25
In de laatste week van augustus verschenen er twee Amerikanen in Ballinakelly, een vader en een zoon. Ze waren op zoek naar hun geschiedenis, hun voorouders. De vader was begin vijftig, een knappe verschijning met een laag voorhoofd, dik grijs haar en een snor. Zijn diepliggende ogen waren zo blauw als het water van een lagune. Zijn zoon leek in niets op hem. Hij had zwart haar, een mager postuur en een lang, wezelachtig gezicht met kleine lichtbruine ogen en een donkere huid. Toen ze O’Donovan’s binnenkwamen en een biertje bestelden, werd het stil in de gelagkamer. Mrs. O’Donovan was nieuwsgierig, en daar schaamde ze zich niet voor. ‘Dus jullie komen uit Amerika?’ vroeg ze, terwijl ze twee glazen Guinness op de tapkast zette. ‘Waar in Amerika?’
‘Uit Boston,’ antwoordde de oudste. ‘Maar mijn grootvader komt hiervandaan.’
‘O ja? En waar precies?’
‘Hier uit de stad. Uit Ballinakelly.’
‘Hoe heet u dan, als ik vragen mag?’
‘Callaghan,’ luidde het antwoord. ‘Jim Callaghan.’
‘Ach, zo heten er hier zo veel.’ Ze liet haar blik door de gelagkamer gaan en wenkte een oude man met een bruine pet en borstelige bakkenbaarden. Zijn witte haar krulde over zijn grote oren. ‘Dit is Fergus O’Callaghan,’ stelde Mrs. O’Donovan hem voor.
De oude man kwam moeizaam naar de tapkast geschuifeld. ‘Jim Callaghan.’ De Amerikaan stak hem zijn hand toe. ‘En dit is mijn zoon Paul.’
Fergus O’Callaghan veegde zijn hand af aan zijn jasje voordat hij hen breed lachend begroette, waarbij zijn glimmende tandvlees met hier en daar een gele tand zichtbaar werd. ‘Als we familie zijn, mag u me wel op een borrel trakteren!’ Hij keek de Amerikanen brutaal aan, enigszins lodderig van de drank. Mrs. O’Donovan giechelde, de gelagkamer brulde het uit.
‘Voor mijn familie doe ik alles,’ zei Jim met een grijns waarmee hij Mrs. O’Donovan charmeerde en Fergus O’Callaghan ontwapende. ‘Een drankje voor mijn neef!’
Mrs. O’Donovan schudde haar hoofd. ‘Dat noem ik nog eens royaal!’ Ze pakte een schoon glas. ‘Er gaat niets boven familie die elkaar wat gunt!’
‘U bent zeker op zoek naar een paar leuke meiden om mee terug te nemen naar Amerika,’ zei Fergus terwijl hij toekeek hoe Mrs. O’Donovan zijn glas onder de tap hield.
‘Dan zit u hier goed, heren,’ zei Mrs. Donovan. ‘Mooier vindt u ze nergens, al reist u de hele wereld rond.’
De oudste van de twee Amerikanen schoot in de lach, maar de jongste trok een lelijk gezicht en nam een slok Guinness.
Fergus O’Callaghan schuifelde met zijn biertje terug naar zijn vrienden, aan de ronde tafel bij het raam. De gesprekken werden hervat, vader en zoon installeerden zich met hun Guinness op een kruk aan de tapkast.
‘Waar verblijft u?’ vroeg Mrs. O’Donovan, want wanneer de Amerikanen eenmaal weg waren, wilde ze geen vragen krijgen waarop ze het antwoord niet wist.
‘In de Vickery’s Inn,’ antwoordde de oudste van de twee. De Vickery’s Inn lag op een paar minuten lopen van de pub.
‘En hoe lang blijft u?’
‘Maar een week.’
‘Wat geweldig!’ zei Mrs. O’Donovan. ‘Dus u bent helemaal uit Amerika gekomen, op zoek naar uw voorouders?’
