2

Lottie

Mijn hoofd zit klem onder de oksel van een onbekende, serieus. Het is mijn eigen schuld, had ik me maar niet in die drukke metro moeten persen in plaats van op de volgende te wachten, zoals ik meestal doe. Nu ik alweer twee jaar in Londen woon zou je mogen verwachten dat ik dat weet. De bewuste oksel is van een man in een grijs glanzend pak, met zwart, kort gelhaar, die het geluid op zijn iPod keihard heeft staan. De bas dreunt door me heen, ook al denkt hij kennelijk zelf dat hij zich in een hermetisch afgesloten wereldje bevindt. Stom van me om me zo te haasten alleen omdat Simon thuiskomt. Ik zou daar intussen best iets laconieker op kunnen reageren.

Alleen al door de gedachte aan Simon vergeet ik mijn werk in het hotel en de aardige maar onbeholpen uitzendkracht met wie het hoofdkantoor me vandaag heeft opgescheept. Ze is nauwelijks ouder dan Sadie, serieus, en ze heeft kennelijk nooit eerder met het begrip btw te maken gehad. Maar daar moet ik allemaal niet aan denken. Ik ga proberen me te concentreren op een plek waar ik me gelukkig voel. Dat is beter. Gefilterd zonlicht, koel water.

Mijn zus Jules denkt dat het komt doordat Simon en ik elkaar steeds een poos niet zien dat ik na al die jaren nog zo opgewonden ben als hij thuiskomt. ‘Jullie relatie is één groot afscheid en weerzien, natuurlijk hou je dan de passie erin,’ zegt ze. Ze overdrijft natuurlijk. En natuurlijk is ze jaloers, aangezien ze nu al twee jaar single is en beweert dat het gaatje dichtgegroeid is als een oorpiercing.

‘Er is een fokking pneumatische boor voor nodig om dat weer open te krijgen,’ zegt ze. Ze kan soms heel stuitend uit de hoek komen. Simon zegt dat ze zich daarom op al dat new­agegedoe heeft geworpen. ‘Een verstandige zet van haar. Richt je op ziel en geest, en vergeet je lichaam,’ zei hij, ook al is er niets mis met Jules’ lichaam. Ze heeft alleen haar eigen stijl. Toen hij dat zei hebben we een fikse ruzie gehad. Ik vind het vreselijk als iemand mijn zussen bekritiseert. Ik weet dat ik dat zelf ook constant doe, maar dat is iets anders. Volgens mij mag je vrijwel alles over iemand zeggen, zolang je maar van die persoon houdt. Zo denk ik er althans over. In liefde en oorlog is alles geoorloofd.

Ik denk dat Jules in een bepaald opzicht wel gelijk heeft, over die perioden dat we elkaar niet zien. Het moet hetzelfde zijn als bij soldaten en hun vrouw. Maar dat het alleen om afscheid en weerzien zou gaan, ziet ze verkeerd. Sinds we weer in Groot-Brittannië zijn en ik me hier weer thuis voel is de periode ertussen, dat verwachtingsvolle gevoel, het fijnst. Zelfs na al die tijd vind ik het nog steeds heerlijk om naar ons weerzien toe te leven. Af en toe – en dat geef ik niet graag toe – kan de realiteit een beetje een anticlimax zijn. Sadie en ik zijn tijdens zijn afwezigheid zo’n hechte eenheid. We vechten als kat en hond, maar we functioneren goed samen. Dat verandert echter zodra Simon weer thuis is. Als hij een tijdje terug is, hebben we meestal een dipje waarin we weer aan elkaars aanwezigheid moeten wennen – de haartjes in de wastafel als hij zich heeft geschoren, weer op tijd eten terwijl Sadie en ik vaak lekker met een boterham en een bord yoghurt voor de tv zitten, het schuldgevoel dat ik tijd met hem doorbreng en niet aan mijn illustraties werk of vice versa. Maar de voorpret als hij terugkomt? Dat is heel wat anders.

Tussen de andere passagiers geperst sta ik in lijn 106 vanaf Finsbury Park en staar boos naar een vrouw achter in de bus die haar spullen over twee stoelen heeft verspreid. Soms kan ik daar echt razend om worden, maar vandaag laat ik het voor wat het is en denk in plaats daarvan aan de letter G. Ik ben al dagen gefixeerd op de G. Hij heeft zo’n grappige vorm – rond, met een klein recht streepje aan het eind, alsof hij niet echt weet wat hij wil. Maar ik moet er wel uit zien te komen – Mari heeft de deadline al opgerekt naar half oktober.

