13

Selina

Zijn dat echt mijn benen?

Ik blijf er maar naar kijken, zoals ze daar voor me gestrekt liggen op het voetenbankje in de tv-kamer, waar ik op de bank zit.

Ik draag nooit van die korte jurkjes. Dat hoort niet bij mij. Maar ik merk op het ogenblik dat ik helemaal niet meer op mezelf lijk. Een tuniek die ik als een jurkje op een maillot draag in plaats van op een broek, dat zou bij de oude Selina nooit opgekomen zijn. Evenmin als voor de tweede keer in één week een lunchafspraak met een getrouwde man hebben. En het zijn niet alleen de kleren. Toen ik mijn hoofd om de deur stak bij Josh om hem gedag te zeggen, zei hij: ‘Je hebt iets aan jezelf gedaan.’

Het is moeilijk te zeggen of Josh dit als een vaststelling, een vraag of een beschuldiging bedoelde. Hij is de laatste tijd in een vreemde stemming, al vanaf het moment dat die vrouw belde om te zeggen dat hij bij haar dierbare dochter weg moest blijven.

‘O ja, schat?’

‘Je ziet er anders uit. Heb je iets met je haar gedaan?’

Dat klopt, mijn haar zit anders nu ik niet meer elke veertien dagen naar de kapper ga. Ik moet er niet aan denken dat zo’n twintigjarige styliste iets zegt als ‘alle mannen zijn hetzelfde, nietwaar?’, zodat het net lijkt alsof we iets gemeen hebben, of dat ik tweeënhalf uur naar mijn eigen spiegelbeeld moet kijken. Joehoe! Kijk eens, ik ben de vrouw van die man die met een ander getrouwd was. Daarom kleur ik nu mijn uitgroei thuis bij met verf die ik bij Boots gekocht heb, en mijn haar is langer en valt losser. Ik ben ook wat aangekomen, denk ik, nu ik niet meer naar de sportschool ga. Mijn lichaam wordt zachter en voller.

Het jurkje viel bij Greg kennelijk in de smaak. Hij bleef maar over geld praten – ik denk echt dat hij gelooft dat ik iets van die geheime rekening weet! Vraag het haar maar, zeg ik steeds tegen hem. Vraag het maar aan Lottie – maar hij was er niet echt met zijn hoofd bij. Toen hij bij de sushi in een tent bij Victoria Station vertelde dat hij haar had ontmoet, schrok ik van de jaloezie die ik ineens voelde. Had hij haar begeerd? Het is niet ondenkbaar, Simon wilde haar kennelijk, dus waarom hij niet? Het kwam voor het eerst bij me op dat Greg waarschijnlijk een stuk jonger is dan ik. Waarschijnlijk meer van haar leeftijd dan van die van mij. Ik was ineens een en al onzekerheid.

Ik was dan ook opgelucht toen hij voorstelde daarna ergens anders naartoe te gaan. Dankbaar zelfs! Tegenwoordig heb ik zo vaak het gevoel dat ik niet besta, nu alles wat vroeger mijn leven bepaalde er niet meer is. Begeerd te worden geeft me een doel en maakt dat ik weer echt besta. Lieve god, wat word ik een stakker.

Ineens zie ik ons samen in een flashback, giechelend als schoolkinderen in de douche van dat goedkope hotelletje, waar dat akelige plastic gordijn aan ons lichaam plakte. Ik kan me de laatste keer niet heugen dat ik in een douche met een gordijn stond. Zo bizar – dat plakkerige plastic op je natte huid.

De sanitaire voorzieningen waren wel het laatste waar we aan dachten toen we het eerste hotelletje dat we tegenkwamen binnenliepen. We wilden alleen een bed en een deur die op slot kon. Vreselijk om toe te geven. Daarna werd ik opgewonden omdat het zo’n armzalige toestand was: nylon gordijnen voor ramen die niet open konden toen Greg probeerde wat frisse lucht naar binnen te laten. Een schoteltje met drie theezakjes. Melkpoeder in roze zakjes. Nu ik erop terugkijk vind ik het natuurlijk verschrikkelijk ranzig.

Het is Simons schuld. Alles. Alles wat verkeerd gaat in mijn leven. Als hij me niet in financiële nood had achtergelaten, waardoor ik bijna gek word van de zorgen, zou ik niet zo wanhopig op zoek zijn gegaan naar afleiding. Als hij me niet zeventien jaar lang had bedrogen met een vrouw die dertien jaar jonger is dan ik, zou ik niet zo gevoelig geweest zijn voor de aandacht van mannen. Als hij geen kind bij haar had gehad, zou die scène met Josh – waar Felix ook nog eens bij was – na dat telefoontje van Lottie om hem bij haar dochter vandaan te houden niet hebben plaatsgevonden.

