10

Selina

Ik ben niet trots op wat er is gebeurd. Als ik mijn ogen dichtdoe – niet raadzaam tijdens het autorijden – hoor ik mezelf nog steeds met schelle stem roepen dat ze uit mijn huis moet opdonderen. En nog wel waar het meisje bij was.

Flora gruwde ervan toen ze het hoorde, maar Felix vond het hilarisch.

‘Geweldig,’ zei hij toen Josh hun gisteravond tijdens het eten het hele verhaal deed. ‘Mijn moeder, het viswijf dat Doortrapte Lottie de deur uitzet.’

De kinderen zijn er nog steeds, het ene moment gillend van het lachen en het volgende met ingehouden snikken. Ik moet mezelf er constant aan herinneren dat ze niet alleen rouwen om hun vader, maar ook proberen te verwerken wat hij heeft gedaan.

Flora vertrouwde me gisteravond toe dat ze ervan uitgegaan was dat rouwen iets is wat je twenty-four-seven doet (zo zei ze het, ‘24/7’ – zo Amerikaans). Ze had niet beseft dat het een plek moet vinden in je dagelijkse leven in plaats van andersom, ze had niet geweten dat je maar een bepaalde hoeveelheid verdriet aankunt, en ze zei dat ze was verteerd door schuldgevoelens toen ze de eerste keer na Simons dood weer lachte.

Dat was gebeurd toen ze met z’n drieën Simons overlijden gingen aangeven bij de gemeente. Een vrouw in de wachtkamer had zitten vertellen over de begrafenisondernemers die haar overleden moeder uit de slaapkamer boven kwamen ophalen, maar de bocht in de trap niet konden maken. ‘Het is een heel scherpe bocht,’ zei de vrouw. ‘De bank moest in stukken vervoerd worden.’ ‘Dat kon je natuurlijk niet met je moeder doen, hè?’ zei haar vriendin. En toen hielden mijn drie kinderen het niet meer. Felix was al begonnen bij die ‘scherpe bocht’, maar de andere twee volgden algauw daarna. En als Flora eenmaal de slappe lach krijgt, is er geen houden meer aan. De jongens maakten haar vroeger altijd al op ongelegen momenten aan het lachen.

Ik zei haar dat ze zich niet schuldig hoefde te voelen, dat Simon dat niet gewild zou hebben. Maar op het moment dat ik het zei besefte ik dat het niet klopte. Hoe kan ik in vredesnaam weten wat hij gewild zou hebben als ik kennelijk geen flauw idee heb wie hij was?

Felix was weer eens onrustig. Hij sprong steeds op van tafel en liep dan naar boven. Hij raakte zijn eten nauwelijks aan omdat hij aan één stuk door zat te ratelen. Er is duidelijk iets met hem aan de hand, dat merk ik altijd aan hem, maar toen ik ernaar vroeg zei hij alleen: ‘Wat zou er nog meer moeten zijn behalve een dode vader die bigamie heeft gepleegd?’

Ze hadden een zeer gecompliceerde verstandhouding, Felix en Simon. Ik neem aan dat dat kwam doordat ze zo op elkaar leken. Ik zie Felix nog voor me als klein jongetje, zo schattig met dat asblonde haar, dicht naast Simon in de leunstoel in zijn geruite ochtendjasje met een van zijn lievelingsboeken, en dat hij dan per se een verhaaltje wilde horen. Simon hield op waar hij mee bezig was en begon te lezen, maar hij sloeg altijd woorden of zelfs hele pagina’s over, en dan werd Felix nog dwingender.

‘Nee, papa. Je hebt een stuk overgeslagen! Je moet terug.’

En Simon, wiens mantra luidde: ‘Nooit teruggaan – alleen maar vooruit’, had er dan meteen genoeg van.

‘Neem niet alles zo serieus,’ zei hij tegen zijn gespannen kind, en dan sloeg hij met een ontmoedigende klap het boek dicht. ‘Ontspan een beetje, Felix. Het leven is een avontuur, geen beproeving.’

Natuurlijk begreep Felix daar toen hij vier of zes of acht jaar was niets van. Gewoon weer een excuus voor zijn vader om onbereikbaar te blijven.