Ik merk dat ik me (alweer!) voorstel hoeveel meer ik zou kunnen doen als ik niet in het hotel hoefde te werken en in plaats daarvan de hele dag in het pasverbouwde schuur-annex-atelier-annex-kantoor in de tuin kon werken. Het is nu bijna niet te geloven dat ik al die jaren in het zonnetje heb kunnen zitten zonder dat ik veel meer aan mijn hoofd had dan het volgende hoofdstuk van mijn boek lezen en het laatste nieuwe restaurantje opsporen; al die jaren waarin ik had kunnen tekenen, maar dat zelden deed. Wat deed ik toen met al die tijd? Heeft de zon die allemaal weggebrand? Het heeft geen zin om daar nu over te simmen. Misschien wordt dit boek – een alfabetisch fantasieverhaal, en de derde keer dat ik samenwerk met Mari – wel de klapper die geld in het laatje gaat brengen! Iedereen weet dat je eenvoudiger en met minder moeite rijk kunt worden door een nier te verkopen dan door het illustreren van kinderboeken, maar je moet per slot van rekening iets te dromen hebben, toch?

Ik duik de winkel op de hoek bij de bushalte in om eieren te kopen voor Sadies avondeten en een feestelijk flesje wijn. Zoals altijd blijf ik een tijdje dubben op de wijnafdeling. Gelukkig maar dat Simon er niet bij is. Mijn onvermogen om in mijn eentje beslissingen te nemen over zelfs de kleinste dingen maakt hem soms dol. ‘Straks ga je me nog vragen of je wel of niet naar de wc moet,’ zei hij laatst toen we naar een feestje gingen en ik hem vroeg welke schoenen ik aan moest. Meestal denk ik dat hij het wel fijn vindt dat ik hem nodig heb, maar soms vermoed ik dat het op zijn zenuwen werkt. Als je altijd al beslissingen moet nemen op je werk, zul je ook weleens iets anders willen. Ik ben er een keer voor bij een therapeute geweest, voor mijn besluiteloosheid. Dat is best gênant op je achtendertigste. Ze zei: ‘Wat is het ergste wat je kan gebeuren als je de verkeerde beslissing neemt?’ Dat vraag ik me nu af. Wat is het ergste wat er kan gebeuren als ik de verkeerde wijn neem? Maar ik vind die aanpak eigenlijk niet zo zinvol. Het is zo negatief. Waarom zou je je steeds concentreren op het ergste wat er kan gebeuren?

Uiteindelijk ga ik me te buiten aan een fles van twaalf pond – de duurste die ze hebben. Als ik bij de kassa sta voel ik me wel even schuldig als ik denk aan het kijk- en luistergeld dat ik nog niet heb betaald, maar jemig, je leeft maar één keer. (Tenzij je, zoals Jules, gelooft dat we een oneindig aantal keren terugkomen, zij het niet per se in dezelfde fysieke vorm. Mooi. Misschien ben ik de volgende keer langer. En heb ik borsten!) ‘Simon is onderweg naar huis,’ zeg ik tegen meneer Patel bij de kassa, die zoals altijd met gebaren te kennen geeft dat hij het betreurt dat ik getrouwd ben, terwijl mevrouw Patel haar blik ten hemel slaat en haar sudoku oplost.

Tijdens de korte wandeling naar huis loop ik met mijn tassen te hannesen om Simon nog eens te kunnen bellen. Zijn mobiel staat nog steeds uit! Het komt vaak voor dat hij geen bereik heeft in het Midden-Oosten, maar het zou nu onderhand toch moeten lukken?

Als je me toen ik pas aan de kunstacademie studeerde had gezegd dat ik uiteindelijk een man zou krijgen die projectontwikkelaar is, ‘internationaal’ projectontwikkelaar zelfs (mijn zussen vonden dat altijd zo hilarisch klinken: mijn zwager, internationaal projectontwikkelaar), had ik het nooit geloofd. Schilder, zanger – dat soort types had ik in gedachten gehad. Niet dat Simon dit beroep zelf had voorzien. Je studeert geen kunstgeschiedenis met het idee: op een dag ga ik hotels bouwen in de woestijn. Volgens mij lopen de meesten van ons toevallig ergens tegenaan, toch? Simon liep hier tegenaan toen hij voor een tijdschrift over projectontwikkeling werkte. Het klonk waarschijnlijk opwindend: reizen, geld, zon.

En toen liep ik tegen Simon aan.

‘Volslagen krankzinnig,’ luidde het oordeel van mijn ouders toen ik zei dat ik de halve wereld over ging vliegen om bij een man te gaan wonen die ik pas een paar weken kende. Ik durfde niet te vertellen dat ik toen al zwanger was.

Als ik nu om me heen kijk in de grijze Londense straat lijkt het bizar dat die andere wereld nog bestaat, dat daar zelfs op dit moment mensen liggen te relaxen op luxebedden met crème­kleurige kussens op stranden met wit zand, dat ze bediend worden door mannen in een smetteloos wit uniform, of dat ze blootsvoets door een appartement met marmeren gangen lopen, genietend van de koelte aan hun voetzolen. Grappig dat je je altijd die dingen herinnert, en niet de verkeersopstoppingen of de stinkende goten in de zomer. Het geheugen is een bedrieglijk monster, zou mijn andere zus, Emma, zeggen.

