4
Lottie
Fuckerdefuckerdefuck.
Hij is er. Nee, laat het niet zo zijn. Als hij hier is, zal het echt zijn, en het is niet echt. Dat is het niet. Nee!
Vanuit de woonkamer zie ik dat Chris Griffiths voorrijdt, klaar om ons naar Simons begrafenis te rijden. Zo. Het is eruit. Begrafenis. Begrafenis, begrafenis, begrafenis, begrafenis. Belachelijk woord, belachelijk idee. Ik draag de kleren die Jules voor me op bed heeft klaargelegd nadat ze me zachtjes de badkamer in heeft geduwd met de strenge instructies me te douchen en mijn haar te wassen. Het was een opluchting dat ik gedwongen werd, alsof ik weer een kind was. Maar nu ben ik er niet meer zo zeker van.
‘Ik zie eruit als een vod,’ zeg ik als ik naar de lange zwarte jurk kijk met de zware zwarte laarzen en de zwarte mohair bolero.
‘Nou, ik vind het nog steeds volkomen belachelijk dat je gaat,’ zegt Jules, die een zwart jasje draagt dat ik nog nooit heb gezien, met een rand van struisvogelveren. Haar haar heeft in het vroege ochtendlicht de kleur van bloed. ‘Je bent hier helemaal niet toe in staat. Wacht toch tot je je wat beter voelt en we precies weten wat er is gebeurd.’
‘Ik kan niet wachten. Stel dat het waar is? Ik kan het niet laten afweten op zijn begrafenis. Daar hebben we het al over gehad.’
‘Nou, laat Sadie dan thuis. Ik zorg wel voor haar.’
‘Maar ze wil zelf mee. Heb je weleens geprobeerd Sadie iets uit het hoofd te praten?’
Jules weet dat ik daarin gelijk heb, maar ze wil het niet toegeven, ook al zie ik dat ze ook niet wil riskeren dat ik weer hysterisch word. De godganse nacht hebben we vruchteloos geprobeerd – althans, mijn zussen hebben het geprobeerd – erachter te komen wat er met Simon is gebeurd. Al die tijd is Jules erop tegen geweest dat we op de aangegeven tijd en plaats verschijnen die vermeld staan op de rouwkaart die Chris Griffiths heeft doorgestuurd.
‘We moeten eerst met de politie praten. Er is overduidelijk sprake van een afschuwelijk misverstand. Je regelt geen begrafenis zonder iets tegen echtgenote en kind te zeggen. Simon zit waarschijnlijk nog in Dubai, of in Saoedi-Arabië, of in welk godvergeten gat hij tegenwoordig ook werkt.’
Maar tegen de tijd dat ze daarmee begon was het al laat. Het ene telefoontje na het andere – ‘Mijn zwager wordt vermist...’ Maar niemand leek iets te weten, en de mensen die het wel zouden kunnen weten waren niet te bereiken.
Emma ging het al niet beter af in de bouwvallige keuken van haar ruime huis in Derbyshire. ‘Belt u morgen maar terug,’ kreeg ze keer op keer te horen. ‘Morgenochtend kan iemand u verder helpen.’
Maar nu ís het ochtend, en er is geen tijd meer om te zitten wachten aan de telefoon, waar je wordt doorverbonden van de ene afdeling naar de andere. Door het raam zie ik Chris Griffiths zijn portier opendoen. Stop. Niet dichterbij komen. Ik wil niet dat je hierheen komt.
Jules is niet van plan me zonder meer te laten gaan. ‘Ik zie de zin er niet van in, schat. Wat er ook met Simon gebeurd is, als we echt het ergste moeten geloven (en dat doe ik geen seconde) heb je geen formele begrafenis nodig om afscheid van hem te nemen. Dan kunnen we hier in de tuin zelf een plechtigheid houden. We kunnen symbolisch iets begraven en hem gedenken – alleen jij en ik en Sadie – en vergeet niet dat Emma zei dat Ben en zij en de kinderen hier tegen drie uur zouden kunnen zijn. Je hoeft maar te kikken – je weet hoe erg ze het vindt om ergens buiten gehouden te worden. We kunnen ballonnen oplaten met kaartjes met een tekst erop.’
