31
Londen, 1953
Het sneeuwde, en terwijl de grote, donzige vlokken uit de hemel neerdaalden, arriveerde de deftige, niet zelden adellijke elite van de stad per auto met chauffeur bij Deverill House. Ook aankomende sterren van het witte doek maakten hun opwachting, net als literaire grootheden, krantenuitgevers, politici, kunstenaars en zelfs de mindere goden van de koninklijke familie. Beatrice Deverill resideerde in de salon boven, gehuld in een schitterende, fluwelen japon, met om haar polsen en hals de diamanten waarmee wijlen haar echtgenoot, Sir Digby, puissant rijk was geworden. Om geen schaduw te werpen over haar tachtigste verjaardag zweeg iedereen tactvol over het feit dat Sir Digby zijn enorme rijkdom was kwijtgeraakt, en dat zijn dochter Celia naar Zuid-Afrika had moeten reizen om een nieuw fortuin te vergaren. Het enige wat telde, was dat de dinsdagavondsalon van Lady D opnieuw alle tongen in beweging bracht, met als gevolg dat er werd gevochten om een uitnodiging.
Beatrice was uit haar lethargie ontwaakt, ze had haar weduwendracht afgelegd en was met haar kenmerkende aplomb naar Londen teruggekeerd. Het was allemaal begonnen tijdens die kerstdagen toen Kitty haar toevlucht bij hen had gezocht. Boysie was net gescheiden van de dodelijk saaie Deirdre en had in zo’n staat van uitbundige euforie verkeerd dat hij Celia’s moeder uit het isolement van haar rouw had weten te lokken als een slak uit zijn huisje. Aanvankelijk aarzelend en met tegenzin, maar uiteindelijk toch nieuwsgierig, had Beatrice ontdekt dat haar leven nog niet ten einde was. Integendeel, dat er nog veel plezier aan te beleven viel! Ze had beseft dat ze er niet jonger op werd, en ze wilde niet ongelukkig sterven. ‘Het zal niet lang meer duren of ik ga mijn lieve Digby achterna. Tot het zover is kan ik net zo goed nog zo veel mogelijk van het leven genieten,’ had ze gezegd, en ze had woord gehouden. Ze had haar rouwperiode achter zich gelaten en was met Celia en Boysie mee teruggegaan naar Londen. Door hen aangemoedigd had ze haar dinsdagavondsalon nieuw leven ingeblazen, waarop deze zich algauw weer als spraakmakend had bewezen. Door de oorlog was Londen erg veranderd, maar de mensen hunkerden nog altijd naar vermaak, champagne, lichtzinnigheid. Er hing een sfeer van optimisme in de stad, van vertrouwen in de toekomst en in nieuwe kansen, en Beatrice had altijd een talent gehad voor de meest onwaarschijnlijke gastencombinaties. Celia en Boysie genoten ervan om de vrijmoedige, lichtelijk vulgaire Beatrice weer in haar element te zien. Wat hadden ze haar gemist!
De pianist speelde ‘Anything Goes’, en Boysie trok Celia mee naar het midden van de salon om met haar te dansen. Celia lachte klaterend terwijl Boysie haar met zijn aangeboren gevoel voor ritme perfect wist te leiden. Al snel danste bijna iedereen. ‘Het is weer net als vroeger,’ riep Celia boven het lawaai uit.
‘Hoe zei je dat vroeger ook alweer? “Het is een giller?”’ riep Boysie terug.
Celia giechelde. ‘Dat is het toch ook?’
‘Het is meer dan een giller.’ Boysie trok een lelijk gezicht toen iemand op zijn tenen ging staan. ‘Ik heb behoefte aan frisse lucht. Zullen we even naar buiten gaan?’ Hij hinkte naar het balkon aan de voorkant van het huis dat uitkeek op Kensington Palace Gardens. Ze glipten door de openslaande deuren naar buiten. Eenmaal op het balkon deed Boysie zijn jasje uit, hing het om Celia’s schouders en diepte uit een van de zakken een aansteker en sigaretten op. ‘Wil jij ook roken, schat?’