Ik herinner me na al die jaren nog de eerste keer dat ik naar Dubai vloog. (Ik was toen veel dapperder – ik vraag me af waar al die moed gebleven is. Nu kan ik niet eens in mijn eentje een fles wijn kopen!) Een paar weken, maakte ik mezelf wijs in het vliegtuig. Een paar weken om te besluiten wat ik wil met Simon en de baby. Ik was niet van plan om er te blijven. Als ik had gedroomd van reizen naar verre landen was dat altijd naar tropische oerwouden van Zuid-Amerika, Afrika, Zuidoost-Azië. Ik had nooit verlaten woestijnen voor me gezien, waar alleen maar vergulde hotels uit de grond schoten. Maar de levensstijl was heel verleidelijk, en de liefde kan op zich ook een oerwoud zijn. Weken werden maanden, maanden werden jaren, de tijd glipte tussen mijn vingers door als water in een palmbladvormig zwembad, serieus.

Er is een verschil tussen de tijd hier en de tijd daar. Hier ben je je er altijd van bewust hoe weinig tijd je hebt, hoeveel daarin gedaan moet worden. Daar lette je nooit op de tijd – tot hij voorbij was.

Ik probeer Simon nogmaals te bellen, ook al weet ik dat ik weer te horen krijg dat het toestel uitgeschakeld is. Ik zou er intussen aan gewend moeten zijn, maar het gevoel dat hij niet te bereiken is frustreert me nog steeds, zelfs na al die jaren waarin we niet altijd bij elkaar waren. Daardoor kwam het dat we uiteindelijk terug hierheen moesten. Dubai kan leuk zijn, maar niet voor een vrouw die er alleen zit met een kind, zoals de helft van de tijd bij mij het geval was.

Elk jaar als Sadie en ik met kerst teruggingen naar Derbyshire waar we bij Emma en haar kinderen logeerden (zo raar om Simon achter te laten voor zijn werk, ook al merk je daar praktisch niets van kerst en zei hij altijd dat het sowieso één grote commerciële zooi was), vroeg ik me altijd af waarom ik daar bleef wonen. Er kwam vrijwel niets creatiefs meer uit mijn handen. De hitte – alsof je je leven doorbracht onder een droogkap – zuigt elke motivatie uit je weg. Simon zat trouwens toch de helft van de tijd in Londen, dus waarom zouden we daar niet weer gaan wonen? Dan kon ik in elk geval weer aan het werk, en Sadie zou een andere toekomst krijgen als ze niet meer naar die waardeloze internationale school hoefde. Ik geloofde toen zelfs dat ze door de overstap minder lastig zou worden (niet lastig, maar ‘confronterend’ – Jules zegt dat ik anders moet gaan denken), maar daar wil ik niet te veel bij Simon over klagen. Hij was er heel erg op tegen om terug te gaan. We wisten dat het een flinke duit ging kosten – de huur van zijn appartement in Dubai betalen en daarnaast een flat in Londen kopen zou niet gemakkelijk zijn, en natuurlijk deed het feit dat de huizenmarkt daar instortte er ook niet veel goed aan. Ik wil geen ‘ik zei het toch’ horen als ik over Sadies buien ga klagen.

Nu we bijna twee jaar terug zijn is het alsof die veertien jaar in het buitenland nooit hebben plaatsgevonden, het is als een nieuwe huid over een wond die daaronder nooit meer te zien is. Zelfs Sadie, die daar haar hele leven heeft gewoond, vindt het moeilijk te geloven dat het niet slechts een droom was. Het is verbazingwekkend hoe snel ze zich heeft aangepast aan Londen – de kleren, de manier waarop ze praat. Wat zijn kinderen toch kameleons. Het enige wat ik aan Dubai mis is het geld. Het valt niet mee om te wennen aan financiële zorgen als geld jarenlang geen probleem is geweest. Het helpt ook niet dat Simon en ik geen spaarzame types zijn. Zodra we geld hebben, geven we het uit. Toen Simon vijftig werd, gaven we een knalfeest in Dubai. En de flat hier kost heel wat meer dan we hadden berekend, maar zodra ik die hoge kamers en die kroonlijsten in de zitkamer zag, werd ik er verliefd op. En toen ook nog dat atelier in de tuin...

Nee. Ik ga nu niet aan geld denken. ‘Als je een negatieve gedachte hebt, moet je die uit je hoofd trekken zoals je een wenkbrauwhaar uittrekt,’ zei Jules laatst tegen me. Jemig, dan zou ik geen wenkbrauwen meer overhebben! Dan zou ik ze net als Anya op mijn werk met een potloodje moeten tekenen.

We wonen in een van de meest schizofrene straten van Londen, met grote, oude victoriaanse huizen, opgedeeld in appartementen, vlak naast lage, blokkerige jarenzestighuizen met akelig kleine raampjes en betonnen voortuintjes. Als ik het brede pad op loop dat naar onze voordeur leidt (nog steeds dichtgetimmerd, ook al is die inbraak al maanden geleden. We moeten de vereniging van eigenaren bellen met een klacht. Dat mag Simon doen), stel ik me voor hoe het zou zijn om het hele huis te bezitten in plaats van alleen de benedenverdieping. Zo’n honderd jaar geleden werd het hele pand door slechts één gezin bewoond. Op de bovenverdieping, waar dat nieuwe jonge stel pas is ingetrokken, woonde het bedienend personeel. Vreemd om te bedenken dat je letterlijk tussen historie woont. Dat heb je niet in Dubai in die torenhoge stalen flats en kille appartementencomplexen.