Sadie is intussen binnengekomen en snuift minachtend. ‘Ballonnen,’ zegt ze. ‘Hoe oud zijn we – vijf?’
Ondanks de mist in mijn hoofd besef ik dat Sadie een ultrakort rokje over een zwarte maillot draagt, een wijde trui en schapenleren laarzen. Ze ziet er verschrikkelijk uit. Als ik eindelijk haar gezicht scherp in beeld heb, zie ik een asgrauwe huid en paarse kringen onder haar ogen. Normaal gesproken stopt mijn dochter haar emoties zo diep mogelijk weg, omdat ze het als een teken van zwakte ziet om die te tonen, maar nu staan ze in haar gezicht gegrift, rood en rauw op haar huid als een pas aangebrachte tatoeage. Ik wil sterk blijven voor haar, maar in plaats daarvan barst ik in tranen uit als ik haar zie, sla mijn armen om haar nek en hou haar trui vast alsof die kan voorkomen dat ik val. Ik voel dat ze verstrakt en verstevig mijn greep. Haar magere schouders voelen broos als kippenbotjes en ik ben bang dat ik haar breek.
‘Sadie!’ Ik weet dat ik dramatisch doe, maar ik kan me niet inhouden. ‘Wat moeten we doen?’
Ze rukt zich kwaad los.
‘Hij is niet dood!’ schreeuwt ze op het moment dat de deurbel gaat. ‘Het is een vergissing.’
Ze heeft natuurlijk gelijk. Hij is niet dood. Hij kan niet dood zijn. Dat zou iemand me verteld hebben. Ik moet rustig worden. Ik moet mezelf tijd geven om na te denken.
Ik wil Chris Griffiths echt niet zien. Ik ben niet in staat om wie dan ook te ontmoeten, laat staan iemand die ik al zeventien jaar niet heb gezien. O god, hij heeft zelfs zijn vrouw meegenomen. Ik herinner me vaag dat Jules vertelde dat hij getrouwd was, nadat ze hem afgelopen nacht voor de vierde (of was het de vijfde?) keer aan de lijn had gehad. Maar toen lag ik in puin en hij voelde zich zo verantwoordelijk dat hij er kennelijk op stond ons hier op te halen voor de begrafenis. Maar ik had niet gedacht dat hij zijn vrouw ook mee zou nemen, met haar degelijke kapsel en vormeloze zwarte broek. Ze heeft een rugzak bij zich in plaats van een handtas, en ze staat achter hem doelloos aan de gesp te frunniken. Mijn ogen zijn zo gezwollen van het huilen dat ik het gevoel heb dat ik door twee spleetjes kijk. Twee kleine varkensoogjes.
Hij ziet er totaal anders uit. Hoe heb ik hem ooit knap kunnen vinden? Zijn gezicht is opgezet en pafferig. Wat zei Jules ook alweer dat hij tegenwoordig doet? Lesgeven?
Ineens zie ik in een flashback Chris voor me toen hij achter in de twintig was en we een kortstondige romance hadden. Hij was altijd heel intens, dat weet ik nog. ‘Ik geloof dat ik van je hou,’ zei hij tijdens ons tweede of derde afspraakje. Het was schokkend, en verschrikkelijk gênant. Ik wist niet wat ik erop moest zeggen. Ik was nog maar twintig en helemaal niet toe aan een serieuze relatie (grappig eigenlijk als je nagaat wat er daarna gebeurde). Ik ging alleen maar met hem uit omdat ik kort daarvoor vanuit Derbyshire naar Londen verhuisd was en nog onder de indruk was van iedereen die een flat en een echte baan had. Ik was dus al op zoek naar een manier om van hem af te komen op de avond dat we in een pub in Soho Simon tegen het lijf liepen.
