5
Selina
Simon leeft nu met zijn gezicht naar de muur. Alle foto’s van hem zijn omgedraaid, zodat zijn neus tegen het koude stucwerk gedrukt staat. Zo kan hij niet zien wat er gebeurt. Hij is uit beeld. Hij wordt genegeerd.
Wat zou hij dat erg vinden.
De omgekeerde foto’s zijn slechts een van de vele dingen die zijn veranderd in de vijf dagen na de Uitzinnige Uitvaart, zoals Felix het noemt. Maar werkelijk alles is veranderd. Hoe kan het ook? Het ironische is dat ik voordat dit allemaal gebeurde, toen alles nog normaal was, naar verandering snakte. Al vanaf mijn vijftigste heb ik ergens een gemis gevoeld, een ruimte die moest worden opgevuld, een toenemende afkeer van de sleur in mijn leven. En nu wil ik natuurlijk niets liever dan terug naar hoe het was, terug naar dat saaie leven, toen alles nog normaal was.
Verbazingwekkend, hoe het leven verdergaat. Zelfs als je ervan overtuigd bent dat dat gewoonweg niet kan. Zelfs na die scène voor het crematorium hield de wereld niet op te bestaan. Het bleef motregenen, waardoor het net een scène uit een wazige, grauwe film leek, en de vogels bleven zingen. Mijn longen wisten nog hoe ze zuurstof moesten opnemen, mijn hart bleef slaan.
Er heerst een speciaal soort stilte, die altijd valt nadat er een bom gevallen is. Alsof de wereld heen en weer kantelt tussen hoe het was en de nieuwe realiteit. Ik keek naar de vrouw op de grond, en ik voelde niets. Noppes. Nada. Toen ineens, zwoesj, kwam er een bittere golf in me omhoog en een vreselijk ogenblik dacht ik dat ik moest overgeven. Daar, ter plekke. Zie je het voor je? In plaats daarvan maakte ik een kreunend geluid en het was alsof iemand de pauzeknop had ingedrukt, want daarna kwam iedereen tot leven. Ook al was het alsof mijn brein gestopt was, toch merkte ik vaag dat het om me heen steeds onrustiger werd. Gefluister verspreidde zich als een bosbrandje. Heb je het gezien? Heb je het gehoord?
Daarna werd alles een beetje wazig voor me. De vrouw werd weggeleid door haar roodharige vriendin. Ze wilde niet, maar ze leek niet de kracht te hebben om zich te verzetten. Het meisje dat Simons ogen had als geleende juwelen volgde haar, heftig snikkend, zoals je doet als je heel erg je best doet om niet keihard te huilen. Ik zag dat mijn eigen kinderen zich om me heen verzameld hadden. ‘Wat was dat nou?’ vroeg Flora aldoor, kennelijk nog volledig in shock. En nog eens: ‘Wat was dat?’
Met Josh was het al niet veel beter. ‘Ik geloof het niet, verdomme,’ zei hij steeds. Felix zweeg, maar zijn vingers om mijn arm voelden als een bankschroef.
Als je erover nadenkt, was het frappant dat de begrafenis verder verliep zoals gepland. Het was alsof we samen stilzwijgend besloten hadden om wat er zojuist gebeurd was even uit te stellen tot later. Ik liet me het crematorium in leiden en pakte mijn moeders arm omdat me dat een zinvol gevoel gaf. Ze was zo in de war, dat arme mens. Ik denk dat die sfeer van nauwelijks onderdrukte paniek haar dementie triggerde, want ze vroeg aldoor: ‘Maar wie was dat meisje, met al dat haar?’ (Meisje? Ha! Een vrouw van tegen de veertig, zul je bedoelen!) ‘Ze zag er zo broos uit!’ Niemand kon het opbrengen om te zeggen dat ze waarschijnlijk boos bedoelde.
Het is ongelooflijk, maar ik heb de hele dienst uitgezeten zonder ook maar een kreet te slaken, te schuimbekken of flauw te vallen. Ik heb zelfs even geluisterd. Ik denk dat mijn geest zich uit zelfbehoud even uitschakelde, zoals een lichaam soms doet bij een zware verwonding. De jongens hielden allebei een toespraak alsof ze op de automatische piloot gingen. Pas toen we het crematorium uit liepen, begon die onwerkelijke scène tot me door te dringen. De kinderen keken af en toe naar me met opgetrokken wenkbrauwen boven bange, rode ogen. Is het echt gebeurd? vroegen die wenkbrauwen. Kan dat echt gebeurd zijn?