‘Heerlijk, lieverd.’ Ze keek toe terwijl hij de sigaret voor haar opstak. ‘Is het niet prachtig, die sneeuw? Wat een winters paradijs!’
‘Goddelijk.’ Boysie gaf haar de sigaret.
Ze stak hem tussen haar vuurrood gestifte lippen en inhaleerde. ‘Ik ben in lange tijd niet zo gelukkig geweest,’ zei ze toen. ‘Niet meer sinds Archie zichzelf van het leven beroofde. Ik voel me oprecht gezegend. Ik heb jou, het gaat weer goed met mama, en het is me gelukt althans een deel van papa’s fortuin terug te verdienen. Als ik champagne had, zou ik een toost op je uitbrengen, Boysie. Je bent al zo lang zo’n dierbare vriend. Als je toch bedenkt wat we allemaal hebben doorgemaakt. En we hebben ons staande gehouden!’
‘Momentje.’ Boysie verdween naar binnen en kwam even later terug met twee glazen. ‘Zeg dat nog eens. Het klonk zo prachtig.’
‘O, wat ben je toch een plaaggeest!’
‘Nee, ik meen het. Het was prachtig. Wat je zei over ons. Over jou en mij.’
Ze lachte en nam een slok van haar champagne. ‘Je bent een dierbare vriend. Dat is alles wat ik wilde zeggen.’ Ze dronken elkaar toe. ‘En, heb je vanavond nog iemand gezien die je leuk vindt?’ vroeg ze toen.
Boysie schoot in de lach. ‘Nou, nu je ernaar vraagt… Er loopt hier een verrukkelijke knaap rond, met donkerbruin haar.’
‘Bedoel je soms die jongen van Cavendish?’
‘Ja, die bedoel ik!’
‘Schat, weet je zeker dat hij…’
‘Nou en of. Daar heb ik een neus voor.’
‘Goed, als jij het zegt, dan zal het wel zo zijn. Maar wees alsjeblieft voorzichtig.’ Ze schonk hem een lieve glimlach. Toen draaide ze zich om en keek naar de oprijlaan, die schuilging onder een volmaakt wit sneeuwdek. ‘Schat, ik heb een idee. Het is iets waar ik al een tijdje mee rondloop.’
‘Vertel! Ik ben dol op je ideeën. Gaan we naar Ierland? Naar Zuid-Afrika?’
‘Nee, het is iets anders…’
‘Ga door, schat. Ik ben een en al oor.’
Ze keerde zich weer naar hem toe. Haar gezicht stond ernstig. ‘Je houdt van me, waar of niet?’
‘Meer dan van wie of van wat ook op de hele wereld!’ Om het simpel te houden besloot hij zijn kinderen gemakshalve even buiten beschouwing te laten.
‘En ik hou van jou. Dat weet je toch?’
‘Waar wil je naartoe, schat?’
Ze schonk hem een stralende glimlach en keek hem met haar reebruine ogen recht aan. ‘Waarom trouwen we niet?’
Boysie werd plotseling ernstig. ‘Maar, schat…’
‘Ik weet wat je wilt zeggen. Nee, ik wil ook niet met jou naar bed. Althans, ik zou er geen bezwaar tegen hebben zolang jij op jouw helft van het bed blijft. Maar ik meen het serieus. We zouden het perfecte echtpaar zijn. Jij kunt omgaan met wie jij wil, en op mijn beurt heb ik ook mijn affaires, maar als we thuiskomen hebben we elkaar. Ik zou het heel fijn vinden als je bij me blijft wonen. Ik neem tenminste niet aan dat je plannen hebt om te hertrouwen.’ Ze zette haar glas op de balustrade, keerde zich weer naar hem toe en streek de sneeuw van zijn schouder. ‘Ik begrijp je, Boysie. Jij en ik weten wie je bent. Wij kennen de echte Boysie. Ik hou van je zoals God je heeft geschapen en ik wil de rest van mijn leven met je delen. Ik hoef niet met je te vrijen, maar ik wil mijn armen om je heen slaan en je op je voorhoofd zoenen en gewoon van je houden. Zo, het is eruit! Wat vind je ervan?’