‘Busfield! Niet te geloven – die heb ik al jaren niet gezien,’ zei Chris die avond met zijn blik op een grote, blonde man die aan een tafeltje zat te lezen. ‘Een beetje een lul. We hebben samen bij een tijdschrift voor projectontwikkelaars gewerkt – tot hij zelf projectontwikkelaar werd. Ergens in het Midden-Oosten, geloof ik. Verdient waarschijnlijk een fortuin.’
O god, Simon. De eerste keer dat we elkaar aankeken. Zijn been dat langs het mijne streek toen we twee stoelen aan zijn krappe tafeltje bijschoven. Die verschroeiende hitte als we elkaar aanraakten. Chris voelde dat er iets aan de hand was. Nou ja, een blind paard zou dat nog gevoeld hebben. Ik weet nog dat ik Chris’ arm van me afschudde toen hij die om me heen legde. ‘Hoe gaat het met je verloofde?’ vroeg hij venijnig aan Simon. ‘Selina, was het toch?’ Ik groef mijn nagels in mijn hand toen ik op zijn reactie wachtte en blies bijna opgelucht uit toen hij zei: ‘O, dat is uit. Ik ben al een eeuwigheid single.’
Hij kan niet dood zijn. Dat kan niet. Dat zou ik weten. Ik zou het gewoon weten. Zo’n soort band hadden we. Ik zat een keer te lunchen in een bar aan het strand in Dubai toen ik het akelige gevoel had dat er iets mis was. En toen ik hem belde, stond hij bij het wrak van zijn auto op de E311 te wachten tot het weggesleept werd. ‘Hoe wist je van dat ongeluk?’ vroeg hij steeds. Dus ik zou het nu ook weten als er iets mis was. Er was vast iets met zijn vlucht, uitstel of zo. Hij is teruggegaan naar ons appartement in Dubai en zit achterover in zijn rieten leunstoel met zijn voeten op een bankje te lezen bij het zachte gezoem van de airco. Er is een volkomen logische verklaring voor. Ik moet rustig blijven ademhalen. Het komt allemaal goed.
Chris nam het natuurlijk niet goed op. Dat ik ervandoor ging met Simon. ‘Dus je hebt je laten verleiden door zijn geld,’ zei hij verbitterd. ‘Ik had je hoger ingeschat, moet ik zeggen.’ Mijn argument dat het me niet zou kunnen schelen als Simon straatarm was, hoorde hij niet. Chris wilde niet aanvaarden dat het aan hem kon liggen, dus had Simon het gedaan. Ik was blij dat ik hem niet meer hoefde te zien. En nu staat hij hier in mijn kleurrijke gang. Waar Simon had moeten staan.
‘Ik kan het niet geloven,’ zegt Chris en zijn ogen schieten steeds van mij naar de grond. ‘Na al die tijd... onder deze omstandigheden.’
Zijn vrouw heet blijkbaar Karen. Ze schudt mijn hand alsof we een zakelijke afspraak bevestigen. Mijn hand in de hare voelt slap, alsof hij van een ander is.
De achterbank van de Volvo van Chris zit vol hondenharen.
‘We hebben twee labradors,’ vertelt Karen. ‘Ze moeten eigenlijk in de achterbak, maar ze springen er altijd overheen.’
Ik zit tussen Sadie en Jules ingeklemd. De veren van de jas van mijn zus kietelen steeds tegen mijn neus. Ik krijg het benauwd en hou mijn inhalator in mijn hand geklemd. ‘Het is een vergissing,’ zeg ik hardop alsof de herhaling van Sadies woorden ze waar kan maken. ‘Het is een vergissing.’
Niets voelt echt. Simon kan niet dood zijn.
Maar als hij niet dood is, naar wiens begrafenis gaan we dan?