‘Nee, ik moest voor zaken naar Dublin. Dus toen we hier toch waren, besloten we ook langs Ballinakelly te gaan.’
‘Wat geweldig,’ zei Mrs. O’Donovan weer. Toen keerde ze zich naar de jongste van de twee. ‘Kan uw zoon ook praten?’
‘Ja hoor,’ antwoordde Paul, met een onopvallende blik in de richting van de deur.
‘Nee maar! Hij kan praten!’ zei Mrs. O’Donovan. ‘Dat zal het bier wel zijn.’
‘Ik heb gehoord dat dit het kloppende hart van Ballinakelly is,’ zei Paul.
Waarschijnlijk om maar iets te zeggen, dacht Mrs. O’Donovan. Om te bewijzen dat hij zijn tong niet was verloren. ‘Reken maar,’ zei ze. ‘De hele stad komt hier over de vloer. Misschien komt u nog meer familie tegen,’ zei ze grijnzend tegen de oudste van de twee.
Die beantwoordde haar grijns. ‘Dan ben ik platzak tegen de tijd dat ik hier wegga!’
‘Weet u ook waar uw voorouders hebben gewoond?’
‘Ja. Ze hadden een boerderij op een heuvel. Maar de boerderij bestaat niet meer,’ luidde het vage antwoord.
‘Dus het waren boeren?’
‘Dat geloof ik wel.’
‘En het gaat om uw grootvader?’
‘Dat klopt.’
‘Nou, ik hoop dat u vindt wat u zoekt.’
‘Dank u wel, Mrs. …’
‘O’Donovan. De pub is van mijn man.’
‘Een buitengewoon charmante pub. Ik kan niet anders zeggen.’
Ze glimlachte. ‘Dank u.’
Een paar dagen later ging Jack naar O’Donovan’s om een avondje te kaarten. Paddy O’Scannel en Badger Hanratty, die inmiddels zo oud was dat hij een vergrootglas nodig had om de cijfers op zijn kaarten te zien, zaten al op hem te wachten. Voor de graaf was een jonge kerel in de plaats gekomen. Tim Nesbit had het beste pokerface van de hele stad en een scherp oog voor vrouwelijk schoon, maar hij gaf geen rondjes zoals de graaf, met als gevolg dat de flamboyante Italiaan danig werd gemist.
Iedereen in Ballinakelly wist dat Michael Doyle achter de moord op Cesare di Marcantonio zat. Iedereen, behalve Bridie, die weliswaar weet had van Michaels duistere verleden, maar die nooit zou hebben geloofd dat haar broer zo wreed kon zijn haar geliefde echtgenoot te vermoorden. Degenen die zich de Onafhankelijksheidsoorlog nog konden herinneren, en de daaropvolgende Burgeroorlog, wisten echter maar al te goed waartoe Michael Doyle in staat was. Hij mocht dan tot inkeer zijn gekomen en een man van de Kerk zijn geworden, maar daarmee hield hij niemand voor de gek. Ondanks het feit dat hij inmiddels een nuttig en eerzaam lid van de gemeenschap was, twijfelde niemand eraan of hij had nog niets aan wreedheid ingeboet. Met als gevolg dat hij nog net zo veel angst inboezemde als voor zijn ‘bekering’. Niamh was verdwenen in de nacht dat de graaf werd vermoord, en ook al verklaarden de O’Donovans dat ze hun dochter naar familie in Wicklow hadden gestuurd, iedereen was ervan overtuigd dat die twee dingen met elkaar te maken hadden. De feiten kwamen boven tafel, roddels en geruchten tierden welig, en de garda ging de deuren langs om vragen te stellen. Maar er was niemand die Michael Doyle zou verraden. Er was niemand die dat durfde.