Felix probeerde Josh uit te horen over het meisje, maar die wilde er niet over praten.

‘Ze is wel aardig geloof ik,’ zei hij.

Flora viel daarop stil. ‘Het is bizar om een zusje te hebben,’ zei ze.

Een zusje! Toen verloor ik mijn zelfbeheersing. Dat lijkt tegenwoordig steeds vaker te gebeuren. Ik zal haar later bellen om mijn verontschuldigingen aan te bieden. Het kwam door dat woord: ‘zúsje’. De gedachte dat je kinderen misschien familieleden hebben die niet jouw familieleden zijn is ondraaglijk. Ik heb een levendige herinnering aan Flora als jong meisje tussen haar broers, die zo naar een zusje verlangde dat ze er een van karton maakte die ze van de ene kamer naar de andere meezeulde. Ze stond erop dat de pop een eigen stoel aan tafel kreeg, totdat hij zo vol vlekken en spetters zat dat ze hem van me moest weggooien. Arme Flora, altijd hunkerend naar intimiteit. Ik had niet boos moeten worden. Ik zal haar bellen zodra ik thuis ben.

 

Ik ben op weg naar mijn afspraak met Simons financieel adviseur, Greg Ronaldson. Toen hij gisteren belde en een afspraak wilde maken, was ik nog steeds een beetje van slag door die scène met die vrouw. Maar er was iets aan zijn stem wat ik heel troostrijk vond. Normaal gesproken heb ik het niet zo op mensen uit de financiële wereld – waarschijnlijk heb ik dat overgenomen van mijn moeder die het altijd van slechte smaak vond getuigen om over geld te praten – maar ik merkte dat ik het bijna fijn vond om met Greg Ronaldson te praten. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik weet dat Simon hem graag mocht.

Vandaag ben ik in het zwart, zoals het een weduwe betaamt – of althans Weduwe Nummer Een, zoals Felix me gisteravond in een opwelling van galgenhumor noemde. Een zwarte broek, hooggehakte laarzen, en een lange zwarte tuniek met een lage hals. Maar gewoontegetrouw heb ik er een kakikleurig jasje over aangetrokken, denkend aan mijn moeders uitspraak dat zwart een vrouw van boven de vijfendertig bleek maakt. De kleding die vrouwen dragen als ze in de rouw zijn wordt weduwedracht genoemd, toch?

De lift in het gebouw waarin Gregs kantoor gevestigd is, is akelig fel verlicht. De spiegelwanden laten allemaal gruwelen zien. Ten eerste klonterende mascara in de wimpers van mijn rechteroog en vervolgens, als ik dichterbij kom, een netwerk van fijne rimpeltjes, als de huid van een te lang geroosterde kip. Als ik ten slotte mijn eigen regel overtreed en een stap naar achteren doe om het totaalbeeld te bekijken, zie ik dat mijn gezicht inzakt als een oude divan.

Oud, oud, oud.

Voor Simons dood stond ik mezelf nooit toe om aan ouderdom te denken, behalve dan aan manieren om die te bestrijden, maar sinds ik tegenover die vrouw heb gezeten en de trouwring aan haar gladde dertigplushand heb gezien, heb ik het gevoel niet van me kunnen afschudden dat aan alles in en om me een einde komt. Ik heb eens iets gelezen wat me bijgebleven is – een interview met een actrice van een zekere leeftijd die klaagde dat ze haar schoonheid zo geleidelijk was kwijtgeraakt dat ze het niet eens had gemerkt. ‘Waarom heeft niemand me toen verteld dat dat de laatste dag was waarop ik mooi was?’ vroeg ze de interviewer. ‘Waarom heeft niemand gezegd: “Dit is de laatste dag waarop mannen op straat naar je omkijken,” zodat ik daar extra op kon letten of het me in elk geval zou kunnen herinneren?’ Toentertijd dacht ik dat ik nog nooit zoiets wreeds had gelezen, maar evengoed had ik niet echt geloofd dat het mij ooit zou overkomen. Dwaas als ik ben, dacht ik echt dat een combinatie van gunstige genen en dure verzorgingsproducten me daarvan zou vrijwaren. Maar Simons dood en de rimpelloze handen van zijn minnares hebben een verpletterende twijfel aan mezelf in gang gezet.