Ik verwachtte half dat ze buiten zouden staan wachten, die vreselijke donkerharige vrouw en het meisje, maar in plaats daarvan stond daar Chris Griffiths, met zijn pafferige gezicht en zijn bezorgde blik. Toen ik hem leerde kennen, al die jaren geleden, had hij met zijn babyface nog wel iets knaps, maar nu waren die ronde wangen gaan hangen en zijn hoofdhuid was inmiddels aan weerskanten van zijn hoofd zichtbaar.
‘Ze zitten in de auto,’ zei hij. Ik vroeg niet wie ‘ze’ waren.
‘Ik wil alleen even duidelijkheid hebben,’ vervolgde hij.
De arrogantie! Ik heb net te horen gekregen dat mijn man een bigamist is en hij wil duidelijkheid. ‘Je bent al die jaren met hem getrouwd gebleven?’ vroeg hij. ‘Vanaf het moment dat ik je ontmoette? Maar tegelijk was hij ook met haar getrouwd?’
Alsof hij het recht had om die vragen op me af te vuren.
Ik kon niets uitbrengen. Het is ook niet makkelijk om woorden te vinden als je volkomen kapot op een parkeerterrein staat. Hettie en Ian stelden hem toen een paar vragen. Hoe lang kende Chris háár al?
‘Je bedoelt Lottie? Jaren geleden is ze mijn vriendin geweest. Totdat ik haar aan Simon voorstelde.’
Simon had hun allebei wijsgemaakt dat hij vrijgezel was, legde Chris uit. Bij dat verschrikkelijke woord ‘vrijgezel’ brak mijn bloedende hart helemaal. Lottie was omvergestoten. Dat was het woord dat hij gebruikte. Omvergestoten. Alsof ze een kegel was!
Daarna was de situatie ‘gespannen’ geworden, vervolgde Chris. Er was een probleem ontstaan.
‘Ik hield van haar, dat was het probleem,’ zei hij, en zijn bleke wangen kleurden rood. ‘Ik liet me meeslepen en zag een toekomst met haar. Dan ben je verloren, nietwaar? Als je aan een toekomst met iemand gaat denken.’
Ik wilde niet luisteren, maar hij hield niet op. Het was alsof hij het allemaal kwijt moest.
Hij was een tijdje contact met hen blijven houden, zelfs nadat ze naar Dubai was verhuisd. (Ze was daar – bij hem!) Nou ja, niet echt contact, maar ‘op de hoogte van hun doen en laten’, tot aan het moment dat een jaar later de dochter geboren was. (Een jaar maar! Kun je nagaan!) Toen had hij haar losgelaten.
‘Dat moment moet een keer komen, nietwaar?’ vroeg hij me. ‘Waarop je het loslaat.’
Met zijn gezicht verwrongen van ellende zei hij tegen ons allemaal: ‘Nu voel ik me verschrikkelijk. Het is mijn schuld dat ze vandaag gekomen zijn. Maar je moet erkennen dat ze daar recht op hadden. Zeventien jaar is niet niets, weet je. Per slot van rekening waren zij ook zijn gezin.’
Gezin? Die krijsende vrouw? Dat kind met dat verfrommelde gezicht?
Ik voelde dat ik het niet langer aankon.
‘Breng me naar huis,’ fluisterde ik tegen Felix. ‘Ik wil naar huis.’
En met een spierwit gezicht en zijn lippen stijf op elkaar deed hij voor deze ene keer wat hem werd gevraagd.
En daar ben ik de afgelopen vijf dagen gebleven, thuis, waar ik de foto’s heb omgedraaid en alle herinneringen opberg. Als een zak aardappelen zijg ik neer op de bank. De politie komt steeds langs. Ze moesten natuurlijk onderzoek doen, na de begrafenis. Ze moesten die vrouw ondervragen, te weten komen wat waar was en wat niet. Het blijkt allemaal waar te zijn wat zij heeft gezegd, maar ik wist eigenlijk al dat het waar was zodra ik dat meisje zag. Die vrouw woonde al die jaren bij hem in Dubai. Het appartement waar hij bij mijn weten alleen woonde, was in feite hun thuis. Al die tijd dat ik me zorgen maakte omdat hij duizenden kilometers ver alleen was, zat hij daar bij haar en hun dochter. Heeft hij me gebeld toen ze daar waren, in kamers met foto’s waar zij op stonden? Heeft hij me gemaild onder een parasol op het strand, terwijl die twee voor zijn ogen in het water speelden?
