25

Selina

In de fietsenstalling voor de hoofdingang van het ziekenhuis staan wat mensen, alleen of in groepjes, allemaal in pyjama en pantoffels of in zo’n ziekenhuishemd te roken. Sommigen hebben een arm of been in het gips, een paar staan met een infuusstandaard. Eén zit er in een rolstoel met een metalen brace in zijn hoofd. Als ik snel langs hen loop kijken ze naar mij alsof ik de vreemde eend in de bijt ben, met mijn jas en mijn panty en mijn suède knielaarzen.

Wat doe ik hier?

Ik heb me die vraag steeds opnieuw gesteld tijdens de eindeloze rit naar Archway. Die verdomde wegwerkzaamheden. Die verdomde Olympische Spelen. Al die ellendige maanden en jaren om Londen een glanzend aanzien te geven, als een arm meisje in een designerjurk die ze zich amper kan veroorloven dat hoopt dat haar versleten tas en schoenen haar niet verraden.

Het telefoontje overviel me, moet ik eerlijk zeggen. Ik had geen tijd om doordacht te reageren. Wat een schok. Ik kon niet gewoon denken.

‘Spreek ik met Selina Busfield?’ Een vrouwenstem die ik niet kende.

‘Ja-ah,’ zei ik langzaam. Na alles wat er is gebeurd ben ik op mijn hoede als ik stemmen hoor die ik niet ken, bang voor het nieuws dat ze misschien brengen.

‘Mijn naam is Maggie Ronaldson. Ik ben de vrouw van Greg Ronaldson.’

O jee.

De waarheid is dat ik nooit echt aan Gregs vrouw heb gedacht. Sinds Simons dubbelleven aan het licht kwam en mijn moraal met wortel en tak heeft uitgeroeid, heb ik mezelf wijsgemaakt dat er niet zoiets bestaat als betrokkenheid, monogamie en exclusiviteit, en dat alles wat ik vroeger noodzakelijk achtte voor een relatie helemaal niet klopte. Gregs vrouw – een abstract begrip, behalve dan van die ene foto op Facebook – behoorde tot die nieuwe post-Lottie-werkelijkheid waarin mensen zonder blikken of blozen vanuit het huwelijksbed een hotelbed in springen en niemand daarvan opkijkt. Dus heb ik niet veel aan haar gedacht. Tot ze zich vanochtend meldde. Aan de andere kant van de lijn.

‘Sorry...’ begin ik, maar ze valt me in de rede.

‘Er is iets gebeurd.’ Ze klonk gespannen, maar niet kwaad. ‘Greg is gemolesteerd. Hij ligt in het ziekenhuis. De verpleegkundigen hebben me zijn telefoon gegeven, daarom bel ik je. Je nummer stond erin, plus... een paar sms’jes.’

Onmiddellijk word ik bevangen door schaamte als ik terugdenk aan de sms’jes die Greg en ik elkaar aan het begin van onze affaire (wat een vreselijk smakeloos woord) stuurden, toen ik er nog maar net achter was dat je je emotionele pijn kunt vergeten door je op het fysieke te richten, ook al is het slechts tijdelijk. Het was mijn eerste ervaring met het opschrijven van woorden die ik zelfs nog nooit hardop had gezegd. Simon en ik hebben nooit een erotische vocabulaire ontwikkeld, maar gaven de voorkeur aan communicatie in tal van kleine gebaren, onze eigen seksuele gebarentaal. De berichtjes die ik naar Greg stuurde, hadden me laten schrikken en me een vreemd gevoel van macht gegeven.

‘Hoe bedoel je, gemolesteerd?’ vroeg ik haar terwijl ik weer een opwelling om me te verontschuldigen bedwong. ‘Door wie? Hoe gaat het met hem?’

‘In elkaar geslagen,’ zei ze monter. ‘Niet ver van ons huis. Ik heb geen idee wie het gedaan heeft. Hij is stabiel, maar buiten bewustzijn. Ik vroeg me af of je langs wilt komen.’

Wat?

‘In het ziekenhuis. Ik zit hier alleen en ik kan wel wat gezelschap gebruiken. Dan kunnen we een beetje... kletsen.’

