22

Selina

Ik had het nooit moeten doen.

Ik wist het vanaf het moment dat ik binnenliep, mijn paraplu uitschudde die drijfnat was van een plotselinge bui en hem daar zag zitten. Ik had Greg altijd alleen in pak gezien, en ik schrik van zijn beige poloshirt en keurige spijkerbroek. Bij sommige mannen staat vrijetijdskleding gewoon niet.

Het idee alleen al dat ik ooit in gezelschap van deze onbekende man naakt ben geweest, is bespottelijk. Als ik terugkijk op die drie maanden na de begrafenis, is het alsof ik ziek was. Dat was ik niet, die vrouw in die hotelkamers die die dingen deed, maar een andere Selina, naast al die andere neppers. Wat weet ik eigenlijk van Greg? Dat hij ergens een ‘begripvolle’ echtgenote weggestopt heeft? Dat hij mijn man kende? Dat hij op zijn hoogtepunt ‘Ja, ja, JA!’ roept en zijn vingers in mijn armen drukt en me aanstaart alsof hij geen flauw benul heeft wie ik ben?

Op een doordeweekse avond in februari is het druk in de Festival Hall, maar niet stampvol. In een hoek speelt een strijkje muziek van Gershwin, de violiste draait als een marionet haar bovenlichaam vanuit haar taille. Greg zit op een van de roodleren bankjes, en hij heeft al een glas witte wijn voor me besteld. Ik voel iets van ergernis. Wat aanmatigend, dat hij denkt te weten wat ik wil!

Ongelooflijk dat ik hem aanvankelijk zo welgemanierd vond. Nu schuift hij duidelijk niet op zijn gemak heen en weer in zijn stoel en tikt met die lelijke grijze suède sportschoenen op de grond. Als ik naast hem ga zitten legt hij even zijn hand op mijn knie, kijkt me dan aan en haalt hem weer weg zonder iets te zeggen. We weten allebei dat wat het ook was dat er ooit tussen ons is geweest, nu voorbij is.

‘Je ziet er zoals altijd verrukkelijk uit,’ zegt hij, al kijkt hij meteen weer weg. ‘Leuk om je eens eenvoudig gekleed te zien.’

Ik, eenvoudig gekleed! Ik kijk verbaasd naar mijn kleren. Informeel, dat zeker, maar niet eenvoudig, en zeker niet onverzorgd, toch? Waarschijnlijk komt het door mijn haar, dat is nu langer, niet meer zo netjes gestyled. Of misschien ben ik over het algemeen wat losser. Ik zit niet meer zo lang voor de spiegel nu me dat niet meer zoveel kan schelen. Maar toch, ‘eenvoudig gekleed’, dat gaat te ver.

‘Weet je zeker dat het goed is?’ vraagt Greg. ‘Dat we elkaar hier zien, bedoel ik. Niet te veel nare associaties?’

Hij heeft het over de South Bank, heel dicht bij Southwark, waar Simon voor het laatst levend is gezien.

‘Geen probleem,’ zeg ik. ‘Ik moet er toch een keer doorheen.’

We praten over mijn financiën. Of beter, over mijn gebrek aan financiën. Greg heeft nieuws over het huis in Italië, dat hij geprobeerd heeft te verkopen.

‘De Italiaanse makelaar dacht dat het misschien lastig zou worden, maar er is vrijwel meteen een koper op afgekomen,’ zegt hij. ‘We moeten natuurlijk wachten op de uitspraak van het hof voor erfrecht, en er zal niet veel geld over zijn, niet nadat de bank en alle vermogensbelastingen zijn betaald. Maar het is in elk geval een zorg minder. Dat huis was een financiële strop.’

Hij vindt kennelijk dat ik opgelucht moet zijn, maar het verlies van het huis in Toscane voelt als een fysieke wond. Als ik terugkijk, is dat de plek waar ik het gelukkigst ben geweest... maar ook het ongelukkigst.

‘Is het je al gelukt om die bankrekening op te sporen, Selina?’ wil Greg nu weten.

Wie denkt hij verdomme dat ik ben, Sherlock Holmes?

Greg ziet er heel slecht uit. Zijn huid is vlekkerig en zijn ogen liggen diep in hun kassen. Hij ziet eruit als iemand die niet goed heeft geslapen, als iemand die geheimen heeft.

‘Jij bent erbij betrokken, hè?’ vraag ik. Ineens snap ik het. Natuurlijk! ‘Bij Simons acties. Dat smeergeld waar je het over had. Daar ben jij ook bij betrokken.’

Gregs gezicht betrekt ineens en ik zie in een flits hoe hij eruit zal zien als hij oud is. Ik besef dat ik met hem te doen heb. Dit alles is niet zijn schuld. Hij heeft zich nooit anders voorgedaan dan hij was. Ik heb toen alleen gezien wat ik wilde zien. Ik heb mijn verwachtingen als lovertjes op hem vastgestikt.