Natuurlijk zou ik, zelfs als Simon niet overleden was, evengoed onder ogen moeten zien dat ik ouder word, maar als getrouwde vrouw voel je je veiliger, toch? Alsof een partner je vermogen om het verval te bestrijden twee keer zo groot maakt.

‘Selina? Ik ben Greg.’

De man voor de lift die me een hand geeft, is breed en sterk gebouwd. Zijn donkere haar is van voren lang, met hier en daar een streepje zilvergrijs aan de slapen. Hij ziet er, ondanks zijn dure pak en gelijkmatig gebruinde huid, uit als iemand die buiten veel gelukkiger is dan achter zijn bureau. Hij straalt een nauwelijks onderdrukte energie uit en mijn hand tintelt in de zijne.

Hij gaat me voor naar een vierkant kantoor, met aan twee kanten glas, waardoor ik grote huizen en kantoorgebouwen in de felle najaarszon zie. Aan de ene kant staat een breed bureau, maar hij wijst naar een van de twee leren leunstoelen bij de ramen.

We kijken elkaar een moment zwijgend aan, waarin ik me al voorbereid op het onvermijdelijke: ‘Wat erg van uw man.’

In plaats daarvan zegt hij zonder zijn blik van mij los te maken: ‘Dit moet heel moeilijk voor u zijn.’

Ik word onmiddellijk verblind door tranen. O god, wat is er toch met me aan de hand? Wanneer ben ik veranderd in een vrouw die huilt in het gezelschap van onbekenden? Het komt doordat ik word verrast door iemand die begaan is met mij in plaats van met Simon of de kinderen of de rotzooi waarin hij ons heeft achtergelaten.

Greg Ronaldson heeft grijze ogen met lange wimpers, en de kleur wordt geaccentueerd door zijn bruine huid. Hij is niet knap in de klassieke zin, absoluut niet, met die ietwat gebogen neus en het goud dat achter in zijn mond blinkt als hij lacht, wat hij vaak doet, maar hij heeft iets puurs. Naast het medeleven in zijn ogen zie ik nog iets anders, alsof hij me waarderend opneemt, en er roert zich iets in me waarvan ik het bestaan bijna vergeten was.

Sinds Simons dood, zelfs al op de begrafenis, ben ik me ervan bewust geworden dat een bepaalde hoeveelheid eh... testosteron mijn kant op zweeft die er volgens mij vroeger niet was. Mannen die ik al jaren ken en die nooit van enige seksuele aantrekkingskracht blijk hebben gegeven, houden mijn hand net iets langer vast dan nodig is of kijken me met een bepaalde blik aan. Zelfs Joe Haynes, die achter in de zestig is en meer dan veertig jaar getrouwd, keek me een paar keer aan op een manier die niets met juridische zaken te maken had. Hettie zegt dat onderzoek heeft uitgewezen dat weduwen feromonen afgeven waardoor ze ineens onweerstaanbaar worden voor mannen. Nu ik naar Greg kijk, vraag ik me af of ze misschien gelijk heeft.

‘Zoals je weet, was ik Simons financieel adviseur en tevens zijn vriend,’ vertelt Greg terwijl hij me nog steeds aankijkt. ‘Ik heb je gevraagd hier te komen om je een idee te geven van zijn financiële positie.’

Ik kan het mis hebben, maar ik meen een lichte aarzeling op te merken in zijn woorden. Ik ga alert rechtop zitten. Dan gaat mijn telefoon. Verdomme.

‘Nee,’ roep ik tegen wie het ook is die me belt. ‘Ik heb géén belangstelling voor de bouw van een appartementencomplex in Marbella.’

Beschaamd zet ik mijn telefoon uit.

‘Het is een lang verhaal,’ zeg ik als Greg me met opgetrokken wenkbrauwen aankijkt.

Hij knikt alsof hij weet wat ik bedoel. Dan steekt hij van wal.

‘Ik had geen toegang tot al Simons rekeningen, totdat Joseph Haynes contact met me opnam en vroeg of ik ze allemaal wilde bekijken. Het ligt namelijk nogal gecompliceerd, Selina.’