Waarom had ik daarmee ingestemd? Misschien uit een soort zelfkastijding. Natuurlijk had ik nee moeten zeggen. Waar moet ik in vredesnaam met haar over kletsen? Waarschijnlijk wil ze een scène trappen. Al klonk ze niet boos.

En Greg? Arme Greg, in zijn afgrijselijke poloshirt. Maar gemolesteerd?

Daar ga ik, de hoofdingang van het ziekenhuis in. Ik loop langs een oude vrouw die voor de automatische deur op pantoffels in een roze ochtendjas staat, haar witte benen vol paarse spataderen akelig bloot in de februarikou.

‘Hei je een peukie voor me?’ vraagt ze me hoopvol. Haar mond is een zwart gat met niet meer dan twee gele tanden die als grafstenen opdoemen. Ik schud mijn hoofd en loop door naar de derde verdieping, zoals Maggie Ronaldson me heeft uitgelegd.

Ik kan nog terug.

Ik zie mezelf in gedachten omkeren en teruglopen door de gangen waarin een chloorlucht hangt, door de automatische deur, langs de grimassende vrouw in de roze ochtendjas, de auto in, de brug over. Naar huis.

Maar ik loop door. Die brave Selina Busfield, ze doet altijd wat haar wordt opgedragen, wat er van haar wordt verwacht. Maar het is meer dan dat. Wat Maggie Ronaldson ook wil of tegen me zegt, ik verdien niet beter. Ik geloof in straf. Ik geloof in de consequenties dragen. Dit moet ik ondergaan.

Ze zit in een kleine wachtkamer aan een lange gang, precies zoals ze zei. Er staat een automaat in de hoek, er hangen een paar posters die half loslaten aan de muur, en er staan een stuk of zes oranje plastic stoelen.

‘Selina?’ Ze komt overeind, steekt haar hand uit en neemt me taxerend op. ‘Ik weet dat dit heel raar moet overkomen.’ Ze praat alsof ik zomaar iemand ben die ze net heeft ontmoet. En niet de minnares van haar man. Ex-minnares. O god. ‘Weet je, ik wilde met je praten om me te helpen een paar dingen op een rij te krijgen. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.’

Ik merk dat ik mijn hoofd schud en plaatsneem in de stoel die ze aanwijst. Ik keek even naar haar gezicht. Het is een vriendelijk gezicht, een vermoeid gezicht. Mokkabruine ogen met lachrimpeltjes eromheen. Maar lachen doet ze niet.

‘Hoe is het met Greg?’ vraag ik.

Ik wil onmiddellijk mijn woorden terugnemen. Laat haar mijn bezorgdheid alsjeblieft niet voor meer aanzien.

‘Hij heeft een paar gebroken ribben,’ zegt ze. ‘En een verstuikte pols. Maar het ergst is zijn hoofdwond. Hij heeft een schedelbreuk – waarschijnlijk doordat hij op de grond terecht is gekomen toen hij in elkaar is getrapt, volgens de dokter. Ze houden hem kunstmatig in coma om de zwelling in zijn hersenen te laten afnemen. Ze willen niet dat hij zich beweegt, dat kan riskant zijn.’

Ze somt de lijst met verwondingen bijna als terloops op, alsof ze een menukaart voorleest. Wat bizar. Ze praat met me alsof ze blij is dat ik er ben.

Terwijl ze vertelt wat Greg overkomen is, neem ik haar zorgvuldig op. Begin veertig, denk ik. Lang, bruin golvend haar, met hier en daar wat oranjerode highlights en een enkele grijze haar. Een paarse trui, een rok tot op de knie, bruine laarzen met een lage hak. Zo’n verschijning die je in catalogi van bepaalde postorderbedrijven tegenkomt van vrouwen die door een weiland in Schotland lopen met lachende kinderen met felgekleurde laarsjes.

‘Het spijt me vreselijk...’ probeer ik weer. ‘Van die berichtjes en... alles.’ En alles? Mijn hemel. ‘Mijn echtgenoot is namelijk onlangs overleden. Ik was mezelf niet. Ik was gewoon een beetje de weg kwijt. Ik schaam me vreselijk.’

Ze glimlacht bedroefd.

