7

 

 

 

 

 

Op het moment dat ze vanuit het atelier van de hoedenmaakster naar buiten had gekeken en Jack O’Leary had zien staan, had wanhoop bezit van Kitty genomen. Ze had nooit kunnen denken dat hij zou terugkomen. Het was haar eindelijk gelukt het verleden achter zich te laten. Ze had een nieuw leven opgebouwd, een leven zonder hem, en ze was tevreden met Robert, en met JP en Florence. Vurig wenste ze dat Jack in Amerika was gebleven, zodat ze zijn beeld kon manipuleren zoals zij dat wilde. Maar hij was terug, hier in Ballinakelly, en hij was niet langer de hare.

Dat ze zijn vrouw haatte, was iets waar Kitty zichzelf om verafschuwde, maar ze kon er niets aan doen. En dat zijn vrouw de serene uitstraling had van iemand wier geluk volmaakt was versterkte die haat alleen maar. Ze was zich ervan bewust dat ze onredelijk was, dat het destijds haar eigen keuze was geweest om niet met hem mee te gaan naar Amerika, maar het maakte niet uit. Voor haar gevoel had Jack die ochtend in Ballinakelly zich opnieuw haar hart toegeëigend, even wreed en koud als de blik waarmee hij haar had aangekeken.

Als in trance liep ze door het huis, ze hoorde het nauwelijks wanneer haar dochter iets vroeg, ze luisterde niet naar wat haar man vertelde wanneer ze aan tafel zaten. Haar keel werd dichtgesnoerd, ze kreeg amper een hap naar binnen, en wanneer ze midden in de nacht wakker schrok was haar kussen nat van haar tranen. Hoe kon ze met haar leven verder nu Jack terug was in Ballinakelly? Hoe kon ze de schijn van geluk ophouden terwijl Jack haar hart in zijn handen hield en het leven eruit kneep? Ze was bang dat ze niet de kracht had om opnieuw te moeten doen alsof. Naar de stad kon ze niet meer. Ze zou zich in huis opsluiten, in de hoop hem op die manier te ontlopen.

Robert merkte onmiddellijk dat zijn vrouw niet gelukkig was, maar hij schreef het toe aan de komst van Bridie. Tenslotte was Kitty van meet af aan in alle staten geweest sinds bekend was geworden wie het kasteel had gekocht. Maar Robert vergiste zich. Voor het eerst in haar leven werden Kitty’s gevoelens voor het kasteel naar de achtergrond gedrongen. Door Jacks terugkeer leek de komst van Bridie er ineens niet meer toe te doen. Haar eigen reactie ontlokte Kitty nu een verbitterde glimlach. Haar leven lang was het kasteel altijd op de eerste plaats gekomen. Misschien was dat wel haar grootste fout geweest.

Geleidelijk aan begon Robert zijn geduld te verliezen. Hij hield van Kitty, juist om haar vurige, hartstochtelijke karakter, om de intensiteit waarmee ze de dingen voelde en beleefde, maar haar obsessieve liefde voor het kasteel, die hij jarenlang had getolereerd, begon hem onderhand de keel uit te hangen. Wat hij aanvankelijk charmant en romantisch had gevonden, wekte nu zijn irritatie. Natuurlijk, het was afschuwelijk geweest toen een groot deel van het kasteel tijdens de Troebelen in de as was gelegd, en jaren later had Kitty opnieuw een klap te verwerken gekregen toen haar nichtje Celia het kasteel had gekocht en herbouwd. Robert was de eerste om dat toe te geven, en hij had oprecht met Kitty te doen gehad. Sterker nog, hij had in het verleden nooit geklaagd toen ze over niets anders had kunnen praten en teleurstelling en verdriet haar hadden verteerd – hen allemáál hadden verteerd. Hij had een waar engelengeduld met haar gehad. Maar na Archies zelfmoord, waarop Celia het kasteel noodgedwongen had moeten verkopen, had Kitty de wijsheid moeten hebben het los te laten. Ze had een gezin, een eigen huis om voor te zorgen. Haar verknochtheid aan het huis van haar jeugd was een obsessie geworden. Dat kwam haar gezondheid niet ten goede. En het was ook funest voor hun huwelijk. Robert besloot het nog een week aan te kijken. Als hij dan nog geen verbetering zag, zou hij Kitty erop aanspreken.