Twee jaar geleden zijn ze teruggekomen en hebben ze blijkbaar een flat gekocht in het bohemienachtige deel van Noord-Londen. De politieagente vertelde dat de vrouw er verschrikkelijk aan toe was. ‘Ze had geen idee dat hij al getrouwd was,’ zei ze. ‘Al die jaren. Kunt u het zich voorstellen?’ Ineens drong het tot haar door. ‘O, het spijt me...’
Zoveel vragen hebben die politiemensen. Als Simon niet bij háár was op de nacht dat hij stierf, en ook niet bij mij, bij wie was hij dan? Ik haal mijn schouders op als ze dat vragen. Hoe moet ik dat weten, als ik blijkbaar niets van hem wist? Ik ben de weduwe maar. Ik ben de laatste aan wie je dat moet vragen.
Het is niet alleen de politie. De telefoon blijft maar gaan – vrienden, familie, mensen van wie ik nog nooit heb gehoord. Iedereen wil er het zijne over kwijt: ‘Ik vond het altijd al zo vreemd...’ ‘Nu valt het allemaal op zijn plaats...’ Ze willen allemaal niets liever dan deel uitmaken van het waanzinnige drama dat mijn leven is geworden, en zichzelf een rol toebedelen. Ik hoor hun stem op het antwoordapparaat maar ik neem niet op. Ik leg mijn mobieltje in een la zodat ik geen berichten kan lezen.
Want zolang ik niets kan zien en horen, hoef ik de confrontatie niet aan te gaan. En als ik de confrontatie niet aan hoef te gaan, kan ik ontkennen dat het ooit is gebeurd. Alles.
Er was geen begrafenis. Er was geen vrouw die krijsend op de grond lag, geen meisje dat het gezicht van een overledene heeft. Er was niemand overleden. Er was geen Simon. Ik heb geen echtgenoot gehad.
Het is nooit gebeurd.
Lottie
Zoiets zou hij me niet aandoen. Onmogelijk. Ik weet dat hij dat nooit zou doen. Hij zou niet in staat zijn zo te liegen, zo lang. Ik kende hem als mijn broekzak, serieus. Ik wist het altijd wanneer hij loog. Hij hield vreselijk veel van me. Ik geloof in de liefde. Echt. Ik moet wel. Als je niet in de liefde gelooft, kun je net zo goed ophouden met leven. Er is sprake van een misverstand. Er kan nu elk moment een verklaring voor gevonden worden. Ik kan nu elk moment zijn stem aan de telefoon horen. ‘Je dacht toch zeker niet dat ik je zou verlaten, schatje?’
Ik draag zijn T-shirt. Een donkergroen shirt met op de voorkant in grote letters brazilië en een afbeelding van de Braziliaanse vlag. Dat heeft hij in Dubai gekocht in het jaar dat Brazilië aan het Wereldkampioenschap deelnam. Het was niet zijn favoriete shirt of zo, maar hij droeg het het laatste weekend dat hij hier was toen hij ging hardlopen. Toen ik het uit de wasmand haalde, rook het nog naar hem. Maar nu, na een dag of zes, begint het ook mijn geur aan te nemen, en ik zal binnenkort een ander shirt moeten vinden, op handen en knieën zal ik de vuile was moeten doorsnuffelen.
Het bed ligt vol proppen papier – de briefjes die hij altijd ergens in onze slaapkamer voor me verstopte om me gerust te stellen op momenten van onzekerheid wanneer hij weg was. Gek dat die perioden van afwezigheid, de persoon die hij voor me verborgen hield als een beschamend pak, op de een of andere manier goedgemaakt werden door deze papiertjes, volgekrabbeld in zijn vertrouwde zwierige handschrift.
‘Ik hou van je,’ schreef hij. ‘Voor jou klopt mijn hart.’
Ik weet dat ik eigenlijk moet opstaan. ‘Je krijgt doorligplekken als je nog langer in bed blijft,’ zei Jules vanochtend. Ze is hier al vanaf het moment dat het is gebeurd. Blijkbaar was Emma hier ook een paar dagen, maar daar kan ik me nauwelijks iets van herinneren. Ik heb geen energie. Ik neem aan dat het door die pillen komt. Mijn slaapkamer lijkt wel een ziekenhuis, met al die doosjes met lange, ingewikkelde namen en doordrukstrips. Antidepressiva, bètablokkers en natuurlijke slaapmiddelen die Jules per se voor me wilde halen en die ik eet als snoepjes. Sommige medicijnen mag je niet met je vingers aanraken. Je moet het uiteinde van het buisje indrukken tot er een piepklein pilletje in je mond valt. Het heeft iets heel geruststellends. Ik doe het steeds weer. Toen we terugkwamen van die toestand (ik kan dat b-woord niet uit mijn strot krijgen), was ik blijkbaar zo hysterisch dat de huisarts ter plekke een receptje moest komen uitschrijven. Ik wist niet eens dat huisartsen nog bij je thuis kwamen. En nu verkeer ik constant in een staat van verdoving, wat me heel goed uitkomt.