Onrustig loop ik naar de keukentafel en zet mijn laptop aan. Ik ga naar Twitter en laat mijn vingers boven het toetsenbord zweven. Hettie had vol afgrijzen gereageerd toen ze ontdekte dat ik weer was gaan tweeten. ‘Besef je wel dat ze alles wat jij schrijft zal lezen? Zij en haar zussen.’ Wat Hettie niet besefte is dat dat nou net de reden is waarom ik weer ben gaan tweeten – om hun, haar, te laten zien dat hun verachtelijke doen en laten me niet raakt.

A.s. woensdag zoals altijd leesclub, schrijf ik. Leg weg die korte verhalen, dames!

Ik glimlach bij mezelf als ik me voorstel hoe ze kijken als ze dat lezen en beseffen dat mijn leven ondanks hen zonder problemen verdergaat. Maar nadat ik op de tweet-knop heb geklikt, voel ik dat ik inkak. Ik zorg dat ik onaangedaan overkom, maar hoe voel ik me in werkelijkheid? Ik maak me zoveel zorgen over de persoon die ik aan anderen laat zien dat ik niet meer weet wie ik echt ben.

Ik kijk rond in de keuken met de strakke kastenwand, en merk dat ik me afvraag of de vrouw die dagen heeft doorgebracht met een keukenontwerper, die zich over tekeningen boog, en die de perfecte bergplaatsen heeft bedacht voor ontbijtproducten en koperen pannen, stokdweilen en blikken nog wel bestaat. Ik heb niet meer het gevoel dat ik hier hoor. Maar als ik niet hier hoor, in de keuken die ik heb ontworpen en waarin ik talloze etentjes heb bereid, waar dan wel?

Ik spring overeind en been de kamer uit naar de zijkamer, waar ik in een la van het antieke dressoir rommel. Het was vroeger van Simons ouders en hij wilde het per se houden, maar ik heb er nooit iets aan gevonden. Al dat donkere hout. Het past totaal niet bij ons moderne interieur.

Ik ben op zoek naar de trouwfoto die ik er vorige week in heb gelegd, of was het de week daarvoor? De tijd lijkt elke betekenis te hebben verloren.

Daar is hij. Ik zet hem rechtop en staar naar Simons groene ogen, op zoek naar antwoorden. ‘Heb je van me gehouden?’ vraag ik aan de belachelijk jonge man met die scheve grijns die verrukt naar zijn nieuwe bruid kijkt als naar een winnende pompoen die hij zelf gekweekt heeft. ‘Was je blij toen je ging trouwen? Keek je naar me en dacht je: ja, dat is ze, de vrouw met wie ik mijn leven wil delen?’

Ik was natuurlijk zeker van hem. Vanaf het allereerste moment. Maar het ging me evenzeer om het getrouwd-zijn als om het getrouwd-zijn met hem. Toen ik met mijn leesclub Anna Karenina las, hebben we een verhitte discussie gevoerd over het huwelijk. Er waren een paar vrouwen – gescheiden, natuurlijk – die er een vernietigend oordeel over velden, ze vonden het huwelijk een contract, en dat dat afbreuk doet aan de romantiek, maar dat stond mij altijd wel aan, het idee van een contract tussen twee mensen die afspreken de rest van hun leven van elkaar te houden. Ontbreekt daarin romantiek?

Maar toch... Die toestand onder de wijnranken op de loggia in Toscane heeft wel plaatsgevonden. ‘Ik moet met je praten,’ zei hij, en hij zette zijn wijnglas met een klap neer, en ik wist instinctief dat ik niet wilde horen wat hij te zeggen had, dat het het contract dat we hadden gesloten in gevaar zou brengen. ‘We hebben een goed huwelijk gehad,’ zei hij, en ik weet nog hoe erg ik het vond dat hij de voltooide tijd gebruikte, alsof hij het al achter zich had gelaten. ‘Je kunt niet bij me weggaan.’ Mijn stem maakte hem op een heldere, zelfverzekerde manier duidelijk dat hij niet verder moest gaan. ‘Ik ben zwanger.’

Nee. Het had geen zin om daar nu aan te denken. Het verleden is voorbij.

Ik staar nog wel naar de foto – naar de jonge Selina en de jonge Simon. Het valt me ineens op – stom dat ik daar niet eerder aan heb gedacht – dat ik Simons gezicht nooit ouder zal zien worden, ik zal nooit het einde van zijn verhaal weten. Ik word overmand door verdriet als ik denk aan hoe mijn lijstjes en mijn agenda’s, die ik al een halfjaar van tevoren inplande, me de illusie gaven dat ik controle had over de toekomst. Er kon niets ernstigs gebeuren voordat het juni werd omdat we dan naar de zilveren bruiloft zouden gaan van Sue en Michael, in een prachtig landhuis bij Chichester. Ik geloofde echt – stomme, stomme vrouw die ik was – dat een tweejaarlijks lidmaatschap en vijfjarige verplichtingen je konden beschermen tegen onvoorziene gebeurtenissen. Ja, ik wist wel dat mensen doodgingen – maar niet mensen met een verlengde garantie van zeven jaar.