Emer deed wat ze kon om Bridie tot steun te zijn, maar die was ontroostbaar. Zelfs als ze de waarheid vermoedde, dan hoefde ze die niet onder ogen te zien, want Michael verzon een geloofwaardig verhaal dat Cesare gokschulden had gemaakt. Het was iets wat Bridie maar al te graag wilde geloven: dat haar man zijn leven had verloren door zijn weigering de onverlaten te betalen aan wie hij geld schuldig was. Daarbij vergat ze gemakshalve dat Cesare nooit enige scrupules had gehad om haar geld over de balk te smijten, noch om er met haar geld vandoor te gaan. Michael bezwoer haar dat hij de schoften zou opsporen die Cesare hadden vermoord en hen eigenhandig de nek om zou draaien. Bridie geloofde hem. Ze nam zich plechtig voor om de rest van haar leven alleen nog maar zwart te dragen en ze zocht troost bij de Kerk. Tot grote vreugde van pastoor Quinn, want de gravin uitte haar dankbaarheid met royale en frequente schenkingen.
Die avond bij O’Donovan’s had iedereen het over de twee Amerikanen die Fergus een paar dagen eerder op een borrel hadden getrakteerd. ‘Je moet gewoon zeggen dat je O’Callaghan heet,’ zei Paddy tegen Jack terwijl hij de kaarten deelde. ‘Dan krijg je gratis bier!’
‘Wat doen ze hier?’ vroeg Jack aan Paddy, die het hele verhaal van Mrs. O’Donovan had gehoord.
‘Ze zijn blijkbaar op zoek naar hun voorouders,’ antwoordde Paddy. ‘Ze komen uit Boston.’
Jack wreef fronsend over zijn kin. Er kwamen wel vaker Amerikanen naar deze contreien, op zoek naar hun geschiedenis. Toch vertrouwde hij het zaakje niet. Hij stak peinzend een sigaret op. Het was inmiddels jaren geleden dat hij uit New York had moeten vluchten, nadat de aanslag op Lucky Luciano was mislukt. Hij kon zich niet voorstellen dat hij nu nog werd gezocht. Anderzijds, Bugsy Siegel had een hoge prijs op zijn hoofd gezet. Hij bekeek zijn kaarten en zei tegen zichzelf dat hij leed aan achtervolgingswaanzin. Het was krankzinnig om in iedere vreemdeling die naar Ballinakelly kwam, een premiejager te zien.
In de achterkamer, achter de scheidingswand, zaten de zes vrouwen van het Legioen van Maria naast elkaar op de bank tegen de muur. De Wenende Vrouwen van Jeruzalem, zoals ze in de volksmond werden genoemd, dronken appelgazeuse en knabbelden als kieskeurige muizen op hun koekje. In heel Ballinakelly was niemand zo opgewonden over de komst van de Amerikanen als zij, want daardoor hadden ze weer iets om over te roddelen. ‘De jongste van de twee, die wel wat van Clark Gable wegheeft, gaat dagelijks ter communie,’ wist Nellie Clifford te vertellen. ‘Ze zijn erg gelovig,’ concludeerde ze goedkeurend.
‘En ze gaan elke ochtend naar de mis,’ meldde Joan Murphy.
‘Sterker nog, volgens mij zijn ze dikke maatjes met pastoor Quinn,’ zei Mag Keohane. Didleen lag aan haar voeten te slapen. De bastaardhond begon oud te worden. ‘Ze hebben beloofd dat ze elektrisch licht in de kerk laten installeren. En dat ze het orgel ook op de elektriciteit aansluiten. Het lijkt hier straks Amerika wel! En als kers op de taart nemen ze de ene fles whiskey na de andere voor hem mee! Het moet niet gekker worden!’
Maureen Hurley schudde haar grijze krullen. ‘Is het niet wonderbaarlijk, Mag? Hoe ze allemaal gehoor geven aan de roep van St. Patrick en terugkeren naar de oorsprong?’
Toen Jack die avond naar bed ging, kon hij de slaap niet vatten. Het lukte hem niet de twee Amerikanen uit zijn hoofd te zetten, noch om het onheilspellende voorgevoel te negeren dat aan hem knaagde. Hij wilde Emer niet ongerust maken, dus hij hield zijn vermoedens voor zich, maar hij pakte haar hand en hield die de hele nacht vast.
