25
Phaedra keerde met het lood in haar schoenen naar Londen terug. Cheyne Rowe voelde niet als thuis. Ze hóórde er niet. Terwijl ze over de Embankment reed, dacht ze na over haar leven van stapsteen naar stapsteen en over het eenzame gevoel dat ze altijd ergens maar tijdelijk verbleef, dat ze nergens thuishoorde, dat ze telkens maar verder sprong naar de volgende stapsteen in de hoop dat het daar goed zou zijn. Net haar moeder. In feite, peinsde ze, was ze haar hele volwassen leven voortgedreven door het – gewoonlijk onbewuste – verlangen om ergens thuis te horen.
Ze vroeg zich af of haar huwelijk niet gewoon een manifestatie van dat verlangen was geweest. Ze had zich in elk geval nooit thuis gevoeld in Genève. Alleen in Parijs – maar nu begon zelfs Parijs, de enige stad waarvan ze ooit echt gehouden had, ver weg en onbereikbaar te voelen. Fairfield was bijzonder. Het zwaaide haar niet onverschillig uit als een hotel aan het einde van de vakantie, het gaf haar niet het gevoel dat ze een gast was. Het gaf haar het gevoel dat het iets blijvends was.
Ze dacht aan Antoinette en aan hoe die zo lief over haar was gaan moederen. Ze zag Margaret voor zich en glimlachte bij de gedachte dat ze voor het eerst van haar leven een grootmoeder had. Ze begon net zo veel van hen te houden als zij van haar. Toen moest ze aan David denken en sloeg de angst haar om het hart. Hij had zich zo vast voorgenomen om in het hier en nu te leven, en niet aan de toekomst te denken, maar Phaedra keek daar op dit moment juist wel naar. Tenslotte begreep zij er ook meer van dan hij. Ze wist welke geheimen erin verscholen lagen en hoe zij die kon oplossen. En toch… Als ze ze zou oplossen, riskeerde ze dat ze David, Antoinette, Margaret en Fairfield voorgoed kwijt zou raken. Er zou geen weg terug meer zijn.
Ze parkeerde de auto voor de katholieke kerk en keek omhoog naar de indrukwekkende façade. ‘Mijn lot ligt nu in Uw handen,’ zei ze zachtjes. Ze voelde zich nog treuriger dan daarvoor, omdat ze bang was dat de knoop waarin haar lot haar had verstrikt zo ingewikkeld was dat hij nooit meer ontward zou kunnen worden.
Ze ging het halletje binnen en liet haar weekendtas op de tegels vallen. In de keuken was het benauwd, omdat de ramen het hele weekend dicht waren geweest, dus liep ze naar de zitkamer en schoof de glazen pui opzij die toegang gaf tot de patio. Ze hoorde in de verte het gedruis van het verkeer op King’s Road en stelde zich voor dat daar mensen met hun geliefde of vrienden uit eten gingen. De eenzaamheid strekte zijn koude vingers uit naar haar hart. Heel dom van haar dat ze zich had voorgesteld dat het ooit iets zou kunnen worden tussen David en haar. Ze keek naar haar grote koffer, die nog steeds midden in de zitkamer stond. Ze had hem al die weken niet uitgepakt. Het werd tijd dat ze de knoop doorhakte en een besluit nam over waar ze wilde zijn.
Op dat moment werd ze in haar overpeinzingen gestoord door de deurbel. Ze vroeg zich af wie er op zondagavond nog langs kon komen. Het zou wel een collecte zijn, dacht ze, dus ze was aangenaam verrast toen ze Julius zag. Hij was bijna net zo verrast om haar aan te treffen.
‘Julius! Hoe kom jij hier nou?’ vroeg ze.
‘Ik reed naar huis vanuit Gloucestershire en ik dacht: zou Phaedra al thuis zijn, en zou ze het fijn vinden om met me uit eten te gaan?’
Ze glimlachte dankbaar voor de gezelligheid die hij haar bood. ‘Ik ben net terug.’
‘Dan tref ik het. Laten we ergens in de buurt een hapje gaan eten.’
‘Zullen we naar Daphne lopen? Het bevalt me daar wel.’
‘Prima. Het is een heerlijke avond.’
‘Kom binnen. Ik trek even iets anders aan. Ik heb vanochtend een huis geschilderd.’
‘Wiens huis?’ riep hij toen ze met haar weekendtas over de wenteltrap naar boven liep.