Boysie fronste. ‘Allemachtig, Celia, ik kan je amper bijhouden.’
‘Dat is een van de redenen waarom je me leuk vindt.’
Hij grijnsde. ‘Ja, daar heb je gelijk in.’ Hij zette zijn glas naast het hare en legde een arm om haar middel. ‘Ik zou het verrukkelijk vinden om je man te worden.’ Hij kuste haar op het voorhoofd en legde met een zucht zijn wang tegen de hare. ‘Wat zou Harry lachen als hij ons kon zien.’
‘Ik weet zeker dat hij ons ziet. Maar ik denk niet dat hij lacht. Harry kennende is hij tot tranen toe geroerd.’
‘Ja, waarschijnlijk wel. Harry huilde om de kleinste dingen.’
‘Celia Bancroft,’ zei Celia genietend. ‘Dat klinkt verrukkelijk, vind je ook niet?’
‘Niemand zal van jou kunnen zeggen dat je saai en doorsnee bent,’ zei Boysie.
Celia schoot in de lach. ‘Zie je nou wel? We zijn voor elkaar gemaakt!’
Eén lid van de Londense beau monde was niet welkom bij de dinsdagavondsalon van Lady Deverill, en dat was de inmiddels beruchte graaf Leopoldo di Marcantonio, die hard bezig was een reputatie op te bouwen aan de goktafels in Mayfair en in de bordelen van Soho.
Leopoldo was inmiddels eenentwintig. Zijn moeder, die hem nog altijd aanbad, had hem met een royale toelage naar Londen gestuurd, maar toch belde hij elke maand omdat zijn geld op was. Bridie was toegeeflijk en weigerde zijn tekortkomingen te zien. Ze maakte hem nooit verwijten over zijn roekeloze, onverantwoordelijke gedrag, ze wist altijd wel een excuus te bedenken voor zijn gebrek aan wilskracht. Wat Leopoldo ook aan narigheid overkwam, het was nooit zijn schuld.
Leopoldo vond zichzelf heel bijzonder. Van zijn vader had hij nooit anders gehoord dan dat hij beter was dan iedereen, en zijn moeder had hem nooit voor zijn daden ter verantwoording geroepen. Zo kwam het dat hij vrouwen respectloos behandelde, dat hij iedereen koeioneerde die zwakker was dan hij, dat hij voortdurend dronken aan de goktafel zat en dat hij zijn geld over de balk smeet in de zekerheid dat hij nooit vergeefs bij zijn moeder aanklopte wanneer het op was.
Ballinakelly had hem verveeld, maar het opwindende Londen maakte dat het hem duizelde. Hij sloot zich aan bij een groepje rijke jongelui die het uitgaansseizoen in Londen doorbrachten, ’s zomers de bloemetjes buiten zetten aan de Rivièra en in de winter naar St. Moritz gingen om te skiën. Ze speelden polo op de zorgvuldig onderhouden velden in Cirencester en Windsor, ze schoten fazanten in Engeland, korhoenders in Schotland, ze verbleven in de mooiste huizen, ze gingen naar de paardenrennen en ze dansten tot zonsopgang in de populaire clubs van Londen. In zijn wanhopige verlangen om deel uit te maken van dit verblindende, opwindende wereldje, maar in het besef dat hij qua opleiding en afkomst tekortschoot, strooide Leopoldo kwistig met geld. Wanneer er betaald moest worden, keken zijn nieuwe vrienden naar hem. ‘Je bent een schat!’ riepen ze dan uitbundig, terwijl ze hem de rekening onder zijn neus duwden. ‘Waar zouden we zijn zonder Leo? Is hij niet aanbiddelijk?’ En dan zwol Leo’s hart van geluk, en terwijl hij een dikke cheque uitschreef, voelde hij zich deel van de exclusieve wereld waarin zijn vrienden zich bewogen. Maar ook al kocht hij de juiste kleren, ook al werd hij lid van de juiste clubs, hij bleef een buitenstaander. De anderen leken een taal te spreken die hij niet begreep, ook al gebruikten ze dezelfde woorden als hij. Het was alsof er een onzichtbare muur tussen hen in stond, en hoezeer hij ook met geld strooide, die muur bleef onneembaar. Maar zolang hij cheques uitschreef, waren zijn rijke vrienden maar al te graag bereid hem in hun midden te tolereren.