Selina
‘Josh, je zit op mijn jurk!’
Flora heeft van het comfort van Ryans Ford Mondeo afgezien om plaats te nemen in de begrafenisauto bij haar broertje en mij, maar ik wilde bijna dat ze dat niet had gedaan. Ik verlang naar stilte om mijn gedachten als graszoden op uit te rollen. Maar zij wil praten.
‘Hij is niet goed, hè? Die jurk, bedoel ik. Ik wist het zodra Ryan hem vanochtend zag en zei: “Geeft niet, Flo. Niemand verwacht dat je eruitziet als een supermodel op de begrafenis van je vader.”’
‘Hij is prima,’ zeg ik.
Even blijft het aangenaam stil.
Dan: ‘Josh, jij bent goed in natuurkunde. Waar denk jij dat je energie naartoe gaat als je sterft? Pap had ontzettend veel energie, toch? Waar is die nu?’
Josh haalt zijn schouders op en kijkt opgelaten.
‘Flora, lieverd,’ zeg ik. ‘Toe. Niet nu.’
Als we het parkeerterrein van het crematorium oprijden, valt er een lichte motregen. De bladeren zijn al van de bomen gevallen en liggen kletsnat in troosteloze bruine en oranje hoopjes op het asfalt. Een kort pad leidt naar het crematorium en voor me zie ik al een groepje gasten staan wachten met hun gezicht naar ons toe, als wachtende gieren. Ik wil wegrennen.
‘Verwachten ze dat we iets gaan doen?’ vraagt Felix met een argwanende blik op hen. ‘Zijn wij entertainment?’
Hij is hier zelf naartoe gereden in zijn geliefde lichtblauwe klassieker, een Mercedes met het stuur links, nadat hij mijn moeder heeft opgehaald uit het verzorgingstehuis. Ze schuifelen nu samen over het parkeerterrein en iets in me wordt geraakt, zoals altijd als ik mijn moeder na een tijdje zie en het beeld dat ik van haar heb moet bijstellen naar deze nieuwe verschrikkelijke werkelijkheid.
‘Ze weigerde haar rollator mee te nemen,’ fluistert Felix. ‘Dat vond ze niet “gepast”.’
Mijn moeder is zoals altijd onberispelijk gekleed: een zwarte wollen jurk met een zwart met groen geruit jasje erover. Alles even stijlvol – totdat je haar schoenen ziet. Ik krijg een zure smaak in mijn mond bij het zien van die bolle, misvormde voeten die in de enige schoenen geperst zitten die ze aan kan: speciaal voor haar gemaakte zwartleren monsters met klittenbandsluiting. Als kind vond ik het heerlijk om haar schoenen te passen. Ik herinner me dat ik dol was op een paar lichtroze satijnen exemplaren die ze droeg als ze uitging. Ze waren voor mij het summum van volwassenheid. Mysterie, glamour, feestjes. En moet je haar nu eens zien. Ik kan het niet aanzien.
‘Josh,’ fluister ik, ‘blijf vlak naast oma lopen, anders gaat ze onderuit.’
Ik loop naar mijn moeder om haar te omhelzen. ‘Hallo mama. Hoe gaat het met je?’
‘Tja, dat kan ik beter aan jou vragen, toch?’
Tijdens onze omhelzing voel ik mijn moeders handen op mijn schouderblad als vogelklauwtjes, een gevolg van de artritis die haar lichaam net zo verminkt als de onlangs bij haar vastgestelde dementie haar geest (dubbele aanslag – dubbele vloek).
‘Je bent afgevallen,’ zegt ze, zoals ik al verwachtte. Haar troebele blauwe ogen kijken me medelijdend aan, maar haar stem klinkt scherp. Ze is vergeten hoe je de toon waarop je spreekt moet aanpassen aan de situatie waarin je verkeert. Empathie, een van de laatste sociale vaardigheden die mijn kinderen hebben verworven, lijkt de eerste te zijn die mijn moeder verliest.
