21
Selina
Een baan.
Serieus?
Toen Hettie me belde en zei dat de school van Josh voor de onderbouw een nieuwe klassenassistent nodig heeft, wees ik dat meteen van de hand. Als ik nadacht over mijn triomfantelijke terugkeer op de arbeidsmarkt, zag ik mezelf altijd iets doen in de pr, of misschien in de journalistiek. Niet als klassenassistent. Maar Hettie zette alle zeilen bij. Ze kwam nog net niet aan met de uitdrukking ‘lieverkoekjes worden niet gebakken’. Dat was niet nodig. Hoezeer ik ook op Hettie gesteld ben, het enthousiasme dat ze aan de dag legde om mij ervan te overtuigen dat ik moest solliciteren, had iets ongepasts. Ik heb gemerkt dat een vrouw zelden meer bezieling aan de dag legt dan wanneer ze een andere vrouw iets wil aanraden te gaan doen wat ze zelf voor geen goud zou doen.
Maar toen ik de nacht voordat het nieuwe schooljaar begon lag te piekeren over geld, of over het gebrek eraan, en dat allemaal in mijn hoofd liet rondtollen in een griezelige dans van lopende rekening naar onbetaalde factuur naar creditcard, besefte ik dat ik niet veel keus had. Een baan op die school zou me een inkomen opleveren, plus een aanzienlijke korting op het schoolgeld van Josh.
Het gekke is dat ik altijd nog eens carrière heb willen maken. Ik weet nog dat ik lang geleden op een feest was waar een vrouw met felroze geverfde lippen me vroeg wat ik deed en keihard lachte toen ik zei: ‘Ik ben huisvrouw.’ Toen Simon en ik thuiskwamen was ik witheet. Felix was toen nog heel klein. ‘Natuurlijk neem ik een baan als hij groot genoeg is,’ zei ik. Maar toen kwam Flora, en daarna Josh. We hadden het huis in Barnes gekocht, dat helemaal verbouwd moest worden, en daarna het huis in Toscane, en het juiste moment leek nooit te komen. ‘Mis je het?’ heeft Simon me een keer gevraagd. ‘Iets buiten de deur, iets wat alleen van jou is?’
Toentertijd voelde ik me door hem aangevallen, veroordeeld. ‘Mijn gezin en mijn thuis zijn alleen van mij,’ zei ik kwaad. ‘Ik kom wel aan mezelf toe als de kinderen groot zijn, maak je maar geen zorgen.’ Maar natuurlijk ging het niet zo. Altijd ging er wel iets voor... en dan weer iets... En nu zit ik hier, op mijn eenenvijftigste, zonder verkoopbare talenten, en naar alle waarschijnlijkheid zonder enige cent.
De waarheid is dat ik niet zo goed met armoe kan omgaan.
Het is het vernederende waar ik de meeste moeite mee heb, dat iedereen het te weten komt. Zoals de mentor van Josh, die ik vlak voor kerst bezocht. We hebben (hadden...) dezelfde hairstylist, dus we hadden altijd een soort band, en ik neem aan dat ze zo begripvol mogelijk was toen ze ermee akkoord ging dat ik het schoolgeld aan het eind van het seizoen zou betalen in plaats van aan het begin. Maar ze maakte me heel goed duidelijk dat ze niet meer voor me kon doen.
‘We zitten midden in een recessie,’ zei ze ernstig, terwijl ze me aankeek tussen de witte aronskelken die in een vaas op haar bureau stonden. ‘Veel van onze ouders werken in de financiële sector en zijn zwaar gedupeerd door wat daar allemaal gebeurd is. Ik zou graag een uitzondering voor u maken, mevrouw Busfield. Ik leef enorm mee met uw... situatie.’ Ze sloeg haar blik neer bij dat woord ‘situatie’, alsof het om iets onbetamelijks ging. ‘Maar als ik een uitzondering voor u zou maken, zou ik een precedent scheppen tegenover al die andere ouders die zich ook in een benarde situatie bevinden, en hoe graag ik ook zou willen, we kunnen het ons simpelweg niet veroorloven om de school met een verlies op te schepen, en het zou de norm omlaaghalen. Dat zult u vast wel begrijpen.’