 

Toen Martha’s brief kwam, stopte JP die opgewonden in zijn zak. Hij zadelde zijn paard en galoppeerde naar de Elfenkring. Daar bond hij de merrie aan een boom en ging op een van de kleinere stenen zitten die rond de kring van monolieten verspreid lagen. Met in de diepte de zee die tegen de rotsen beukte en met hoog boven zich de heldere, ijzig blauwe hemel haalde hij de brief tevoorschijn en begon te lezen. En terwijl zijn ogen over de regels in haar keurige handschrift gleden, zwol zijn hart van geluk. Ze was hem niet vergeten! Hij drukte de brief tegen zijn borst en keerde zijn gezicht naar de wind. Dit moest wel liefde zijn! Dít was wat dichters in hun poëzie onder woorden probeerden te brengen. Maar JP wist nu dat hun woorden tekortschoten.

Hij besloot onmiddellijk terug te schrijven, naar het adres dat in de brief stond. Zodra hij de bevestiging had dat ze op hem zou wachten, zou hij naar Londen gaan, zogenaamd om zijn oom Harry een bezoekje te brengen. Hij kon zijn ongeduld om haar weer te zien nauwelijks bedwingen. Toen hij omhoogkeek naar de hemel, zag hij boven zee een ondoordringbare muur van wolken naderen. Hij deed zijn ogen dicht en voelde de eerste spatjes van een lichte motregen. Het kon hem niet schelen. Desnoods ging het stormen. Hij voelde zich verwarmd door de herinnering aan Martha’s glimlach, aan haar hand die ze in de zijne had gelegd.

 

Alana O’Leary was tien jaar, maar als oudste kind in het gezin van Jack en Emer was ze haar leeftijd ver vooruit. Een wijs kind, dat niet bang was om voor haar mening uit te komen, met een groot verantwoordelijkheidsgevoel en een sterke drang naar onafhankelijkheid. Ze was geboren in Amerika, opgegroeid in Argentinië, sprak Spaans als haar tweede moedertaal, wist wat er in de wereld te koop was en beschikte over een grote mate van zelfverzekerdheid. Haar accent was moeilijk te plaatsen – een combinatie van Amerikaans-Engels, Iers en Spaans – en doordat ze was opgegroeid in twee culturen, werd ze door de kinderen van Ballinakelly, voor wie het stadje hun hele wereld was, als excentriek beschouwd. Maar Alana vond het heerlijk om anders te zijn. Terwijl de meeste kinderen het afschuwelijk zouden hebben gevonden als buitenbeentje te worden gezien, was Alana er juist trots op. En zo hadden haar ouders haar ook opgevoed. Dat ze trots moest zijn op wie ze was.

Met het blonde haar van haar moeder en de bleekblauwe ogen van haar vader was Alana een opvallende verschijning. Maar bovendien had ze iets bruisends, iets dynamisch waardoor ze extra de aandacht trok. Ze leek alerter dan andere kinderen, nieuwsgieriger, niet bang om zich te laten leiden door haar nieuwsgierigheid, ook – en vooral – wanneer ze zich daarvoor op onbekend terrein moest wagen. Wat haar het gelukkigst maakte – en waarmee Ballinakelly ruimschoots was gezegend – was de vrije natuur, het weidse land. Alana hield van de zee, de rivieren en beekjes, de dichte wouden en hoge grassen, en ze hield van alle dieren – in de lucht, op het land en in het water. Het kostte haar de grootste moeite braaf in de bank te blijven zitten wanneer de natuur haar riep met fluisteringen die op de zilte bries het klaslokaal binnenzweefden.