‘Een klein tuinhuis. Boven op de heuvel,’ riep ze naar beneden.
‘O ja? Ik heb er nooit een tuinhuis gezien.’
‘Het was al jaren overwoekerd. Antoinette wil het restaureren, en we helpen haar allemaal.’ Ze voelde een golf heimwee bij de herinnering aan de vorige dag, toen ze allemaal gedanst hadden op de stereo van Tom. ‘Het was heel leuk om mee te doen,’ zei ze, maar haar stem stierf weg en Julius verstond haar niet.
Een paar minuten later liepen ze over Glebe Place. Phaedra had een gebloemd zomerjurkje en een spijkerjasje aangetrokken. Op haar gympjes was ze maar een klein stukje langer dan Julius. Haar haar hing los en de krullen dansten tijdens het lopen op haar schouders, maar ze zag de bewonderende blikken niet zowel van de mannen als van de vrouwen die hen passeerden. Julius zag ze echter wel en hij was trots dat hij naast haar liep. Hij had het gevoel dat vanavond de avond was waarop alle stukjes in elkaar zouden passen.
Ze praatten de hele weg naar Draycott Avenue onafgebroken. Het was een zachte avond; de zon gaf nog warmte en het was druk op straat: iedereen wilde de laatste paar uurtjes van zijn weekend nog uitbuiten. Er hing iets feestelijks in de lucht, want eindelijk was na een lange, koude winter de lente gekomen. De bomen waren donzig, de lucht blauw en zoel, en het was om half negen ’s avonds nog licht. De mensen stonden voor de pubs op de stoep samen te lachen. Ze koesterden zich zowel geestelijk als lichamelijk in de late zonneschijn. Hun vrolijkheid was aanstekelijk en het leek alsof de hele stad zinderde van het zomergevoel.
Julius werd in dit restaurant net zo respectvol ontvangen als in het Ivy en Le Caprice. Ze werden naar hun tafel gebracht, een ronde tafel in de hoek bij het raam. Een zoel briesje waaide naar binnen en Phaedra leunde dankbaar achterover in haar stoel, blij dat haar eenzaamheid voorlopig was opgelost. Julius bestelde direct een gekoelde sauvignon blanc en een bordje met zucchini fritti terwijl ze op de kaart hun menu uitzochten.
‘Gezellig!’ zei Phaedra terwijl ze een slokje wijn nam.
‘Een mooi slot van dit weekend,’ lachte Julius. ‘Als je genoeg hebt van Fairfield, moet je eens een keer bij mij in Gloucestershire komen logeren. Ik heb een groot huis bij Tetbury. Je zou kunnen zeggen dat ik de buurman van de prins van Wales ben.’
‘Chic!’ zei ze toegeeflijk. ‘Heb je hem al eens te eten gevraagd?’
‘Helaas hebben we nog geen kennisgemaakt. Maar goed, ze vroegen meer dan drie miljoen voor het huis en ik heb het voor twee-vijfenzeventig gekregen. Een koopje, gezien de locatie en de grootte.’
‘Woon je daar alleen?’
Hij keek haar strak aan. ‘Op dit moment wel, ja. Ik ga er in de weekends naartoe. Ik hoop ooit te trouwen en het te vullen met kinderen. Er is een tennisbaan en een zwembad. Geweldig voor kinderen.’
‘Het klinkt ideaal.’
‘Ik ben een goede partij, hoor Phaedra. Ik kan een vrouw een heel comfortabel leventje bieden.’
‘Ongetwijfeld.’
Hij keek toe hoe ze nog een slok van haar wijn nam. ‘Ik ben blij dat je je vanavond een beetje kunt ontspannen. Je bent de laatste tijd behoorlijk nerveus geweest.’
‘O ja?’
‘Ja, maar dat hindert niet. Ik begrijp het wel. Ik roep de ober, ik heb trek.’ Hij knipte met zijn vingers. Phaedra maakte haar keus uit het menu en Julius gaf de bestelling op. De zucchini fritti werden midden op tafel gezet en Phaedra stortte zich erop. Ze had honger. Julius nam ook een handje en strooide er zout over. Hij sloeg haar gade terwijl ze at. Hij hield van vrouwen met een gezonde eetlust; dat betekende dat ze ook een gezonde hartstocht hadden in bed. Vrouwen die zaten te kieskauwen op hun eten, kieskauwden op het leven. Hij kon niet tegen magere vrouwen die alleen sla namen.