De volgende morgen werd hij bij drie kreupele paarden geroepen, bij twee pony’s met gaskoliek en ten slotte bij een geit die een hele azaleastruik had opgegeten. Overal waar hij kwam, waren Jim en Paul Callaghan het gesprek van de dag. De vrouwen bloosden wanneer ze de complimenten herhaalden die de oudste van de twee hun had gegeven, en zelfs de meest geharde boeren waren geroerd door de belangstelling die ze hadden getoond voor hun manier van leven. ‘Het is waar wat ze zeggen. Je kunt een knaap uit het veen halen, maar je haalt het veen niet uit de knaap,’ zeiden ze. ‘Die twee yanks zijn doodgewone jongens, daar is niks deftigs aan. Maar als ze de Vickery’s Inn kunnen betalen, moeten ze toch stinkend rijk zijn.’ En: ‘Ik heb als jong meisje een Mossie O’Callaghan gekend, uit Killarney. Die oudste lijkt sprekend op hem.’ Dan knikten ze bewonderend, maar Jacks wantrouwen groeide. Blijkbaar deden die twee er alles aan om heel Ballinakelly uit te horen.
Tijdens de oorlog waren de toeristen weggebleven, dus het was begrijpelijk dat de inwoners van Ballinakelly het opwindend vonden om weer eens nieuwe gezichten te zien. Zeker wanneer die helemaal uit Amerika kwamen. Bovendien hadden ze in Ierland een wel erg rooskleurig beeld van Amerika, dankzij de velen die ernaartoe waren getrokken en die geld naar hun familie stuurden. In hun brieven beschreven ze in geuren en kleuren de materiële welvaart en de kansen die er voor het oprapen lagen. Maar het beviel Jack helemaal niet dat Jim en Paul Callaghan blijkbaar zo veel vragen stelden.
Toen hij thuiskwam, zat Emer in de keuken sokken te stoppen. ‘We moeten praten,’ zei ze, en ze legde haar werk neer. De blik in haar ogen verried dat ze van streek was.
‘Waarover?’ Hij hing zijn jas en zijn pet op.
‘Over iets wat ik vandaag van je moeder hoorde. En zij had het weer van Nora Scannell gehoord.’
Nora Scannell was de vrouw van Paddy. Ze werkte bij de telefooncentrale.
‘O? Wat zei ze dan?’ Jack hoopte dat het geen roddel was over Kitty en hem.
‘Je weet van die twee Amerikanen waar iedereen het over heeft?’
Een ijzige hand sloot zich om Jacks hart. ‘Ja, natuurlijk.’
‘Nou, we weten allemaal hoe nieuwsgierig Nora is. Hoe dan ook, volgens je moeder had ze een gesprek afgeluisterd van die Jim Callaghan toen hij met Amerika belde. Ze was vast benieuwd of hij getrouwd is. Want ze is verkikkerd op hem. Hij ziet eruit als een filmster, zegt ze. Afijn, ze heeft hem horen zeggen dat hij Jack O’Leary eind van de week zijn cadeautje zou geven.’ Emer keek hem met verschrikte ogen aan. ‘Nora was er helemaal opgewonden van, dus ze is naar Julia gegaan, razend nieuwsgierig waarom die yank jou een cadeautje gaat geven. En wat dat cadeautje zou kunnen zijn. Maar ik weet het al. Het is zover, hè?’
De grond leek onder hem weg te vallen. Hij trok een stoel naar achteren en ging aan de tafel zitten. ‘Als ik het niet dacht!’ Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht.
‘Ze zijn hier voor jou, waar of niet?’ Emer draaide zich om en keek uit het raam, de donkere nacht in, om te voorkomen dat hij de angst zag in haar ogen. ‘Ik dacht dat we hier veilig waren. Maar we zijn nergens veilig. Nooit meer. We zullen altijd op onze hoede moeten zijn.’