En zo kwam het dat ze op een ochtend de school uit glipte. Zonder acht te slaan op de scheur in haar blauwe jurk klom ze over de muur achter het gebouw en rende ze door de smalle straatjes van Ballinakelly, het stadje uit, de heuvels tegemoet. De hemel was stralend azuurblauw, meeuwen zwenkten langs het zwerk, de punten van hun witte vleugels glinsterden in de winterzon. Met een hart dat overstroomde van geluk liet Alana de verharde weg achter zich, ze sloeg een pad in dat over de heide voerde, en het duurde niet lang of ze had de school en de nonnen ver achter zich gelaten. Pas toen ze zeker wist dat niemand haar had gezien, begon ze langzamer te lopen. Met alleen een vest om haar schouders en leren laarzen aan haar voeten, genoot ze van haar vrijheid. De februarikou voelde ze niet, en ze had geen oog voor de donkere wolken die over zee kwamen aandrijven.

Het pad leidde de heuvels in. Alana volgde het huppelend en keek vol bewondering om zich heen. Tussen de rotsen liepen schapen te grazen, vogels tjilpten in de struiken. Ze ontdekte een stel geelbruine hazen dat wegsprong toen ze dichterbij kwam, en achter de kam van een heuveltje zag ze nog net de rode flits van een vossenstaart. Toen ze een kat in de gaten kreeg die in het hoge gras op muizenjacht was, volgde ze het dier, waardoor ze van het pad afdwaalde en zich steeds dieper de wildernis in waagde. Ten slotte kwam ze bij een stroompje waar ze zich op haar knieën liet vallen en met haar handen water schepte om haar dorst te lessen. Haar jurk zat inmiddels onder de modder, de linten in haar haar waren losgeraakt, maar ze ging zo op in haar avontuur dat ze het niet merkte. Genietend luisterde ze naar het gekabbel van het beekje, naar het gebulder van de zee in de verte, en toen het zachtjes begon te regenen, genoot ze zelfs van de kleine druppeltjes op haar gezicht.

Pas toen ze het koud kreeg begon het avontuur iets van zijn bekoring te verliezen. Ze keek om zich heen, op zoek naar het pad dat haar zou terugvoeren naar de stad, maar ze had geen idee waar ze was. Het pad was nergens te zien, ze zag zelfs geen dierenspoor. In plaats daarvan werd ze aan alle kanten omringd door ongerepte heuvels, velden en bossen. De wind was aangewakkerd, grijze wolken pakten zich recht boven haar onheilspellend samen en verduisterden de hemel. Toch was Alana niet bang, alleen maar nijdig op zichzelf omdat ze was verdwaald. Ze had op het pad moeten blijven, mopperde ze in gedachten terwijl ze de helling begon af te dalen en het beekje volgde. Want alle beken en rivieren leidden uiteindelijk naar de zee.

 

Met Martha’s brief in zijn binnenzak, dicht bij zijn hart, reed JP stapvoets over de kam van de heuvel. Al sinds zijn vroegste jeugd had hij over dit land gereden dat ooit aan zijn familie had toebehoord, en hij vond het nog altijd de mooiste plek op de hele wereld. Maar dankzij Martha’s brief leek alles zo mogelijk nog mooier. Hij keek naar de wolken, voortgedreven door de wind, en knipperde met zijn ogen toen er regendruppels aan zijn wimpers bleven hangen. De hemel werd donker, het licht zwakker, maar zelfs een sombere dag als deze kon geen afbreuk doen aan de schoonheid van het landschap. JP genoot van de gele gaspeldoorn, maar ook van de uitgestrekte heidevlakten die in deze tijd van het jaar bruin waren. Terwijl hij zijn paard inhield nam hij zich voor Martha hier ooit mee naartoe te nemen. Hij wist zeker dat ze er net zo van zou genieten als hij.

Op dat moment ontdekte hij in de verte een nietig figuurtje, een meisje in een blauwe jurk. Ze had lang haar en daalde langzaam de heuvel af. Te oordelen naar de onvaste manier waarop ze liep, verkeerde ze in problemen. Hij dreef zijn paard in galop en stormde over de drassige grond naar haar toe.

Bij het geluid van hoeven keek Alana op. Trots als ze was wilde ze niet laten merken dat ze verdwaald was, dus ze stak haar kin naar voren en verborg haar opluchting achter een hautaine blik.

‘Hallo!’ riep JP al van verre. Hij hield zijn paard in en ging van galop over in draf. Alana deed een stap naar achteren toen de ruiter zijn paard tot staan bracht. Het dier snoof krachtig door zijn grote, vochtig glinsterende neusgaten en schudde zijn glanzende manen. ‘Alles in orde?’