Ik stoot een hard, onaantrekkelijk lachje uit waar ik onmiddellijk spijt van heb. Gecompliceerd. Dat zal best.

Ik zit net te denken aan hoe gecompliceerd het zal zijn en waarom ik ineens zo’n warm gevoel vanbinnen krijg op het moment dat Greg mijn naam zegt als hij vervolgt: ‘Simon heeft veel geld verdiend, maar hij heeft hoog spel gespeeld. Er was het onderhoud van jullie huis in Barnes, het huis in Italië, jarenlang het schoolgeld van jullie kinderen, de huur van het appartement in Dubai, het constante heen en weer reizen. Dat had hij allemaal nog net kunnen bolwerken, maar daar bovenop kreeg hij... andere onkosten.’

Ik kijk hem aan, vastbesloten het hem niet gemakkelijk te maken.

‘De flat in Londen die hij voor de andere partij kocht.’

‘Je bedoelt voor die hoer.’

Ik zie in Gregs ogen dat dat woord hem verbaast, maar hij gaat verder alsof ik niets gezegd heb.

‘Ik weet niet hoeveel je hiervan weet, maar hij beschikte niet over genoeg geld voor een aanbetaling, dus hij heeft een extra hypotheek genomen op jullie huis in Barnes.’

Het is voor het eerst dat ik begrijp wat mensen bedoelen als ze zeggen dat het bloed naar je hoofd stijgt. Mijn huis? Het huis van ons gezin? Dat heeft hij gebruikt om een flat te kopen voor die vrouw?

‘Hoe heeft hij dat kunnen doen? Het is van mij. Ik had ervan moeten weten.’

Maar blijkbaar ben ik, omdat we het huis hebben gedeeld om onder successierecht uit te komen, technisch gesproken slechts eigenaar van de ene helft van het huis en kon Simon doen en laten wat hij wilde met de andere helft. En toen heeft hij dus een extra hypotheek genomen om een flat voor zijn minnares te kunnen kopen.

‘Hij heeft een paar keer geprobeerd om extra geld te lenen,’ zei Greg. ‘Maar zijn pogingen hebben blijkbaar niet gewerkt, want de aflossing van de hypotheek op die flat is al drie maanden niet betaald.’

Ik staar hem als een dwaas aan terwijl ik probeer dit laatste feit tot me door te laten dringen, en schuif het voorzichtig rond in mijn hersenen als iets in een salade wat er verdacht uitziet. Maar uiteindelijk dringt het tot me door wat ik voel. Ik ben opgetogen. Opgetogen! Dat geld kan me gestolen worden. Ik heb nog mijn helft van het huis en het huis in Italië. Waar het om gaat is wat zij niet heeft. Ze heeft Simon niet en nu heeft ze ook zijn geld niet. Al die jaren heeft ze haar best gedaan zich bij hem in te likken zodat haar bedje gespreid zou zijn, en waarvoor? Voor niets! Nada! Een grote, dikke nul! Als ik het type vrouw was dat de horlepiep kon dansen, zou ik dat nu doen.

Maar Greg is kennelijk nog niet klaar met zijn verhaal.

‘Daarna heeft hij de rest van zijn helft van jullie huis gebruikt als borg voor de hypotheek van het nieuwe huis.’

Dit kan ik niet volgen. Ik ben normaal heel goed in financiële aangelegenheden. Ik regel alle financiën in het dagelijks leven. Ik heb respect voor geld. Je weet waar je met geld aan toe bent. Het is niet iets wat uitgelegd moet worden, zoals veel andere dingen. Ik ben niet iemand die net doet alsof het iets vulgairs is. Maar wat Greg me nu vertelt kan ik niet volgen.

‘Dus de helft van mijn huis is ofwel verhypothekeerd of gebruikt als borg voor de hypotheek van die vrouw?’

Greg knikt. ‘Ik denk dat het hem altijd geruststelde dat er een levensverzekering aan die hypotheek vastzat die uitgekeerd zou worden wanneer hij zou overlijden. Ik ben bang dat ik zojuist heb gehoord dat die verzekering niet uitkeert als de verzekerde zelf... zichzelf van het leven berooft.’

Ik voel mijn wangen branden, alsof ik zelf veroordeeld word.