Dat begreep ik inderdaad. Net zoals ik begrijp dat mijn dure sportschool niet tolereert dat ik achterloop met de betaling van mijn lidmaatschap, en dat mijn particuliere ziektekostenverzekering vervallen is nu Simon niet langer de premie betaalt. Ik begrijp ook dat ik niet meer bij de plaatselijke boetiek langs kan gaan om een paar basisstukken uit de catalogus voor het volgende seizoen te bestellen. ‘Hallo, tijd niet gezien,’ zei Maria, de manager, de laatste keer dat ik toegaf aan de verleiding en mijn hoofd om de deur stak. Ik wist meteen dat ik een fout had gemaakt. Die kleding met die schandelijk hoge prijskaartjes. Een andere wereld, een andere tijd. ‘Sorry,’ zei ik terwijl ik weer naar de deur liep. ‘Ik heb het tegenwoordig zo druk.’
Feit is dat het gat dat is gevallen na Simons dood alles heeft opgeslorpt – mijn huwelijk, status, de levensstijl die ik vanzelfsprekend vond, al het uiterlijk vertoon dat bepaalt wie ik ben.
Gek dat ik mezelf nooit heb beschouwd als rijk, maar gewoon in goeden doen. Nu pas zie ik dat ik veel dingen als vanzelfsprekend beschouwde. Kocht ik echt vers gemalen koffie bij de delicatessenwinkel voor bijna acht pond? Boekte ik vluchten naar Florence zonder eerst te vergelijken wat de goedkoopste aanbieding was, en boekte ik soms op het laatste moment vluchten om tegen hoge kosten omdat er iets tussenkwam? Nu lijkt het absurd dat ik elke avond naar bed ging met geen grotere zorg dan de vraag of ik toch stalles had moeten boeken in plaats van balkon, of behalve die mokkabruine jas ook nog die ivoorwitte had moeten kopen.
Waar is die verkwistende Selina nu? Niet hier. Dit ben ik niet.
De echte Selina, de onbemiddelde Selina van nu zit in het kantoor van Briony North, hoofd van de basisschool die, ook al heb ik haar nog nooit eerder ontmoet, Selina Busfield duidelijk als haar nieuwe missie beschouwt.
‘Hoe heb je het kunnen redden?’ fluistert ze. Ze staat zo vlak achter mijn stoel dat ik haar adem in mijn nek voel als ze een hand op mijn schouder legt.
Dat vind ik het ergst – dat volslagen onbekenden denken het recht te hebben zich op mijn privéterrein te begeven omdat ze iets over mijn leven weten. Wat Simon deed, heeft me tot openbaar bezit gemaakt.
Ik pluk wat aan de plastic map in mijn hand waarin de puntsgewijs opgestelde lijst met mijn vaardigheden zit (ik heb gegoogeld op het jargon van de arbeidsmarkt) plus uittreksels van wetenschappelijke studies die hebben aangetoond dat het runnen van een huishouden vergelijkbaar is met ervaring op de werkvloer. Ik ben op alles voorbereid. Behalve op medelijden.
‘Ach, je kent het wel,’ zeg ik. ‘Ik hou me goed.’
O hemeltjelief. Ik ben veranderd in zo’n vrouw die ‘ik hou me goed’ zegt.
Briony North knikt heftig boven mijn hoofd en pakt mijn schouder nog steviger vast.
‘Natuurlijk,’ mompelt ze.
‘Ik heb mijn cv bij me,’ zeg ik om zo snel mogelijk van onderwerp te veranderen.
‘Laten we eerst even wat babbelen,’ zegt ze, en ze trekt een stoel naast me, zo dichtbij dat ze bijna op mijn schoot zit. ‘Ik wil gewoon dat je weet dat ik – nou, wij allemaal eigenlijk – heel erg met je meegeleefd heb na wat je allemaal hebt meegemaakt.’
Ik hou de map zo stevig vast dat mijn knokkels wit worden. Laat haar in vredesnaam ophouden.
‘Dank je, dat is goed om te horen. Daarom is een baan heel belangrijk voor me. Dat zul je wel begrijpen.’
Bij het woord ‘begrijpen’ knikt Briony alweer – kennelijk een pavlovreactie. Ze heeft roodbruine krullen die op- en neerspringen als ze knikt, waarbij koraalrode oorhangers in de vorm van zeepaardjes onthuld worden.
‘Natuurlijk, natuurlijk.’