‘Ja hoor. Niks aan de hand.’ Alana streek met een bemodderde hand haar natte haren uit haar gezicht.

JP vernauwde zijn ogen tot spleetjes. Hij had dit meisje nooit eerder gezien. Haar accent kon hij niet plaatsen, maar ze was duidelijk niet van hier. ‘Weet je het zeker?’ drong hij aan, want hij zag dat ze stond te bibberen.

Zich plotseling bewust van hoe ze eruitzag, sloeg ze haar ogen neer en keek naar haar gescheurde, bemodderde jurk, haar laarzen die vol water waren gelopen, en haar smerige sokken.

‘Hoe heet je?’ hoorde ze hem vragen.

Ze sloeg haar ogen weer op en zag dat hij welwillend naar haar glimlachte.

‘Mijn doopnaam is Rosaleen, maar toen ik heel klein was noemde mama me Alana. Dat betekent “baby” in het Gaelisch. En toen zijn ze me allemaal zo gaan noemen. Dus ik heet Alana. Alana O’Leary.’

Hij glimlachte, geamuseerd door haar uitvoerige antwoord en door haar zelfverzekerde manier van doen. ‘Dus je bent een O’Leary?’ vroeg hij met een verbaasde frons, want ze klonk niet alsof ze Ierse was.

‘Ik ben hier nog niet zo lang. Hiervóór woonden we in Argentinië,’ legde Alana uit. ‘Mijn vader komt uit Ballinakelly. Jack O’Leary. Hij is dierenarts. Maar hij is jaren geleden naar Amerika vertrokken.’

JP knikte. Jack O’Leary kende hij wel. ‘En wat doe je hier, helemaal alleen in de heuvels? En dan ook nog zonder jas.’

Plotseling verlegen trok Alana haar vest dichter om zich heen. Deze ruiter praatte anders dan de mensen aan wie ze gewend was. ‘Die ben ik vergeten. Bovendien scheen de zon toen ik van school wegging.’

‘Aha.’ Hij trok een wenkbrauw op. ‘Dus je bent aan het spijbelen.’

Aangemoedigd door zijn grijns, maar vooral door de ondeugende twinkeling in zijn ogen, schonk ze hem een glimlach. ‘Ik vind school niet leuk.’

‘Volgens mij vindt niemand school leuk. En het is ook niet leuk om van alles te moeten leren. Ik vond het buiten altijd fijner dan binnen, helemaal als ik huiswerk moest maken. Maar het gaat zo regenen. En hard ook. Kijk maar naar die wolken. En het is nog een heel eind lopen naar Ballinakelly.’

Alana keek wat verloren naar het dal.

‘Bovendien loop je de verkeerde kant uit. Wist je dat?’ vroeg hij vriendelijk.

Ze schudde haar hoofd.

‘Als je die richting blijft volgen, kom je in Drimoleague.’

‘Daar ben ik nog nooit geweest.’

‘Het is er prachtig, maar niet als het regent.’ JP steeg af, en Alana was onder de indruk van het gemak waarmee hij zich uit het zadel liet glijden. Zijn ogen waren lichtgrijs en twinkelden nog altijd ondeugend onder de rand van zijn hoed. Hij trok zijn jasje uit. ‘Hier, trek dit maar aan. Anders vat je nog kou. En dan zal ik je naar huis brengen. Maar dan moet je me wel wijzen waar je woont.’

‘Moet ik dáárop?’ Ze keek omhoog naar het paard terwijl hij haar in zijn jas hielp. Die was haar veel te groot en viel tot op haar knieën, maar hij was wel lekker warm. Nu pas besefte ze hoe koud ze het had, en ze begon opnieuw te bibberen.

‘Heb je nog nooit op een paard gezeten?’

‘Nee. Da rijdt wel, maar Ma is bang voor paarden.’

‘Voor Dervish hoef je niet bang te zijn. Ze is heel lief en mak.’ Hij pakte haar onder haar oksels. ‘Als ik “spring” zeg, dan spring je.’