‘Ik weet dat dit allemaal heel moeilijk is, schat,’ vervolgt ze, nog steeds op die onverzettelijke toon. ‘Maar ik weet dat je het zult redden. Jij bent iemand die het altijd redt.’
Die het altijd redt. Maar mama, wat als ik dat niet meer wil?
Felix staart onbeleefd naar de in het zwart gestoken bezoekers voor het crematorium.
‘We kunnen maar beter doorlopen,’ zegt hij. ‘De Ondoden worden onrustig.’
Diep ademen. Op de yogamanier. Hoe heet het ook alweer? Pranayama. De Duitse instructrice hatha yoga (gevorderden op de woensdag) kort het af tot Pran, wat me razend maakt. ‘Laten we ons focussen op onze Pran,’ zegt ze dan. Belachelijk mens.
Als we bij de menigte aankomen, wend ik mijn blik af van het mededelingenbord dat naast het pad staat met daarop een foto van Simon en een dienstaankondiging. Ik zie mensen gezichten trekken waar rouw uit moet spreken: de ogen enigszins geloken, de lippen op elkaar geperst alsof er te veel is waar geen woorden voor zijn. Ik zou het moeten weten, ik heb het zelf vaak genoeg gedaan bij andere begrafenissen. Sterfgevallen van anderen. Even ondoorgrondelijk als huwelijken van anderen.
Als we tussen de mensen door lopen, met een glimlachje op ons gezicht geplakt, voel ik me verpletterd door leegte. Kan leegte gewicht hebben? Ik heb geen idee. Het enige wat ik weet is dat de leegte die op me drukt voelt als een tumorachtige massa. Ik kijk naar mijn benen in de laddervrije 15-denier panty en de leikleurige suède schoenen, en verbaas me erover dat ze blijven lopen, het ene been voor het andere, zonder dat ik ze daar bewust toe aanzet. Wat is het menselijk lichaam toch een fantastisch iets – behalve wanneer het voorover in de Theems drijft, met wijd open ogen, starend in het niets.
De dominee staat bij de trap. Plotseling wil ik me omdraaien en hard teruglopen. Laat me niet met hem hoeven praten. Ik wil niet met hem praten.
Hij komt met een uitgestoken hand op me af. ‘Mevrouw Busfield. Mijn innige deelneming.’
Hij begint een gesprek over de uitvaartdienst. Ik wil het niet horen. Ik kijk naar zijn mond, maar het enige wat ik zie is de moedervlek op zijn kaak. Er groeien twee haren uit. Zou het zoveel pijn doen om die twee haren eruit te trekken? Of heeft hij iets tegen ijdelheid? Is ijdelheid een zonde? Vast.
‘Aaaaaaaaaargh!’
Er klinkt een ijselijke kreet. Huiveringwekkend. Als van een dier in de nacht. Iedereen draait zich met een ruk om naar de plek waar het geluid vandaan komt. Er staat een groepje mensen rond het mededelingenbord. Er lijkt iemand geknield op het natte asfalt te zitten, tussen de drijfnatte bladeren. Zij is degene die schreeuwt. Jemig, wat een gedoe!
‘Wie zijn dat?’ Felix is kwaad, ik voel het.
‘Ik heb geen idee,’ zeg ik. ‘Ik heb ze nooit eerder gezien.’
Dan kijk ik nog eens. Die man... hij komt me vaag bekend voor. O god! Nu weet ik het weer – dat is iemand met wie Simon samenwerkte voordat we getrouwd waren. Maar dat moet al bijna dertig jaar geleden zijn. Wat doet hij in vredesnaam hier?
‘Chris Griffiths,’ zeg ik hardop. Ineens weet ik het weer. ‘Hij was redacteur bij dat tijdschrift waar papa eeuwen geleden voor werkte. Hij schreef altijd lange, hoogdravende stukken die nooit iemand las.’