Phaedra at goed en genoot ervan: dat was nou eens een vrouw die zijn bewondering verdiende. Hij hield van haar wilde krullenbos, van haar glanzende gouden huid en haar roze wangen. Ze zag er gezond uit, alsof ze verwekt was in een hooiberg. En als ze glimlachte krulden haar lippen ondeugend op, wat hij bemoedigend vond. Maar ook al zag ze er nog zo engelachtig uit, toch vermoedde hij dat ze heel stout kon zijn. En nu was ze ook nog rijk. Ze had het allemaal.
‘Vertel eens: hebben ze je de Frampton-saffieren al gegeven?’
Phaedra at haar mond leeg en voelde zich opeens niet meer zo op haar gemak. ‘Ja, ik heb ze aangenomen, maar ik heb ze aan David in bewaring gegeven.’
‘Wát zeg je?’ Julius keek ontzet.
‘Ze zijn niet van mij, Julius. Niet echt. Dat weet jij ook.’
‘Natuurlijk zijn ze van jou.’
‘Hoor eens, ik kan niet zomaar binnen komen wandelen en een stel saffieren meenemen die al generaties lang in de familie zijn. Dat deugt gewoon niet.’
‘Doe niet zo gek. George wilde dat jij ze kreeg.’
‘Dat was een opwelling. Hij was misschien later van gedachten veranderd.’ Ze sloeg haar ogen neer. ‘Eerlijk gezegd weet ik wel zeker dat hij van gedachten zou veranderen.’
‘Dat weet je níét! Vergeet niet dat ik George veel beter kende dan jij. Mij vertrouwde hij zijn diepste gedachten toe. Ik weet wat hij voor jou voelde. Hij heeft zijn testament niet in een opwelling veranderd, zoals jij suggereert. Jazeker, hij voelde zich schuldig. Hij had eerlijk moeten zijn, maar hij heeft ze aan jou gegeven om te bewijzen dat zijn liefde voor altijd was.’
‘Stil nou maar, Julius. Ik wil er niet meer over praten. Dat kan ik niet aan.’
‘Jij verdient die sieraden. Ze komen je toe, ook al zul je ze nooit dragen. Je kunt ze doorgeven aan je kinderen. Denk aan de erfenis!’ Hij keek haar dwingend aan. ‘Denk aan je kinderen!’
Hun gesprek werd onderbroken doordat de obers hun voorgerecht brachten. Phaedra nam een grote slok wijn en greep de gelegenheid aan om over iets anders te beginnen. Ze vond het niet prettig om met Julius over George te praten. Het gaf haar het gevoel alsof ze belegerd werd, alsof ze medeplichtig was aan een misdaad waarvan ze geen deel wilde uitmaken. Dus vroeg ze hem hoe het met hem ging, en hij vond het best om door te meieren over zijn successen en zijn mening over van alles en nog wat te ventileren, zonder te zien dat het haar niets interesseerde.
Ze dacht aan David en wilde dat ze terug was in de veilige omhelzing van Fairfield. Plotseling stond Julius voor alles wat ze onaangenaam vond aan de stad. Hij was hebzuchtig, materialistisch en egoïstisch. Ze kon zich niet voorstellen dat hij ooit door zijn tuinen in Gloucestershire had gelopen en de bloemen gewoon om hun schoonheid bewonderd had. Voor Julius draaide alles om wat dingen waard waren. Bloemen werden alleen gewaardeerd omdat ze waarde toevoegden aan zijn bezit. Ze begon zich af te vragen of hij alleen maar belangstelling voor haar had vanwege het geld dat ze had geërfd. Waarom zeurde hij anders zo door over die Frampton-saffieren? Iemand met Julius’ ervaring zou haar toch juist moeten aanmoedigen het juiste te doen en ze terug te geven? Ze bezag hem opeens met heel andere ogen. Hij hielp haar niet omwille van haar, maar omwille van zichzelf. Er bekroop haar een onprettig gevoel toen het opeens tot haar doordrong wat hij van plan was.
Julius bestelde koffie om de avond nog wat te rekken. Phaedra wilde naar huis, de deur achter zich dichtdoen en Julius veilig aan de andere kant laten staan. Ze keek toe hoe hij het papiertje van een amarettokoekje haalde. ‘Heb je zoiets wel eens zien branden?’ vroeg hij. Ze schudde haar hoofd. Met een kordaat vingerknipje ontbood hij een ober en vroeg om een doosje lucifers.
