32
De volgende ochtend liep Antoinette door de tuin. Haar hart was lichter dan het sinds het overlijden van George ooit was geweest. Dokter Heyworth was pas ver na middernacht vertrokken en ze was alleen achtergebleven in het huis, maar zonder zich eenzaam te voelen. Ze was naar bed gegaan en had wakker gelegen, beleefde in gedachten nogmaals de zoen en de uren daarna die ze samen in de salon hadden doorgebracht. Hij had geluisterd naar haar spel terwijl hij tegen de piano leunde en teder naar haar gezicht keek, alsof de muziek van haar lippen vloeide en niet van haar vingers. Toen was hij naast haar gaan zitten, hadden ze een spontaan duet gespeeld en gelachen toen hun improvisatie eindigde in valse akkoorden en disharmonie.
Haar liefde voor William was anders dan haar liefde voor George. Ondanks de ontrouw van haar echtgenoot hield ze nog steeds van hem. Ze zag zijn verraad niet door de vingers, maar ze had een manier gevonden om hem te vergeven door te proberen te begrijpen waarom hij het had gedaan. In Phaedra was hij iemand tegengekomen die zijn passie voor avontuur deelde. Ze was een vrije geest, net zo gelukkig op verafgelegen plekken op de wereld als hij, met een moed die Antoinette ontbeerde. Phaedra skiede, klom en voelde zich ongetwijfeld net zo thuis in een tent in de bergen als in een warm hotelbed. Antoinette had zijn huiselijke behoeftes vervuld, maar ze had een gapend gat gelaten in dat andere deel van zijn leven – het deel dat bijna net zo belangrijk voor hem was geweest. Hij had zo veel tijd alleen in de bergen doorgebracht dat het best te begrijpen was dat hij was gevallen voor een beeldschone jonge vrouw die zijn enthousiasme voor de meest onbegaanbare plekken op aarde deelde. Maar terwijl hij verliefd was op Phaedra, had hij Antoinette nooit anders dan anders behandeld. Hij was net zo liefdevol als altijd geweest, even attent. Hun leven samen was op geen enkele manier veranderd, en ze voelde zich gerust dat zijn liefde constant was geweest, ook al had zijn verliefdheid zijn gezond verstand tijdelijk in de weg gestaan. Antoinette wilde graag geloven dat George uiteindelijk genoeg zou hebben gekregen van Phaedra, zoals hij vroeg of laat van al zijn bevliegingen genoeg kreeg.
Terwijl George behoefte had gehad aan avontuur, was William tevreden met een kalm leventje. Bij hem voelde ze zich veilig, maar ook waardevol. Er waren geen bergen om hem weg te lokken, geen vergezichten die zijn hart stalen. Antoinette was zijn grote liefde en ze kon daar zeker van zijn. Met George deelde ze de kinderen, Fairfield en zijn diepste gedachten. Met William deelde ze de tuin, muziek en háár diepste gedachten. Hij gaf haar zijn volledige aandacht en ze had geen moment het gevoel dat hij aan iets anders dacht. Haar liefde voor William had iets heel stabiels; die was warm en zacht als een zomerweide.
Verdiept in deze gedachten liep ze door de boomgaard. Dikke rode appels deden de takken doorbuigen. Een paar vruchten lagen op het gras, aangevreten door wespen. De boompjes die ze met Barry had geplant deden het goed; hun bladeren werden al bruin nu op de oostenwind de herfst naderde. Ze keek naar die stervende bladeren en besefte dat mensen wel wat op bomen leken: ook al verliezen ze hun bladeren, toch hebben ze de kracht om de winter te overleven en opnieuw geluk te vinden in de lente van nieuwe mogelijkheden. In William meende ze een nieuwe lente te hebben gevonden na een winter van verdriet. Misschien zou ze nu het verlies van Phaedra ook kunnen aanvaarden.
Nadat ze weer naar binnen was gegaan, belde ze Margaret om te horen hoe het met haar was. Jenny nam op en vertelde dat Antoinettes schoonmoeder rustte. Toen Antoinette voorstelde even langs te komen, zei Jenny meteen dat Margaret diep in slaap was en dat het beter zou zijn haar niet wakker te maken. Ze stelde haar verder gerust dat Margaret zich heel goed voelde, alhoewel ze een beetje moe was. Antoinette hing op met een enigszins ongemakkelijk gevoel. Er klopte iets niet, maar ze kon niet bedenken wat het was.
’s Middags verscheen dokter Heyworth met zijn kofferbak vol struiken. ‘Ik dacht dat we deze wel bij het meer kunnen planten,’ zei hij nadat hij haar teder had gekust. ‘Wat vind jij?’
‘Wat een goed plan,’ antwoordde ze blij. ‘Heerlijk dat we de hele middag voor ons hebben.’
‘Ik heb zitten denken: we moesten samen maar eens een reisje maken.’