Ik moet iets doen om mijn gedachten af te leiden – iets zinvols. Ik hoor Josh beneden komen met zijn beste vriend Lewis, ze gaan ergens naartoe. Ik ben blij dat Lewis hier is. De vrienden van Josh zijn al een tijdje niet geweest en nu lijkt het alsof alles weer normaal wordt.

‘Waar denk je dat hij nu is, je vader?’ hoor ik Lewis vragen als ze de gang in lopen. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik geloof niet in God of zoiets, maar het lijkt me nogal maf als we gewoon ophouden te bestaan, snap je? Ik denk dat er misschien wel een of andere dimensie is waar alle mensen gewoon tot rust komen.’

‘Dat zou dan de hemel heten,’ zegt Josh sarcastisch.

‘Nee, gast,’ zegt Lewis in dat taaltje dat ze tegenwoordig allemaal lijken te spreken. ‘Het heeft niks te maken met religie en dat soort gelul. Het is iets spiritueels.’

De voordeur gaat open en weer dicht. Ik lach bij mezelf en als ik de la weer opendoe om de foto terug te leggen, zie ik de grote stapel condoleancekaarten die daar al sinds de begrafenis liggen. In die tijd was ik zo van slag dat ik ze niet eens bewust heb gezien, ik heb alleen de enveloppen automatisch geopend en ernaar gekeken zonder ze te lezen. Ach ja, dat kan nu ook nog, denk ik. Ik pak mijn leesbril en ga met de kaarten op de bank zitten.

Wat een troep! Veel zilveropdruk en wasachtige bloemen en sombere letters met lange lussen die ‘medeleven’ en ‘verdriet’ moeten overbrengen. Ineens moet ik denken aan Ryan die ‘gecondoleerd’ zei en dat ik toen ‘gecommandeerd’ verstond, en ik snuif even.

De woorden zijn verbazend ontroerend. Na al die weken waarin ik een beeld heb opgebouwd van Simon het Monster, is het een schok om alle aardige dingen te lezen die hij voor anderen deed. Zoveel ontroerende anekdotes over wie hij was. Maar heeft een van hen hem echt gekend? Die man die er heimelijk nog een vrouw, nog een kind, nog een leven op na hield?

Er is een kaart bij van Chris Griffiths die een paar dagen na de begrafenis werd bezorgd in een lichtblauwe envelop met een rimpelige, te nat opgeplakte postzegel. De tekst is lang en uitvoerig en geschreven in een kriebelig, krampachtig handschrift. Ik leg hem weg zonder hem te lezen.

Aha. Eindelijk een kaart die wat smaakvoller is dan de andere. Een afbeelding van Monet – een sierlijke brug over een rivier met waterlelies, omzoomd door groene treurwilgen. Hemel, hij is van Caroline Howard! Ik had geen idee dat Simon contact had gehouden met zijn oude studievriendin. Wat vreemd.

Een leeuw van een kerel, heeft ze geschreven. Ik kan niet geloven dat hij er niet meer is.

Een akelig gevoel bekruipt me. Ik heb decennialang niet aan Caroline Howard gedacht en nu dit. Plat sentiment wolkt als parfum van het kaartje. Vreemd dat ze na al die tijd zo’n emotionele boodschap schrijft. Ik kan niet geloven dat hij er niet meer is. Alsof ze hem gisteren nog heeft gezien in plaats van dertig jaar geleden.

Ik moet het aan Hettie vertellen. Ik weet niet zeker of zij en Ian zich Caroline nog herinneren, maar ik heb een klankbord nodig, iemand om te toetsen of ik overdreven reageer. Het wordt trouwens toch tijd dat ik Hettie weer eens spreek. Ik heb het uitgesteld omdat ik haar niets over Greg wilde vertellen. Niet dat ik me schaam. Niet echt. Maar hij is mijn geheime genoegen, als een lang schuimbad of dure bonbons. Hettie zou het niet goedkeuren. Wat Simon ook heeft gedaan, in haar hart is ze nog loyaal aan hem, of liever gezegd aan het idee van hem en mij en haar en Ian samen. Ik zie haar gezicht al voor me als ze erachter komt dat Greg getrouwd is. Ontrouw is voor Hettie een gruwel. Natuurlijk geloofde ik dat mijn eigen huwelijk heilig was, maar Hettie vindt dat elk huwelijk dat moet zijn. Ze beschouwt overspelige relaties van anderen, zelfs van mensen die ze niet kent, als een persoonlijke bedreiging. Bovendien weet ik niet helemaal zeker of Greg voor mij nog evenveel waarde heeft als onze affaire geen geheim meer is. Ik ben bang dat wat het ook is wat hem voor mij aantrekkelijk maakt, verdwijnt als Hettie of iemand anders erachter komt en ik door hun ogen naar hem moet kijken, zoals eeuwenoude relieken die verkruimelen als ze aan licht worden blootgesteld.