De ober nam aan dat de lucifers voor sigaretten waren; verward begon hij uit te leggen dat dat niet kon. Julius snauwde ongeduldig tegen hem: ‘Ik wil niet roken, sukkel. Ik wil mijn vriendin hier een trucje laten zien.’
‘Neemt u me niet kwalijk,’ zei de ober met een hoogrode kleur. Phaedra had met hem te doen en glimlachte hem meelevend toe om te laten blijken dat ze vond dat Julius zich misdroeg. Even later kwam er een andere ober met de lucifers en Julius stak het doorschijnende papiertje aan. Ze keken alle drie toe hoe het verteerd door de vlammen de lucht in vloog. Even later viel er een wolkje as terug op tafel.
Phaedra voelde zich niet op haar gemak. Julius had iets sinisters. Wist hij maar niet zo veel over haar. Had ze hém maar niet om hulp gevraagd.
Ze liepen onder het licht van de straatlantaarns naar Cheyne Row. Het was bijna twaalf uur. Julius was bijzonder tevreden over zichzelf en liep met verende tred, alsof hij de hoofdprijs had gewonnen. Hij maakte grappen en lachte daar zelf hartelijk om, terwijl Phaedra naast hem liep en amper een woord uitbracht. Haar humeur klaarde op toen ze haar voordeur in het zicht kreeg. Nog maar een paar minuten en dan was ze binnen.
Julius bleef staan toen ze in haar handtas naar haar sleutels zocht. ‘Phaedra…’ zei hij, en zijn stem klonk zacht. Haar hart begon sneller te kloppen. Ze wist wat er nu komen ging. ‘Hoor eens…’ begon hij.
‘Het was een fijne avond, Julius,’ onderbrak ze hem haastig. ‘Heel erg bedankt. Je bent een lieve vriend voor me.’ Ze hoopte dat de nadruk die ze op het woordje ‘vriend’ legde hem zou ontmoedigen. Maar hij leek het niet te horen. Hij kwam dichterbij en ze wist dat hij haar zou gaan zoenen. ‘Julius, ik mag je graag, maar…’ Hij legde zijn hand in haar nek en trok haar naar zich toe. Ze zag zijn bedoelingen in zijn ogen, alsof hij in een pot goud staarde, en stribbelde tegen. ‘Julius, toe! Ik voel niet voor je op die manier.’
Hij liet haar los. ‘Wat zijn dat voor spelletjes?’ vroeg hij, en zijn eerst zo zachte stem kreeg nu een ijskoude, metalige klank. ‘Kleine flirt!’
‘Ik flirt niet met je. Ik ben altijd eerlijk tegen je geweest.’
‘Ik denk dat jij niet eens weet wat het woord “eerlijk” betekent!’
Phaedra wilde verschrikkelijk graag naar binnen, waar ze veilig zou zijn. Het was stil op straat. Ze was bang voor hem. ‘Julius, ik ben niet toe aan een relatie.’
‘Bespaar me die praatjes.’ Hij veegde zijn mond af met zijn mouw, alsof de gedachte haar te zoenen hem nu deed walgen. ‘Aha, ik snap het al. Ik snap wat je van plan bent.’ ‘Ik dacht dat we vrienden konden zijn.’
‘Jij hebt me nódig. Dat is de enige reden waarom je met me omgaat, hè? Ik ben niet gek. Integendeel! Je denkt toch niet dat ik zover gekomen ben door naïef te zijn, hè? Nou, ik help je niet langer.’ Hij snoof verontwaardigd. ‘Zo, hoe vind je dat? Helemaal alleen op de wereld.’
Phaedra verbleekte. ‘Julius, toe, doe niet zo. Ik mag je echt erg graag.’
‘Ik laat jou niet langer misbruik van me maken.’ Hij liep weg. ‘Ik wens je het allerbeste, Phaedra Chancellor!’
Ze keek ontzet toe hoe hij in zijn auto stapte en met brullende motor wegreed. Ze was verstijfd van angst. Nu was Julius haar vijand. Ze vroeg zich af hoe ver hij zou gaan om haar te gronde te richten.