Leopoldo bezat echter wel een indrukwekkende buitenlandse titel, en een schitterend kasteel. In combinatie met zijn geld compenseerde dat zijn onaangename karakter. Er waren genoeg meisjes die maar al te graag een rijke partij aan de haak wilden slaan, en om zich machtig te voelen koos Leopoldo van al die gretige jonge vrouwen de meest onzekere om mee uit te gaan. Hij kocht kleren en sieraden voor ze, hij schepte op over zijn afkomst en vertelde dat hij een nazaat was van Maffeo Barberini, oftewel paus Urbanus VIII. Hij pronkte met de diamanten manchetknopen met gouden bijen die hij van zijn vader had geërfd en pochte over het kasteel dat zijn moeder had gekocht van de illustere Deverills. Die woonden inmiddels als huurders op hun voormalige land, voegde hij er vilein aan toe. En ooit zou het allemaal van hem zijn. Dat zijn moeder stamde uit een geslacht van boeren, of dat zijn vader was vermoord, daar sprak hij liever niet over.
De beau monde van Londen verachtte hem. Achter zijn rug om werd er de spot met hem gedreven en de pers had hem de bijnaam graaf van Monte Windbuil gegeven. Zijn moeder was ooit beroemd en berucht geweest in de uitgaanswereld van New York. Nu was het haar zoon die in de schijnwerpers stond, maar de aandacht die hij kreeg was aanzienlijk minder positief. Hij werd gefotografeerd toen hij dronken het Savoy Hotel verliet, toen hij voor het Ritz Hotel zijn auto in de kreukels reed, en toen hij op straat een vechtpartij begon omdat hij niet bereid was zijn verlies aan de goktafel te accepteren. Hij belandde in de cel omdat hij een politieman te lijf was gegaan, hij werd beboet omdat hij na sluitingstijd van Hyde Park naakt was gaan zwemmen in het Serpentine Lake. Zijn escapades vormden onderhoudend leesvoer, behalve voor Bridie. Zoals altijd kon Leopoldo in haar ogen geen kwaad doen. Ze legde de schuld bij zijn nieuwe vrienden, die hem op het verkeerde pad brachten.
Leopoldo kwam nog maar zelden thuis, en bellen deed hij alleen als zijn geld op was. Hij had het veel te druk met zijn eigen pleziertjes najagen. Bridie vond het niet erg. ‘Zolang het goed met hem gaat, ben ik gelukkig,’ zei ze tegen Rosetta, die Leopoldo een egoïst vond en de liefde van zijn moeder niet waard. ‘Die arme jongen heeft zijn vader en daarmee zijn grote voorbeeld al zo jong verloren. Dus nu moet hij helemaal alleen zijn weg zien te vinden, net als ik destijds. Maar ik had niemand die zich over me ontfermde. Leo heeft geluk. Wat er ook gebeurt, ik zal er altijd voor hem zijn. Wat hij ook doet, ik zal altijd van hem houden.’ Rosetta vermoedde dat Bridie niet half wist wat Leo allemaal uitvrat.