‘Laat maar,’ zegt ze. ‘Jij hebt mij geen plechtige belofte gedaan. Hij wel. Hij is degene die zich moet schamen. Hij is degene die leugens heeft verzonnen om degene van wie hij zou moeten houden om de tuin te leiden. Ik wilde je gewoon zien,’ vervolgt ze. ‘Om te kijken wie je bent, en te vragen hoe lang het geduurd heeft.’

Dus ik vertel haar wat ze wil weten. Ik laat niets achterwege – ik vertel over de bespreking op zijn kantoor, het douchegordijn, die laatste, pijnlijke ontmoeting. Het is echt een opluchting om er eindelijk over te praten, al is het ook gênant. Ze knikt veelvuldig en als ik vertel dat hij zei dat zijn vrouw erg begripvol was, lacht ze zelfs.

‘Ik ga bij hem weg,’ zegt ze abrupt als ik klaar ben met mijn verhaal.

Dat komt door mij!

‘Niet doen!’ zeg ik. ‘Het stelde niets voor. Ik stelde niets voor.’

Ze lacht nu weer en haar gezicht wordt daardoor heel mooi.

‘O, niet vanwege jou, hoor. Nou ja, niet alleen vanwege jou. Er waren er natuurlijk meer. Veel meer voordat jij in beeld kwam.’

Het had me niet moeten verbazen, maar toch voel ik een steek... Wat is het? Toch zeker geen jaloezie?

‘Het is iets pathologisch van hem,’ zegt ze. ‘Dat vreemdgaan. En het ergste is dat ik weet dat hij echt van me houdt, maar dat hij gewoon niet anders kan.’

‘En hou jij van hem?’

Terwijl ik de vraag stel vraag ik me af wat mij – huwelijksontwrichter – het recht geeft, maar ze lijkt het niet erg te vinden.

‘Niet meer,’ zegt ze. ‘Vroeger wel, maar het is alsof hij alle gevoelens heeft opgepakt en uitgeknepen tot er niets meer van over was. Weet je, toen we pas getrouwd waren keek ik altijd graag naar hem. Maar de laatste tijd kan ik dat weke gezicht niet meer zien, kan ik het geluid dat hij maakt als hij eet niet meer horen. Zelfs hier in het ziekenhuis heb ik, in plaats van me zorgen om hem te maken, zitten denken aan alle tijd die ik nooit meer terugkrijg en alle mannen met wie ik gelukkig had kunnen zijn.’

Ze staat op en gaat bij de automaat staan kijken alsof ze nadenkt over wat ze zal kiezen, maar ik zie aan de manier waarop haar blik over de stellingen glijdt zonder iets te zien dat ze nog niet alles heeft gezegd wat ze tijdens haar eenzame wake in het ziekenhuis heeft overdacht.

En dat klopt. ‘Maar het is niet alleen zijn fout,’ vervolgt ze terwijl ze nog steeds in de automaat staat te staren. ‘Hij heeft me vanaf het begin gezegd dat hij een ploert was. Het probleem is dat ik dat opvatte als iets wat mensen soms zeggen om zichzelf interessanter voor te doen. Ik dacht dat er iets waardevols achter school waar ik naar op zoek moest. Maar nu zie ik in dat ik het helemaal mis had. Hij is gewoon alleen maar een ploert.’

Ik blijf een poosje zwijgen. Wat moet ik zeggen? Ik spit in mijn tas naar munten voor twee cappuccino’s uit de automaat – weerzinwekkende, chemisch smakende koffie in plastic bekertjes die zo heet zijn dat je er een papieren zakdoekje omheen moet wikkelen om ze vast te kunnen houden. Moet ik haar nu over Simon vertellen? Een bekentenis als tegenprestatie? Nee, laat ik dat maar niet doen. Dit is haar moment, haar crisis.

‘Er zit een minderwaardigheidscomplex achter,’ zegt ze nu, terwijl ze me zijdelings aankijkt om mijn reactie te peilen. ‘Ik durf te wedden dat jij dacht dat Greg één bonk zelfvertrouwen was, maar dat is hij echt niet. Daarom moet hij steeds proberen zichzelf te bewijzen.’