Maar ik moet met iemand over Caroline Howard praten, dus pak ik mijn telefoon.

‘Ja, ik weet nog wel wie ze is.’ Verbeeld ik het me of hoor ik een aarzeling bij Hettie?

‘Maar vind je dat niet raar?’ ga ik door. ‘Dat ze me zoiets schrijft? In die woorden?’

Hettie zwijgt.

‘Hettie?’

‘Ik denk dat je er misschien met Ian over moet praten,’ zegt ze uiteindelijk. ‘We kunnen beter even bij je langskomen.’

Wat? Waarom zou ik in hemelsnaam met Ian over Caroline moeten praten? Maar Hettie heeft de verbinding al verbroken.

 

Twintig martelend lange minuten later staan ze voor mijn deur. Ian staat schaapachtig achter Hetties rug te treuzelen.

‘Hij wilde niet mee, hè schat?’ zegt Hettie.

Ian schudt van nee en kijkt ongelukkig. Om de een of andere reden maakt zijn martelaarsgezicht me razend. Na alles wat ik de laatste paar weken heb meegemaakt – het overlijden, de begrafenis, de onthullingen over Simons dubbelleven, de geldzorgen – heeft Ian Palmer volgens mij bepaald niet het recht om te kijken alsof hij de last van de hele wereld op zijn schouders torst.

‘Als je me iets te zeggen hebt, Ian,’ zeg ik, terwijl ik hen voorga naar de zijkamer, ‘heb ik liever dat je er meteen mee voor de draad komt.’

‘Ik schenk even wat in, goed?’ zegt Hettie. Ze schiet de keuken in met de fles wijn die ze heeft meegebracht.

Ian staart haar na alsof hij elk moment in tranen kan uitbarsten.

‘Ik weet niet precies hoe ik je dit moet zeggen,’ begint hij, en hij staart naar een vlek op de vloer naast zijn rechtervoet. Zijn ongemak is tastbaar, als een ongenode gast die op de bank tussen ons in zit.

‘Nou, gooi het er in vredesnaam uit!’

Ik voel een knoop in mijn maag die aanvoelt als een biefstuk die niet verteerd is.

‘Nou, het zit zo, Selina. Jaren en jaren geleden, toen jullie nog niet zo lang getrouwd waren, heeft Simon me verteld – en ik wil dat je weet dat ik heel vaak heb gewenst dat hij dat niet gedaan had – dat Caroline en hij... nou ja...’

Ik staar naar de rode blos die van zijn hals naar zijn gezicht kruipt. De knoop in mijn maag wordt nog harder als ik besef wat hij wil zeggen.

‘Geneukt hadden?’ opper ik.

Er staat afschuw in Ians ogen te lezen. Zijn hand schiet naar zijn bovenlip om dringend aan een niet-bestaande snor te zitten. Goed zo. Laat hem maar lijden. En dat vertelt hij me nu? Achtentwintig jaar te laat? Wat verwacht hij verdomme van me, een medaille?

‘Ik heb hem gezegd dat ik dat... laakbaar vond.’

Laakbaar! Wie gebruikt er nou het woord laakbaar? Ik besef nu pas hoe bekrompen mijn vrienden zijn.

‘Simon en jij hadden toentertijd kleine kinderen, besef ik nu. Hij zei dat hij zich er vreselijk rot over voelde en een eind aan de relatie zou maken. Hij smeekte me niets tegen jou en Hettie te zeggen.’

‘Hij wist dat ik hem vermoord had als ik het had geweten,’ zegt Hettie, die binnenkomt met drie grote glazen wijn die ze onhandig op de salontafel neerzet. De wijn spat op het gladde hout.

‘O god, Sel! Ik ben onderzetters vergeten!’

Onderzetters? Waar ziet ze me voor aan? Haar man heeft me net verteld dat Simon me in het begin van ons huwelijk al ontrouw was, en zij denkt dat ik me druk maak over onderzetters?

‘Die onderzetters kunnen de pest krijgen,’ zeg ik.

‘Ik heb het Hettie verteld na de begrafenis, toen al die andere rottigheid aan het licht kwam,’ zegt Ian. ‘Ik vond het vreselijk om het al die jaren voor haar geheim te houden. Je weet dat we elkaar altijd alles vertellen.’