Zijn grijze ogen kijken me bedroefd aan, en ineens voel ik de neiging om me naar hem toe te buigen en hem te omhelzen, alleen omdat hij er zo verslagen bij zit. Maar ik wil hem geen verkeerd idee geven.

‘Ik weet niet waar je het over hebt, Selina,’ zegt hij, en hij kijkt de andere kant op.

‘Je houdt dingen voor me achter, Greg,’ zeg ik.

Hij kijkt vermoeid naar me op. Wat staan zijn ogen moe.

‘Selina, lieve schat, we hebben allemaal wel iets wat we achterhouden. Weet je dat nu nog niet?’

Hij is ongeduldig, boosheid heeft zijn gebruikelijke masker van onbezorgdheid weggesmolten, en voor de eerste keer zie ik iets van zijn ware gezicht. Het duurt heel even voor ik een benaming heb gevonden voor wat in elke porie en plooi, elke rimpel en schaduw van zijn gezicht geëtst staat. Dan weet ik het: teleurstelling. Wat Greg Ronaldson ook ooit heeft gedacht te zullen bereiken, hij heeft het op geen stukken na kunnen waarmaken.

‘Waar ben je bang voor?’ vraag ik als ik ook angst door de teleurstelling heen zie schemeren.

‘Ik heb een paar rare sms’jes gekregen,’ zegt hij, en ineens giechelt hij alsof wat hij nu gaat zeggen belachelijk gaat klinken. ‘Nogal bedreigende berichten.’

‘Van die mensen met wie Simon volgens jou iets te maken had?’ Ik gok maar wat, omdat ik nauwelijks iets kan begrijpen van die nieuwe, onbekende wereld waar goed en kwaad lijken rond te dansen als zonnestralen die weerkaatsen op een donkere houten vloer en nooit op één plek blijven.

‘Mogelijk,’ zegt Greg. ‘Ze gaven niet veel prijs, alleen dat ze “vrienden” van Simon waren. Ze willen hun geld, Selina.’

‘Heb je de po...’

Greg heft zijn hand om me het zwijgen op te leggen, zijn masker is terug en sluit het gezicht af waarvan teleurstelling en angst net zoveel deel uit lijken te maken als neus, ogen en mond.

‘Laten we het niet over die vervelende zaken hebben,’ zegt hij. ‘Maar over jou en mij en fijne dingen.’

We weten allebei dat dat niets betekent. Er bestaat geen hij en ik. De fijne dingen, als die er al geweest zijn, behoren tot het verleden. Toch heeft hij nog het gevoel dat hij het spel moet blijven spelen, zijn zinnetjes moet afdraaien, ook al gelooft geen van ons beiden daar nog in. Ik krijg het idee dat Greg Ronaldson waarschijnlijk alleen deze manier van doen kent, dat dit – die gladde praatjes, de hand op het dijbeen – zijn enige omgangsvorm is.

‘Zal ik een fles wijn bestellen?’ vraagt hij, terwijl achter hem de violiste haar lichaam draait en met haar haar schudt.

‘Doe maar niet,’ zeg ik, en ik sta op.

Nu loop ik door de draaideur naar de rivier. Ondanks de regen staat een straatmuzikant met een gitaar en vingerloze handschoenen een smartlap te kwelen over iedereen die uiteindelijk bij hem weggaat. Natuurlijk heeft hij gelijk. Uiteindelijk gaat iedereen inderdaad weg. En waar is het allemaal goed voor? Al het harde werken en de emotionele investering, al dat vroege opstaan en laat naar bed gaan, de tranen, de verveling, het haasten naar de avondapotheek als de ander ziek is, de ontgoocheling, de compromissen, de eindeloze onderhandelingen? ‘Ik neem genoegen met jou,’ zei de vrouw in de film van Felix. Misschien nemen we uiteindelijk allemaal genoegen met iets, en blijven we achter met niets.

Ik laat de drommen toeristen achter op de felverlichte kade en loop om de plassen heen terug naar de straat achter de Festival Hall en de Hayward Gallery, waar mijn auto geparkeerd staat. Het is er vrijwel leeg en het doet eenzaam en verlaten aan na de drukte aan de rivier. Als ik me naar mijn Fiat haast zie ik iets lichts op de voorruit. Verdomme, dat kan er ook nog wel bij. Een parkeerbon. Als ik dichterbij kom zie ik dat het een stukje papier is dat zorgvuldig onder een van de ruitenwissers is gestopt. Een foldertje misschien. Wat een opluchting. Het is ijskoud en ik wil zo snel mogelijk naar huis.