Phaedra vluchtte haar huis binnen en deed de deur achter zich op slot. De grote koffer stond nog steeds in de zitkamer en herinnerde haar aan alles wat er voor haar op het spel stond. Met lood in haar schoenen ging ze de trap op naar haar slaapkamer, waar haar weekendtas open op haar bed stond. Ze begon hem uit te pakken. Alles leek naar Fairfield te ruiken. Ze drukte haar T-shirt tegen haar neus, moest denken aan wat zich bij het tuinhuis had afgespeeld en aan het moment dat David haar bijna gezoend had in de eetkamer. De tranen welden op in haar ogen en ze zag amper meer wat ze deed.
Ze liet het bad vollopen, liet zich wegzakken in het schuim en probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat Julius niet zo erg was als ze aannam. Misschien had hij de hoop nog niet opgegeven, en zou hij haar dus niet verraden. Ze wilde hem eigenlijk bellen, maar hij was zo kwaad geweest dat ze bang was dat ze het alleen maar erger zou maken. Ze overwoog David te bellen, maar wat kon ze tegen hem zeggen? Toen ze later op haar iPhone keek, zag ze dat ze twee gemiste gesprekken had en een sms van David: Phaedra, waar ben je…?
Julius zette zijn glas whisky neer en deed de kluis open. Met onvaste hand haalde hij er een bruine envelop uit. Hij lachte bitter in zichzelf. Waarom werden de gevaarlijkste documenten altijd in bruine enveloppen bewaard? Hij haalde een dvd uit de envelop en staarde er dronken naar. Hij had de dvd al een tijdje geleden naar lady Frampton willen sturen, maar had hem toen nog eens afgespeeld en beseft wat een explosief materiaal die bevatte. Stel je voor: als hij niet de aandrang had gevoeld om hem ter nagedachtenis aan George nog eens te bekijken, zou hij hem nietsvermoedend hebben opgestuurd.
George was alles voor hem geweest. Zonder George was hij niets. Ondanks al zijn bravoure en bluf was hij nu weer terug bij af, omdat hij de afgelopen twintig jaar het grootste deel van zijn tijd aan George had gewijd. George was er niet meer, en hij bleef achter zonder werk en – erger nog – zonder vriend. Hij zou helemaal opnieuw moeten beginnen. Hij wilde niet voor iemand anders werken.
Julius voelde de wrok in zijn hart branden als pek. Als Phaedra er niet was geweest, was George niet zo afgeleid geweest op die fatale middag in maart. Als Phaedra er niet was geweest, leefde George vandaag misschien nog. Hij tikte met de dvd op zijn hand, pakte zijn glas en nam nog een slok. Nu zou hij Phaedra straffen voor haar aandeel in de dood van George. En omdat ze hem had afgewezen. Samen hadden ze een wereldstel kunnen zijn. Niets deed er nu meer toe, want George was dood.
De volgende ochtend nam Rosamunde afscheid van haar zus. Barry droeg haar koffer naar de auto en zette hem in de kofferbak. Antoinette wrong zorgelijk haar handen. Rosamundes aanwezigheid had haar getroost. Ze was prettig gezelschap geweest. Nu zou Antoinette alleen zijn.
‘Ik ben vlakbij, als je me nodig mocht hebben,’ zei Rosamunde.
‘Dank je wel dat je zo lang gebleven bent.’
‘Doe niet zo gek. Je had me nodig. Maar nu kun je het zelf weer aan… en de honden missen me.’ Ze omhelsde Antoinette en hield haar iets langer vast dan nodig was. ‘Het leven gaat door,’ zei ze terwijl ze een stap naar achteren deed. ‘Ik kan de rest van mijn dagen niet op de parkeerhaven blijven staan. Ik moet de weg weer op!’
‘O, Rosamunde, ik zal je missen. Ik ben aan je gewend geraakt.’
‘Dan is het goed dat ik vertrek. Je kunt je niet voor eeuwig op mij verlaten. Jij moet ook weer op eigen benen staan.’
Antoinettes ogen glommen van de tranen. ‘Ik weet niet wat ik zonder jou moet.’
Het deed Rosamunde goed dat ze nodig was; het verwarmde haar als zonnestralen. ‘Je hebt de tuin en je hebt het tuinhuis. William zal je ongetwijfeld helpen met die laatste verflaag.’ Antoinette trok een gezicht. ‘Kom zeg, je hoeft geen medelijden met mij te hebben. Het was een flirt, meer niet. Stel je voor dat ik op mijn leeftijd verliefd zou worden – ondenkbaar!’
‘Kom je gauw nog eens langs?’
‘Je hoeft maar te bellen.’