‘Door het met andere vrouwen aan te leggen?’

‘Ja, en door die zakendeals.’

Zakendeals? Ik neem een slok van mijn cappuccino en vervloek mezelf direct omdat hij nog zo heet is dat ik mijn gehemelte brand.

Maggie Ronaldson kijkt me aan alsof ze overweegt me iets te vertellen.

‘Je man en hij waren ergens bij betrokken,’ zegt ze dan. ‘Ik weet niet precies wat het was, maar ik weet wel dat ze geld van zeer dubieuze types kregen om te investeren in vastgoed in het buitenland. Voor zover ik heb begrepen had jouw man het geld nodig, maar vond Greg het gewoon leuk om mee te doen. Het idee beviel hem gewoon. Tot je man overleed en hij erachter kwam dat het geld verdwenen was.’

Dat vermoedde ik al. Maar nu ik het hoor voelt het even onwerkelijk als een dialoog in een slechte film.

‘Denk je dat die hem gemolesteerd hebben?’ vraag ik. ‘Die dubieuze types?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien, of het was zomaar zonder aanleiding, zoals ik van de politie te horen kreeg.’

Ik staar haar aan en er komt een gedachte bij me op die steeds grotere vormen aanneemt. Als dat Greg overkomen is...

‘Denk je dat dat ook met Simon gebeurd kan zijn?’ flap ik eruit. ‘Dat hij niet is gevallen of gesprongen, maar door iemand is geduwd?’

Maggie haalt nogmaals haar schouders op, onverschillig, en ik zie dat ik haar emotionele grens heb bereikt. Haar man ligt in coma. Haar huwelijk is voorbij. Ze heeft geen geduld over voor de ellende van anderen, voor het leven van anderen.

Maar mijn gedachten gaan met me aan de haal. Dat briefje op mijn voorruit. Al die spam die ik steeds krijg. Is dat allemaal als waarschuwing bedoeld? En als Simon geduwd is, betekent dat dat hij niet zelf voor de dood heeft gekozen. Als mijn man er niet voor heeft gekozen me te verlaten, ben ik misschien toch niet zo’n slechte echtgenote geweest...

‘Wil je even naar hem toe?’ vraagt Maggie Ronaldson ineens. ‘Wil je naar Greg toe?’

Ik weet wel wat ik liever zou doen.

‘Hij ligt even verderop in de gang,’ gaat ze verder. ‘Ik breng je wel.’

Ik volg haar de deur uit. Tja, ik kan moeilijk anders. De vloer is grijs, met stipjes die flonkeren als kristallen.

Greg ligt in een hoog bed midden in de kamer. Dat weet ik doordat zij zegt dat het Greg is, niet doordat ik hem herken. Overal zie ik slangetjes, zijn hoofd zit in een metalen frame. Hij lijkt niet echt op een mens.

O lieve god. Als ik eraan denk dat ik... Met hem...

Er is een verpleegkundige in de kamer die ons breed toelacht als we binnenkomen.

‘Ik zie dat u een vriendin hebt meegebracht, mevrouw Ronaldson,’ zegt ze met een zangerig Iers accent. ‘Wat fijn.’

Ik kan wel door de grond zakken van schaamte. Een vriendin. Ze moest eens weten.

‘We doen het vanmiddag heel goed, nietwaar, Greg?’ zegt de verpleegkundige met een glimlach naar de Slangenman alsof ze het tegen een klein kind heeft. ‘Binnen de kortste keren zitten we weer in de kroeg.’

Maggie Ronaldson staat naast het bed en kijkt naar haar man, haar gezicht verraadt helemaal niets. Sinds wanneer kunnen we allemaal zo goed onze gevoelens verbergen?

‘Ik kan je nu beter met rust laten,’ zeg ik terwijl ik mijn jas aantrek. ‘Red je het wel?’

‘Ja hoor,’ zegt ze. ‘Ik neem aan van wel.’

‘Ik weet het wel zeker!’ valt de verpleegkundige haar bij.

Ik leg een hand op haar schouder. ‘Het spijt me echt heel erg,’ zeg ik.

‘Het spijt ons allemaal,’ zegt ze.

Het spijt ons allemaal. Geen van ons is veilig.