Ik herinner me opeens wat Josh een keer over haar zei. Had een vader van een van zijn vriendjes haar profiel niet op een datingsite zien staan? Haar omschrijving was zoiets als ‘Dromen Kunnen Uitkomen’. Ja, ik weet zeker dat zij dat was. ‘Gescheiden, 37, op zoek naar iemand die met me mee droomt, moet van katten houden.’
Nu reikt Briony zakelijk achter zich en pakt een ringband van haar bureau. taakomschrijving klassenassistent staat er gewichtig op het etiket dat er met doorzichtig plakband op is geplakt.
Ze slaat hem open en bladert er monter doorheen, waarbij ze steeds even aan de wijsvinger van haar rechterhand likt. Het is een gewoonte waar ik altijd al een hekel aan heb gehad. Ze stopt bij een bladzijde waar ze haar blik overheen laat dwalen tot een keurig gemanicuurde vinger ergens stopt. Ik zet me schrap voor het serieuze sollicitatiegesprek dat gaat beginnen.
Briony North blijft met haar vinger boven de bladzijde hangen en kijkt me aan.
‘En Josh, houdt die zich ook goed?’ vraagt ze.
Lottie
Ik heb kerst dus overleefd zonder mijn zussen.
Dat zou ik op een T-shirt moeten laten zetten, of op een bumpersticker.
Erg leuk was het niet. Oké, het was verschrikkelijk. Maar we hebben het overleefd. En Jules en Emma hebben het ook overleefd. Jules ging op eerste kerstdag curry eten bij vrienden, en daarna naar een feestje waar ze Hints speelden en elkaar eggnog opdrongen, terwijl Emma en Ben samen een knusse kerst hadden, wat hij volgens mij al jaren wil. En Jules geeft toe dat ze, toen ze tweede kerstdag bij Emma was, minder ruzie met haar had dan anders. Vreemd, hoe familiedynamiek verandert al naargelang de aanwezigen.
Dus dat is allemaal goed gegaan. Waarom voel ik me dan zo afgrijselijk?
Hmm... laat ik daar even over nadenken. Mijn echtgenoot die niet mijn echtgenoot was, is dood. Ik kan mijn huis kwijtraken. Mijn dochter is de weg kwijt.
O ja, en ik ben zwanger.
Zwanger. Het lijkt nog steeds zo onwaarschijnlijk. Ik bedoel, Simon en ik hebben niet echt voorzichtig gedaan, maar we hadden er al jaren niet meer bij stilgestaan dat er nog een kind zou kunnen komen. Ik was er gewoon van uitgegaan dat het niet meer zou gebeuren. Het was in elk geval niet iets waar ik op uit was. Maar ook al wil ik het niet met mijn hoofd, de rest van mijn lichaam laat er geen twijfel over bestaan. De misselijkheid is al begonnen, steeds als ik van houding verander komt er een golf omhoog. Toen ik laatst thuiskwam van mijn werk moest ik als een gek de metro uit rennen en met mijn rug tegen de muur van het perron gaan staan met mijn handen op mijn knieën om te voorkomen dat ik zou overgeven. Sinds wanneer staan er geen prullenbakken meer op die perrons? Waarom heb ik nooit eerder opgemerkt dat die verdwenen zijn?
Thuis kruip ik van de ene horizontale positie in de andere – van het bed naar het bad en van het bad naar het bed – waarbij ik mijn lichaam voortsleep als een enorme zak linzen van de groothandel. Ik heb geen energie, ik kan mijn ene been niet voor het andere krijgen. Ik word zo’n trage vrouw die niet vooruit te branden is.
Jules heeft een cd voor me gekocht met yogaoefeningen voor zwangere vrouwen, en ik heb mezelf gedwongen die uit te proberen. Ik zit in kleermakerszit op het kleed in de woonkamer te wachten tot het begint.
‘Concentreer je op je ademhaling,’ commandeert de zachte stem rustig. Vreemd, als je er niet bij nadenkt, is ademhalen geen probleem, maar als je je er eenmaal op concentreert weet je bijna niet meer hoe het moet en zit je ongemakkelijk en ongelijkmatig lucht te happen.
‘Stel je voor dat je een plant bent,’ zegt de stem. ‘Je lichaam is de steel en je hoofd is de bloem die daar voorzichtig op balanceert. Wiebel een beetje met je bloem.’