Bah! Die blik tussen hen. Medeplichtigen. Alsof niets hen in gevaar kan brengen. Ik zou het niet erg moeten vinden, maar dat vind ik wel. Ik vind het heel erg. Even heb ik zin om met een knuppel die veilige muur die ze om zich heen hebben gebouwd omver te meppen. ‘Niks veilige muur meer!’ zou ik roepen terwijl ik die in elkaar sloeg.

‘Maar ik had het Simon beloofd,’ vervolgt Ian. ‘En het leek toen werkelijk allemaal voorbij – een tijdelijke vergissing.’

De knoop in mijn maag wordt een harde bal die tegen mijn longen drukt, waardoor ademhalen moeilijk wordt. Wijn. Die heb ik nodig. Ik neem een lange, gulzige slok. Dat is beter. Kan het echt maar een paar uur geleden zijn dat Greg en ik een fles sake dronken bij de lunch in dat Japanse restaurant? Het lijkt nu al alsof dat in een ander tijdsgewricht was, en dat ik een totaal andere vrouw was. Komt er nooit een eind aan het aantal Selina’s die de kop opsteken, waarbij de een in de ander verstopt zit, een eindeloze baboesjka?

‘Gaat het wel, Sel?’

Hetties hand ligt op mijn arm en haar ogen zijn als bruine basterdsuiker, zacht van medeleven.

Ik schud mijn hoofd. ‘Ik weet dat ik niet zo zou moeten schrikken na wat er allemaal al is gebeurd. Het is alleen zo... teleurstellend!’

Ik leg het niet goed uit. Het punt is dat ik me had vastgeklampt aan die eerste periode van mijn huwelijk, de jaren voor Lottie, het enige wat nog onbedorven was. In gedachten heb ik die tien onbedorven jaren trots aan de lijn gehangen als schone witte was. En nu zijn ze er in één tel afgerukt en in de modder gestampt.

Komt hier dan nooit een eind aan, aan die voortdurende ontmanteling van mijn leven? Hou ik dan werkelijk niets meer over?

‘Het is dus één grote schijnvertoning geweest,’ zeg ik. ‘Alles.’

‘Nee, nee!’

Ik kan me niet herinneren dat ik Ian ooit zo fel heb gezien.

‘Simon was dol op je. Hij aanbad je. Hij zei altijd dat hij zoveel geluk met je had. Je moet nooit denken dat zijn gevoelens voor jou niet volkomen oprecht waren.’

‘Waarom dan Caroline Howard? En die ander – Lottie?’

Ian haalt zijn schouders op. De onrust straalt van hem af. ‘Wat moet ik zeggen? Zo was Simon. Hij had een enorme levenshonger. Ik geloof dat hij niet wist hoe hij zich moest inhouden.’

‘Of misschien wist hij niet waarom hij zich zou moeten inhouden,’ oppert Hettie. ‘Toen hij er één keer mee was weggekomen, moet hij gedacht hebben dat hij ermee door kon gaan.’

 

Hettie en Ian zijn vertrokken. Ik zit nog steeds op de bank wijn te drinken. Dit nieuwe verraad van Simon brandt als een zuur in mijn binnenste. Klopte het wat Hettie zei? Werkt het zo? Gaan onze morele keuzes niet verder dan de vraag waar je wel en waar je niet mee wegkomt?

Het klopt wat Ian over Simon zei, dat hij nooit nee tegen zichzelf kon zeggen. Zijn eigen moeder vertelde me een paar jaar voor ze stierf iets dergelijks. ‘Als kind wilde hij altijd meer,’ zei ze over haar enige zoon. ‘Meer, meer, meer. Hij was nooit tevreden met wat hij had. Als het over dingen gaat waar hij van houdt, kan Simon erg inhalig zijn.’

Misschien een waarschuwing? Natuurlijk was ik zo stom dat ik die niet wilde horen. Ik was er zo zeker van dat ik genoeg was voor hem, dat ik hem beter kende dan zijn moeder, die volhield dat een projectontwikkelaar slechts een omhooggevallen bouwvakker was en die hem knipsels uit tijdschriften stuurde over mensen die zich op latere leeftijd hadden laten omscholen tot jurist en architect. Ha!

Wat kan ik me herinneren over Caroline Howard? Ze was een van die enigszins intimiderende roodharigen – lang en bleek, met lang haar dat ze in een losse vlecht over een schouder droeg. Ze droeg vaak een zonnebril, dat weet ik nog. Zo’n grote die het grootste deel van haar mooie gezicht verborg. Het enige wat ik na onze studietijd over haar heb gehoord, is dat ze met een steenrijke man getrouwd is. Een of andere lord, als ik het me goed herinner. Hij zou een stuk ouder zijn, volgens iedereen. Sommigen zeiden toentertijd dat ze alleen met hem getrouwd was omdat ze Simon niet kon krijgen. Dat gaf me een gevoel van macht, de wetenschap dat ik had wat anderen wilden.