‘Waarheen?’
‘Ik weet niet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Parijs, Wenen, Rome – wat je maar wilt. Wanneer ben je er voor het laatst uit geweest?
‘Nou…’ Antoinette zuchtte. Dat was heel lang geleden. ‘Minstens een jaar terug.’
‘Dan wordt het tijd dat je eens weggaat van Fairfield.’ Zijn gezicht klaarde op. ‘Ben je wel eens in India geweest?’
‘Nee.’
‘Ik ook niet. We kunnen het samen ontdekken.’
Ze aarzelde. ‘Maar hoe moet het dan met Margaret?’
‘Die redt zich wel. En David is er toch?’
‘Weet je, ik heb haar vanochtend gebeld. Jenny zei dat ze rustte. En daarna zei ze dat ze sliep. Ze leek wat zenuwachtig, alsof ze loog.’
‘Waarom zou ze liegen?’
‘Omdat Margaret haar dat gevraagd heeft.’
‘O. Zou je graag naar haar toe willen?’
‘Ik weet het niet. Ik wil haar niet storen als ze inderdaad slaapt…’
Op dat moment verscheen Harris in de deuropening. ‘Lady Frampton, de douairière lady Frampton heeft zonet gebeld.’
‘Zie je wel! Ik wist wel dat er iets aan de hand was!’ riep Antoinette uit terwijl ze naar binnen rende. ‘Wat zei ze, Harris?’
‘Ze wil dat u meteen naar het tuinhuis komt. Daar is ze.’
‘Het tuinhuis? Wat heeft ze daar nou te zoeken? Ik dacht dat ze rustte!’
‘Ze zei dat het belangrijk was,’ zei Harris.
Antoinette wendde zich tot dokter Heyworth. ‘Je moet met me mee komen, William. Ik heb het gevoel dat er iets aan de hand is, maar ik weet niet wat. Gisteren was ze nog stervende, en nu zit ze in het tuinhuis en wil ze dat ik daar ook naartoe kom. Wat is er toch?’
Dokter Heyworth glimlachte. Hij moest denken aan wat Margaret hem de vorige dag had verteld. ‘We gaan erheen; dan horen we het wel.’
Ze stapten stevig door. Bertie en Woester liepen voor hen uit. Lichtgrijze wolken hingen zwaar in de lucht, maar af en toe lichtte de hemel even op als de zon erdoorheen probeerde te schijnen. Toen ze boven aan de heuvel aankwamen, zagen ze Davids Landrover op het karrenspoor staan. ‘O jee, zo te zien heeft ze David ook laten komen.’ Antoinette draaide zich paniekerig naar dokter Heyworth. ‘Ze zal ons toch niet allemaal hierboven laten komen om afscheid te nemen? God, ik hoop dat alles goed met haar is.’
‘Ze is zo sterk als een paard,’ zei dokter Heyworth vol vertrouwen.
‘Nee, dat is ze niet. Ze doet maar alsof. Vanbinnen is ze net zo zacht als wij allemaal. Ik weet dat het vreemd klinkt, omdat we zo’n moeilijke relatie samen hadden, maar sinds George’ dood mag ik haar wel. Sterker nog: ik ben erg op haar gesteld geraakt.’ Ze versnelde haar pas.
Dokter Heyworth greep haar hand en drukte hem. ‘Ze is prima in orde, Antoinette. Geloof me nou maar, ze heeft nog vele jaren voor de boeg.’
Eindelijk waren ze bij het tuinhuis. Antoinette haalde diep adem en duwde de deur open. Daar, op de bank en stoelen bij de haard, zaten Margaret, dominee Morley, David en Phaedra.
Antoinette legde een hand op haar hart. ‘Alles is dus in orde met je, Margaret!’ zuchtte ze. Ze was zo opgelucht dat ze wel kon huilen.
‘Natuurlijk is met mij alles in orde,’ zei Margaret vanuit haar leunstoel. ‘Maar met jou kennelijk niet. Kom zitten, kind, dan leg ik je het uit.’
Antoinette keek verbijsterd naar David en Phaedra, die samen op de bank zaten. David had zich geschoren, maar dat was niet het enige waardoor hij er anders uitzag. Hij was gelukkig. Heel, heel gelukkig. Dominee Morley stond meteen op en bood Antoinette de leunstoel bij het vuur aan. Ze ging dankbaar zitten en keek toe hoe dokter Heyworth een stoel pakte en die tussen de bank en Margaret in schoof. Dominee Morley nam plaats op het haardbankje.
‘Gisteren lag je nog op sterven, Margaret. En nu zit je hier met David en Phaedra. Wat is er aan de hand?’ Het viel Antoinette op dat Phaedra er kleiner uitzag dan voorheen. Haar smalle schouders in haar appelgroene vest waren schriel als kleerhangers. Maar haar gezicht straalde en haar wangen waren blozend roze. Alleen de manier waarop ze uit haar ogen keek verried een zekere spanning. Ze keek naar Antoinette en wendde toen schielijk haar blik af.