‘Dat heeft hij niet gedaan.’ Mijn stem klinkt schril. ‘Hij zou nooit... Dat zal het onderzoek wel uitwijzen.’

‘Natuurlijk.’ Greg kijkt me met zijn grijze ogen recht aan. Ik zie medeleven in zijn blik, maar tot mijn opluchting geen medelijden.

‘Het onderzoek zal aantonen dat het een ongeluk is geweest,’ herhaal ik met een vertrouwen dat ik niet voel. Het onderzoek is, zoals we allebei weten, opgeschort zodra het begon. Volgens de politie kan het maanden duren voordat we weten wat er precies is gebeurd.

Greg staat op en loopt naar het bureau om een stapel papier te pakken. Als hij weer in zijn stoel zit, buigt hij zich naar voren en legt een hand op mijn knie. Het is bedoeld als een geruststellend gebaar, maar ik voel een schok zodra hij me aanraakt.

‘Ik ben bang dat Simons boekhouding ook bepaalde... tegenstrijdigheden bevat.’

‘Pardon?’

Greg doet iets met zijn mond, waarbij hij zijn lippen op elkaar perst alsof hij zich moet inhouden totdat hij precies weet wat hij wil zeggen. Het voelt alsof alle zenuwen in mijn lichaam zich samenbundelen in dat stukje van mijn knie waar zijn hand op ligt.

‘Zoals ik al zei, zijn boekhouding is gecompliceerd. Maar ik heb alles nagekeken en er zijn regelmatig grote bedragen – echt heel grote – op een buitenlandse rekening gestort die ik helaas nog niet heb kunnen opsporen. Heb jij enig idee wat dat voor rekening kan zijn geweest, Selina?’

Hij reikt me een vel papier aan. Mijn ogen volgen zijn vinger die langs een rij bedragen gaat die een soort wave lijken uit te voeren. Ik heb het moeilijk. Echt moeilijk. Mijn huis loopt gevaar vanwege die vrouw, en nu is er ook nog een raadselachtige rekening waar hij geld op heeft gestort. Het moet met haar te maken hebben. Hij heeft met het erfdeel van mijn kinderen een flinke reserve willen opbouwen om zijn gang te kunnen gaan met dat loeder! Woede raast door mijn lichaam.

‘Ik weet hier niets van,’ zeg ik tegen Greg. ‘Maar het heeft ongetwijfeld met háár te maken. Zij zag dat natuurlijk wel zitten. Ze moet hebben gedacht dat ze de hoofdprijs had gewonnen.’

Greg leunt achterover en kijkt me aan. Hij knikt even. ‘Ik neem aan dat je weet dat Simon al zijn aandelen verkocht heeft?’

Wat? Ik staar hem niet-begrijpend aan. Nee, dit geloof ik niet. Dit gaat echt te ver. Al voordat we elkaar leerden kennen had Simon een portefeuille met aandelen en effecten die hij van zijn vader geërfd had. Het was een soort gewoonte van hem geweest, net zoals hij altijd naar Chelsea ging en zijn tanden floste. Hij zou ze nooit weggedaan hebben. Dat weet ik zeker.

‘Je vergist je,’ zeg ik, maar tegelijkertijd weet ik dat het niet zo is.

‘Het spijt me,’ zegt Greg als hij mijn gezicht ziet. ‘Dit moet een schok voor je zijn.’

Ik krijg het ineens koud, ik huiver ondanks de najaarszon die door de ruiten van Gregs kantoor tussen de luxaflex door in schuine banen op ons gezicht valt. Het is alsof de muren uit zichzelf bewegen en ik heb moeite om uit elkaar te houden wat werkelijkheid is en wat niet.

Geen aandelen. Een hypotheek op het huis. Het geld van Simons rekening weggestroomd. Godzijdank heb ik het huis in Italië. Ik kan daar natuurlijk niet meer heen nu ik weet dat hij haar daar mee naartoe heeft genomen, dat ze in mijn zwembad hebben gezwommen, in mijn bed geslapen. Ik zal het verkopen – of althans mijn helft – om het veilig te stellen.

‘Over het huis in Italië heb ik ook geen goed nieuws,’ zegt Greg alsof hij mijn gedachten kan lezen.