Hoe durfde ze weer in mijn leven te komen, in mijn huwelijk? Simon was klaar met haar. Hij had mij gekozen. Waarom kon ze het daar niet gewoon bij laten? Als hij die eerste keer niet met haar was vreemdgegaan en niet de zwakke plek in de pantsering van ons huwelijk had blootgelegd, had die andere vrouw daar misschien ook nooit iets mee kunnen doen. Lottie had in elk geval nooit geweten dat hij getrouwd was. Caroline Howard wist precies hoe het zat, dat hij de echtgenoot van een andere vrouw was.

Door de combinatie van woede en wijn in mijn lichaam vlieg ik ineens van de bank af naar Simons studeerkamer. Ik kom daar vrijwel nooit meer. Het doet me te veel aan hem denken. Ik verwacht altijd hem daar aan te treffen in zijn leren stoel, met zijn armen achter zijn hoofd, zijn lange benen voor zich uit, luisterend naar luide muziek, starend in het niets.

Ik laat me op de stoel achter zijn grote eiken bureau vallen, ruk de bovenste la open en haal de mobiele telefoon eruit die ik erin gegooid heb nadat de politie die plastic zak met Simons bezittingen had teruggegeven.

Niet opgeladen. Natuurlijk. Ik hoef maar heel even te zoeken naar de oplader. Dat is beter. Als ik door zijn contactpersonen scrol is het alsof Simon weer tot leven komt, en even word ik overmand door een sterk gevoel van verlies. Typisch Simon – omdat hij altijd zo slecht namen kon onthouden, ontwikkelde hij zijn eigen systeem, de voornaam met daarachter een kenmerk. Anthony (kaal), Anthony (bank), Anthony (lul), Ben (dierenarts), Beverley (vreselijk). Als ik bij de C aankom, zie ik vier Carolines staan. Caroline (golfende man), Caroline (pr), Caroline (reisbureau, behulpzaam). Bij de vierde staat alleen ‘Caroline’. Verder niets.

De pijn overvalt me en is verpletterend.

Natuurlijk had ze verder geen beschrijving nodig. Wat had hij dan moeten zetten? Caroline (hoer)? Caroline (overspelige trut)?

Woede barst in me open als een bloedvat.

Ik stuif de gang in, grijp mijn eigen mobieltje uit mijn tas en ga terug naar de studeerkamer om het nummer in te toetsen. Hier komt ze niet mee weg. Wat dacht ze nou?

Als ik de zoemtoon hoor, besef ik dat het al laat is. Vijf over halftwaalf. Wat kan het me schelen. Ze mag best gestoord worden. Dan weet ze ook eens hoe het is als je niet kunt slapen. Laat haar maar in het bijzijn van haar man of kinderen of wie daar verder nog is in het nauw gebracht worden, zodat haar beroemde albasten huid rood en vlekkerig wordt van schaamte.

Vier keer gaat de telefoon over. Vijf keer.

‘Hallo!’

Een lage, koele stem die de tijd terugbrengt alsof de laatste dertig jaar nooit plaatsgevonden hebben. Pas nu weet ik weer hoe gereserveerd Caroline Howard was – altijd die Pinter-achtige stilte voordat ze iets zei. Ik moet rustig blijven. Maar god nog aan toe, ik moet alle zeilen bijzetten om me niet te laten gaan.

‘Je spreekt met Selina Busfield.’

Goed zo. Rustig. Zakelijk. Niet de stem van iemand die elk moment hysterisch kan worden.

Er valt een stilte (natuurlijk). Dan: ‘Aha.’

Is dat alles wat ze te zeggen heeft? Na al die tijd? Na alles wat ze van me afgenomen heeft? Niet meer dan ‘aha’?

‘Ik moet met je praten over iets persoonlijks.’ Waarom klink ik ineens als een soort secretaresse? ‘Als je man bij je is, stel ik voor dat je even ergens anders gaat zitten.’

‘Maak je geen zorgen.’ De stem aan de andere kant van de lijn klinkt gekmakend geamuseerd. ‘Mijn man en ik zijn al vijf jaar gescheiden. En al waren we dat niet, hij is zo doof als een kwartel.’

‘Ik ben bang dat dit niet om te lachen is. Ik ben er namelijk net achter gekomen dat je een affaire hebt gehad met mijn man.’

Wat verwacht ik nu? Dat ze een kreet slaakt of om vergiffenis zal smeken?

‘Juist,’ zegt de vroegere Caroline Howard die, ineens weet ik het weer, intussen lady Caroline Yardley heet.

Ik doe mijn ogen dicht. Het is te veel.

‘Is dat het? Is dat alles wat je te zeggen hebt? “Juist.” Wat voor iemand ben jij?’

Weer een gekmakende stilte.