Ik wiebel met mijn bloem. Niet verkeerd. Ik wiebel nog eens, nu iets zelfverzekerder. Tijdens het wiebelen gaat de telefoon. Godzijdank, ik probeer Sadie al een eeuwigheid te pakken te krijgen. Maar het is Jules, die belt om te vragen hoe het gaat.
‘Wat ben je aan het doen?’ vraagt ze.
‘Ik wiebel met mijn bloem,’ zeg ik.
Ik vertel dat ik al een uur thuis ben van mijn werk en dat Sadie er nog niet is.
‘Ze is zestien,’ zegt Jules. ‘Ze spreidt haar vleugels.’
Jules heeft makkelijk praten, zij heeft geen kinderen. Voor haar is een uur gewoon een uur. Ze begrijpt niets van het benauwde gevoel in je borst als je aan alle vreselijke dingen denkt die een meisje van zestien in een tijdsbestek van zestig minuten kunnen overkomen. Ik zeg dat ik niet wil dat Sadie echte vleugels heeft, ik wil dat mijn dochter alleen vleugels voor de sier heeft, zoals een struisvogel.
‘Je klinkt al beter,’ zegt Jules. ‘Meer als je oude zelf.’
Om de een of andere reden voel ik me daardoor nog beroerder. Waarom zou ik mijn oude zelf willen zijn, als mijn oude zelf een naïeve, blinde idioot is die iedereen vertrouwt en die geloofde in iemand die een nephuwelijk met haar sloot en haar daarna zwanger achterliet?
Na het telefoontje laat ik de cd voor wat het is en kruip in bed. Soms denk ik dat ik beter altijd in bed kan blijven. Ik breng daar toch al het grootste deel van mijn leven door. Ik denk zelfs dat ik bijna gelukkig zou zijn als ik wist dat ik nooit meer mijn bed uit hoefde te komen. Mijn schetsboek ligt geopend op het dekbed naast me. Ik ben nu bij de M. Meelijwekkend, maf, misleid.
Het is vreselijk moeilijk om me te concentreren als mijn gedachten alle kanten op gaan. Het is nog geen etenstijd, maar buiten is het pikdonker. Ik moet opstaan en de gordijnen dichttrekken. Ik voel me zo te kijk zitten hier met het licht aan. Het atelier achter in de donkere tuin doemt als een monsterlijke vorm op.
Sadie zou nu onderhand toch echt thuis moeten zijn. Ik pak mijn telefoon en toets haar nummer in. Ik krijg direct de voicemail, net als de laatste twee keer dat ik haar belde – om razend van te worden!
‘Sadie, je weet wat we hebben afgesproken!’ zeg ik boos als ik haar stem hoor zeggen: ‘Laat maar een berichtje achter, oké?’ ‘Ik betaal je telefoonrekening, maar dan moet je wel opnemen. Dat is de afspraak!’
Mijn stem wordt steeds schriller en doet pijn aan mijn eigen oren.
Waar zit ze nou toch?
Ik was vroeger nooit zo’n ongeruste ouder. In Dubai woonden we trouwens heel veilig, de kinderen werden van de internationale school naar het zwembad en naar het winkelcentrum gebracht. Maar zelfs toen we hier terug waren maakte ik me aanvankelijk niet druk. Simon en ik hadden vaak ruzie omdat ik Sadie te veel vrijheid gaf. ‘Ze moet haar draai vinden,’ zei ik als hij me erop aansprak dat ik het goedvond dat ze met vriendinnen over straat zwierf. ‘Die verhuizing is een hele schok voor haar. Ze probeert gewoon haar plek hier te vinden.’
Ik heb er nooit moeilijk over gedaan. Tot wat er met Simon gebeurde.
Wat is het ergste wat er zou kunnen gebeuren?
