijk. Ik moet mijn hoofd leegmaken. Dat is het. Heerlijk leeg.

Blanco.

O, maar het is niet helemaal mijn schuld. Toen ik Simons as een paar dagen na de crematie mee naar huis nam, was ik nog steeds in alle staten. Dus het leek me niet meer dan verstandig om die in de kluis te mikken totdat ik zou weten wat ik ermee moest doen. Mikken – gek woord eigenlijk. Maar nu, na bijna een hele fles Pinot Grigio, heb ik een geweldig plan bedacht.

‘Ik ga de as vermengen met water,’ leg ik nu aan Hettie uit. ‘Dan krijg je een pap die ik over de muren van zijn studeerkamer kan uitsmeren.’

‘Wat?’

Hettie lijkt niet onder de indruk, dus ik leg haar voorzichtig op het tapijt en draai de schijf nog een paar keer gefrustreerd rond. Niets. Verslagen ga ik languit op de grond liggen, met mijn gezicht in het hoogpolige kleed.

‘Allemaal voor niets,’ jammer ik. ‘Alles is voor niets geweest.’

‘Wat is er voor niets geweest?’ vraagt Hettie in de telefoon die ergens naast me op de grond ligt.

Ik denk dat Hettie er genoeg van heeft. Zij wil de oude Selina terug. Ha! We willen allemaal de oude Selina terug! Al die jaren zaten we zo moeiteloos op dezelfde golflengte, en nu bevindt er zich ineens een enorme afgrond tussen ons. Een baai. Een zee. Het is alsof ik ineens op een onbewoond eiland ben gedropt en het enige wat Hettie kan doen is op- en neerspringen op de kust terwijl ze spijtige gebaren maakt. Hettie mist de Selina die ik vroeger was.

Ik lig nog steeds op het kleed als Josh thuiskomt na een avondje stappen met zijn vrienden. Hoeveel later? Vijf minuten? Een uur? Twee? Ik voel dat hij in de deuropening staat.

‘Moe?’ vraagt hij ten slotte.

‘Dronken,’ zeg ik.

‘Ik ook.’

Normaal gesproken weet Josh niet hoe snel hij moet wegkomen als hij thuiskomt. Hij wil niet dat ik zijn adem ruik en lastige vragen stel. Maar vanavond gaat hij naast me op de grond zitten.

‘Ik krijg de kluis niet open,’ zeg ik liggend. ‘En je vader zit erin.’

Josh staart naar het metalen blok en ik weet dat hij zich nu voorstelt dat zijn een meter tachtig lange vader daarin gepropt zit, als een slaapzak in een hoesje.

‘Zal ik het proberen?’ biedt hij aan. ‘Wat is de combinatie?’

En ineens weet ik het weer. Simon heeft de combinatie een paar maanden geleden veranderd omdat hij vond dat de vorige lastig te onthouden was.

‘Onze trouwdag,’ zeg ik. ‘1504.’

Klik, klik, klik, klik.

Josh maakt de kluis zonder problemen open en haalt er de kartonnen doos met de plastic urn uit die de as van zijn vader bevat. Karton en plastic. Wie had er kunnen denken dat een man die zo dol was op mooie spullen zou eindigen in karton en plastic? Misschien had ik het beter moeten regelen, maar op dat moment had ik wel iets anders aan mijn hoofd dan een catalogus met urnen doorbladeren.

‘Ik moest de gordel eromheen doen,’ vertel ik Josh nu, steunend op een elleboog.

‘Wat?’

‘Een gordel.’ Ik gebaar met mijn vrije arm naar de doos. ‘Om hem heen.’

‘Waar heb je het over?’

O hemel. Soms is het alsof Josh met opzet traag van begrip is.

‘Toen ik die doos ging ophalen bij de begrafenisondernemer, heb ik hem in de Fiat naast me op de stoel gezet, maar bij de eerste bocht gleed hij eraf. Tjoep!’

Ik ga rechtop zitten om te laten zien hoe een zware kartonnen doos van een autostoel glijdt.

‘Dus toen moest ik de gordel eromheen doen, en het voelde zo raar, net alsof hij naast me zat. Je vader, bedoel ik. In de riemen in de Fiat – je weet hoe vreselijk hij het vond om ergens naartoe te gaan in die Fiat. Arrogante kwast,’ voeg ik er nog aan toe.

‘Dat is niet aardig,’ zegt Josh bedroefd. ‘Al was hij inderdaad een bijzonder arrogante kwast.’

Ineens schateren we het uit.

‘Een verdomd arrogante kwast,’ zeg ik, en weer liggen we dubbel.

‘Waar lachen jullie om?’

O jee. Flora. Ik was helemaal vergeten dat ze er was.

Ze is er zelfs al twee dagen. Ik heb geprobeerd uit haar te krijgen wat er aan de hand is, waarom ze niet in haar eigen flat in Queen’s Park is, maar ze wil niets zeggen. Kinderen worden zo afwerend. Ze vertelde me wel dat het niet zo goed ging tussen haar en Ryan. Ryan vindt ons blijkbaar ‘armetierig’. Armetierig! Waar haalt hij het lef vandaan! ‘Hij zei: “Je moet niet beledigd zijn, maar je familie is een beetje armetierig, schat.”’ Flora’s imitatie van haar vriendje – sorry, haar verloofde – was in feite heel goed, maar toen ik erom moest lachen sloeg ze acuut dicht, uit angst dat ze niet loyaal aan hem is.