Maar het is geen folder. Het is een gelinieerd papiertje, glad, zwaar en een beetje slap en glinsterend van de regen. Het ziet eruit alsof het uit een schrift is gescheurd – netjes opgevouwen met een messcherpe vouw. Ik kijk om me heen. Niemand. Alleen hier en daar een auto en aan het eind van de straat de schimmen van vuilnisbakken langs de stoep – Londen, zich verschuilend in het donker, zoals de stad soms doet.

Als ik het openvouw, zie ik ook een keurig handschrift, precies in het midden. Met blauwe inkt die nu een beetje begint uit te lopen heeft iemand in exact even grote hoofdletters geschreven: hij is je niet waard.

Iemand heeft hier staan kijken. Ik ben gevolgd.

Ik sta naast de auto en lees het briefje steeds opnieuw. Alsof ik daardoor een aanwijzing krijg.

Mijn hart gaat steeds harder bonzen.

Was het hier altijd zo donker? Ik zie de achterkant van kolossale gebouwen zonder ramen, zakken met afval in de schaduw.

Er duikt een stel op uit het donker, ze maken ruzie.

‘Jij regelt nooit iets,’ klaagt de vrouw, en haar stem klinkt schril in de vochtige lucht. ‘Als ik het aan jou overliet, hadden we helemaal geen sociaal leven.’

‘Mooi,’ zegt de man. ‘Ons sociale leven is verschrikkelijk.’

Als ze langs me lopen kijken ze me nijdig aan, alsof ik een voyeur ben die bewust naar hun gekibbel blijft luisteren in plaats van het te negeren. Ik zoek in mijn tas naar mijn autosleutels en zij gaan door met ruziemaken.

‘Als het zo verschrikkelijk is, kun je beter thuisblijven,’ zegt de vrouw.

In de auto vergrendel ik de portieren.

‘Shit,’ zeg ik hardop, alleen om het geluid van mijn eigen stem te horen. ‘Shit, shit, shit.’

Nu ik veilig in mijn vergrendelde auto zit, begin ik te twijfelen. Dit moet een vergissing zijn. Ik moet dat briefje verkeerd begrepen hebben. Ik doe het lampje aan, haal het papiertje weer tevoorschijn en strijk het glad op mijn schoot. Dezelfde blauwe letters. Dezelfde enigszins dreigende woorden.

Iemand heeft gezien dat ik mijn auto hier parkeerde. Iemand is me naar binnen gevolgd. Hebben ze Gregs hand op mijn knie zien liggen? Hebben ze ons afgeluisterd?

Terwijl ik in westelijke richting door Londen rijd, voel ik het briefje door de stof van mijn spijkerbroek heen branden. Ik zet de radio aan om het suizen van mijn bloed niet te horen. Er is een programma op Radio Four over liefdesgedichten. Het is toch zeker nog geen Valentijnsdag?

‘Ik heb mezelf aan hem gegeven als een geschenk,’ leest een vrouw met een zacht West Country-accent voor. ‘En daarna zei hij/Heb je de bon nog?’

Het klinkt in mijn oren niet erg romantisch. Maar ja, wat weet ik van romantiek?

Daarna komt er een man die klinkt alsof hij een preek opleest in plaats van een gedicht.

‘Ik draag mijn telefoon in mijn borstzak/op de trilstand,’ draagt hij plechtig voor. ‘Als je belt, voelt het/alsof mijn hart zoemt.’

Hoe voelt dat, vraag ik me af, om zo verliefd te zijn? Ik probeer het me voor te stellen, maar het lukt niet. Misschien heb ik gewoon niet het juiste gen voor de liefde. Niet voor dat soort liefde. Het beeld van Lottie, die op de rand van haar bed zit en pillen in haar mond stopt komt bij me op. Is dat ware liefde? Dat je het gevoel hebt niet meer te kunnen leven als die ander er niet meer is, dat je absoluut niet zonder hem kunt? Ik probeer na te gaan of er een tijd was waarin ik dat voor Simon voelde, maar er komt geen herinnering boven. Zelfs in het begin was ik mezelf, en hij was zichzelf. We vulden elkaar aan, maar we teerden niet op elkaar. Dus misschien namen we ook wel ‘genoegen’ met elkaar, zoals dat stel in die film van Felix. Soms, als ik terugkijk op ons huwelijk, lijkt het het ene compromis na het andere – ik zie ze allemaal achter elkaar, als velden op een bordspel. Maar wat is het alternatief? Die destructieve, overweldigende kracht die alles wegblaast en een volwassen vrouw slaappillen laat eten alsof het snoepjes zijn? Dan ben ik beter af. Ik ben moe van gevoelens, moe van hartstocht. Ik verlang naar rust, orde, lijstjes, agenda’s en onlinegeheugensteuntjes. Geen briefjes meer op auto’s, geen ranzige hotelkamers, niet langer het gevoel dat ik niets meer onder controle heb.

hij is je niet waard.

O god, laat dit alsjeblieft ophouden.