Voordat Alana besefte wat er gebeurde, werd ze in het zadel getild. De ruiter gaf haar de teugels, zette zijn voet in de stijgbeugel en ging achter haar zitten. ‘Ziezo.’ Hij sloeg zijn armen om haar heen om de teugels te pakken. ‘Zullen we dan maar?’ Het paard kwam in beweging en begon langzaam de heuvel af te dalen. ‘Ik heet JP. JP Deverill. De J is van Jack, net als je vader, en de P van Patrick, de beschermheilige van Ierland. Jouw familie en de mijne wonen al eeuwenlang in het graafschap Cork. Wist je dat?’

‘Nee.’

‘Hoe oud ben je, Alana?’

‘Tien en een half.’

‘Vind je het fijn in Ierland?’

‘Ik hou van Ierland!’

En dat meende ze, besefte JP door het enthousiasme waarmee ze het zei. ‘Hoe was het om in Argentinië te wonen?’

Ze leunde met een zucht naar achteren tegen zijn warme lichaam. ‘Ik woonde eerst in Amerika. In New York. Maar ik was nog maar klein toen we daar weggingen, dus ik weet er niet veel meer van. Ik herinner me alleen nog het appartement waar we woonden. En dat het sneeuwde in de winter. In Buenos Aires was geen sneeuw, de lucht was er altijd blauw. Maar ik vind het hier fijner. Ik zag net een vos! Alleen zijn staart. Maar ik weet zeker dat het een vos was. Ik weet alles van dieren, want mijn vader is dierenarts, en daar vertelt hij vaak over.’

JP luisterde naar haar geanimeerde gebabbel en was verrast door haar rijpheid. Ze was erg wijs voor haar leeftijd. Ze praatte honderduit, zonder een spoor van verlegenheid, en ze vond het ook niet eng om op een paard te zitten. Tegen de tijd dat ze het stadje binnenreden, had Alana uitgebreid verteld over thuis, over school, over Amerika en Argentinië, en JP had met geamuseerde belangstelling geluisterd.

Het was ondenkbaar dat ze in haar gescheurde, bemodderde jurk terugging naar school, dus Alana wees JP de weg naar het huis dat haar vader had gehuurd, totdat hij grond had gekocht om zelf te gaan bouwen. De witgepleisterde cottage had een dak van grijze pannen en lag aan de rand van het stadje, vlak bij de zee. JP steeg af en hielp Alana uit het zadel.

‘Bedankt voor het thuisbrengen. O…’ Ze trok zijn jasje uit en gaf het hem terug. ‘Ik heb het nu niet koud meer.’

‘Neem iets warms te drinken. En ik hoop dat je van je moeder niet terug hoeft naar school!’

Net toen hij weer wilde opstijgen, ging de voordeur open. Er verscheen een blonde vrouw met dezelfde lichte huid als haar dochter, die verrast haar blik over Alana’s gescheurde jurk en bemodderde laarzen liet gaan. Toen sloeg ze vragend haar ogen op naar JP.

Die nam zijn hoed af, waaronder een dikke bos rood haar tevoorschijn kwam. ‘Ik kwam uw dochter tegen in de heuvels. Ze was achter een vos aan gelopen,’ legde hij uit, en toen hij Alana een ondeugende glimlach schonk, dansten er plotseling vlinders in haar buik.

‘In de heuvels?’ herhaalde Emer. ‘Alana, wat deed je daar?’

‘Ik vind school niet leuk.’ Alana haalde haar schouders op. ‘Dus ik was op zoek naar andere dingen om te leren. Ik weet zeker dat Da het goedvindt.’ Ze keek JP grijnzend aan, in het besef dat hij haar vrijmoedigheid vermakelijk zou vinden.

Emer zette met een toegeeflijke glimlach haar handen in haar zij. ‘Nou, het is me wat moois. Ga maar naar binnen om je op te knappen. Ik heb visite. De gravin Di Marcantonio zit in de salon, dus zodra je toonbaar bent, kun je dag komen zeggen.’ Ze keerde zich weer naar JP. ‘Ik weet gewoon niet hoe ik u moet bedanken.’

‘JP Deverill,’ stelde hij zich voor.