Ik zie nu overal gevaar op de loer liggen. Haar telefoon is een doelwit voor overvallers. Zonder telefoon kan ze een steeg in gedreven worden en kan ze geen hulp vragen. Of ze kan de weg kwijtraken en verdwalen. Dit is per slot van rekening een vreemd land voor haar. Mensen kunnen daar gebruik van maken en haar meelokken. Ze kan de verkeerde kant op kijken als ze oversteekt (hoe vaak heb ik dat in het begin niet zelf gedaan?), ze kan zich inlaten met de verkeerde mensen (die chat op Facebook met Gabi – Sadie gebogen over een wc-bril), ze kan misschien geen ‘nee’ zeggen. Drugs, comazuipen, automutilatie (Petra toch niet? – ze leek me er niet het type voor). Ik heb gezien wat Sadie met haar eten doet, hoe ze het angstvallig op haar bord in hoopjes verdeelt, zodat ze elkaar niet raken. Heeft ze anorexia? Een dwangneurose? Als ze naar de wc gaat luister ik of ik geluiden hoor die op braken of onderdrukte snikken wijzen. Heeft ze te weinig zelfvertrouwen? Is ze eenzaam? Bezoekt ze zelfmoordsites of heeft ze contact met pedofielen die zich voordoen als pubers?
Zelfs het huis voelt niet veilig. Ik zweer dat ik ’s nachts iemand hoor lopen en ademen. ’s Ochtends zoek ik buiten op de grond voor haar slaapkamerraam naar voetafdrukken.
Er zijn zoveel dingen die fout kunnen lopen. Ik trek dit niet.
Tegenwoordig zegt Sadie bijna niets. Ze verdwijnt met haar telefoon in haar kamer of ze blijft lang weg zonder te zeggen waar ze is geweest.
Wie zal mijn kind beschermen nu Simon er niet meer is? Ik sluit mijn oren af voor het stemmetje in mijn hoofd dat zegt dat alleen ik dat kan doen.
Selina
‘Wat heb ik gezegd!’
Hettie jubelt. Eindelijk is er iets goed gegaan, een reden om blij te zijn. (Misschien word ik eindelijk weer de Selina die zij kende.)
‘Ik wist wel dat je die baan zou krijgen. De school heeft veel meer belangstelling voor je capaciteiten dan voor de morsige details van je privéleven.’
Ik glimlach, maar het woord ‘morsig’ blijft als een visgraatje in mijn keel steken.
‘Goed, dus die baan heb je. Hoe gaat het met dat andere?’ wil Hettie weten.
Ik kijk naar de stapel papieren in mijn hand. Huizen. Denk ik er echt over om mijn huis te verkopen? Ons thuis? Het lijkt op de een of andere manier niet echt.
‘Je moet het niet zien als een stap terug,’ zegt Hettie nu. ‘Je moet het zien als een andere levensstijl.’
Zij heeft makkelijk praten. Zij is niet degene die van levensstijl verandert.
Het makelaarskantoor waar ik met Hettie zit te bellen ziet eruit als een ikea-showroom – overal knalrode stoffen, knalgroen geschilderde muren en gladde laminaatvloeren.
Alles is kleurig! Fris! Stijlvol!
Om mijn gedachten af te leiden van alles wat Klein! Hokkerig! Karakterloos! is.
Ik leg de telefoon neer en richt me op het eerste huis op de stapel. Een perzikkleurige woonkamer en een ingebouwde televisiekast van notenhout? Wat bezielt die mensen? Het volgende heeft een fraai ontworpen keuken maar amper een tuin. Nummer drie is beter, maar heeft maar drie slaapkamers. Zou ik dat kunnen? Zouden we dat kunnen? Ik tuur naar de groothoekkleurenfoto waarop een leunstoel dicht tegen een lage bank aan staat, met een eiken vloer en op maat gemaakte boekenplanken, en probeer me al mijn prenten en foto’s voor te stellen in die krappe ruimte.
Maar ik moet het huis verkopen. Zoveel is wel duidelijk. Als het hof voor erfrecht er eindelijk uit is, zal ik rente moeten gaan betalen over de hypotheek die mijn echtgenoot me zo zorgzaam heeft nagelaten – tenzij het onderzoek zelfmoord uitsluit, maar de politie heeft al laten doorschemeren dat dat niet waarschijnlijk is. Ik probeer nuchter te zijn, niet te denken aan de potloodstreepjes op de deurlijst van de garage waarmee we de groei van de kinderen door de jaren heen aangaven, niet te denken aan de muren in de jongenskamer waarop, als je ze zou afschrapen, hun verschillende fases te zien zouden zijn in behang met zeilbootjes, zwarte vlakken van een opstandige puber (Felix) en het neutrale behang van nu. Ik moet gewoon leren mijn huis niet meer als thuis te zien. Van de helft waarop geen hypotheek staat (mijn helft!) kan ik een redelijke flat kopen, of een veel kleiner huis ergens anders. Ja, het is het huis waar mijn kinderen zijn opgegroeid, maar het gezinsleven dat we daar hadden was een leugen, al mijn herinneringen eraan zijn inmiddels bezoedeld.