‘Ik zal eenzaam zijn in dit grote oude huis zonder George.’
‘Je hebt Margaret nog.’
Antoinette lachte. ‘Ja, Margaret. Ze is de laatste tijd een stuk opgefleurd, hè? Zou dat door dominee Morley komen?’
‘Welke man het ook is, ik heb medelijden met hem.’
‘Nou, mij verbaast inmiddels niets meer.’
‘Laten we hopen dat ze zo vrolijk blijft. Ik moet gaan. Zwaai me niet uit, want ik heb een hekel aan afscheid nemen. Ga jij maar weg, iets in de tuin doen. Barry kan je vast helpen wieden. Het onkruid schiet nu echt omhoog en je moet het eruit trekken als het nog klein is.’
Antoinettes hart liep over van medelijden toen Rosamunde kordaat in de auto stapte en het sleuteltje in het contact stak. ‘Wel thuis,’ zei ze.
Rosamunde zwaaide en pakte haar bril uit de koker. Antoinette liep het bordes op en draaide zich bij de deur om. Ze zag haar zus als een mol door de voorruit turen, haar bril op haar neus, een frons op haar voorhoofd. Ze zag er oud uit, en een beetje verbijsterd. Antoinette vroeg zich af wat er thuis op haar wachtte, behalve haar honden. Zíj had David in ieder geval nog.
Rosamundes auto verdween om de haag en uit het zicht. Antoinette nam de honden mee de tuin in, op zoek naar Barry. Donkere wolken pakten zich samen aan de horizon, grijspaars als een blauwe plek. Het zou ongetwijfeld gaan regenen. Ze probeerde er niet aan te denken dat ze alleen was. Tenslotte was ze zo vaak alleen geweest als George weg was op een van zijn reizen. Toen had ze er helemaal geen last van gehad. Maar nu was haar eenzaamheid blijvend en dat gaf haar een verloren gevoel. Toen George nog leefde, wist ze dat er altijd een eind aan kwam.
Barry was in de kas met de kuipplanten bezig. ‘Aha, ben je daar, Barry. Ik dacht dat we maar eens moesten gaan wieden.’
‘Het gaat regenen, mevrouw.’
‘Ik vind een beetje regen niet erg.’
‘Ik denk dat het wel meer dan een beetje wordt.’
Ze was teleurgesteld. ‘Denk je dat ik vandaag moet overslaan?’
‘U zou natuurlijk in de border kunnen beginnen, als u dat wilt. Daar komen al heel wat kleine monsters omhoog.’
Dat vrolijkte Antoinette op. ‘Dan begin ik daar,’ zei ze. ‘Als het gaat regenen, ga ik weer naar binnen.’
‘Prima, mevrouw. Gooit u de kruiwagen maar vol, dan leeg ik hem voor u.’
Antoinette bracht een uur op haar knieën in de border door voor de eerste druppel als een natte kiezelsteen uit de hemel viel. Ze keek omhoog naar de donkere wolkenmassa boven haar. Grappig dat ze zo druk bezig was geweest dat ze niet had gezien dat de bui dichterbij kwam. Ze deed haar handschoenen uit en haastte zich naar huis. Woester en Bertie renden achter haar aan.
Harris stond klaar om een kopje thee voor haar te zetten. Zijn aanwezigheid stelde haar net zo gerust als het haardvuur dat hij in de kleine zitkamer had aangestoken. Maar ze had de hele dag nog voor zich. Wat moest ze doen zonder Rosamunde om mee te praten? Ze kon niet naar buiten, want het regende nu heel hard – dikke zware druppels, als bij een tropische regenbui. Ze kon een kruiswoordpuzzel maken, of een boek lezen. Het voelde verkeerd om midden op de dag tv te gaan kijken.
De kamer deed ondanks het knusse vuur in de haard leeg aan. Rosamunde had zo veel tijd op de bank doorgebracht dat die haar afwezigheid nu leek te benadrukken, net als de staande klok in de hal veel luider leek te tikken dan gewoonlijk.
Harris bracht een blad binnen met thee en de koekjes van mevrouw Gunice, die haar nog meer aan het vertrek van haar zus herinnerden. ‘Ik drink het boven wel op, Harris,’ zei ze. ‘Het regent nu, dus ik kan net zo goed George’ kamer gaan opruimen. Dat heb ik steeds maar uitgesteld, maar ik kan het niet eeuwig voor me uit schuiven.’ Was Phaedra er maar om haar te helpen, dacht ze. Ze monterde op bij de gedachte aan die fijne jonge vrouw en ze voelde zich een beetje beter toen ze de trap op liep. Misschien zou ze dit weekend weer komen en haar helpen datgene wat ze samen begonnen waren tot een goed einde te brengen.