Terwijl Emer hem de hand schudde, besefte ze dat ze bloosde, want hij was erg aantrekkelijk. ‘Mrs. O’Leary.’ Ze had het nog niet gezegd of ze besefte hoe onnozel dat moest klinken. Alana had zich ongetwijfeld al voorgesteld. ‘Kan ik u misschien iets te drinken aanbieden? Het is zo koud en nat. Het vuur brandt en ik heb net een pot thee gezet. Trouwens, hebt u de gravin al ontmoet?’

‘Nee, ik heb nog niet het genoegen gehad.’ JP zou de beruchte gravin Di Marcantonio graag hebben leren kennen, de vrouw die Kitty en zijn vader had doen schuimbekken van woede. Hij wist echter dat in elk geval Kitty niet zou willen dat hij met haar omging. ‘Maar ik kan helaas niet binnenkomen. Ik moet verder.’ Hij zette zijn hoed weer op.

‘Het was erg aardig van u om Alana thuis te brengen. Mijn excuses voor het ongemak.’

‘Het was geen moeite. Echt niet. Uw dochter heeft me de hele weg beziggehouden met verhalen over Buenos Aires.’

‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei Emer hoofdschuddend, waarop JP weer in het zadel klom en wegreed.

 

Toen Emer terugkwam in de salon, zat haar bezoek bij het vuur. ‘Dat was Mr. Deverill,’ vertelde ze haar nieuwe vriendin.

Bridie verbleekte. ‘Mr. Deverill?’

‘JP Deverill. Hij kwam Alana thuisbrengen. Ze was van school weggelopen en zwierf in de heuvels.’ Emer lachte, en Bridie lachte met haar mee terwijl ze krampachtig de pijn in haar hart verborg. ‘Wat een knappe jongeman!’ vervolgde Emer enthousiast.

‘Dat is hij zeker,’ zei Bridie met een klein stemmetje, en ze dacht terug aan dat moment, jaren geleden, toen ze had geprobeerd hem te ontvoeren. Gegeneerd keerde ze haar gezicht naar het vuur, zodat Emer haar blos van schaamte niet zou zien.

‘Is er iets, Bridie?’ vroeg Emer zacht.

‘Nee hoor. Misschien een beetje last van een lege maag. Heb je misschien een crackertje voor me?’

‘Natuurlijk.’ Emer haastte zich de kamer uit, en Bridie was dankbaar dat ze even alleen kon zijn met haar gedachten. Ze wenste dat zíj de deur had opengedaan. Ze verlangde er zo naar om haar zoon te zien, om met hem te praten. Ze zou zo graag willen dat hij haar kende, ook al zou ze hem nooit kunnen vertellen dat ze zijn moeder was.

Bridie stond op en liep naar het raam in de hoop nog een glimp van JP op te vangen, maar de weg lag er verlaten bij. Starend naar de motregen besefte ze dat ze zo niet kon doorgaan. Ze moest iets doen. Ze moest een ‘toevallige’ ontmoeting zien te regelen. Ze bedacht wel iets. En daarvoor zou ze de Heilige Maagd om raad vragen. Die was tenslotte ook moeder. Van alle heiligen zou de Heilige Maagd haar het best begrijpen.

 

Op weg naar huis besloot JP bij zijn vader langs te gaan om hem te vertellen over de brief. Bertie was de enige die hij over Martha in vertrouwen kon nemen, want hij was bij hun eerste ontmoeting geweest. En vervolgens had hij hem het juiste advies gegeven. Als het om de liefde ging, had zijn vader de beste papieren om hem te adviseren. Daar was JP van overtuigd. Kitty had ongetwijfeld in de gaten dat hij verliefd was. Ze was veel te slim om zoiets níét in de gaten te hebben. Maar hij was nog niet zover dat hij dit met haar wilde delen. En Robert had hij het ook niet verteld. Niet omdat hij hem niet vertrouwde, maar omdat hij zeker wist dat die het aan Kitty zou vertellen. Voorlopig wilde hij Martha voor zichzelf houden.

