9

Selina

Carmela is net weg. Het huis ruikt naar schoonmaakmiddelen.

Toen ik gisteravond ging zitten om een lijstje te maken van de dingen die ik haar wilde laten doen, moest er een tweede vel papier aan te pas komen, zoveel was het. Ik stond extra vroeg op om haar te helpen, anders zou het nooit afkomen. Toen Josh eindelijk zijn bed uit kwam was ik buiten in de tuin de afvalbak aan het uitsoppen met een emmer water waarin ik een paar druppels bleekwater had gedaan.

‘Wat ben jij nou verdomme aan het doen?’ vroeg hij.

Ik vind het vreselijk als hij vloekt, maar als ik dat zeg, reageert hij alleen met: ‘Vind je ook niet dat mijn taalgebruik qua belangrijkheid onder aan je problemenlijstje staat?’

Daar zit wat in.

Ik moet eerlijk zeggen dat Josh niet onder de indruk was toen ik hem vertelde dat ik die vrouw heb uitgenodigd. Hij toonde vooral zijn betrokkenheid met de dochter.

‘Komt hoe-heet-ze ook mee?’ vroeg hij op die bestudeerd terloopse manier waar meestal iets achter zit.

‘Ik denk het wel,’ zei ik. ‘Ze zullen hun ogen wel goed de kost willen geven om het meubilair in te schatten en te zien hoeveel je vader waard was.’

‘Maar dat meubilair is niet van hen.’

‘Nee. Maar dat weten zij nog niet. Ze denken waarschijnlijk dat ze de hoofdprijs hebben gewonnen.’

‘Ze zagen er niet uit alsof ze in een feeststemming waren. Op de begrafenis. Ze zagen eruit zoals... je weet wel... zoals wij.’

Het was niet zijn bedoeling bot te zijn, dat weet ik, maar hij heeft geen idee hoeveel pijn dat ‘zoals wij’ deed.

‘Ze zijn heel anders dan wij,’ zei ik.

Het idee dat ze hierheen komt maakt me misselijk en tegelijkertijd kan ik bijna niet wachten.

Het afschuwelijke, vreselijke, onbegrijpelijke wat me is overkomen maakt dat ik helemaal alleen sta. Ja, er zijn meer vrouwen die hun man verloren hebben, en er zijn ook zeker meer vrouwen die bedrogen zijn door hun man. Maar die twee dingen tegelijk, op die manier... Niemand kan het begrijpen.

Maar deze vrouw, die bespottelijke, immorele, doortrapte vrouw die al die ellende heeft veroorzaakt is tegelijk de enige die er misschien iets van snapt. Zij maakt er deel van uit, waardoor ik met haar een band heb die ik niet met Hettie kan hebben, met wie ik het grootste deel van mijn leven al bevriend ben.

Josh verschijnt in de deuropening van de woonkamer, waar ik de kussens opnieuw schik zodat ze vlak tegen elkaar aan liggen. Carmela wil ze altijd per se achter elkaar tegen de rugleuning zetten, als After Eights. Ik zeg maar niet meer dat ik dat niet wil. Ik wacht nu gewoon tot ze weg is en dan doe ik het zelf. Veel simpeler.

‘Gaan jullie hier zitten?’

Ik kijk mijn zoon verbaasd aan. Sinds wanneer heeft Josh belangstelling voor iets wat niet te maken heeft met zijn eigen fysieke en emotionele behoeften? Sinds wanneer kan het hem iets schelen waar het bezoek zit?

‘Waarom niet?’

Josh haalt zijn schouders op. ‘Beetje formeel, toch? Zouden ze zich in de keuken niet meer op hun gemak voelen?’

Ik kijk even rond in de kamer, met de twee nertskleurige bankjes tegenover elkaar en een lage glazen tafel ertussen. Op de vloer ligt een enorm Perzisch tapijt in maïsgeel, crème en grijs. Is het te formeel? Te intimiderend?

Goed zo.

Mijn telefoon piept wanneer ik de zwart-witfoto aan de muur recht hang. Het is een foto van Simon en mij op onze trouwdag. We zien er schokkend jong uit. Ik heb Simons gezicht bestudeerd dat lachend in de ogen keek van de bruid die ik ooit was, om te zien of er al iets was wat verraadde waar hij later toe in staat zou zijn, maar ik kon niets vinden. We staan allebei te stralen.

goed nieuws! staat er in mijn sms. u komt in aanmerking voor een lening van drieënhalfduizend pond die binnen tien minuten op uw rekening bijgeschreven kan worden!