Maar vandaag is daar allemaal geen tijd voor. De gemeenschappelijke hal is smerig en ligt bezaaid met folders van fastfoodketens en Indiase afhaalrestaurants. Er ligt een stapel post op de onderste tree van de gestoffeerde trap die naar de drie etages erboven voert, maar ik neem niet de moeite om die door te nemen. Het enige wat we ooit toegestuurd krijgen zijn rekeningen, en die kan ik vandaag missen als kiespijn. Van alles wat met geld te maken heeft raak ik in paniek, dat is altijd al zo geweest. Voordat ik Simon leerde kennen, toen ik nog op de kunstacademie zat, speelde ik het klaar om me zo in de schulden te werken dat mijn bankmanager me in zijn bijzijn mijn creditcards liet doorknippen. Ik weet nog hoeveel moeite het me kostte om mijn gezicht in de plooi te houden. Het was net alsof ik weer op school zat en in het bijzijn van de directeur werd uitgefoeterd. Dat was in de tijd dat bankmanagers nog mensen waren, geen computers of loonslaven in een callcenter in Glasgow of Delhi of waar dan ook. Simon is met geld al niet veel beter dan ik, maar hij beheert in elk geval onze gezamenlijke rekening, en ook die van hem. Ik hoef alleen die van mezelf bij te houden, maar zelfs dat is me soms te veel. Meestal modderen we voort, maar af en toe zegt Simon: ‘Tijd om de broekriem aan te halen.’ (Ik vind het vreselijk als hij die uitdrukking gebruikt – net alsof hij stokoud is!) Op dit moment zitten we in die ‘broekriemfase’. Ik ben hopeloos in het aanhalen van de broekriem. Wij allebei eigenlijk.

De deur van onze flat is achter in de gemeenschappelijke hal, links van de trap. Binnen is de smalle gang in duisternis gehuld, wat betekent dat Sadie nog niet thuis is, wat me tegelijkertijd ongerust en opgelucht maakt. Ongerust omdat het halfzeven is en ze verdomme al thuis had moeten zijn, of me in elk geval had kunnen laten weten waar ze is (ze is pas zestien – niet zesentwintig zoals ze graag denkt). Maar ook opgelucht omdat ik nu niet op eieren hoef te lopen. Hopelijk is Simon terug als ze thuiskomt. Als hij er is doet ze nooit zo weerspannig. Het is waarschijnlijk iets tussen moeders en dochters. Sadie is echt een vaderskind.

Als ik het licht in de gang aandoe zie ik een explosie van kleur, als van vuurwerk, niet alleen vanwege de bruinoranje muren, maar ook door de mengelmoes van schilderijen, een paar van mezelf maar de meeste van Sadie die ze als kind heeft gemaakt, en van de foto’s en gekke vakantiekaarten van vrienden en van tentoonstellingen die we door de jaren heen bezocht hebben. De vloer bestaat uit kale planken, maar daarop ligt een lang, dun, enigszins versleten kleed met strepen in allerlei kleuren. ‘Jullie gang heeft de kleur van geluk,’ zei Emma’s jongste een keer toen ze op bezoek was. Dat ben ik nooit vergeten. De kleur van geluk.

Ik zet de boodschappen neer en loop door naar de badkamer achter in de flat om snel even te douchen, maar natuurlijk doe ik er langer over dan zou moeten, met heerlijk geurend badschuim dat me doet denken aan mijn zus Emma, die een badkamer vol dure, ongeopende flessen badolie en bodylotion heeft die ze voor kerst en haar verjaardag heeft gekregen, maar die op een ‘gelegenheid’ wacht om ze te gebruiken. Ze heeft ook ‘zondags’ bestek, jemig. ‘En als je morgen door een bus wordt overreden?’ vraag ik haar. ‘Voordat je de kans hebt gekregen om al die spullen te gebruiken?’ Maar ze snapt het niet. Ze zegt dan: ‘Als ik word overreden door een bus, is dat gewoon mijn lot.’ Ik ben dol op Emma, maar ik hoop echt dat ik nooit zo word als zij. Drie prachtige kinderen en een liefhebbende, zij het niet woest aantrekkelijke, echtgenoot, en evengoed staat ze zichzelf geen geluk toe – ze gunt zichzelf nooit dingen die haar plezier doen, ze ziet altijd overal de keerzijde van.

Als Simon weg is, besteed ik nooit veel aandacht aan mijn lichaam, maar nu streel ik het alsof ik het opnieuw ontdek. Hallo buikje! Hallo gladgeschoren benen! Het is altijd fijn om me voor te stellen dat mijn handen de zijne zijn en te voelen wat hij dan voelt. Het is een hele schok om weer te beseffen dat ik een lichaam heb na twee weken alleen in mijn hoofd te hebben geleefd.