‘Selina, lieverd, ik weet dat dit een verschrikkelijke tijd voor je moet zijn.’ Haar stem klinkt afgemeten, maar vriendelijk. Die vriendelijkheid vind ik het ergst. ‘Maar je moet weten dat dat allemaal heel lang geleden is begonnen.’

‘Nou, neem me niet kwalijk als mijn woede ongepast is, maar ik ben er net pas achter gekomen, verdomme!’

Het voelt goed om me te laten gaan. Te zeggen wat ik wil na mijn poging om me in te houden. Ik ga door: ‘En ook nog toen onze kinderen nog maar klein waren. Je moest je schamen! Gelukkig maar dat Simon zo verstandig was om er een einde aan te maken!’

Wat was dat voor geluid aan de andere kant van de lijn? Een zucht?

‘Oké, ik denk dat het tijd wordt om open kaart te spelen.’ Nu klinkt ze niet meer zo gepolijst. Niet meer zo bevoogdend. ‘Hoe eerlijk mag ik zijn, Selina?’

Hoe eerlijk? Wat is dat nou voor een vraag?

‘Kennelijk wil ik de waarheid,’ zeg ik stijfjes, en ik betwijfel het onmiddellijk. Is dat zo? Wil ik echt de waarheid weten?

‘Heel goed,’ zegt lady Yardley, geboren Caroline Howard.

‘De waarheid is, Selina, dat Simon en ik... dat wil zeggen, jouw echtgenoot en ik... Hemel, ik praat ineens net als de koningin, vind je niet?’

Er volgt een schaterlach. Ik kan niet geloven dat deze vrouw echt lacht. Zou ze nu niet haar verontschuldigingen moeten aanbieden, of zich moeten rechtvaardigen?

‘Sorry,’ vervolgt ze. ‘Nou, de waarheid is – en ik ga ervan uit dat dit geen schokkend nieuws voor je zal zijn, in aanmerking genomen dat jij weet hoe Simon in elkaar zat. Nou, Simon en ik zijn altijd minnaars gebleven.’

De leren stoel onder me is zacht, maar de muren van Simons studeerkamer komen op me af en hellen vervolgens de andere kant op, heen en terug, heen en terug. Ik word kotsmisselijk.

‘Altijd gebleven,’ herhaal ik mat.

‘Nou ja, ik bedoel natuurlijk dat we af en toe wel gestopt zijn. We hebben perioden gehad, soms een paar jaar, dat we elkaar niet zagen, als het leven er een stokje voor stak. Ik kreeg natuurlijk mijn kinderen, en hij de zijne. En nou ja, dan had hij nog dat andere gezin.’

Die klap komt onverwacht. Ze heeft het geweten. Zij heeft dat ook geweten. Wat was ik, slechts een ander deel van het ‘leven’ dat steeds die vervelende stokjes ervoor stak? De laatste die iets te horen kreeg?

‘Dus jullie zijn tijdens mijn huwelijk met elkaar naar bed blijven gaan?’

Het is ongelooflijk hoe vast mijn stem is, en hoe beleefd ik klink. Alsof ik een formele vraag stel – het nummer van een rijbewijs of het tijdstip van een uitgestelde vlucht.

‘Af en aan,’ zegt lady Yardley. ‘Kennelijk meer af dan aan. En toen hij eenmaal met Lottie was, werd het moeilijker. Ze was erg veeleisend, vroeg erg veel aandacht.’ (Alsof ik gevleid moet zijn door de conclusie dat ik daarentegen dus een voorstander ben van leven en laten leven.) ‘Maar af en toe lukte het ons toch. Meer uit nostalgie dan om iets anders. Ik hoop dat je het niet vreselijk vind dat ik dit zeg, maar het is zo’n opluchting om hier met je over te praten, Selina. Ik mis hem namelijk heel erg, en jij bent de enige die kan begrijpen wat ik doormaak.’

Nee! Dit gaat te ver! Wat een lef heeft die vrouw!

‘Waag het niet,’ zeg ik.

‘Maar Selina, lieverd...’

‘Waag het niet te denken dat wat jij doormaakt hetzelfde is als wat ik doormaak. Hoe kun je ook maar vermoeden hoe het voor mij is? Jij bent niet met hem getrouwd geweest. Jij hebt zijn kinderen niet gekregen. Je hebt geen idee. Begrijp je dat, lády?’

Als ik op ‘einde gesprek’ druk, heb ik het gevoel dat mijn hart uit mijn borstkas springt, en mijn ademhaling gaat oppervlakkig en onregelmatig.