In het voorjaar van 1953 werd Bridie ziek. Ze voelde zich al geruime tijd niet goed. Aanvankelijk dacht ze dat het vermoeidheid was, vervolgens dat het kwam doordat ze nu eenmaal een dagje ouder werd. Misschien waren de pijn en het ongemak wel symptomen van de overgang. Of, en dat leek haar waarschijnlijker, het gevolg van een leven vol verdriet. Ze was nog nooit ziek geweest en dus ging ze niet naar de dokter, maar tobde dapper door. Omdat ze niet wilde dat Leo zich zorgen maakte, zei ze niets tegen haar zoon. ‘Hij moet genieten en niet piekeren over zijn moeder,’ zei ze tegen Rosetta, waarop Rosetta een nog grotere hekel kreeg aan Leopoldo. Als hij de moeite zou nemen om af en toe naar huis te komen, zou hij zien dat ze niet in orde was. Bridie wilde ook niet dat haar moeder zich zorgen maakte, noch wilde ze Emer en Martha lastigvallen met haar klachten. Ze slaagde erin haar verslechterende gezondheid te camoufleren met een glimlach en deed hun bezorgdheid af met het smoesje dat ze gewoon moe was, of met een grapje dat de ouderdom nu eenmaal met gebreken kwam. Rosetta drong erop aan dat ze naar een dokter ging, maar Bridie zei dat zelfs de kundigste arts haar hart niet weer heel kon maken, dat was gebroken toen ze hoorde dat haar man was vermoord. Het was niet meer dan natuurlijk dat het verdriet uiteindelijk zijn tol eiste.
Pas toen ze boven aan de trap in elkaar zakte, nam Rosetta het heft in handen. Ze belde de dokter, die onmiddellijk naar het kasteel kwam. Hij krabde met een ernstig gezicht aan zijn bakkenbaarden, schudde zijn hoofd en stuurde Bridie door naar een dokter in Cork. Die keek al net zo zorgelijk en verwees haar voor onderzoek door naar een ziekenhuis in Dublin. Bridie ging met de trein, Rosetta ging mee. Terwijl ze Bridie steeds kleiner, steeds zwakker, steeds bleker zag worden, kwam voor het eerst de gedachte bij haar op dat haar vriendin misschien stervende was.
De terugreis verliep aanvankelijk in somber stilzwijgen. Bridie staarde uit het raampje, maar in plaats van het voorbijtrekkende landschap zag ze momenten uit haar leven. Ze zag de boerderij waar ze was opgegroeid; ze zag haar oma, de oude Mrs. Nagle, met haar stenen pijp bij het vuur; ze zag haar moeder die de rozenkrans bad, en wanneer ze met het hele gezin aan tafel zaten het angelus; ze zag haar vader die met haar door de keuken danste terwijl de vrienden hun toeklapten en riepen: ‘Kijk uit voor de ladekast!’ Ze zag het klooster waar Martha in opleiding was om non te worden, ze zag haar kinderen waarvan ze onmiddellijk na de geboorte afscheid had moeten nemen. Ze zag de boot waarop ze naar Amerika was vertrokken, ze zag de skyline van New York aan de horizon opdoemen, en ze herinnerde zich hoe ze vervuld was geweest van hoop en optimisme, maar ook van verdriet om wat ze had achtergelaten. Ze zag Mrs. Grimsby, die haar een fortuin had nagelaten, en miss Ferrel en Mr. Gordon die haar altijd hadden gewantrouwd. Ze zag Beaumont Williams, haar advocaat en bondgenoot, en zijn vrouw Elaine, in wie ze een trouwe, dierbare vriendin had gehad. Ze zag haar eerste echtgenoot, Walter Lockwood, die zo goed voor haar was geweest, en ze zag zijn familie die haar ervan had beschuldigd op zijn geld uit te zijn. Ze zag haar appartement aan Park Avenue en ze zag haar geliefde Cesare, de man die ze boven alle andere had liefgehad. Ze zag Leopoldo als klein jongetje, en ze zag het kasteel, waarvan ze nooit echt het gevoel had gehad dat het van haar was. En nu haar leven ten einde liep, vroeg ze zich af of alle jaloezie, alle vetes het allemaal waard waren geweest. In het aangezicht van haar afscheid leek het ineens zo onbeduidend.