Als het water lauw wordt, wikkel ik me in een handdoek en schiet de slaapkamer in, in de hoop dat niemand me ziet. Onze slaapkamer kijkt uit over ons gedeelte van de achtertuin, die nu voor het grootste deel in beslag genomen wordt door het multifunctionele atelier. In de zomer is er geen probleem omdat de bomen achterin het zicht blokkeren voor de bewoners erachter, maar het is nu september en de blaadjes vallen, en ik ben een beetje achterdochtig omdat we beneden wonen en zo. De slaapkamer heeft een heel hoog plafond, wat ik prachtig vind, maar hij is niet groot en het kingsize bed neemt de meeste ruimte in beslag. Gisteravond kwam ik er eindelijk toe om het bed te verschonen, mijn minst populaire huishoudelijke klusje. Probeer maar eens een hoes om een kingsize dekbed te krijgen als je een meter vijfenvijftig bent! Als ik me op de frisgewassen kussenslopen werp ben ik blij dat ik de moeite heb genomen. Schoon beddengoed heeft iets helends. En dit zijn mijn favoriete hoezen: felroze blokken met gele bloemen. Alsof je onder een poster van Warhol slaapt. Vanaf hier heb ik een perfect uitzicht op het schilderij aan de achterste muur – een naakt van mij, gemaakt door een medecursist op de academie, dat Simon per se mee wilde nemen uit Dubai. Sadie vond het vroeger prachtig – ‘Mammie blote billen,’ zei ze altijd. Nu vindt ze het natuurlijk alleen maar ranzig.

Mijn handtas staat op het matras naast me en ik voel me enigszins schuldig als ik het pakje eruit haal. Tada! Een nieuw slipje! Dat heb ik vandaag tijdens mijn lunchpauze gekocht. Ik weet dat ik dat niet had moeten doen (kijk- en luistergeld!) maar ik kon er geen weerstand aan bieden. Het is per slot van rekening maar ondergoed, niet een paar nieuwe schoenen of een jurk of zoiets. Het aantrekken van een nieuw slipje heeft iets speciaals, vooral als het een zwartzijden gevalletje is met roze stippen en een dito strikje achterop, gewikkeld in vloeipapier, van een winkel die iets heel anders is dan M&S, waarin je je onmiddellijk sexy voelt, en maar goed ook, want Simon en ik hebben heel wat in te halen!

Maar het gaat niet echt om seks – nou ja, niet alleen. Elke keer als Simon na zo’n periode thuiskomt, heb ik bijna het gevoel dat ik hem terug moet winnen. Ik weet dat dat idioot klinkt (toen ik het tegen Jules zei, vond ze het ‘ziek’), maar ik kan er niets aan doen. Ik voel me pas ontspannen als we met elkaar naar bed zijn geweest, zoiets als een hond die zijn territorium markeert. Soms denk ik dat het komt doordat ik nog zo jong was toen we elkaar leerden kennen. Ik was nog maar net de puberteit ontgroeid waarin ik mijn naam in boeken en alles wat ik in handen kreeg schreef. (Ik heb gezien dat Sadie dat ook doet, altijd heel netjes, in tegenstelling tot hoe ze normaal schrijft. Ik denk dat het typisch iets van meisjes is.) Aangezien ik de jongste van drie zusjes ben, was er bij ons thuis weinig te vinden waar niet iemand anders al zijn naam in had geschreven, dus was het extra belangrijk voor me. Ik had zelfs een speciale pen – een blauwe fineliner – en ik had van tevoren geoefend om zo mooi mogelijk te schrijven. Misschien doe ik dat nu ook met Simon – schrijf ik mijn naam weer overal op hem. Ik hoop dat hij niet afgepeigerd is, zoals soms na een zware opdracht. Daar heb ik vreselijk de pest aan. Het herinnert me aan ons leeftijdsverschil van vijftien jaar, waar ik net zo min aan moet denken als aan pensioenregeling en levensverzekering.

‘Straks eindig je nog als zijn mantelzorger,’ bracht mijn moeder vriendelijk te berde toen ik haar belde om te bekennen dat we getrouwd waren op een strand in Goa, met alleen een paar pasverworven vrienden als getuigen. Ook iets wat mijn moeder stoorde. ‘Waarom konden jullie niet als normale mensen in een kerk trouwen?’

Ik heb echt geprobeerd uit te leggen dat Simon ooit verloofd was geweest met een vrouw die zoveel toestanden had gemaakt over een verrekte bruiloft dat hij die voor altijd had afgezworen. Dat is deels waarom hij zo opgelucht was dat hij mij leerde kennen, omdat ik nooit zo’n meisje ben geweest dat droomde over ‘de prachtige witte jurk’. Ik heb het altijd fijn gevonden om leuke dingen te hebben, maar op een echtgenoot ben ik nooit uit geweest, zelfs niet een leuke. Bruidsmeisje zijn bij het huwelijk van mijn zussen vond ik genoeg, vooral toen dat van Jules binnen anderhalf jaar strandde – ze was nog bezig de lening voor de jurk af te betalen toen ze die rottige scheidingspapieren tekende. Ik kan me niets ergers voorstellen dan me druk maken over de tafelschikking, en of de bloemen van de bruidsmeisjes niet vloeken bij de sjerp van de bruidegom. We waren waarschijnlijk helemaal niet getrouwd als we niet in Dubai hadden gewoond, waar een buitenechtelijk kind krijgen echt geen optie is.