Ik heb geen idee hoe lang ik achter het bureau naar mijn telefoon blijf staren. Op een gegeven moment haal ik de wijnfles uit de keuken en neem hem mee terug naar de studeerkamer waar ik om me heen kijk alsof ik hem voor het eerst zie en probeer erachter te komen wie de man was die hier altijd heeft gezeten. Op het prikbord aan de muur hangt een foto van Simon, die een royale cheque overhandigt aan de directeur van een liefdadigheidsfonds in Dubai. ‘Schijnheilige klootzak!’ roep ik ernaar. ‘Smeerlap! Klootzak!’ Ik heb nooit eerder hardop ‘klootzak’ gezegd, maar het lucht wel op. Het duizelt me even.

Ik heb het gevoel dat ik zal knappen als ik niet aan iemand kan vertellen wat er zojuist gebeurd is, maar aan wie? Niet aan Greg, die waarschijnlijk knus naast zijn begripvolle echtgenote in bed ligt. Niet aan een van de kinderen, die hebben al genoeg meegemaakt. Maar aan wie dan? Wie zou dit kunnen begrijpen? Er is er maar één die dat kan.

Lottie

Ik droom dat Simon me vanuit een televisietoestel roept. ‘Hoe kan ik naar je toe komen?’ vraag ik steeds, zinloos op de afstandsbediening drukkend. ‘Hoe kom ik daarin?’

Even denk ik dat de ringtone deel uitmaakt van mijn droom. ‘Ik kom eraan,’ mompel ik terwijl ik mijn telefoon pak. ‘Zeg alleen hoe het moet.’

Ik ben nog zo slaapdronken dat ik de naam op de display niet kan ontcijferen.

‘Hallo?’ vraag ik met schorre stem.

‘Met mij. Selina.’

Opeens ben ik klaarwakker. Wat moet ze van me? Waarom belt ze me midden in de nacht?

‘Ik heb net een nogal interessant gesprek gevoerd,’ zegt ze. Haar stem klinkt raar.

‘Zo interessant dat je me daar om halftwee ’s nachts voor wakker moet maken? Wat is er met je? Je klinkt alsof je dronken bent.’

‘Halftwee?’ Ze klinkt verrast maar herstelt zich snel. ‘Ik heb vanavond gesproken met een ex van Simon met wie hij verkering had voordat ik in beeld kwam. Caroline Howard, heette ze toen. Tegenwoordig is het lady Yardley.’

Poe! Ik snuif minachtend. Laat dat maar aan Simon over om ergens in zijn verleden een aristocrate verborgen te hebben.

Selina lijkt mijn reactie te waarderen. ‘Belachelijk, hè? Die stomme titel. Maar goed, het interessante is dat ik nu weet dat hij nooit is opgehouden met haar naar bed te gaan.’

Ze praat op een gewone conversatietoon, maar ik raak in de war.

‘Dus hij is met haar naar bed gegaan nadat hij iets met jou begon, bedoel je?’

‘Ja. Nadat hij iets met mij begon. O, en ook nadat hij iets met jou begon. In feite is hij de afgelopen dertig jaar met enige regelmaat met haar naar bed geweest.’

Nee. Dat kan niet.

Of misschien toch wel.

Ik hoor ergens een kreun – een afschuwelijk geluid dat klinkt alsof er iets breekt. Alles in me wil tegen haar zeggen dat ze het mis heeft, dat ik weet dat ze dit verzint om me pijn te doen. Maar tegelijkertijd weet ik donders goed dat het de waarheid is. Simon heeft over zoveel dingen tegen me gelogen. Alleen Selina Busfield schijnt me te vertellen wat de waarheid is.

Ik doe mijn ogen dicht en bons zacht met mijn hoofd tegen het hoofdeinde van mijn bed om het beeld van Simon dat ik nu voor me zie kwijt te raken. Daar ligt hij, in ons bed, en steunend op een elleboog kijkt hij me recht aan.

‘Jij bent de enige tegen wie ik eerlijk kan zijn,’ zegt hij terwijl hij met een vingertop langs mijn neus gaat. ‘Bij jou mag ik mezelf zijn.’

Maar wie was dat, die ‘mezelf’ die hij bij mij kon zijn, die met andere vrouwen sliep en daarna naar huis kwam en me tegen zijn borst drukte alsof ik de hoofdprijs was?

‘O, o, o,’ zeg ik bij elke keer dat ik met mijn hoofd bons. ‘O, o, o.’

Selina

Ik luister naar de gedempte geluiden aan de andere kant van de lijn en weet precies wat ze aan het doen is. Het is alsof ik erbij ben en zie hoe ze met haar hoofd tegen de muur of de deur of wat dan ook bonst.

Gek, ik zou me er beter door moeten voelen, door dat ‘o, o, o’. Ik zou triomf moeten voelen. Maar die voel ik niet.

Ik blijf even luisteren. Dan schraap ik mijn keel. ‘Het... eh... spijt me,’ zeg ik.

En tot mijn eigen verbazing spijt het me inderdaad.