Ik heb vanochtend al vier van dit soort sms’jes gehad, en drie telefoontjes. Gisteravond, toen ik mijn e-mail checkte, had ik 127 spamberichten. Er is iets gaande, maar ik weet niet wat. Waarom krijg ik aanbiedingen voor leningen van mensen die ik niet ken? Waarom belde er vanochtend iemand van een dienst die me hulp bood met mijn verzekeringsclaim? Waarom heeft een soa-kliniek in Essex me gemaild om een afspraak te bevestigen? Sinds wanneer heb ik belangstelling voor safari’s in Kenia of voor een cruise over de Nijl?

Ik begrijp het niet, ik begrijp het niet.

Sinds Simon is overleden, is de wereld dolgedraaid en ik kan er niets aan veranderen.

Hij moet terugkomen!

Als de deurbel gaat, springen Josh en ik allebei op. We kijken elkaar even aan en ik zie mijn eigen behoedzaamheid terug in zijn ogen. Dus ze is gekomen. Ik had half verwacht dat ze het niet zou doen. Types als zij – het type dat in het openbaar instort – staan er niet om bekend dat ze zich aan afspraken houden.

Nu ze hier is, wil ik dat ze niet gekomen was. Wat heeft me bezield om haar uit te nodigen? En dat meisje? Waarom heb ik ervoor gekozen de ene vernedering op de andere, de ene belediging op de andere te stapelen? Wat ben ik voor masochist?

De deurbel gaat nog eens.

Josh maakt een gebaar van ‘Nou?’, maar ik verroer geen vin. Hij staart me boos aan, dan draait hij zich om en gaat opendoen. Ik kijk nog even in de spiegel op de schoorsteenmantel, ook al heb ik dat een uur geleden nog gedaan. Ik heb vandaag extra zorg besteed aan mijn uiterlijk. Mijn haar zit in een hoge, losse paardenstaart en ik draag een tuniektop van heel zachte, camelkleurige suède op een wijde crèmekleurige broek. Stijlvol. Ik wil dat zij ziet wie ik ben, en waarom Simon mij heeft gekozen. Maar nu ik luister naar Josh, die opendoet, slaat de twijfel toe. Ben ik dat echt, die beige vrouw in de spiegel? Is dat wie ik ben?

Er klinken stemmen in de hal en dan doet Josh de deur van de kamer open. Ik duik snel op de dichtstbijzijnde bank, zodat ik hen kan zien binnenkomen. Ik denk dat ik in het voordeel ben als ik al zit. Ik denk dat legers dat ook doen tijdens een oorlog. Hun positie innemen en de naderende vijand in het gezicht kijken.

Het meisje komt als eerste binnen. Weer die schok als ik zijn ogen in haar gezicht zie, waarbij mijn hart onwillekeurig opspringt. Nu haar gezicht niet meer zo verwrongen en rood is van het schreeuwen, zie ik dat ze eigenlijk heel aantrekkelijk is, met lang, glanzend donker haar, fijne trekken en hoge, brede jukbeenderen. Ze is veel langer dan haar moeder, en graatmager zoals tienermeisjes soms kunnen zijn – Flora niet, natuurlijk, maar andere meisjes – en ze draagt een zwarte trui op een rafelig minispijkerrokje, met een strakke zwarte maillot aan haar ellenlange benen. Als ze niet zo nukkig en strak keek, zou ze heel mooi kunnen zijn.

Ik kijk lang naar het meisje, deels omdat ik Simons trekken in haar terugzie, maar vooral om niet naar háár te hoeven kijken.

Was ze maar niet gekomen.

Ten slotte, als de stilte oorverdovend dreigt te worden, haal ik diep adem en span mijn buikspieren aan, zoals je leert bij pilates om jezelf optimale kracht te geven, en sla mijn blik naar haar op.

O, hoe kón hij?

Die enorme bos haar neemt zoveel ruimte in mijn huis in. Een wijd, blauw met wit gestreept T-shirt op een strakke spijkerbroek die in platte, lompe zwartleren laarzen gepropt is. Een kinderlijk figuurtje – hoe kan ze daarmee in vredesnaam al dat haar torsen? Bruine ogen die veel te groot zijn voor haar gezicht. Felrode lipstick met bijpassende rode oorbellen. Ze valt volkomen uit de toon bij de gedempte tinten van mijn woonkamer.