De paar keren dat we elkaar hebben ontmoet deed hij opdringerig en uit de hoogte. ‘Maar wat doe je dan?’ wilde hij weten. ‘Wat is je ambitie?’ Echtgenote en moeder zijn maakte duidelijk geen indruk op hem. Ik kon hem niet uitstaan. Ik wist niet dat Simon contact met hem was blijven houden. Hij had het nooit meer over hem gehad. Maar wie zijn die vreemde vrouwen die bij hem zijn? En waarom zit die ene op de grond? Wat is dit? Opvang voor gekken?
Het schreeuwen is opgehouden en de vrouw wordt overeind geholpen. Ze lijkt in de twintig, en ze heeft een dikke bos zwart haar met pijpenkrullen. Die ‘kijk-mij-eens’-look waar ik nooit aan mee heb kunnen doen. Het lijkt me een kapsel voor vrouwen die hun gebrek aan persoonlijkheid willen compenseren. Hoe dom ben je als je denkt dat je het van je kapsel moet hebben? Er is een jonger, knap meisje bij haar, en een vrouw met afschuwelijk rood haar en een raar ding met veren om haar hals. O, en een vierde vrouw, achter hen, een beetje muizig. Ik herken ze geen van allen. Ik wil alleen dat ze weggaan. Tot nu toe had ik afleiding, maar ineens word ik door mijn verdriet overmand, het zwelt in me op als een ballon die mijn adem afsnijdt, zodat ik steeds even naar lucht hap.
O lieve god, die vrouw met die krullen komt recht op me af. Nu ze dichterbij komt, zie ik dat ze ouder is dan ik dacht. Aantrekkelijk, ondanks die manische trekken, en halverwege de dertig. Eind dertig zelfs. In elk geval te oud om zich te kleden als een studente. Wat wil ze in hemelsnaam? Wacht even, ze komt bij nader inzien niet op mij af, maar op de dominee. O jee, laat haar alsjeblieft geen scène trappen. Daar zit ik echt niet op te wachten.
Lottie
Het komt door die foto. Die foto van Simon: zwart-wit, een professionele opname. Wanneer heeft hij die laten maken? Ik heb hem nog nooit gezien. Hij draagt op die foto een pak en ziet er verantwoordelijk uit, zonder lachje, maar zodra ik hem zie weet ik dat het waar is. Die foto maakt het waar. Die hele nachtmerrie is waar. En ik schreeuw het uit. Ik kan er niets aan doen. Ik val op mijn knieën op de natte grond. O god, ik krijg geen adem. Lucht. Ik moet lucht hebben. Iemand (Sadie? Jules?) drukt de inhalator in mijn hand. Indrukken en inhaleren. Indrukken en inhaleren. Ademen. Ademen. ‘Zo is het goed. Je doet het prima.’
Nee! Dit kan niet. Ik moet iemand vinden die het uitzoekt. Dit kan mij niet overkomen. Ons niet overkomen. Indrukken en inhaleren.
Daar! Daar staat de dominee. Met hem moet ik praten. Hij zal wel weten wat er aan de hand is.
Chris probeert me tegen te houden, zijn hand ligt op mijn arm, maar ik schud hem af. Ik wil niet dat hij me aanraakt met zijn pafferige witte, weke handen. Hij moet me met rust laten. En ik haast me over het pad naar de dominee. Hij staat te praten met een vrouw die eruitziet alsof ze op een tuinfeest is. Blond haar met highlights. Pumps, jezus. Wat zijn dat voor mensen? Wat doen ze hier? Wat hebben ze met Simon te maken? Waar zijn al onze vrienden, de gezichten die ik ken van alle etentjes en vakanties en trouwerijen en feesten van de afgelopen jaren?