‘Goed. Eerlijk gezegd had ik er schoon genoeg van om mijn familie zo chagrijnig te zien rondlopen alsof de zon nooit meer zou schijnen. Bovendien miste ik Phaedra, en omdat ik altijd alleen maar aan mezelf denk, wilde ik minstens zo graag dat ze voor mij terugkwam als voor jullie allemaal. Roberta was mijn partner in crime. Zij wist nog dat Phaedra op het huis van een vriendin had gepast en ze is er op eigen houtje, zonder dat ik haar ook maar enigszins heb aangespoord, naartoe gegaan om Phaedra’s nieuwe adres te vragen. Toen heeft ze mij gebeld en me het adres in de rue de Longchamps doorgegeven. Tja, we wisten allebei dat David koppig kan zijn. Hij dacht dat Phaedra hem niet meer zou willen zien, dus moest ik een toneelstukje opvoeren.’
Antoinette keek ontzet. ‘Was dat toneelspel?’
‘Ja. Ik besefte zelf niet helemaal hoe goed ik het eraf bracht. Misschien had ik actrice moeten worden.’ Ze keek even naar dominee Morley. ‘Het spijt me dat ik jullie dat allemaal heb aangedaan, maar ik had geen keus. En is het niet geweldig dat ik weer beter ben?’
‘Dus die arme David dacht ook dat je op sterven lag?’ Antoinette wendde zich tot haar zoon, maar die haalde onverschillig zijn schouders op, alsof het niets had voorgesteld.
‘Laat ik het erop houden dat ik niet helemaal overtuigd was. Ze was een beetje te energiek voor iemand die op sterven lag,’ stelde David zijn moeder gerust.
‘Maar als een plichtsgetrouwe kleinzoon ben je Phaedra gaan halen.’ Margaret glimlachte triomfantelijk. ‘En dat is je gelukt! Nou weet ik heus wel dat dit erg stiekem was, Antoinette, en dat je waarschijnlijk heel kwaad op me bent omdat ik dit achter je rug heb gedaan. Maar ik ben oud en wijs, en ik weet beter dan jijzelf wat goed voor je is. Ik weet dat jij Phaedra net zo miste als wij allemaal en dat je die boerderijwinkel nooit in je eentje zou gaan openen. En ik wil levend en wel van die biggetjes genieten.’
Phaedra waagde het naar Antoinette te kijken. Ze was er niet van overtuigd dat George’ vrouw haar zou vergeven. David had haar verzekerd van wel; hij had haar verteld dat Antoinette de zaak na verloop van tijd in perspectief had kunnen zien en dat ze het daardoor enigszins kon begrijpen. Phaedra was daar nog steeds niet zo zeker van, en David had erg zijn best moeten doen om haar over te halen met hem mee naar huis te gaan. Diep vanbinnen had Antoinette haar nodig, had hij gezegd, ook al zag ze dat zelf nog niet. Nu keek Phaedra haar angstig aan.
Als Antoinette een dag tevoren was gevraagd hoe ze zich zou voelen als ze plotseling tegenover Phaedra had gestaan, zou ze gezegd hebben dat ze mentaal nog niet in staat was haar te vergeven. Maar het is iets heel anders om iets koel-verstandelijk te beredeneren dan warm vanuit je hart te handelen. Nu de twee vrouwen samen in dezelfde kamer waren, voelde Antoinette haar hart verzachten van medeleven. Ze stond op en liep naar Phaedra toe, in een opwelling die weinig met rationaliteit te maken had. Ze trok Phaedra overeind van de bank en omhelsde haar stevig. ‘Ik ben blij dat je thuis bent,’ fluisterde ze. Ze voelde hoe kinderlijk tenger Phaedra was en hoe ze beefde. Phaedra’s tranen vielen op Antoinettes blouse. Ze liet haar hoofd op haar schouder rusten en sloot haar ogen. De twee vrouwen hielden elkaar een heel poos omvat. Antoinette hoefde niets uit te leggen, omdat haar gebaar en de woorden die ze fluisterde, zo dat alleen Phaedra ze kon verstaan, al duidelijk spraken dat ze haar vergeven had.
‘Goed, fijn. Ik ben blij dat het allemaal is opgelost,’ zei Margaret. Ze kneep haar ogen samen en merkte op met hoeveel tederheid dokter Heyworth Antoinette gadesloeg. ‘Het ziet ernaar uit dat alleen u en ik nog over zijn, dominee,’ zei ze tegen dominee Morley, die even een beetje zenuwachtig leek. ‘Ik denk dat een telefoontje naar Harris voor verfrissingen wel op zijn plaats is,’ voegde ze eraan toe, terwijl ze haar mobiel uit haar zak haalde. ‘Wat willen jullie?’