Ik maak een gebaar omdat ik mijn stem niet vertrouw, en ze nemen plaats op de bank tegenover me, terwijl Josh zich naast mij installeert. We hebben onze positie ingenomen tegenover elkaar, als schaakstukken.

Mijn buikspieren zijn nog aangespannen, zodat ik goed rechtop kan zitten. Ik ben een rots. Ik kan dit aan.

Ik kijk naar haar handen. Ze zijn klein en zacht. Jong. Aan haar linkerringvinger draagt ze een gouden ring met drie piepkleine diamantjes.

Ik staar naar de ring terwijl ik het gevoel heb dat mijn hart wordt geraspt als Parmezaanse kaas. Ik staar en ik staar.

Lottie

Ik kijk er niet naar. Ik weiger ernaar te kijken.

Jules heeft me voor ik wegging geïnstrueerd. Ze zei dat ik moest oppassen voor manipulatieve spelletjes en ze had gelijk.

De trouwfoto hangt aan de muur achter haar, recht voor mijn neus. Heel toevallig. Ik dacht het niet!

Als ik er niet naar kijk, red ik het wel. Zo gaat het goed. Ik kijk om me heen. De gebroken witte muren, de zachtgele lampenkappen met franje, de haard met de decoratieve mand met blokken die duidelijk nooit gebruikt worden. Geen thuis – een toonzaal. De rubberlaarzen in een rijtje in de vestibule toen we binnenkwamen (van dat dure merk, natuurlijk), de gewreven parketvloer in de hal waaraan de kamers aan weerskanten liggen, tot aan de gewelfde trap met de glanzende balustrade, de krullerige antieke kroonluchter aan het plafond die de kleuren weerspiegelde van het gebrandschilderde glas in de deur zodat overal licht danste, de ene leverkleurige ‘statement’-muur, de onmiskenbare stank van Eau de Geld.

De jongen voelt zich totaal niet op zijn gemak en weet niet waar hij moet kijken. Simons zoon. Mijn hart smelt als ik naar hem kijk. Jongens hebben dat, toch? Ze zijn een open boek. Als je uit een gezin met meisjes komt, zie je het verschil.

Maar zij.

Hoe kon hij?

Die kleren. Is dat echt een suède top? Wie draagt er nou zoiets? Iemand die niet buitenshuis werkt, dat is duidelijk. Iemand die niets beters te doen heeft dan shoppen en haar nagels laten verzorgen. Ik kijk nu naar haar nagels. Ja, precies wat ik dacht. Ze heeft zo’n typisch onbewogen gezicht. Botox. Je kunt het altijd zien. Geen uitdrukking, geen warmte. Haar ogen zijn ijzig blauw, met perfect aangebrachte make-up waardoor de kleur beter uitkomt. Ze moet de hele dag bezig zijn geweest om zich op te tutten. Zielig.

Ik ga niet naar die foto kijken. Ik kijk naar het tapijt, een enorm fluweelzacht Perzisch geval. Moet kapitalen gekost hebben. Ik kijk naar de salontafel. Glas – hij had uit ijs gehakt kunnen zijn. Ik kijk naar de rijk gestoffeerde effen bankjes. Ik kijk overal naar, behalve naar die foto.

Te laat.

Wat is hij daar jong... Hoe moet ik dit verdragen? Mijn adem stokt, ook al heb ik een extra grote puf genomen voordat ik binnenkwam. Daar staat een Simon die ik nooit heb gezien, nooit heb gekend. Die jongen/man bij wie de dromen op zijn gezicht geschilderd staan. Dat mooie gezicht. Dat heeft zij allemaal gekregen, deze vrouw. Zij heeft hem gekregen toen hij hoe oud was? Vijfentwintig? Ze verdiende het niet. Kijk eens wat ze ervan gemaakt heeft. Dit mausoleum van een huis. Geen wonder dat hij altijd zei dat hij bij mij, waar ter wereld ik ook was, altijd thuiskwam.

De stilte in de kamer is oorverdovend. De vrouw staart naar mijn handen. Ik klem ze in elkaar zodat ze niet kan zien waar ik de afgelopen week het vel rond mijn nagels tot bloedens toe heb afgebeten. Ze zal me niet kunnen veroordelen. Dat laat ik niet gebeuren.

Selina

‘Willen jullie thee?’