En nu staat ze in de deuropening van Simons studeerkamer in een roze badjas. Ze kijkt niet bepaald blij. Oeps!

‘Ik was diep in slaap en jullie hebben me wakker gemaakt. Waarom lig je op de grond, mam?’ Ze komt de kamer in voor een nader onderzoek. ‘Je bent dronken, hè?’

Ik ga weer rechtop zitten. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik geloof het wel.’

Flora kijkt gekwetst, alsof Josh en ik hier de bloemetjes buiten hebben gezet zonder haar uitgenodigd te hebben.

‘Je zou misschien kunnen proberen wat rekening met me te houden. Ik ben hier alleen omdat ik een moeilijke tijd doormaak met Ryan, en na wat er met pap is gebeurd en alles...’

Nu staart Flora naar de kartonnen doos die voor Josh op de grond staat. Wat heeft ze toch een grote blauwe ogen, mijn dochter.

‘Is dat...?’ Ze begint nog eens. ‘Je wilt toch niet zeggen dat dat...’

‘Ja, dat is pap,’ zegt Josh.

Daarna kruipt hij ineens achter de doos, zodat hij half verborgen zit, en steekt zijn handen aan weerskanten uit.

‘Hallo Mallerd,’ zegt hij. O god, hij doet Simon na! ‘Zit de vijf al in de klok? Zullen we een flesje openmaken?’

Ik heb nog nooit zoiets grappigs gehoord.

‘Geniaal,’ snik ik. ‘Zeg nog eens wat.’

Flora doet een uitval naar voren en struikelt bijna over haar veel te grote bontpantoffels.

‘Hou daarmee op!’ roept ze terwijl ze op de doos met as af vliegt. ‘Daar zit papa in.’

‘O, papa, mijn papa!’ zegt Josh/Simon in een parodie op Flora’s favoriete scène uit The Railway Children.

Flora pakt de doos op en slaat er stuntelig haar armen omheen. Hij is duidelijk zwaarder dan ze had gedacht, want ze wankelt een beetje.

‘Ik snap niet dat jullie zo harteloos kunnen zijn,’ zegt ze. ‘Hij heeft zich misschien niet zo fraai gedragen, maar hij is wel... je weet wel... dood!’

Het blijft even stil. Josh en ik wisselen een blik. Dan beginnen we te lachen. We schateren.

Flora vindt het niet leuk.

‘Ik bel Felix,’ zegt ze en ze zet de doos met een harde klap op Simons bureau en pakt de telefoon. ‘Hij zal het vreselijk vinden dat jullie geen enkel respect tonen.’

Ze ziet er zo jong uit in die malle badjas en die malle pantoffels, met de telefoon onder haar kin geklemd en haar haar geplet aan de kant waar ze kennelijk op heeft geslapen. Ik voel een opwelling van liefde voor haar. Kon ik maar... kon ik maar...

‘Petra?’ zegt Flora in de telefoon. Waarom klinkt ze zo aarzelend?

‘Petra? Ben jij dat?’

Ze blijft nog een paar ogenblikken stokstijf staan luisteren voordat ze voorzichtig de hoorn teruglegt.

‘Wat raar,’ zegt ze. ‘Het leek wel alsof Petra... huilde!’

Flora is niet meer boos. Het telefoontje heeft haar woede gewist. Een mooi woord is dat, wissen. Ik weet niet waarom ik het niet vaker gebruik.

‘Ik weet waar we nu behoefte aan hebben,’ zegt Josh terwijl hij opspringt.

Beng, kleng. Geluiden van Josh in de keuken.

Aha, daar is hij. Hij verschijnt in de deuropening met een fles Jack Daniels en twee tumblers.

‘Dat was het enige wat ik kon vinden,’ zegt hij.

‘Dat laat je hem toch niet drinken, hè?’ roept Flora. ‘Hij is nog maar een kind!’

Ik kijk naar mijn zoon. Ineens ziet hij er zo triest en uitgeput uit. Helemaal geen kind. Een honderdjarige, als een van die kinderen die je steeds in de Daily Mail ziet staan met dat syndroom waardoor ze vroegtijdig verouderen.

‘Heb jij een beter idee?’ vraagt hij aan Flora.

‘Ja.’ Flora heeft een blos op haar wangen. ‘Geef maar hier,’ zegt ze, en ze steekt haar hand uit naar de fles. ‘Die drink ik zelf wel.’

Boem, boem, boem. Wat was dat in vredesnaam? We schrikken allemaal van de plotselinge keiharde basgeluiden.

Josh tast in zijn zak. ‘Telefoon,’ legt hij uit voordat hij opneemt. ‘Hé, hoe is ’t?’

Hij gaat ineens rechtop staan, wordt rood en draait zich om, weg van Flora en mij. ‘Wat? Dat meen je niet.’

Ik lach samenzweerderig naar Flora. Wat voor puberprobleem zou het zijn? Een liefde die na twee weken op de klippen loopt? Een feestje dat niet doorgaat? Iemand betrapt met wiet?

Josh klapt zijn mobieltje dicht, draait zich weer naar me toe en – o, die arme jongen – heeft weer het gezicht van het kind dat hij gisteren nog was.

‘Dat was Sadie,’ zegt hij. Hij weet niet waar hij moet kijken, zijn bruine ogen schieten heen en weer tussen Flora en mij. ‘Haar moeder heeft zojuist een zelfmoordpoging gedaan.’