Nu ben ik bij de dominee. Godzijdank! Hij kan me helpen. Hij zal vertellen dat het op een misverstand berust. Hij zal het uitleggen. Ik leg mijn handen op zijn armen en klamp me als een drenkeling aan hem vast.
‘Is er iets...?’
Ik val hem in de rede. ‘Wat is er met Simon gebeurd?’ vraag ik. ‘Waarom hebben jullie dit allemaal gedaan zonder me iets te vertellen?’
Ik ga steeds hoger praten omdat mijn bonzende hart de toevoer van zuurstof naar mijn hoofd tegenhoudt. Indrukken en inhaleren. Indrukken en inhaleren. Ademen, ademen.
De dominee, met wijd open ogen achter dikke brillenglazen, doet een stap naar achteren en verliest bijna zijn evenwicht onder mijn gewicht.
‘Maar wie bent u dan?’ vraagt hij dan. Hij heeft een moedervlek naast zijn mond die eruitziet als een insect. ‘Wat is uw relatie met de overledene?’
‘Ik ben zijn echtgenote.’
Selina
Als ik dat ‘echtgenote’ hoor, ben ik niet langer boos op die vrouw maar heb ik met haar te doen.
Wat zal ze zich verschrikkelijk voelen als ze beseft wat een afgrijselijke vergissing ze heeft begaan! Ik voel me opgelaten, maar ineens ben ik opgelucht vanwege de afleiding – de aandacht is nu even niet meer op mij gericht. Ik kijk tactvol de andere kant op als de dominee zegt: ‘Ik ben bang dat hier iets niet klopt. Deze dame hier is namelijk Simons echtgenote. Dít is mevrouw Busfield.’
Nu draai ik me weer naar haar toe om haar geschokte gezicht te zien, maar dan kijk ik toevallig in de ogen van het meisje achter haar. Bam! Mijn hart staat stil. Dat zijn zijn ogen. Dat is zijn gezicht.
Ik begrijp het niet.
Lottie
Ik begrijp het niet.
Waarom zegt hij dat zij zijn echtgenote is? Die oude vrouw met het kapsel vol haarlak en die parels in haar oren? Dit is één grote nachtmerrie. Ik heb een nachtmerrie waar ik niet uit wakker kan worden. Wil iemand me alsjeblieft vertellen wat er aan de hand is?
In mijn wanhoop kijk ik naar de twee jongemannen naast haar. Ik heb geen idee wie dat zijn. Maar die oudste van de twee... Heeft zijn kin niet iets bekends?
Indrukken en inhaleren. Indrukken en inhaleren. Ademen. Ademen.
Selina
Ik kijk niet meer naar dat meisje. Dat is beter. Richt je alleen op die vrouw, die naar Felix staat te staren alsof hij ineens twee hoofden heeft. Maar vanbinnen voel ik een steen die steeds zwaarder wordt.
‘Ik ben mevrouw Busfield,’ zeg ik, en ik herken mijn eigen stem niet. ‘Selina Busfield.’
Nu draait de vrouw zich naar me toe, haar mond vormt een o. Ze staart en staart. En nu ligt ze op de grond en de vrouw met dat afschuwelijke rode haar duwt iets tegen haar mond, ze brengt een afgrijselijk piepend geluid voort, en ik kijk niet naar dat meisje dat Simons ogen heeft. Ik kijk niet. Ik kijk niet. Maar nu staat dat meisje recht voor me dus ik moet haar wel zien en haar gezicht – zijn gezicht – is rood en verwrongen en ze schreeuwt, verschrikkelijk.
‘Jij kunt zijn vrouw niet zijn!’ roept ze. Ze zwaait met haar vinger die ze naar me uitsteekt, de huid rond haar nagel heeft lelijke rafelrandjes. ‘Dat kan niet. Zij is zijn vrouw! Mijn moeder! En ik ben zijn dochter.’
De steen vanbinnen wordt een bom die in duizenden stukken uit elkaar spat.
Boem!
Ik ben kapot.