Uiteindelijk is het Josh, die de stilte doorbreekt. Biedt hij aan thee te zetten? Dit is een dag vol verrassingen. Ineens wil ik heel graag dat hij de kamer uit gaat. Ik wil alleen zijn met die andere vrouw, met die Lottie.

‘Uitstekend idee,’ zeg ik. ‘Neem anders... hoe heet ze... even mee om je te helpen?’

Ik gebaar met mijn hand, ook al weet ik dat ze Sadie heet. Dat heeft de politie me verteld. Maar ik krijg het niet uit mijn mond. Als ik het wel zou doen, zou ik haar erkennen, zou ik hun kind erkennen.

Josh wordt rood. Niets voor hem om zich zo slecht op zijn gemak te voelen. Ik kijk nog eens naar het meisje. Ze is onmiskenbaar aantrekkelijk. Maar ze is familie. Dat weet hij. (Ik zeg geen zusje. Ik zal nooit zusje zeggen.)

‘Mijn laptop ligt in de keuken,’ zeg ik tegen hem. ‘Jullie kunnen daar wel op YooHoo of zoiets kijken.’

Waarom zei ik dat? Ik weet drommels goed dat het YouTube heet. Waarom doe ik me met opzet veel ouder voor? Omdat ik wil dat zij ziet hoe oud híj was. Wij waren samen oud. We hadden samen een geschiedenis. Dat is iets wat zij niet heeft. Dat is iets wat ze nooit zal hebben.

Josh wordt nog roder. ‘Nee zeg! YooHoo! Hoe kom je erbij, mam.’

Hij staat bij de deur, strak van de gêne, zijn armen als planken naast zijn lichaam. ‘Wil je...?’

Hij kijkt naar het meisje, maar toch ook weer niet. Hij richt zijn blik op een plek ergens achter haar hoofd.

Ze haalt haar schouders op. Het is duidelijk dat ze niet mee wil.

‘Goed idee.’ De vrouw lijkt ook te willen dat ze de kamer uit gaan. ‘Toe, Sadie, help Josh eens een handje.’

Ik bevries vanbinnen als ik haar de naam van mijn zoon hoor uitspreken. Ze heeft het recht niet. Mijn kinderen, mijn huis, mijn man.

Woede balt zich als een vuist in mijn binnenste.

Lottie

Ik dwing mezelf de naam van de zoon te zeggen – hij heeft zich toen we binnenkwamen voorgesteld, het zou grof geweest zijn om het niet te doen – maar het klinkt raar en verkeerd.

Ik ben blij als Sadie met hem de kamer uit gaat, al weet ik dat ze me erom zal haten. Hij lijkt me een aardige jongen. Of man? Hoe oud is hij eigenlijk? Mijn hersenen, traag van de gelukspillen, proberen het zich te herinneren.

‘Hoe oud...?’ vraag ik. Het is de eerste keer dat een van ons de ander direct aanspreekt.

‘Zeventien.’

Haar stem is zo afgemeten en scherp dat je je er bijna aan zou snijden. Geen wonder dat Simon wanhopig zocht naar zachtheid en warmte en een plek waar hij zichzelf kon zijn.

‘Hij is geboren in februari 1993.’

‘Maar dat kan niet. Ik heb Simon ontmoet in maart 1993.’

Haar glimlach is flinterdun en ik besef dat ze alles van tevoren heeft overdacht. Waarom heb ik dat niet gedaan? Wat heb ik uitgespookt?

‘Ja. Aandoenlijk, vind je niet? Toen mijn kind een maand oud was moet mijn geweldige, liefhebbende echtgenoot achter de vrouwen aan gegaan zijn.’

Hoe durft ze? Achter de vrouwen aan? Alsof ik een van de velen was, alsof ik er niet toedeed.

‘Zo was het niet.’ Mijn stem trilt. Ik moet niet huilen waar die vrouw bij is. ‘We waren er niet op uit. Het was liefde op het eerste gezicht. Het gebeurde gewoon.’

‘“Liefde op het eerste gezicht”, was dat het? Wat romantisch!’ Ze spuwt de woorden bijna uit. ‘En hoe romantisch was het toen hij jou en je baby een paar maanden later verliet en naar huis ging? Naar mij? Naar ons?’

Ik heb me hier niet goed op voorbereid. Ik heb er niet goed over nagedacht. Steeds als mijn zussen probeerden me alles in chronologische volgorde te laten zetten, wilde ik niet luisteren. Ik wilde niet nadenken over de data of de leugens die hij moet hebben verteld.