Nou, dat weet ik al. Ik ben de helft van mijn eigendom al kwijt.

‘Het is namelijk zo dat Simon daar ook een hypotheek op heeft genomen. Een tophypotheek zelfs. Er is nog wel wat geld over, maar ik ben bang dat dat wordt opgeslokt door de verschillende soorten belasting die je moet betalen om een huis in Italië te verkopen. Ik vind het vreselijk dat ik je dit moet zeggen, Selina. Ik weet dat je de laatste tijd verschrikkelijk veel hebt meegemaakt, maar de waarheid is dat je man failliet was.’

Failliet. Het woord stuitert heen en weer in mijn hoofd, en het is alsof het nog eens vijf seconden duurt voordat ik echt kan begrijpen wat Greg Ronaldson zegt. Failliet.

Simon heeft altijd geld gehad. Het was een van die dingen die bepaalden wie hij was, net als zijn lengte en zijn groene ogen. De allereerste keer dat ik hem zag op dat studentenfeest in Bristol wist ik dat hij een vermogend man was. Wat een opluchting was het om hem tegen te komen. O, ik herinner me nog dat ik bij mezelf dacht: daar is hij eindelijk. Het feit dat hij zijn laatste jaar kunstgeschiedenis deed en dat ik nog maar net aan mijn tweede jaar rechten was begonnen, vond ik niet echt een probleem. Ik wist heus wel dat ik slim genoeg was om het af te maken – dat vertelden mijn docenten me altijd – maar ik had er gewoon niet genoeg ambitie voor. Ik had op de universiteit kunnen blijven toen hij de zomer erna naar Londen vertrok, maar wat zou dat voor zin hebben gehad? Ik weet nog dat ik samen met Hettie een lijst maakte van alle dingen die we in een ideale man zochten, en Simon voldeed aan bijna al die voorwaarden, dus waarom zou ik nog wachten? Ik geloof dat ik ergens in mijn achterhoofd altijd had verwacht te moeten kiezen tussen geld en liefde, en het leek erop dat ik het geluk had beide te hebben gevonden.

En nu lijkt het erop dat ik het allebei niet had.

Ik voel een warme plek op mijn been en zie dat Greg zijn hand heeft verplaatst. Ik voel paniek opwellen. Failliet. Geen aandelen. Geen huis in Toscane. Geen comfortabel leven. De woorden flitsen in mijn gedachten langs als een PowerPoint-presentatie.

Er komt een herinnering boven aan het veertiendaagse bezoekje dat ik een paar weken geleden bracht aan mijn moeder in het verzorgingstehuis.

‘Is alles goed met je man?’ vroeg mijn moeder en ik weet nog dat ik me ergerde aan dat ‘je man’. Ik wist dat het waarschijnlijk kwam door haar voortschrijdende geheugenverlies, maar het had ook iets smalends, alsof ze Simons naam na al die jaren nog steeds niet uit haar mond kon krijgen.

‘Alles gaat prima, dank je, mama,’ zei ik scherp. ‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat hij een paar dagen geleden hier was om geld van me te lenen.’

Op dat moment dacht ik dat dit door haar dementie veroorzaakt werd en ik corrigeerde haar vriendelijk. ‘Je bedoelt dat hij vroeg of je soms geld van hem wilde lenen?’

Mijn moeder reageerde diepbeledigd. ‘Zeker niet,’ zei ze kribbig. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven geld geleend en dat ben ik nu ook niet van plan.’

Later hebben Simon en ik erom gelachen. ‘Ik ben inderdaad even bij haar langs geweest,’ zei Simon, ‘maar we hebben het niet over geld gehad. Misschien even over de beurs...’

Over de beurs? Waar haalde hij het vandaan!

Dat gesprek met Simon speelt nog door mijn hoofd nu ik probeer me te herinneren of hij zich zorgen leek te maken voordat hij overleed. Heeft hij een signaal afgegeven dat hij gebukt ging onder financiële zorgen? Had ik iets moeten merken? Ik kan me niets herinneren, maar hij blijkt dan ook een meester te zijn geweest in geheimhouding! Hoe had hij anders al die jaren een dubbelleven kunnen leiden? Als hij een ander gezin voor mij verborgen heeft kunnen houden, hoe moeilijk moet het dan voor hem geweest zijn om een paar geldproblemen te verhullen?