De politie is hier geweest. Een vrouw met psoriasis op haar polsen kwam binnen en schoof de pillenverpakkingen opzij zodat ze op de rand van mijn bed kon zitten om met me te praten. Jules was er ook bij, ze leunde tegen de muur. Ze wilde per se de gordijnen opendoen, ook al wilde ik dat niet. De kamer zag eruit alsof er iemand in was overleden.
De politieagente was jong, maar ze had een vriendelijk gezicht en ze zei steeds dingen als ‘ik weet dat dit moeilijk voor u is om te horen’ en ‘ik vind het heel erg om u dit te moeten vertellen’. Ik neem aan dat ze getraind zijn in dit soort dingen, en dat ze standaardzinnetjes uit hun hoofd geleerd hebben, maar ik had eigenlijk medelijden met haar, omdat ze hier moest zitten om die dingen te zeggen. Ze had het over een ander gezin, en ze zei iets over een huis in Barnes en achtentwintig jaar. Ik was er met mijn gedachten niet meer bij. Jules heeft een tijdje geprobeerd te mediteren (zonder succes – wat een verrassing) en ik heb naar een paar cd’s van haar geluisterd, dus toen die agente aan het woord was heb ik de visualisatietechnieken gebruikt. Ik wist nog hoe het ging. Je moet denken aan je Favoriete Plek. Die van mij was in Toscane, waar we een paar jaar geleden met vakantie naartoe zijn geweest, in een prachtige villa van een vriend van Simon. Daar concentreerde ik me op terwijl die agente aldoor praatte en Jules verontwaardigd haar hoofd schudde. De geur van de dennenbomen, het gefilterde zonlicht op het door wijnranken begroeide terras, koel water tussen mijn vingers terwijl ik op mijn buik op een knalgeel luchtbed in het groen betegelde zwembad dreef. Eindelijk ging de agente weg.
Af en toe komt Sadie binnen en dan slaat mijn gedrogeerde hart over. Mijn kind ziet er verloren uit. Haar mooie gezichtje is een en al schaduwen en kringen. Ik hijs me overeind en steek mijn armen uit, maar ze blijft stijfjes bij de deur staan met een blik vol afkeer, alsof het hier stinkt. Wat misschien ook wel zo is.
Het doet pijn om mijn dochter zo te zien. Al vanaf haar babytijd, toen haar amandelvormige blauwe ogen groen werden en het kuiltje in haar kin dieper werd, lijkt ze sprekend op haar vader. Soms merken onbekende mensen op straat daar iets over op. ‘Haar pappie heeft sterke genen,’ zeiden oude dames in Dubai goedkeurend terwijl ze van Simon naar Sadie keken en weer terug. Ze hebben allebei die onmiskenbare druppelvorm tussen neus en bovenlip (daar is een woord voor, ik weet het, maar dat kan ik nooit onthouden). ‘Het is mijn vingerafdruk op jouw gezicht,’ zei Simon altijd tegen Sadie, waarbij hij zijn vinger op het zachte geultje legde dat zo op dat van hem leek.
Ik heb nog niet echt goed met Sadie gepraat over wat er in het crematorium is gebeurd. Ik weet dat ik het zou moeten doen, en dat zal ook heel gauw gebeuren, dat beloof ik. Maar als ik er met haar over praat, dan is het echt, en ik kan niet verdragen dat het echt is.
Evengoed ga ik er in gedachten af en toe naar terug, in de hoop dat ik louter door mijn wilskracht de gebeurtenissen een andere wending kan geven, zodat het anders afloopt. In die aangepaste herinnering blijkt de foto van een andere Simon Busfield te zijn, niet van mijn Simon; de dominee legt uit dat er een vergissing is gemaakt, hij is helemaal niet dood; die vreselijke blonde vrouw met haar conservatieve kleding is gewoon een kennis van hem, niet zijn...
Verder kom ik niet. Ik kan het woord niet zeggen. Snel duw ik de herinnering weg. Ik neem nog een pil. Weg met die gedachte.
Wat is het ergste wat er kan gebeuren als het ergste wat er kan gebeuren al gebeurd is?