Hij was zo blij dat we een kind zouden krijgen. Samen hebben we uitgezocht hoe het zou zijn om in Dubai te bevallen. Hij heeft nooit de indruk gewekt dat hij zoiets al eerder had meegemaakt. Maar dat had hij ook niet, bedenk ik, niet daar. Ik was jong en nog zo onnozel dat ik geen angst kende, maar hij maakte zich zorgen om mij. Hoe zou ik het redden in die hitte? Zou de medische zorg goed genoeg zijn? Op het laatst nam hij die vrouw in dienst om voor mij en de baby te zorgen, hoe heette ze ook alweer? Amirah, ja.

En na de bevalling nam hij drie hele weken vrij. We waren nog nooit zo lang onafgebroken bij elkaar geweest. We lagen in ons appartement in bed alleen maar naar onze dochter te kijken. ‘Ze is zo mooi.’ Ik zie nog zijn gezicht voor me toen hij dat zei, alsof geen enkele andere man ooit een dochter had gekregen. En toen hij uiteindelijk weer naar zijn werk ging en de zorg overliet aan Amirah, was het alsof hij van ons af werd getrokken als plakband.

En toch is hij toen regelrecht hiernaartoe gegaan. Naar haar. Zonder er iets over te zeggen. Het kan niet waar zijn. Het is onmogelijk. Ineens word ik overweldigd door haat voor de vrouw die me die dingen vertelt. Het is allemaal haar schuld. Ze had hem los moeten laten. Ze moet het geweten hebben.

‘Vond je het nooit vreemd dat hij altijd weg was?’ vraag ik haar. ‘Dat hij nooit thuis was met kerst?’

Van verbazing komt haar plastic gezicht ineens tot leven.

‘Natuurlijk was hij hier met kerst!’ zegt ze, met grote ogen. ‘Hij is een paar keer weg geweest, maar die andere keren was hij altijd bij ons. Waar had hij anders moeten zijn?’

‘Nee,’ zeg ik. ‘Dat lieg je.’

Maar ik weet meteen dat dat niet zo is. Al die jaren dat hij mij en Sadie een paar dagen voor kerst naar het vliegveld bracht, afgeladen met cadeautjes voor mijn zussen en nichtjes, en ik me schuldig voelde als ik me voorstelde hoe hij zat te ploeteren op het kantoor in Dubai of op een stoffig bouwterrein terwijl wij feestvierden, omdat het werk in het Midden-Oosten met kerst gewoon doorgaat. En in werkelijkheid moet hij diezelfde dag of de dag erna zelf ook naar Londen gevlogen zijn. Om hier te zijn, bij hen.

Het kan niet waar zijn. Het kan niet.

Selina

Ha! Dat wist ze niet! Zij dacht dat hij met kerst ergens anders was. Geweldig om haar gezicht te zien toen het tot haar doordrong. Die stomme trut! Dacht ze nou echt dat hij met kerst niet hier was? Al die kleine tradities die we in ere hielden – een fles champagne tijdens het versieren van de kerstboom, de kerstliedjes van Frank Sinatra, cadeautjes om in de kousen van de kinderen te stoppen, zelfs toen ze al groot waren. Hij moet tegen haar hebben gezegd dat hij in Dubai bleef werken. O, kostelijk!

‘Hij was dol op Kerstmis,’ zeg ik, genietend van de blik in haar ogen. ‘We hadden altijd een huis vol gasten. We deden gekke spelletjes, maakten een wandeling, dat soort dingen. Van die echte familiedingetjes.’

Ze verstrakt, alsof iemand haar een klap heeft gegeven. Dan knijpt ze haar rood geschilderde lippen op elkaar tot een streep.

‘Wat bijzonder dat hij tijdens die heerlijke kerstdagen met zijn gezin altijd nog tijd vond om een uur lang met me te bellen.’

Waar heeft ze het over? Dat kan niet, dat hij dat heeft gedaan. Daar kan hij geen tijd voor gehad hebben.

Dan denk ik nog eens na. Op kerstochtend ging hij altijd mijn moeder ophalen, terwijl ik thuisbleef om het ontbijt klaar te maken. Zou hij ergens langs de kant van de weg gestopt zijn? En gedaan hebben alsof hij haar uit Dubai belde? En die avonden waarop we allemaal onderuitgezakt op de bank zaten en hij met zijn jas aan binnenkwam. ‘Ik ga even een stukje lopen met Walter, om mijn hoofd leeg te maken.’ Is het echt mogelijk dat hij ons achterliet bij de haard, met de kerstverlichting in de boom en de cadeautjes opgestapeld in de hoek, om zijn minnares te gaan bellen? (Niet zijn echtgenote, o nee.)