Jack keek op. Zijn ogen stonden vastberaden. ‘Er zit maar één ding op. Ik moet zorgen dat ik ze vóór ben.’
Emer en Jack sliepen die nacht allebei onrustig. Terwijl Jack een manier probeerde te bedenken om de Amerikanen te slim af te zijn, bad Emer dat ze niet opnieuw hoefden te vluchten. Ze hield van Ballinakelly. Ze wilde er niet meer weg om ergens anders een nieuw leven te moeten opbouwen. Maar in het donker zocht haar hand die van Jack.
Zijn vingers sloten zich om de hare. Hij was bang. Voor het eerst in jaren. De angst was een koud, hard gevoel dat hem insloot als een muur. Hij drukte Emers hand.
‘Ik hou van je, Jack,’ fluisterde ze.
Jack voelde zich ellendig omdat hij haar had bedrogen met Kitty. Door het angstaanjagende besef dat er op hem werd gejaagd, zag hij zijn leven in een nieuw, helder licht. Zo helder als hij het nooit eerder had gezien. En voor zijn geestesoog verschenen Alana, Liam, Aileen en Emer. Zijn lieve, lieve Emer, die hem in blind vertrouwen van het ene land naar het andere was gevolgd. ‘En ik hou van jou, Emer,’ zei hij schor. ‘Moge God me bijstaan, maar ik heb zulke stomme dingen gedaan. Stomme beslissingen genomen. En toch ben je altijd bij me gebleven. Je bent altijd mijn betere helft geweest, Emer. Ik heb een vrouw zoals jij niet verdiend.’
‘Doe niet zo gek,’ zei ze fluisterend terwijl ze dicht tegen hem aankroop. ‘Iedere vrouw die ook maar een knip voor de neus waard is, zou hetzelfde hebben gedaan als ik.’
Jack wist dat het niet waar was. ‘Nee, Emer, je bent niet zoals andere vrouwen. Je bent beter.’ Hij drukte zijn lippen op haar voorhoofd. ‘Je bent zo veel beter.’ En ik ben een idioot dat ik dat niet eerder heb beseft.
Nadat hij met een kus afscheid had genomen van Emer stapte hij de volgende morgen in de auto en reed naar de boerderij van Michael Doyle. Ze hadden samen in de Onafhankelijkheidsoorlog gevochten, en hoewel dat een band had moeten smeden, waren ze elkaar vanwege Kitty meer dan eens naar de keel gevlogen. Omdat ze allebei van haar hielden. Na alles wat er was gebeurd, was het ondenkbaar dat ze ooit nog vrienden werden. Maar ze hadden geleerd elkaar te verdragen. Jack wist dat Michael de enige was die hem kon helpen, en dat hij daartoe ook bereid zou zijn vanwege hun duistere verleden. Maar toen Jack de schemerige keuken van de boerderij binnenkwam, trof hij Mrs. Doyle in haar schommelstoel, verdiept in een stukgelezen Bijbel. Ze had een bril met dikke glazen op haar neus en rookte een stenen pijp. ‘Michael is er niet,’ antwoordde ze toen Jack naar haar zoon vroeg. ‘Hij heeft zo’n goed hart, onze Michael. Hij is bij Badger. Die heeft helemaal niemand meer. Dus Michael heeft zich over hem ontfermd. Hij gaat er elke ochtend heen, om te zien of alles goed is. Maar hij zal zo wel terug zijn.’ Ze schonk hem een tandeloze grijns. ‘Als je wilt mag je hier wel op hem wachten. Dan schenk ik de thee nog eens op.’
Jack ging aan de tafel zitten en liet zich een mok thee inschenken. Hij dacht aan de talloze keren dat ze tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog aan deze zelfde tafel plannen hadden gesmeed. Hij en Michael, diens broer Sean, pastoor Quinn en nog een paar anderen. Het rook nog hetzelfde – naar eten, houtrook, en naar de koeien in de aangrenzende stal. Bridie had met haar moeder en haar oma bij het vuur gezeten terwijl zij samenzwoeren tegen de Britten. Had Bridie meegeluisterd, vroeg Jack zich niet voor het eerst af. Had ze alles doorverteld aan haar minnaar, de huidige Lord Deverill? Het was allemaal zo gecompliceerd. En er waren maar weinigen die je kon vertrouwen.