Nu Sadie wat ouder is, kan ik natuurlijk wel begrijpen waarom mijn moeder zich zoveel zorgen maakte. Als je kinderen klein zijn, denk je dat je ze grootbrengt om ze hun eigen keuzes te laten maken, maar geleidelijk besef je dat je daarmee eigenlijk de juiste keuzes bedoelt, jóúw keuzes.

Ik zou willen dat mijn moeder nog had mogen meemaken hoe gelukkig Simon en ik zijn. Niet dat we geen mindere tijden hebben gekend, en een paar vreselijke ruzies – vooral in het begin toen ik zo onzeker was omdat hij steeds weg was en ik constant wilde horen dat hij niet naar een ander op zoek zou gaan als hij zich eenzaam voelde. Maar over het algemeen zijn we gelukkig en het doet me verdriet dat mijn moeder dat niet heeft mogen meemaken. Soms vraag ik me af of je dat het meest mist als iemand doodgaat, niet zozeer de persoon zelf als wel de dingen die ze nooit zullen weten over wat er met jou en je leven gebeurt. Dat je iemand wordt die zij nooit meer meemaken.

Zo af en toe komt het bij me op dat Simon en ik hier opnieuw zouden kunnen trouwen, een echt huwelijk, in een kerk. Ik zou graag een groot feest willen met al onze vrienden, mijn vader en mijn zussen, en Sadie natuurlijk, maar het is niet echt belangrijk. Toen we elkaar pas kenden, waardeerde Simon het dat ik zo weinig conventioneel was in vergelijking met zijn ex-verloofde Selina. Zelfs haar naam is truttig! Blijkbaar was ze vreselijk onzeker en statusgevoelig, en ontzettend bezitterig. Ik zal nooit begrijpen wat hij met zo’n vrouw moest. Ook al heeft hij jaren voordat wij iets met elkaar kregen al met haar gebroken, ik heb altijd mijn best gedaan om alles te zijn wat zij volgens mij niet is – ook al moet ik toegeven dat ik me soms heb moeten inhouden.

Zoals bij dat nieuwe contract dat hij kreeg toen we pas weer in Londen waren, waardoor hij nu even lang weg is als voor die tijd. Ik mag niet echt klagen, omdat ik weet dat hij het alleen doet om die verhuizing te kunnen betalen en omdat de handel in Dubai zo waardeloos was. En aangezien Selína daar vast een enorme heibel over zou hebben gemaakt, moest ik proberen er niet moeilijk over te doen. Nou ja, zo min mogelijk dan.

Maar goed, het enige positieve aan het feit dat hij steeds weg moet, is zijn terugkomst! Hij kan elk moment hier zijn.

Mijn telefoon gaat op het moment dat ik de eieren in de pan doe. Ik heb Adele op het hoogste volume gezet, dus ik moet mijn oren spitsen om te horen wat de onbekende stem te zeggen heeft.

‘Lottie? Met Chris.’

‘Chris wie?’

Ik vervloek mezelf al omdat ik heb opgenomen. Het enige wat ik wil is dat die verrekte Spaanse tortilla voor Sadie klaar is. (Wanneer zal ze ooit die vegetarische fase ontgroeien?) Simon en ik bellen later wel een bezorgdienst. (Soms zou ik willen dat ik zo’n vrouw was die zelf een heerlijke welkomstmaaltijd in elkaar kan flansen, maar ja, flik dat maar eens na een dienst van acht uur! Gelukkig vindt Simon het geen punt. Hij noemt me zijn niet-huishoudelijke godin. ‘Gelukkig is ze goed in bed, anders zou ik haar weg moeten doen,’ grapte hij de laatste keer dat ik een etentje voor vrienden in elkaar probeerde te draaien – risotto die eruitzag als behangplaksel en ook zo smaakte.)

Mijn ongeduld moet duidelijk te horen zijn, want de stem aan de andere kant van de lijn klinkt nu strak en scherp als een mes.

‘Griffiths,’ zegt hij. ‘Weet je het weer?’

‘O hemel!’

Ik ben zo verbaasd dat het er snerpend uitkomt. Wat moet Chris Griffiths in godsnaam van me! Ik heb hem in geen honderd jaar gezien. Ik begin zoals altijd als een dwaas te bazelen om te verdoezelen hoe opgelaten ik me voel, maar hij onderbreekt me op een toon die nu nog strakker en ongemakkelijker klinkt. Ineens zie ik hem weer voor me, in de deuropening van mijn oude flat, van het ene been op het andere wippend, en ik heb medelijden met hem. Hij voelde zich altijd zo slecht op zijn gemak in gezelschap.