‘De thee is klaar.’

Josh en het meisje komen binnen met bekers. Het meisje zet de hare plompverloren op de glazen tafel, en als ik twee onderzetters haar kant op schuif, kijkt ze beschaamd.

‘Sorry,’ mompelt ze, terwijl ze ze onder de bekers legt. Het is het eerste wat ik haar vandaag hoor zeggen.

Mijn hoofd tolt nog van dat gedoe over kerst, maar de aanwezigheid van de twee tieners weerhoudt me erover door te gaan. Gingen ze maar weg.

We nippen allemaal ongemakkelijk van onze thee totdat het meisje tot mijn verbazing de stilte verbreekt.

‘Waar is dat?’ Ze kijkt naar een foto van Flora, Felix en Josh die in een zwaar verzilverde lijst op de achterste vensterbank staat. Ze zitten op het terras van het huis in Toscane, hun tanden steken wit af tegen hun zongebruinde huid.

‘Italië,’ mompelt Josh.

‘We hebben daar een huis,’ zeg ik, en ik ben blij als ik het gezicht van de vrouw zie vertrekken. De triomfantelijke blik toen ze vertelde dat Simon haar op kerstdag altijd belde, maakt plaats voor verwarring. Dat wist ze dus ook niet!

‘Maar is dat niet...?’ Het meisje kijkt zijdelings naar haar moeder en ineens komt er een gruwelijke gedachte bij me op. Het kan toch niet... Hij zal toch niet...

‘Daar zijn we geweest,’ zegt de vrouw op vlakke toon. ‘Simon zei dat het van een vriend van hem was.’

Nee. Dat kan niet waar zijn. Ze kunnen daar niet geweest zijn. Lorenzo zou er iets over hebben gezegd. Dat zou hij nooit goedgevonden hebben... Hoewel? Hij is per slot van rekening een Italiaan, en een man. Hoeveel verbeeldingskracht is er voor nodig om je voor te stellen dat hij het huis gereedmaakte voor signor Busfield en zijn ‘andere dame’, vooral als signor Busfield het voor hem de moeite waard maakte? Ik denk aan de laatste paar vakanties die we daar hebben doorgebracht. Is het echt mogelijk dat ik me daar heb afgedroogd met handdoeken die die vrouw ook heeft gebruikt, dat ik van dezelfde borden heb gegeten? O god, hebben we in hetzelfde bed geslapen? Dat gebeeldhouwde hemelbed dat Simon op een antiekbeurs bij Florence had gevonden en met een vrachtwagen had laten bezorgen, wat meer kostte dan het hele bed? Is het mogelijk dat hij daar met haar heeft geslapen op de geborduurde Egyptische katoenen lakens die ik door een zaak in Fulham had laten opsturen?

‘Dat kan niet,’ zeg ik. ‘Dat is míjn huis. Dat zou hij nooit...’

Lottie

O nee, zou hij dat nooit hebben gedaan? Nu voel je je niet meer zo superieur, hè? Nu je weet dat ik er ben geweest, in jouw dierbare villa met de terracotta tegels en het groene zwembad waarvan het diepe gedeelte uit de rotsen is gehakt, zodat het lijkt alsof het deel uitmaakt van het Italiaanse landschap.

Als ik eraan denk dat het al die tijd van haar was... Mijn Favoriete Plek. Dat kan ik gewoon niet verdragen. Hoewel, wacht eens, als het van Simon was, is het dan niet net zo goed van mij als van haar? Hij was net zo goed mijn echtgenoot als de hare.

Of niet?

De hele week al probeer ik niet te luisteren naar wat Jules en Emma zeggen over mijn huwelijk, of het wel of niet legaal is. ‘Simon was mijn echtgenoot,’ riep ik tegen hen. ‘We waren getrouwd!’

Hij heeft de bruiloft geregeld en het was precies wat wij wilden. Een prachtig wit zandstrand, terwijl de zon net in de zee zakte. Ik droeg een wit halterjurkje en een krans van witte bloemen in mijn haar, ik stond met mijn blote voeten in de lage branding. Simon droeg een crèmekleurig linnen pak waarvan hij de broekspijpen opgerold had, met daaronder een wit T-shirt, en hij huilde toen hij de ring om mijn vinger schoof. Er was een geestelijke die de dienst leidde. Er waren papieren. Mijn achternaam veranderde van Carling in Busfield. Het was echt.