Gregs hand ligt nog op mijn been, maar ik wil hem niet aankijken. Ik wil niet riskeren dat ik medelijden in zijn blik zie.

‘Ik begrijp dat je hoofd al tolt, Selina, maar er is nog iets...’

Nog iets? Is dit al niet genoeg?

‘Er zijn het afgelopen jaar ook een paar grote bedragen op Simons rekening gestort, maar ook daarvan kan ik de bron niet achterhalen. Heb jij enig idee waar die vandaan kunnen komen?’ Hij houdt een ander vel papier voor mijn neus en wijst op een paar omcirkelde bedragen.

‘Dus er is wel geld?’ vraag ik hoopvol.

Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat zelfs deze bedragen zijn opgeslokt door alle schulden die Simon had. Ik ben alleen... Nou, ik maak me zorgen over waar dat geld vandaan zou kunnen komen. Ik hoor namelijk weleens verhalen, Selina.’

‘Verhalen?’

‘Nou ja, geruchten eigenlijk, dat Simon betrokken geweest zou zijn bij een speculatie die niet helemaal... koosjer was. Het ging om een gigantisch ontwikkelingsproject met de Arabische overheid, zogenaamd een onafhankelijke deal, maar in feite bekostigd door andere mensen. Zeer onaangename mensen, heb ik horen zeggen – het soort mensen dat in theorie niet juist handelt, als je begrijpt wat ik bedoel. Mensen die van beide kanten smeergeld aannamen.’

‘Wat bedoel je met “het soort mensen dat in theorie niet juist handelt”?’

‘Ik bedoel dat hun geld misschien niet helemaal uit legale bronnen afkomstig is – en dat ze daarom een legitieme vertegenwoordiger nodig hebben.’

‘Iemand als Simon?’

‘Misschien.’

Ik heb geen idee waar hij het over heeft. Illegale bronnen, legitieme vertegenwoordigers. Wat voor wereld is dat? De Simon waar hij het over heeft ken ik helemaal niet.

‘Dat zou hij nooit doen,’ zeg ik. Maar ik weet meteen dat ik daar niet van overtuigd ben. Hoe kan ik weten wat die Simon die ik niet ken zou doen? ‘Hij zou zijn reputatie daarmee niet op het spel willen zetten.’

‘Waarschijnlijk heb je gelijk.’ Greg legt de papieren neer op een glazen wandtafel. ‘Het is alleen iets wat ik heb opgevangen.’

Al moet ik nog tot me laten doordringen wat ik zojuist heb gehoord, voel ik de paniek tegen mijn ribben bonzen, en ik vraag me af of Greg het ook kan horen.

‘Je hebt nog steeds de helft van het huis,’ zegt hij in een poging om aardig te zijn. ‘En ook die van het andere huis, tenzij eh, de andere partij helemaal in gebreke blijft met haar hypotheek.’

Nu wordt het me te veel. Zij is verantwoordelijk voor alles. Zij. Lottie. Zij heeft hem zover gekregen dat hij haar zwanger maakte, om hem vervolgens financieel leeg te trekken. Hij heeft kennelijk geld overgeheveld voor haar, misschien heeft hij er zelfs wel iets illegaals voor gedaan. De erfenis voor mijn kinderen, mijn eigen kwaliteit van leven – opgesoupeerd, verkwist, verspild. En alsof dat nog niet genoeg is, lijkt het erop dat mijn huis nu ook nog aan dat van haar gekoppeld is, zodat we op een idiote manier aan elkaar vastzitten in een afschuwelijke driebeenswedloop.

Het is me te veel. Gewoonweg te veel.

‘En wat gebeurt er als ze dat niet redt? Met die afbetalingen, bedoel ik.’

Greg kijkt me indringend aan en ik merk dat ik hoorbaar adem – kort en hijgerig, als een hond.

‘Het spijt me, Selina, maar als de andere mevrouw Busfield’ – nee, nee, nee – ‘haar huis verliest, is de kans groot dat jij het jouwe ook kwijtraakt.’