‘Ik heb je zus Emma gevonden, via Facebook nota bene,’ zegt hij, en door de manier waarop hij dat zegt lijkt het alsof Facebook iets buitenaards is. ‘Ze heeft me jouw nummer gemaild. Ik wilde alleen even zeggen hoe erg ik het voor je vind. Van Simon, bedoel ik.’

De telefoon zit onhandig onder mijn kin geklemd en ik hoor de olie nog steeds nijdig in de pan sputteren. Ik denk erover het geluid zachter te zetten, maar mijn iPod-dock staat buiten bereik op tafel te balanceren op een stapel schoolboeken van Sadie. Het is hier een puinhoop. Grappig dat je in de rotzooi kunt wonen zonder dat je het doorhebt, maar als er dan iets gebeurt wat je uit je gewone doen haalt, zoals een ex-vriend die onverwacht opbelt, zie je ineens allerlei dingen die je anders nooit opmerkt. Zoals lege pizzadozen op de stoel en alle spullen voor de recycling die op het houten werkblad naast het aanrecht opgestapeld liggen.

‘Wat bedoel je?’

Het is heel raar, maar ik voel ineens overal prikkelingen, alsof een verdovend middel zich door mijn lichaam verspreidt.

Chris klinkt nu nog ongemakkelijker, als dat al mogelijk is. ‘De eigenaar van het tijdschrift waarvoor Simon en ik jaren geleden hebben gewerkt, stuurde vanochtend een mailtje rond met de mededeling dat Simon... Nou ja, dat hij... je weet wel... overleden is. Ik weet dat we niet de beste vrienden waren, maar ik was echt... ik bedoel, ik ben echt... ik vind het heel erg.’

De olie in de pan maakt nu heel veel lawaai en ik zet afwezig het gas uit terwijl ik probeer wat ik heb gehoord tot me door te laten dringen. Kennelijk is er sprake van een gruwelijke vergissing, maar dat vreselijke woord ‘overleden’ dreunt na in mijn hoofd zodat ik me nergens op kan concentreren.

‘Ik heb geen idee waar je het over hebt.’

Is dit een foute grap? Chris Griffiths was altijd al een beetje een rare. Ik probeer te bedenken of hij dit grappig bedoeld kan hebben, maar er ontstaat een akelige zwarte wolk achter in mijn hoofd en de prikkelingen worden erger.

‘Simon is op weg naar huis. Hij kan hier elk moment zijn. Hij is weg geweest.’

Maar in mijn gedachten hoor ik steeds de boodschap ‘dit nummer is momenteel niet bereikbaar’ die ik steeds hoorde als ik hem probeerde te bellen.

‘Zijn telefoon staat vaak uit als hij weg is,’ voeg ik er ten overvloede aan toe, omdat ik wil dat Chris Griffiths gewoon ophangt zodat die enge zwarte wolk uit mijn hoofd verdwijnt.

‘Hoor eens, Lottie, ik weet niet wat er gebeurd is. Als ik het mis heb spijt me dat heel erg, maar die e-mail was heel duidelijk. Er stond zelfs informatie in over de begrafenis morgen. O god, wat is dit verschrikkelijk.’

‘Nou, neem dan contact op met degene die die afschuwelijke mail heeft verstuurd en zoek uit wat daarvan de bedoeling was. Het is duidelijk een misverstand, of een stomme grap, maar zeg maar dat ze voortaan eerst de feiten moeten checken.’

Als ik het toestel uitzet, voel ik ineens hoe warm en plakkerig mijn rechterhand is. Dan zie ik helder vocht tussen mijn vingers door druppelen. Ik kijk als gehypnotiseerd naar de restanten van het ei dat ik nog in mijn hand heb.

O god. O god, o god, o god. Er ligt nu een plas gelige eierstruif op de houten keukenvloer. Als ik me daarop richt, kan ik alle andere gedachten verdringen.

Waar is de inhalator voor mijn astma? Waar? Godzijdank. Indrukken en inhaleren. Ademen. Ademen.

Ik moet met iemand praten. Ik moet een geruststellende stem horen die zegt dat Simon is waar hij hoort te zijn, en doet wat hij hoort te doen. Maar zelfs terwijl ik als een gek door mijn lijst met contacten scrol, besef ik dat niemand dat kan. Simon werkt vrijwel alleen in Dubai, dus ik kan geen collega’s van hem bellen, en de vrienden die we hier hebben, zijn van ons samen. Zoals de meeste mannen is Simon slecht in het onderhouden van contact op afstand, en zijn ouders leven allebei niet meer, dus daar heb ik niets aan. Ik voel de paniek toenemen. Als ik hier blijf staan kijken naar die eiertroep op de grond, explodeer ik straks nog.

Uit wanhoop bel ik Jules, maar als ze met die onzin uit zelfhulpboeken aankomt hang ik op, dat zweer ik.

‘O nee, lieverd, wat vreselijk.’ Haar stem schiet uit van schrik en verontwaardiging. ‘Maak je geen zorgen, bij Chris Griffiths zat altijd al een steekje los. Ik weet zeker dat Simon elk moment bij je naar binnen loopt. Je moet gewoon vertrouwen hebben, schat.’