‘Ik ga volgende week naar Simons notaris,’ zeg ik tegen haar. ‘Om erachter te komen hoe we ervoor staan.’

‘Ik ben al bij hem geweest, dus je kunt je de moeite besparen,’ zegt de vrouw. Haar stem is weer krachtiger.

Dan laat ze weer dat flinterdunne lachje zien.

‘Het was niet legaal, weet je,’ zegt ze, met haar beker halverwege haar lippen. ‘Jullie zomerse huwelijk op het strand. Je moet daar dertig dagen wonen voor het legaal kan zijn. Dat zei Joe, de advocaat.’

Ik word duizelig, de kamer draait voor mijn ogen heen en weer. Ik ben getrouwd. Ik ben zeventien jaar getrouwd geweest. Ik weet niet anders. Ik ben een getrouwde vrouw. Een weduwe. We hebben de papieren. Bestempeld en wel. Zeventien jaar heb ik formulieren ingevuld als mevrouw Busfield. Als dat huwelijk niet legaal was, wie ben ik dan die zeventien jaar geweest? Als het huwelijk niet legaal was, is Sadie onwettig. Als het huwelijk niet legaal was, hebben we misschien niets meer, Sadie en ik. Die vrouw hier zou onze flat kunnen opeisen – met de versierde kroonlijsten, het atelier in de tuin, de hoge plinten. Het is niet waar. Ik wil er niet over nadenken. Het was wel legaal. We zijn getrouwd.

Ik was een getrouwde vrouw.

Selina

Ze denkt aan het geld. Dat zie ik aan haar gezicht. Het is alsof er dollartekens in haar ogen staan. Dat nam haar de wind uit de zeilen – de wetenschap dat ze toch niet echt getrouwd is. Tja, wat verwachtte ze dan? Op het strand, nota bene!

Het meisje maakt een geluid alsof ze naar adem hapt. Ik was bijna vergeten dat zij en Josh erbij zitten. Ik neem aan dat het niet zo aardig was om in haar bijzijn te zeggen dat haar ouders niet getrouwd zijn, maar daar ben ik niet verantwoordelijk voor. Dat is de schuld van haar vader. En van haar moeder.

‘Jullie redden het wel.’ Josh kijkt verslagen naar het meisje. ‘Hij heeft een testament gemaakt, jullie krijgen de helft. Dus jullie redden het wel.’

O nee! Waarom heb ik hem in vredesnaam over het testament verteld? Ik weet dat hij ze alleen maar wil geruststellen, maar wat is hij van plan? Ze zouden er vroeg of laat natuurlijk toch wel achter gekomen zijn, maar niet nu. Laat haar maar een paar dagen in zak en as zitten.

‘Ik ga nu niet de inhoud van het testament van mijn echtgenoot bespreken, wel bedankt, Joshua.’ Ik klink net zoals mijn moeder. Ik herken mezelf nauwelijks.

Lottie

Mijn echtgenoot. Haar woorden zijn als dolken. Au, au, au.

Nee. Ik wil niet denken aan wat ze zojuist heeft gezegd, over de trouwerij. Ik gun haar niet de voldoening dat ze me ziet instorten. Houd het bij de praktische dingen, heeft Jules me op het hart gedrukt. Ik probeer me te herinneren wat er op de lijst stond die we in de keuken hebben opgesteld voor ik vertrok. O ja, ik weet het weer.

‘De as.’

Ze kijkt me aan alsof ik gek ben.

‘We willen de helft van zijn as. Daar hebben we moreel gesproken recht op.’

‘Doe niet zo belachelijk!’

Ik hoor het bloed in mijn oren suizen. Belachelijk, o ja? Om je eigen man op je eigen manier te willen gedenken?

‘We kunnen hun er toch wel wat van geven?’

De zoon, Josh, voelt zich duidelijk opgelaten door het gedrag van zijn moeder. Mijn hart gaat naar hem uit als hij over zijn woorden struikelt. Hij krabt van de zenuwen achter zijn oor op een manier die me heel erg aan Simon doet denken.

Zijn moeder spert van ongeloof haar ogen wijd open – nou ja, voor zover dat kan met botox.