Bij het geluid van een auto schrok hij op uit zijn overpeinzingen. Het duurde niet lang of Michael verscheen in de deuropening. Hij knikte toen hij zag dat er bezoek was. ‘Hallo, Jack.’ Hij nam zijn pet af. ‘Badger heeft ons verlaten,’ zei hij tegen zijn moeder.
Mrs. Doyle keek hem aan, haar mond viel open van verbazing. ‘Badger? Hij heeft ons verlaten?’
‘Ik ben bang van wel. Het moet ergens in de loop van de nacht zijn gebeurd, want hij was al steenkoud.’ Michael schudde somber zijn hoofd. ‘Hij was goudeerlijk, die ouwe Badger. Zo zijn er nog maar weinig.’
Mrs. Doyle sloeg devoot een kruis. ‘Ik zal een kaars branden voor zijn ziel. Moge hij rusten in vrede.’
‘Ik moet pastoor Quinn waarschuwen,’ zei Michael.
‘Dan kom ik later wel terug.’ Jack stond op.
Michael zuchtte. ‘Nee, zeg het maar. Wat heb je op je lever? Badger kan wel even wachten. Die gaat nergens meer heen.’ Michael pakte een stoel en ging tegenover Jack aan tafel zitten. ‘Wat kan ik voor je doen?’
Mrs. Doyle verdiepte zich weer in haar Bijbel, Jack boog zich over de tafel en dempte zijn stem. ‘Ik heb je hulp nodig.’
Michael schonk hem een grimmige grijns. ‘Ik luister.’
‘Die yanks zitten achter mij aan.’
‘O. En waarom, als ik vragen mag?’
‘Ze werken voor de maffia. Ik ben in New York ooit in problemen gekomen, en toen ben ik gevlucht. Naar Argentinië. Met Emer. Ik dacht dat de kust inmiddels veilig was.’
‘Maar ze hebben je gevonden?’
‘Nora Scannell heeft een gesprek afgeluisterd. Toen ze met Amerika belden. Ze gaan me omleggen, Michael. Dus ik moet ze vóór zijn,’ zei hij vastberaden, met een verbeten trek om zijn mond.
Michael viste een pakje sigaretten uit zijn borstzak, tikte ermee op zijn vinger en stak een sigaret tussen zijn lippen. Terwijl hij zichzelf een vuurtje gaf en zijn eerste trek nam, bleef hij Jack strak aankijken, met zijn ogen tot spleetjes geknepen. Hij had weinig scholing gehad, maar hij was verre van dom, en hij bezat een soort intuïtieve sluwheid. Daardoor was hij slimmer dan de meeste mensen die wel veel hadden geleerd. Hij rookte traag, ontspannen, maar ondertussen kon Jack hem bijna horen denken. Na geruime tijd – Jack had zijn thee inmiddels op – schonk Michael hem een kille glimlach. ‘Wil je voorgoed van ze af zijn?’ vroeg hij.
‘Voorgoed,’ herhaalde Jack.
‘Akkoord. Dan zal ik je vertellen hoe we het gaan doen.’ Hij keerde zich naar zijn moeder. ‘Vergeet wat ik net zei over Badger.’
Mrs. Doyle, die de intriges en manipulaties van haar zoon wel gewend was, knikte ernstig en keek weer in haar Bijbel.
‘Het heeft alleen kans van slagen als je precies doet wat ik zeg, Jack.’
Emer zat bij Bridie aan de thee toen de butler kwam zeggen dat de garda aan de deur stond en naar Mrs. O’Leary vroeg. Bridie fronste ongerust haar wenkbrauwen. Als ze hier aan de deur kwamen voor Emer, moest het wel erg dringend zijn. ‘Laat ze binnen,’ zei ze dan ook.