Ik ben blij dat ik heb gebeld. Natuurlijk is het een vergissing. Ik ben soms zo stom, ik geloof altijd alles terwijl ik eerst eens rustig moet nadenken.

‘Ik heb wel vertrouwen,’ zeg ik, want ik wil haar niets vertellen van die zwarte wolk achter in mijn hoofd of van mijn bonkende hart. ‘Ik zou het weten als er iets met hem was gebeurd. Diep vanbinnen zou ik dat voelen.’

‘Natuurlijk, schat. Jullie hebben zo’n fantastische band, iets in je zou het je hebben gezegd als hij... er niet meer is. Blijf positief denken.’

Ineens hoor ik piepjes. Nog een telefoontje. Simon – eindelijk! Mijn hart springt op en ik breek het gesprek met Jules abrupt af.

‘Hallo?’ roep ik. ‘Simon?’

Maar het is niet de man naar wie ik verlang.

‘Nee, sorry. Met Chris nogmaals.’

Zijn stem klonk altijd al zo nerveus en trillerig. Ik moet daar niets uit opmaken. Zo is hij altijd geweest.

‘Luister, Lottie, ik weet niet hoe ik je dit moet vertellen. Ik zou er heel wat voor overhebben als het niet hoefde. Maar ik heb Bill gesproken, die de e-mail stuurde. Hij zegt dat er absoluut geen sprake is van een misverstand. Ik vind het heel erg, maar het lijkt erop dat Simon echt... god, wat is dit verschrikkelijk. Hij is echt... dood.’

Mijn hoofd schudt al voordat hij is uitgesproken. Stommeling. Chris Griffiths was altijd al een stommeling en altijd al jaloers op Simon. Hij heeft hem die toestand nooit vergeven. Echt iets voor hem om het bij het verkeerde eind te hebben. Dat kon je wel aan hem overlaten.

‘Dan zou ik het weten. De politie zou het me hebben verteld. Iemand zou het lichaam moeten identificeren. Iemand zou de begrafenis moeten regelen. Het is onzin wat je zegt. Ik weet niet waar je die onzin vandaan hebt. Ik zou het gehoord moeten hebben.’

Chris maakt een geluid dat het midden houdt tussen een kreun en een kreet, en om de een of andere reden haat ik hem erom.

‘Ik zal je de gegevens over de begrafenis sturen. Wat is je e-mailadres?’

Tot mijn eigen verbazing hoor ik me braaf mijn e-mailadres opdreunen alsof er geen afgrijselijke tsunami in me kolkt die me overspoelt.

‘Ik mail je meteen. O god, Lottie, je moet geloven hoe erg ik...’

Maar zijn medelijden ligt in het gebarsten ei en ik lig nu op mijn knieën te kijken hoe de dooier in de stof van mijn spijkerbroek dringt en ik probeer mijn gedachten een voor een af te sluiten zodat ik niet hoef te denken aan wat hij heeft gezegd. ‘Hij heeft het mis,’ herhaal ik als een mantra. ‘Hij heeft het mis, hij heeft het mis, hij heeft het mis.’ Simon komt terug uit Dubai. Hij zit nu zelfs in een taxi op weg hierheen. Hij heeft waarschijnlijk intussen al het levensverhaal van de chauffeur gehoord – vreselijk, die dwangmatige gewoonte om volslagen vreemden van alles te ontfutselen.

Ik heb geen idee hoe lang ik zo zit, maar op een bepaald moment gaat de deurbel en op de drempel laat ik me in de armen van Jules vallen, zodat we bijna samen omvallen. ‘Hij heeft het mis,’ vertel ik haar. ‘Hij heeft het mis, hij heeft het mis, hij heeft het mis.’

En nu opent Jules mijn mailprogramma, haar vuurrode haar valt voor haar ogen als ze het berichtje van Chris Griffiths opent. Er zit een begrafenisaankondiging bij en de naam Simon Busfield springt eruit naar voren als iets engs in een horrorfilm. Er staat ook een krantenberichtje bij. Fragmenten dringen zich als granaatscherven in mijn nevelige brein. ‘Verdronken... De politie doet nog onderzoek...’

Ik breng het geluid voort dat koeien laten horen als ze bang zijn, en nu komt Sadie binnen en Jules probeert haar uit te leggen wat er gebeurd is en waarom haar moeder loeit als een koe. Ik kijk naar het gezicht van mijn dochter, Simons gezicht, dat ontzet kijkt en nu staar ik naar de benige ruggengraat in haar T-shirt als ze over het kleed heen buigt, met schokkende schouders, kokhalzend. ‘Het is een misverstand,’ zeg ik tegen haar als Jules wegrent om een doek te halen, maar diep vanbinnen weet ik dat het niet zo is. En plotseling ren ik als een gek de flat door, op zoek naar Simon in elke kamer. In het atelier laat ik me op de houten vloer vallen en krimp in elkaar als een ziek vogeltje. Eindelijk laat ik de zwarte wolk over me heen komen. Ik wacht tot Simon komt om te zeggen dat alles goed komt.

Hij komt niet.