‘Ja hoor,’ zegt ze, bijna schreeuwend. ‘Laat eens kijken. Hoeveel heb je nodig? De as van een voet? Of zou de as van een paar tenen genoeg zijn? Misschien kan ik de lengte van een pik voor je afmeten uit de as van mijn echtgenoot?’

Er valt een verbijsterde stilte. Jemig! Die arme jongen kijkt alsof hij het liefst door de vloer wil zakken. We kijken elkaar even aan.

‘Wat wilt u ermee doen?’ vraagt hij me met verstikte stem. ‘Met de as, bedoel ik?’

Selina

Ringen! Ik heb het nu echt wel gehad. Zelfs Josh kijkt naar haar alsof ze Urdu spreekt.

‘Ik heb een winkel gevonden waar ze mooie sieraden maken van as in combinatie met gesmolten glas. Ik wil ringen laten maken voor Sadie en mij.’

Het is duidelijk dat het meisje dit voor het eerst hoort.

‘Mam!’ sist ze tussen haar tanden. ‘Wat walgelijk!’

Ze heeft gelijk. Het is inderdaad walgelijk. Het is belachelijk en walgelijk. Wie zijn die ordinaire, wansmakelijke mensen die Simon in ons leven heeft gebracht? Ze horen niet hier, in mijn woonkamer.

Ringen! Niet te geloven!

‘Simons as kan volgende week opgehaald worden en die komt dan hier terug, in zijn eigen huis.’

Ik hoef ze niet te vertellen dat ik gisteravond heb gefantaseerd dat ik die as ging halen en uitstrooide vanaf een voetgangersbrug over de M25, en toekeek terwijl die als roos op de auto’s viel, zich vermengde met de modderspatten op voorruiten van vrachtwagens, wegsmolt in grijze smurrie, een soort lijkenpap.

‘Die willen we begraven onder de wilg in de tuin, tijdens een besloten bijeenkomst.’

‘Dat kun je niet doen! Wij hebben ook rechten!’

Het gejammer van de vrouw wordt onderbroken door mijn telefoon.

‘Nee,’ zeg ik als ik op ‘opnemen’ druk. ‘Ik wil geen advies over het consolideren van mijn schulden.’

‘Verdomme, wat...’ begint Josh.

‘Iemand heeft mijn naam blijkbaar doorgegeven voor alle mogelijke spam,’ zeg ik tegen hem, en ik onderdruk de neiging om eraan toe te voegen: ‘en vloek niet zo.’ Ik draai me om naar de vrouw, wier rode lippen nog steeds een ronde ‘O’ vormen. ‘Ik neem aan dat jij daar niets van af weet?’

Ze kijkt even naar haar dochter, slaat haar blik ten hemel alsof ze wil aangeven dat ik gek ben en kijkt dan de andere kant op.

‘Ik heb geen idee waar je het over hebt,’ zegt ze.

Leugenaar. Leugenaar. Leugenaar.

We kijken elkaar over de tafel heen kwaad aan, en ineens wil ik dat ze gaat. Allebei. Weg uit mijn woonkamer, uit mijn huis, mijn leven, mijn huwelijk, of in elk geval de herinnering daaraan.

‘Donder op.’ Ik hoor het mezelf zeggen met de stem van mijn moeder. ‘Donder op jullie, mijn huis uit!’

‘Mam!’ Ik zie dat Josh is geschrokken. ‘Rustig!’

Rustig. Natuurlijk. Wat stom van me. Rustig, terwijl mijn leven door vreemden aan diggelen is gegooid.

De vrouw komt met een ruk overeind.

Lottie

Ik wilde niet eens gaan. Ik wist dat het zo zou lopen. Ze is niet goed bij haar hoofd. Ontspoord. Ik werp een blik op Sadie en zie dat ze net als ik bijna in tranen is.

‘Kom mee,’ zeg ik, en ik ben nu blij dat Jules per se buiten in de auto wilde wachten.

Ik draai me om naar de vrouw, naar Selina.

‘Het is jouw schuld dat Simon dit heeft gedaan,’ zeg ik, terwijl ik mijn tas van de vloer graai. ‘Jij hebt hem ertoe gedreven. Jij hebt hem vermoord.’

Selina

Ze zijn weg, maar het woord ‘vermoord’ hangt nog in de lucht, Josh kijkt me aan alsof hij me niet kent, en Simon is overal en nergens en ik haat hem, ik haat hem, ik haat hem, en mijn haat vormt een dikke klont in mijn keel die mijn adem afsnijdt.

En alleen ik weet dat die daar zit.