Het was stil in George’ kamer. Harris zette het blad op het tafeltje aan het voeteneind van zijn bed. ‘Zal ik u helpen, mevrouw?’ bood hij aan.
‘O, wil je dat, Harris? Dat zou ik fijn vinden.’
Hij glimlachte naar haar en toen ze zijn meelevende blik zag, vulden haar ogen zich met tranen. ‘Ik zal nog wat vuilniszakken en dozen halen. U hebt al een goed begin gemaakt, zie ik.’
‘Er zijn ontzettend veel dingen die weggegooid moeten worden. Hoewel ik het heel vervelend vind om iets wat emotionele waarde heeft weg te doen.’
‘Het gaat nu om u, mevrouw,’ zei Harris zacht. ‘Lord Frampton heeft het niet meer nodig.’
‘Je hebt gelijk. Aan de slag, Harris.’ Antoinette pakte een koekje en nam er een hapje van. Rosamunde had gelijk: het waren bijzonder lekkere koekjes.
Die avond kwamen David en Margaret eten. Ze aten in de keuken: lasagne die mevrouw Gunice had klaargemaakt.
‘Ik ben George’ kamer aan het opruimen, Margaret,’ zei Antoinette toen ze allemaal opgeschept hadden. ‘Als er iets is wat je graag wilt bewaren, moet je dat zeggen. Ik ben zelf nogal radicaal.’
Margaret dacht even na. ‘Ik hoef eigenlijk niets. Ik heb foto’s, en ik heb een heel goed geheugen.’
‘En jij, David? Ik wil geen dingen weggooien die jij graag als aandenken zou willen hebben. Ik leg natuurlijk papa’s manchetknopen apart voor Tom, en zijn goede pakken en zo, voor het geval dat. Maar er zijn zo veel medailles en bekers en dozen met rommeltjes. Ik weet niet wat ik ermee aan moet.’
‘Ik zou die medailles en bekers in dozen stoppen, mam. Dan bewaren we ze op zolder.’
‘Joshua en Tom hebben meer zijn maat, dus zij kunnen kijken wat ze van zijn pakken en jassen willen hebben. Ik moet zeggen dat ik het geen gemakkelijke opgave vind.’ Ze zuchtte ervan. ‘Margaret, hoe heb jij dat aangepakt toen Arthur overleed?’
Margaret keek even heel ernstig; toen hief ze haar kin. ‘Het meeste heb ik aan de kringloop gegeven.’
‘Ook de echt goede spullen?’
‘Ik heb George de waardevolle dingen gegeven, maar alles wat alleen emotionele waarde had heb ik gewoon weggedaan, vrees ik. Ik ben geen gevoelsmens.’ Toen werd haar blik zacht en ze voegde er bijna weemoedig aan toe: ‘Maar nu zou ik soms willen dat ik dat niet had gedaan. Je moet niet al te rigoureus weggooien, Antoinette. Je kunt het beter in dozen op zolder zetten dan in een vuilnisbak waar je het nooit meer uit kunt halen.’
‘Ik zal Phaedra vragen me te helpen als ze dit weekend weer komt. Je hebt haar toch gevraagd, David?’
Davids gezicht brak plotseling open in een brede glimlach. ‘Ik heb haar nog niet gevraagd, mam, maar dat zal ik zeker doen.’
Ook Margaret glimlachte. ‘Phaedra is echt iemand van wie je vrolijk wordt, moet ik zeggen. Ze lijkt wel een raam waardoor de zon binnenkomt. Dit weekend heeft ze me zonder meer opgepept. Het is erg prettig om haar over de vloer te hebben.’
‘Ik geloof dat we nog nooit zo’n gezellig weekend met z’n allen hebben gehad, toch?’ zei Antoinette. ‘Phaedra heeft ons volgens mij allemaal aangestoken.’
‘We mogen George wel dankbaar zijn – waar hij nu ook is – dat hij haar in ons leven heeft gebracht,’ opperde Margaret, en ze hief haar glas. Ook Antoinette en David staken hun glas omhoog, David het zijne het hoogst.