Was er ook maar iets echt – al die etentjes, kinderverjaardagen, zondagse lunches op lome middagen?
Vreemd, de enige herinneringen die ik geloof zijn ruzies. En dat waren er niet veel. Simon en ik waren nooit van die ruziemakers.
Er komt ineens een herinnering op aan een ruzie die we hadden. We zaten in de televisiekamer op de bank. Ik weet niet meer waar het over ging. Ik denk over een van de kinderen. Hoogstwaarschijnlijk over Felix. Simon vond dat die te vaak zijn eigen gang kon gaan ten koste van de andere twee. Het ging er verhit aan toe, dat weet ik nog wel. Ik ging kwaad naar bed en verwachtte dat hij me achterna zou komen om zijn excuses aan te bieden, zoals hij meestal deed. Uiteindelijk lag ik daar uren alleen in het donker te staren, sidderend van kwaadheid. Veel later glipte hij naast me in bed. We lagen een poos stokstijf naast elkaar, als spoorwegbielzen. Toen draaide hij zich naar me toe.
‘Vraag jij je weleens af of je misschien gelukkiger zou zijn met een ander?’
Nou ja!
Wat een schok!
Maar toen de schok weggeëbd was, dacht ik een fractie van een seconde na over wat hij zei – opnieuw beginnen met iemand die er wás, die nooit ontbrak. Een leven opbouwen rond een aanwezige in plaats van rond een afwezige. Ik had er nooit om gevraagd iemand te worden die de boodschappen deed, gasten ontving, zeurde, het fort bewaakte. Bestond er een kans dat ik met een andere man een ander zou kunnen worden?
En toen – boem! Met een klap sloegen de poorten van de fantasie dicht. Als je zo ging denken, waar kwam je dan terecht?
‘Nee,’ zei ik tegen hem. Mijn stem klonk afgemeten en zo droog als beschuit. ‘Zo denk ik nooit. Jij wel?’
Hij bleef daarna akelig zwijgzaam en draaide zich om, zijn rug breed als een schild, totdat ik me niet meer kon inhouden.
‘Ik weet niet wat voor reactie je verwacht op zo’n opmerking! Wat had je willen horen?’
‘Het doet er niet toe,’ zei hij. ‘Ik ben doodop.’
Daarna lag ik klaarwakker naar zijn ademhaling te luisteren en probeerde er niet aan te denken wat het betekende, wat hij bedoelde. Het verbaast me dat er op het plafond van onze slaapkamer geen afdruk te zien is van mijn woedende blik die nacht – daar zouden de taxateurs wel even van schrikken!
Lottie
Het is niet uit bemoeizucht dat ik in haar kamer kijk. Het is bezorgdheid. Dat doen goede moeders nu eenmaal. Hemel, ze is pas zestien, en als zij me niet vertelt waar ze steeds naartoe gaat, wat moet ik dan? We hadden laatst zo’n ruzie toen ze ’s avonds thuiskwam en meteen naar haar kamer ging zonder me te vertellen waar ze geweest was. ‘Uit,’ zei ze. Alsof dat genoeg was.
Haar telefoon ligt hier natuurlijk niet, die zit aan haar vast als een stomazak. Maar onder haar bed ligt wel een dik schrift met een harde kaft. Ik zie meteen dat het net zo’n schrift is als ik zelf als tiener had – vol teksten van liedjes, gedichtjes, bloemetjes en enorme huilogen, en een paar opmerkingen in een ander handschrift – waarschijnlijk van een vriendin (die taal van tegenwoordig!). Ik ga op haar bed zitten en blader het schrift door dat van iemand is die jong is en hoopvol en grappig en dromerig – het deel van Sadie dat ze voor mij verborgen houdt, als een museum dat zijn kostbaarste stukken uit het zicht van het publiek houdt. En dan kom ik bij een van de laatste bladzijden.
‘Ik hou van hem,’ heeft ze in het paars geschreven. ‘Ik hou van hem. Ik hou van hem.’