Emer was bleek geworden. ‘O god, Bridie! Er is iets met Jack!’ Ze schoot overeind en rende naar de deur. In haar paniek had ze het gevoel dat ze stikte en dat haar longen in brand stonden. Ze legde een hand in haar nek toen de twee politiemannen binnenkwamen met hun hoed in de hand.
‘Mrs. O’Leary?’ vroeg de eerste van de twee ernstig. Emer knikte. ‘Inspecteur Cremin,’ stelde hij zich voor. ‘Misschien kunt u beter gaan zitten.’
Bridie stond inmiddels naast Emer. ‘Wat is er gebeurd? Vooruit! Voor de draad ermee! Wat is er gebeurd?’
‘Mrs. O’Leary, er heeft zich een noodlottig ongeval voorgedaan,’ vervolgde de inspecteur. ‘De auto van uw man is bij Malin Point van de weg geraakt en in de diepte gestort, op de rotsen. Het spijt me heel erg, maar uw man heeft het ongeluk niet overleefd.’
Emer zakte in elkaar, waarop de twee politiemannen en Bridie haar naar een stoel hielpen.
‘Hoe heeft dat kunnen gebeuren?’ vroeg Bridie.
‘Dat is nog niet duidelijk, gravin. Maar de auto is in brand gevlogen. De bestuurder had geen schijn van kans.’
Emer begon te jammeren. ‘Ik weet wie het heeft gedaan!’ riep ze. Ze klampte zich vast aan Bridies rok. ‘Ik weet wie hem heeft vermoord!’
‘Alles wijst erop dat het een ongeluk was, Mrs. O’Leary,’ zei de andere inspecteur.
‘Natuurlijk. Dat is precies wat ze willen!’ snauwde ze. Haar ogen spoten vuur. ‘Dat het een ongeluk lijkt!’
‘Wíé willen dat het een ongeluk lijkt?’ vroeg inspecteur Cremin geduldig. Hij haalde zijn opschrijfboekje tevoorschijn.
‘Die yanks. Ze wilden hem dood hebben.’ Ze begon onbeheerst te snikken. Bridie streek haar over de arm. Toen Emer weer een beetje rustiger was geworden, voegde ze eraan toe: ‘Ze zeiden dat ze Jack O’Leary tegen het eind van de week zijn cadeautje zouden geven. Vraagt u het maar aan Nora Scannell. Die heeft het zelf gehoord.’
De twee gardaí keken elkaar verbijsterd aan, toen stopte inspecteur Cremin zijn opschrijfboekje weg.
‘We komen terug wanneer u de eerste schok althans enigszins verwerkt hebt, Mrs. O’Leary,’ zei hij meelevend, alsof hij het tegen een kind had dat van streek was.
‘Mijn deelneming met uw verlies,’ zei de andere politieman. Toen vertrokken ze.
Bridie vroeg een dienstmeisje om twee grote glazen cognac, toen ging ze op haar hurken naast Emers stoel zitten. ‘Waarom zouden die yanks Jack dood hebben gewild?’ vroeg ze. Er blonken tranen in haar ogen.
‘Jack was voor ze op de vlucht. Daarom zijn we uit New York vertrokken en naar Argentinië gegaan. We zijn jaren op de vlucht geweest. Ik dacht eindelijk dat we veilig waren. Maar ik had het mis. Ze hebben hem alsnog te pakken gekregen.’
‘Wie zijn “ze”?’
‘De maffia,’ antwoordde Emer, met een blik waardoor Bridie zich afvroeg of ze haar verstand had verloren. Ze sloeg een arm om haar heen, en Emer legde zacht snikkend haar hoofd op Bridies schouder.
‘Hoe ga je het de kinderen vertellen?’ vroeg Bridie.
Maar Emer hoorde het niet. ‘Ik vermoord ze!’ zei ze. ‘Ik zal niet rusten voordat ik die schoften te pakken heb! En dan vermoord ik ze! Met mijn blote handen!’