En dus reed hij naar het Jachthuis, dat met zijn puntige gevelspitsen, zijn grijze muren en donkere ramen een strenge aanblik bood. Dit was het huis waar Kitty was opgegroeid, terwijl haar grootouders in het kasteel woonden. Het was er kil, door het vocht dat opsteeg van de rivier die langs het huis naar de zee stroomde. Volgens Kitty was het in het Jachthuis altijd vochtig, zelfs in de zomer. Ze had er nooit een geheim van gemaakt dat het huis geen warme gevoelens in haar opriep. JP gaf zijn paard aan een van de stalknechten en liep naar binnen. Hij vond zijn vader in de salon, met de wolfshonden aan zijn voeten, terwijl hij instructies gaf aan een stel mannen die het portret van Adeline van de muur haalden. ‘Kijk eens wie we daar hebben!’ begroette Bertie zijn zoon hartelijk. ‘Pas op, Mr. Barrett. Voorzichtig. Het is zwaarder dan het lijkt.’

‘Ik doe mijn best, milord,’ zei Mr. Barrett, rood aangelopen van de inspanning.

‘Waarom haalt u grootmama van de muur?’ vroeg JP.

‘Het lekt hier. Alweer! En ik wil niet dat het schilderij beschadigd raakt. Het is een prachtig portret. De schilder heeft haar goed getroffen, vind ik.’

‘Ze was erg mooi,’ zei JP.

‘Dat was ze zeker. Het is jammer dat je haar niet gekend hebt.’

‘Ze lijkt op Kitty.’

‘Inderdaad. Hetzelfde rode haar, dezelfde lichtgrijze ogen, dezelfde uitdrukking. De gelijkenis is soms zo sterk dat ik mezelf in mijn arm moet knijpen. Zodra de muur weer droog is, hang ik het terug. Want ik ga mijn geld niet verspillen aan een reparatie. Het schilderij zal de vochtvlekken wel camoufleren.’

Mr. Barrett en zijn helper liepen wankelend onder het gewicht naar de hal. ‘Voorzichtig,’ zei Bertie nogmaals. ‘Er is geen haast bij, Mr. Barrett. Neem rustig de tijd.’ Hij keerde zich naar het dienstmeisje. ‘Molly wijst u wel waar u het kunt neerzetten. En dek het zorgvuldig af. Ik wil niet dat er stof op komt.’

‘Komt voor elkaar, Lord Deverill,’ zei het blozende dienstmeisje dat in een witte schort in de deuropening was verschenen. Molly loodste de mannen naar de bibliotheek. En naar een drankje als dank voor de moeite, hoopten ze.

‘Ik zal je zeggen, JP, het is een wonder dat dit huis nog overeind staat.’ Bertie liet zich hoofdschuddend in een stoel zakken. ‘Het is treurig, de staat waarin dit huis verkeert. Maar we zullen het ermee moeten doen. En we hebben tenminste een dak boven ons hoofd.’

‘Misschien repareert de gravin het wel.’ JP liet zich in de stoel tegenover zijn vader zakken. ‘Het huis is nu tenslotte van haar, en u betaalt huur. Dus zij moet voor het onderhoud zorgen.’

Bertie snoof alsof hij geen hoge dunk had van de gravin. ‘Zeg dat maar niet tegen Kitty.’ Hij grijnsde. ‘Afijn, wat kan ik voor je doen?’

JP schonk hem een brede glimlach.

‘Aha, je hebt een brief gekregen!’ zei Bertie toen zijn zoon een envelop uit zijn binnenzak haalde. ‘Dus ze vindt je leuk?’

‘Ik geloof het wel.’

‘Dan moet je naar Londen,’ zei Bertie prompt.

‘Ik hoopte al dat u dat zou zeggen,’ zei JP opgelucht.

‘Lieve jongen, als het om de liefde gaat, is er geen tijd te verliezen. Ieder ander zou het je ontraden. Je bent tenslotte pas zeventien. Maar ik zeg: ga naar haar toe. Wie niet waagt, die niet wint. En iedere man heeft nu eenmaal recht op zijn jeugdzonden.’

JP’s gezicht betrok. ‘Dit met Martha… dat is geen jeugdzonde, papa. Zo’n soort meisje is ze niet. Ik wil met haar trouwen.’

Nu reageerde Bertie toch verontrust. ‘Je hebt haar pas één keer ontmoet.’

JP glimlachte. ‘Als je de ware hebt gevonden, dan weet je dat,’ zei hij schouderophalend. En daar kon Bertie niets tegenin brengen.