‘Ik heb kanker,’ zei ze ten slotte tegen Rosetta. Ze kon het niet meer opbrengen nog langer te glimlachen en de waarheid verborgen te houden. Zuchtend liet ze haar schouders hangen. Rosetta legde haar tijdschrift neer en keek haar verdrietig aan. Hoewel ze het had vermoed, kwam het toch als een schok. Hardop uitgesproken klonk de diagnose zo hard en onheilspellend. Bridie sloeg haar ogen neer. Rosetta probeerde flink te zijn, maar ze kon niet voorkomen dat er een traan over haar wang biggelde. Ze veegde hem haastig weg. ‘Ik zal moeten aanvaarden wat God me te dragen geeft,’ vervolgde Bridie. ‘Ik heb veel geleden, maar ik ben mijn geloof altijd trouw gebleven. En ik zal het ook nu trouw blijven. Ik vind troost in de belofte dat ik mijn vader zal terugzien, en mijn oma, en Cesare. Ik zal in de hemel niet alleen zijn.’ En bij de gedachte aan het weerzien met haar dochtertje trok er een huivering van vreugde door haar murw gebeukte hart.
‘O Bridie,’ fluisterde Rosetta schor. Ze ging naast haar zitten en pakte haar hand. ‘Ik zal voor je zorgen tot je weer beter bent.’
‘Ik word niet meer beter.’ Bridies ogen glansden vochtig terwijl ze Rosetta dankbaar aankeek, alsof ze haar voor het eerst zag. Ze legde haar hand langs Rosetta’s wang. ‘Je bent altijd mijn liefste vriendin geweest. Je hebt me door de moeilijkste tijden heen geholpen. Ik heb niet altijd de gemakkelijkste weg gekozen, maar je hebt nooit geklaagd. Ik ben blij dat je met mijn broer bent getrouwd. Je hebt hem gelukkig gemaakt, en je hebt mij gelukkig gemaakt door mijn schoonzuster te worden. Niemand kent me zoals jij me kent. Ik weet dat je van me houdt om wie ik ben, met al mijn tekortkomingen. Ik heb onze vriendschap altijd als vanzelfsprekend beschouwd, omdat je zo trouw bent en altijd voor me klaarstaat. Ik heb gerouwd om mijn verliezen zonder mijn zegeningen voldoende te tellen. Dus ik wil je bedanken, Rosetta, uit het diepst van mijn hart. Voor zover daar nog iets van over is.’ Ze grinnikte ondanks de tranen die over haar wangen stroomden. ‘Ik wil niet sterven zonder dat ik dat tegen je heb gezegd. Zonder je te bedanken. Voor alles.’
Rosetta kon van ontroering geen woord uitbrengen. Ze omhelsde haar verzwakte vriendin en trok haar dicht tegen zich aan.
Bridie wilde niet dat, behalve haar directe familie en pastoor Quinn, ook maar iemand wist dat ze stervende was. Ze vertelde het alleen aan Michael en Sean, en uiteindelijk ook aan Leopoldo, die op stel en sprong naar huis kwam om bij zijn moeder te zijn. In een stadje als Ballinakelly bleef echter niets geheim, en het duurde niet lang of iedereen wist het. ‘Ze mag dan reuze voornaam en deftig zijn geworden, ze is nog altijd onze Bridie,’ zei Mag Keohane in de achterkamer.
‘Dat is ze zeker. En ze heeft een hart van goud,’ viel Nellie Moxley haar bij.
‘En een zak vól goud,’ zei Nellie Clifford. ‘In de hele geschiedenis van Ballinakelly heeft niemand ooit zo veel geld aan goede doelen geschonken.’
‘Dankzij het elektrische orgel hoeft die ouwe Molly Reagan eindelijk niet meer te trappen. Weet je nog dat die stakker na de gezongen mis altijd moest gaan liggen?’
‘Nou en of ik dat nog weet,’ zei Maureen Hurley. ‘Alleen een slokje whiskey kreeg haar weer op de been.’
Het bleef even stil, toen zei Mag Keohane zacht maar gewichtig: ‘Die Leopoldo erft natuurlijk het kasteel.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik ben een goed christen. Buiten de kloostermuren zul je geen christelijker maagd vinden dan ik, maar voor hém heb ik geen goed woord over. Moge God het me vergeven.’
Kitty was geschokt toen Michael Doyle bij haar aan de deur stond, met zijn pet in de hand en een schaapachtige uitdrukking op zijn duistere gezicht. Ze vroeg hem niet binnen, want ze wilde hem niet in haar huis hebben. Maar hij zag er niet bedreigend uit. Eerder alsof hij al zijn moed bij elkaar had moeten schrapen om bij haar aan te bellen.
‘Hallo, Kitty.’
Ze stak haar kin naar voren. ‘Hallo, Michael.’
‘Ik moet je iets vertellen.’
Kitty dacht onmiddellijk aan Bridie. ‘Wat is er gebeurd?’ Ze legde een hand op haar hart. Alles wat er tussen hen was gebeurd, was op slag vergeten.
‘Bridie is stervende.’ Zijn ogen stonden vermoeid.
Kitty hield geschokt haar adem in. ‘Stervende? Maar waaraan dan?’
‘Kanker. Het is al door haar hele lichaam uitgezaaid. Ze is er nog, maar het valt niet te voorspellen hoe lang ze nog heeft. Ik weet dat jullie ruzie hebben, dat jullie elkaar al jaren niet meer hebben gesproken. Ze heeft het niet met zo veel woorden gezegd, maar ik weet ook dat Bridie het zielsgraag weer goed wil maken. Ze zal niet met boosheid in haar ziel willen sterven.’
‘Nee, natuurlijk niet. Dat begrijp ik.’ Ze keek hem aan. ‘Ik ga meteen naar haar toe.’
Hij aarzelde, en ineens was er niets meer over van de machtige, intimiderende Michael zoals iedereen hem kende. Hij leek plotseling klein en onzeker, en terwijl hij diep inademde kon Kitty zijn berouw bijna voelen. ‘Het spijt me, Kitty. Het spijt me oprecht wat ik heb gedaan,’ zei hij zacht. ‘Ik begrijp dat je me niet kunt vergeven. Het is ook onvergeeflijk wat ik heb gedaan. Maar ik had er al spijt van op het moment dat ik het deed. Ik wil dat je dat weet. Ik was nog jong. Maar dat is geen excuus.’ Hij wendde zijn blik af, want hij kon de veroordeling in haar ogen niet verdragen.
Maar Kitty strekte haar hand uit en legde die vluchtig op zijn arm. ‘Ik vergeef het je.’ Ze kon bijna niet geloven dat ze het had gezegd. En dat ze het oprecht meende. Na al die jaren waarin ze de gevangene was geweest van haar wrok en haar verzet, had zich diep binnen in haar een deur geopend. Het voelde als een bevrijding. Een verrukkelijke warmte doorstroomde haar, er brandden tranen in haar ogen, haar keel werd dichtgesnoerd, maar haar hart zwol van vreugde en dankbaarheid.
Michael keek haar verbijsterd aan.
‘Ik vergeef het je,’ zei ze nogmaals, en ze glimlachte.
Hij pakte haar hand, te ontroerd om iets te zeggen, maar ook te zeer vervuld van nederigheid om haar aanwezig nog langer te kunnen verdragen. Dus hij knikte, zette zijn pet op en maakte rechtsomkeert.
Kitty keek hem na, verwonderd over het gemak waarmee ze hem had vergeven. Waarom vasthouden aan de pijn en het verdriet uit het verleden als we het ook kunnen loslaten? Het was iets wat Adeline had kunnen zeggen. Bij de gedachte aan haar grootmoeder voelde Kitty haar aanwezigheid, haar goedkeuring, en toen hoorde ze haar stem, die rechtstreeks tot haar hart leek te spreken.
Het was tijd om Bridie te vragen haar te vergeven.